- Nieuw Amsterdams Peil - http://napnieuws.nl -
Joodse school voelt zich “een soort sitting duck”
Posted By Alwin Kuiken On oktober 23, 2009 @ 17:19 In Reportage | No Comments
[1]Leerlingen, ouders en docenten van de enige orthodox-joodse school in Nederland krijgen in toenemende mate te maken met agressie. De bedreigingen aan het adres van de Cheiderschool maken hun wereld nog kleiner.
AMSTERDAM - Levi, Mendel, Nethanel? Komen jullie mee? De jochies haasten zich over het schoolplein van de orthodox- joodse Cheiderschool naar een geparkeerde Volkswagenbus. Vader, lange baard, strenge blik, heeft geen tijd om te praten. “Wie zegt u dat u bent? Nee sorry, ik moet naar Amersfoort. Ik hoop de files nog voor te zijn.”
Het is woensdagmiddag rond vier uur als de bovenbouw van de school leegloopt. Meisjes met rokken hangen zeurderig tegen het hek, ouders parkeren hun glimmende auto’s zo dicht mogelijk bij de ingang. Ook zij hebben geen tijd voor een praatje. Kruisende blikken verraden achterdocht en wantrouwen. “De pers? Nee, dat maakt het alleen maar erger”, zegt een ouder vanachter het stuur. Twee dochters zitten zenuwachtig op de achterbank. “In de vijf minuten dat u mensen probeert aan te spreken, hebben al vier mensen aan mij gevraagd wie u eigenlijk bent en of u wel te vertrouwen bent”, zegt ouder Wim van Dijk (41) vanachter het hek.
Welkom op het Cheider in Buitenveldert, waar elke ochtend een politiejeep zijn ronde doet. Waar een hekwerk en camera’s de indruk wekken in Johannesburg te zijn. En waar bewakers op acht televisieschermen de situatie in de gaten houden, terwijl ze een broodje haring eten. De orthodoxe school zit al zestien jaar in het gebouw in Buitenveldert waar ongeveer tien procent van de inwoners joods is.
Had de school vijftien jaar geleden zo’n 250 leerlingen, nu zijn dat er nog 180. Het verminderd aantal leerlingen houdt verband met de emigratie van joden naar het buitenland. Veel van hen kiezen voor de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Israël en Antwerpen. Daar is het veiliger: de joodse gemeenschap is groter en vaak meer verspreid over de stad.
Bedreigingen waren er altijd al wel, maar nemen de laatste jaren toe, zo laat het bestuur weten. Het varieert van pubers die de school opbellen en “Al-Qaida” schreeuwen, tot scheldpartijen, stenen gooien, steekpartijen en spugen. “Dan schreeuwen ze: ‘joden, joden’, of ‘nazi’s’. Soms pakken ze mijn keppeltje af en gooien ze hem op straat. Dan wordt ‘ie vies”, zegt Nethanel (7).
Wie ‘ze’ zijn? “Het zijn altijd moslims”, zegt Van Dijk. Hij heeft zijn keppeltje verborgen onder een blauwe alpinopet als hij het terrein verlaat, net als de andere docenten. Bepaalde plekken in de stad mijdt hij, zegt hij terwijl hij met zijn dochter mee naar huis loopt. “Het Amstelpark bijvoorbeeld. Laatst kwam er een jongetje naar me toe. Toen hij voor me stond, haalde hij zijn vlakke hand langs zijn keel. “Joden dood”, zei het jongetje. Zijn ouders stonden ernaast en moesten lachen. Onlangs nog, vroegen ze me wat ik in Nederland deed. Dat is toch belachelijk? Mijn familie woont hier al zeshonderd jaar.”
Achter het hek, verscholen achter spiegelglas houdt beveiliger/portier Joop een dossier bij van alle incidenten rondom het Cheider. Dat is een dikke map aan het worden. Volgens hem neemt het aantal bedreigingen sinds drie jaar “enorm” toe. Hij heeft het niet over moslims in het algemeen. Het zijn alleen Marokkanen die de problemen veroorzaken, zo vertelt hij.
“Als er in Israël iets gebeurt, dan merken we dat hier. Soms is het dreigingniveau zo hoog, dat we zelfs meelopen naar de bushalte. Als groepen jongens ergens naar toe gaan, dan gaat er altijd iemand mee”, legt de bewaker uit. “Zij zijn vanwege hun keppeltjes of hoeden beter herkenbaar.” Naast hem speurt zijn collega geconcentreerd de beeldschermen af. Als een BMW niet snel genoeg doorrijdt onderbreekt hij tijdelijk een worsteling met zijn broodje haring.
Hij is niet de enige die het terrein rondom de school in de gaten houdt. Elke ochtend staat een politiewagen voor de school geparkeerd. Soms een busje, maar net zo vaak staat de politie er met een kogelvrije jeep. “Dat doen we vanuit standaard veiligheidsoverwegingen”, legt één van de agenten uit. “Nu is het wel rustig, maar een paar maanden geleden stonden we hier 24 uur per dag. Waarom dat nodig is? Ik ben bang dat ik daar niets over mag zeggen”, vertelt hij voordat hij wegrijdt naar het Rosj Pina, een andere (niet orthodoxe) joodse school.
Naast het Cheider, Rosj Pina en Maimonides, alle drie gelegen in Buitenveldert, is er in Nederland geen andere school waar alleen halachisch joodse leerlingen worden toegelaten. Dat wil zeggen: alleen kinderen van wie de vrouwelijke lijn joods is, al dan niet bekeerd. De moeder geeft het joods-zijn door aan haar kinderen.
De bedreigingen leiden tot een fikse discussie in de lerarenkamer. Onderwerp: Geert Wilders. “Zijn populariteit komt niet uit de lucht vallen”, zegt Van Dijk. Ik ga op hem stemmen en ik kan verzekeren dat ik niet alleen sta. Hij was de enige, ik herhaal de enige, de er iets van zei toen SP-Kamerlid Harry van Bommel in januari tijdens het Gaza-conflict meeliep in een anti-Israël demonstratie en daar rustig Intifada verkondigde. Daar heeft Wilders in de joodse gemeenschap veel goodwill mee gekweekt.”
Schooldirecteur André Pels (57) kiest zijn woorden voorzichtiger. “Wilders heeft op bepáálde punten gelijk. Het zijn nou eenmaal niet de autochtone buurtjongetjes die stenen gooien.” Rabbijn/onderdirecteur Hans Groenewoudt (47) denk er anders over. “We hebben hier natuurlijk wel historisch besef. Straks komt Wilders aan de macht en probeert hij voor elkaar te krijgen wat hij nu zegt. Dat maakten ze in Duitsland ook mee.”
Vanuit zijn studiekamer op de eerste verdieping van de school kijkt de rabbijn voortdurend naar beneden. Joodse geleerden lijken vanaf zwart-wit foto’s aan de muur ook een oogje in het zeil te houden. “Je bent hier een soort sitting duck. Omdat je op één plek gecentreerd zit, ben je een makkelijk doelwit”, verklaart Groenewoudt.
Dat het dreigingniveau serieus is, bewees een ontruiming enkele maanden geleden. Een geblindeerde auto die lange tijd voor de school geparkeerd stond, was hier aanleiding voor. Of de ontruiming ook terecht was, laat de school in het midden om maar niemand op een idee te brengen.
Rabbijn Groenewoudt heeft wel een verklaring voor het gedrag van de daders, die ook volgens hem jonge moslims zijn. “Het heeft ermee te maken dat veel van die derde generatie moslims zich afkeren van het geloof. Dat gaat ten koste van hun identiteit. De ouders proberen daarom een vijandbeeld te creëren.” Dat voor de moslims in Nederland Israël en de joden de vijand zijn, is volgens hem opmerkelijk. “Ga maar eens naar Marokko. Daar kun je als jood prima over straat. In Turkije ook. Dat zijn bevriende staten van Israël.”
De rabbijn vertelt dat hij het stadscentrum, waarin hij ooit studeerde, ontloopt. “Vroeger was dat mijn terrein. Nu mijd ik de meeste plaatsen. Ik heb geen zin om bespuugd te worden. Als het even kan blijf ik hier, in Buitenveldert. Je wereld wordt zo wel een stuk kleiner.”
Klein Brazilië aan de Amstel
Posted By Sander Heijne On oktober 23, 2009 @ 17:18 In Onderzoek | No Comments
Veel Brazilianen wonen en werken illegaal in Amsterdam. Ze leven met de voortdurende angst om uitgezet te worden, maar hebben dat er graag voor over. “Het is hier makkelijk geld verdienen.”Een dag voordat Fernando Alves Pimentel Nederland verlaat, vertelt hij op een Amsterdams terras uitgebreid over de twee en een half jaar die hij als illegaal in Amsterdam doorbracht. Een paar dagen eerder heeft hij zich vrijwillig gemeld bij de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), een intergouvernementele organisatie die illegalen helpt terug te keren naar het land van herkomst. Volgens de voorwaarden van het IOM betaalt de organisatie de thuisreis voor illegalen die dat zelf niet kunnen bekostigen.
Bepakt en bezakt reist Pimentel terug naar Brazilië. Met twee koffers van elk 23 kilo gaat hij naar Schiphol. Voor dit extra gewicht hoeft hij niets bij te betalen. In zijn bagage zit voor ongeveer 2500 euro aan spullen die hij in Nederland heeft gekocht. Een computer, een videocamera, kleding. Geld heeft hij nauwelijks bij zich, dat staat al veilig op een bank in Brazilië.
Het verhaal van Pimentel staat voor tienduizenden arbeidsmigranten die zonder werk- en verblijfsvergunning in Nederland wonen en werken. De meeste illegalen werken een paar jaar in Nederland om geld te verdienen voor familie thuis, of om zelf in een goed leven in het land van herkomst op te kunnen bouwen. De Nederlandse overheid probeert illegaliteit zoveel mogelijk te bestrijden. Dat maakt het leven van een illegaal er niet eenvoudiger op.
Een illegaal kan in de Europese Unie geen rekening openen. Dit betekent niet dat illegalen al hun geld in een oude sok bewaren. Pimentel heeft zijn loon in Nederland altijd in contanten ontvangen. Al het geld dat hij hier niet nodig had om in zijn levensonderhoud te voorzien, stortte hij met Money Transfer op de bankrekening van zijn moeder in Brazilië. Hij laat in het midden om hoeveel geld het gaat. “Met wat ik in Nederland heb verdiend, kan ik in Brazilië ongeveer tien jaar vooruit.”
Tot en met augustus van dit jaar hebben 1741 vreemdelingen Nederland op kosten van het IOM, gefinancierd door het ministerie van Justitie, verlaten. Een woordvoerder van het IOM geeft toe dat ze niet weet hoeveel van deze mensen prima zelf in staat waren om hun thuisreis te betalen. “Dit is voor ons ook een groot probleem. Wettelijk zijn migranten die bij ons aankloppen niet verplicht om te bewijzen dat ze niet genoeg geld hebben voor een vliegticket. Wij zijn zelf geen overheid. De enige manier waarop we kunnen controleren of iemand zelf kan opdraaien voor de kosten van een vlucht is het ze te vragen. Dat is natuurlijk geen waterdicht systeem.”
Toeristenvisum
Het is voor Brazilianen niet moeilijk om de Europese Unie binnen te komen. Pimentel: “Ik ben op een toeristenvisum naar Parijs gevlogen. Een vriendin van mij zat toen al in Nederland. Zij zei dat het hier makkelijk geld verdienen was, dus ik ben direct doorgereisd naar Amsterdam.”
Toeristen mogen niet werken in de Europese Unie, dus na drie maanden verstrijkt het toeristenvisum. Vanaf dat moment zijn vreemdelingen voor de wet illegaal en ligt uitzetting constant op de loer. Voor veel illegalen, waaronder Pimentel, staat er vanaf dat moment meer op het spel dan uitzetting alleen.
“In het begin was ik heel bang om opgepakt en uitgezet te worden” zegt Pimentel. “In Brazilië heb ik geld moeten lenen om een ticket te kunnen betalen. Voor Braziliaanse begrippen gaat dat om een enorm bedrag, van ongeveer vijf maandsalarissen. Ik heb het geld geleend op de zwarte markt, tegen acht procent rente. Als ik was teruggestuurd voordat ik deze schuld had afbetaald, had ik een probleem gehad. Als dat je overkomt, pakken ze eerst al je spullen af. En als ze dat niet genoeg vinden, maken ze je gewoon af.”
Er zijn meer Brazilianen die het geld voor hun ticket naar Nederland bij louche woekeraars lenen, zeggen twee andere illegale Brazilianen. Ze herkennen veel in het verhaal dat Pimentel vertelt, maar willen zelf liever niet te veel kwijt over hun leven in Amsterdam. “We willen hier graag nog een tijdje blijven, begrijp je.”
Zodra een illegaal eenmaal de Europese Unie is uitgezet, is het moeilijker om opnieuw binnen te komen. Iedere vreemdeling die wordt uitgezet, wordt geregistreerd in het Schengen Informatie Systeem (SIS). Deze informatie wordt meegenomen in de beoordeling van een aanvraag voor een toeristenvisum. Vanaf december 2010 wordt het uitgezette illegalen nog moeilijker gemaakt om terug te keren. Dan wordt de Europese Terugkeerrichtlijn ingevoerd. Voor uitgezette vreemdelingen betekent dit dat hen een inreisverbod kan worden opgelegd.
Werk
Pimentel spreekt geen Nederlands en gebrekkig Engels. Toch had hij weinig moeite om werk te vinden in Nederland. Pimentel: “Ik had die vriendin hier wonen. Zij kende weer een ander Braziliaans meisje dat op dat moment terug ging naar Brazilië. Zij had een schoonmaakbaantje voor drie uur per week dat ik voor honderdtwintig euro van haar kon overkopen.” Op het schoonmaakadres verdiende Pimentel tien euro per uur. Het was zijn eerste baantje in Nederland.
Toen Pimentel meer Brazilianen leerde kennen, kreeg hij ook steeds meer baantjes. Hij schilderde, maakte schoon, waste borden en verrichte hand en spandiensten op een hockeyclub. “Er is hier een heel netwerk van illegale Brazilianen in de stad, die allemaal dezelfde baantjes hebben en werk aan elkaar doorgeven.”
Werkgevers die illegalen inhuren zijn strafbaar. Zij riskeren een boete van achtduizend euro per illegale werknemer. Voor particuliere werkgevers is dat vierduizend euro. Toch nemen werkgevers nog steeds illegalen in dienst.
Waarom nemen ze dat risico? “Omdat de pakkans klein is, de loonkosten laag zijn en illegalen doorgaans hard werken”, zegt een Amsterdamse restauranteigenaar die niet met zijn naam in de krant wil. Ook hij heeft “zo nu en dan” een illegaal in de keuken werken. Hij legt uit dat het voor hem nooit een bewuste keuze is om een illegaal in te huren. “Op het moment dat ik op zoek ben naar een nieuwe bordenwasser, dan neem ik gewoon iemand aan die een betrouwbare indruk maakt en bereid is hard te werken voor weinig geld. Soms is dat een scholier, soms een illegaal. Zolang ze er de kantjes niet vanaf lopen, heb ik daar geen probleem mee.”
De restauranteigenaar behandelt illegale werknemers naar eigen zeggen niet anders dan andere werknemers. “Ze verdienen netto zelfs iets meer dan gewone bordenwassers. Die krijgen wit het minimumloon. Toch kost mij dat meer door alle premies die daar bovenop komen. Een illegaal krijgt bij mij tien euro per uur, belastingvrij. Voor zover ik weet is dat de gangbare vergoeding in Amsterdam. Ze werken er in ieder geval graag voor.”
Pimentel bevestigt het uurtarief van tien euro. “Eigenlijk betalen alleen Braziliaanse bazen die wel een legale status hebben in Nederland minder. Zij teren vooral op nieuwkomers uit Brazilië, maar als die hier eenmaal een tijdje zijn gaan ze meestal voor Nederlanders werken.” Toch heeft ook Pimentel gemerkt dat er Nederlanders zijn die illegalen willen uitbuiten. “Ik heb een tijdje één dag in de week bij een kapper gewerkt. Die zei altijd dat hij me de week erop zou betalen, maar dat deed hij nooit. Uiteindelijk ben ik maar met dat baantje gestopt. Als illegaal kan ik natuurlijk niets tegen zo’n vent beginnen.” Over al zijn andere werkgevers is Pimentel lovend.
De Amsterdamse restauranteigenaar zegt weinig voorzorgsmaatregelen te nemen om te voorkomen dat hij betrapt wordt. “Het enige is eigenlijk dat ik illegale werknemers nooit bedrijfskleding laat dragen. En ik hang het liever niet aan de grote klok, daarom vertel ik dit anoniem. Maar reken maar dat ik niet de enige ben die af en toe een illegaal aan het werk helpt. Denk maar eens aan al die particulieren met hun Ghanese en Braziliaanse werksters. Stuk voor stuk illegaal.”
Samenleving binnen de samenleving
In de twee en een half jaar die Pimentel in Nederland doorbracht, had hij nauwelijks contact met Nederlanders. “Ik heb ongeveer een jaar een Nederlands vriendinnetje gehad, mijn huisbaas is Nederlands en ik heb voor Nederlanders gewerkt.” Verder ging Pimentel alleen met Brazilianen om, de meesten net als hij illegaal. Ze ontmoeten elkaar in de Braziliaanse bars in de stad.
Hoewel de Brazilianen in Amsterdam hun eigen leefwereld hebben, zijn ze behoorlijk goed op de hoogte van wetten en regelingen die op hen van toepassing zijn. “Iedere illegale Braziliaan weet dat je met het IOM gratis naar huis kunt en iedere Braziliaan die ik ken reist ook op deze manier”, zegt Pimentel. De illegalen weten ook dat ze in Amsterdam bij de Kruispost terecht kunnen voor huisartsenhulp. “En als je iets hebt dat ernstiger is, schijn je gewoon terecht te kunnen in het ziekenhuis zonder dat ze de politie bellen.”
De illegalen komen op verschillende manieren aan hun informatie. Deels doordat illegalen die al langer in Nederland wonen nieuwkomers vertellen wat ze wel en niet moeten doen. Maar er is ook hulp van het Braziliaanse consulaat in Rotterdam. Consul-Generaal Pereira: “Wij helpen iedere Braziliaan die onze hulp nodig heeft. Legaal en illegaal. De hulp varieert van het verstrekken van nieuwe paspoorten tot het geven van voorlichting over Nederlandse wetgeving die van toepassing is op illegalen.”
Toch kan dit niet voorkomen dat er onjuiste geruchten de ronde doen. In de Braziliaanse gemeenschap gaat momenteel het gerucht dat de Nederlandse politie vanaf januari 2010 lukraak Braziliaanse bars mag binnenvallen en iedereen om legitimatie mag vragen. Een woordvoerder van het ministerie van Justitie zegt dat er geen wetswijziging in aantocht is. “Wel is het zo dat de politie een vreemdeling van wie zij een redelijk vermoeden heeft dat deze illegaal is, nu al om een legitimatiebewijs mag vragen.”
Angst voor uitzetting
Illegalen zijn altijd op hun hoede voor de politie. Pimentel: “Ik weet gewoon dat als ik word aangehouden, ik meteen op een vliegtuig naar Brazilië wordt gezet.” De Braziliaan doet er alles aan om dit te voorkomen. “Ik zorg altijd dat mijn licht het doet en ik fiets nooit door rood.” Toch houdt Pimentel er iedere keer dat hij de deur uit gaat rekening mee dat hij misschien niet meer thuiskomt.
Illegalen in Nederland
Niemand weet precies hoeveel mensen illegaal in Nederland wonen en werken. De meest recente schattingen over het aantal illegalen in Nedeland zijn in 2008 gepubliceerd door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie. Het WODC schat dat er tussen 1 april 2005 en 1 april 2006 tussen de 74.000 en 184.000 personen illegaal in Nederland verbleven.
Door de uitbreiding van de Europese Unie is het aantal Europese illegalen in Nederland sindsdien afgenomen. Het WODC schat dat tussen 1 april 2005 en 1 april 2006 22.185 illegale Bulgaren en Roemenen in Nederland verbleven. Zij zijn door de toetreding van Bulgarije en Roemenie tot de Europese Unie in 2007 inmiddels legaal. Ook het generaal pardon uit 2007 heeft invloed gehad op de omvang van de populatie illegalen in Nederland.
In 2010 zal het WODC een nieuwe schatting uitvoeren.
“Ik heb altijd mijn belangrijkste spullen klaar liggen bij mijn koffers, zodat ze makkelijk ingepakt kunnen worden. Als ik dan gepakt word, kan ik nog iemand bellen om mij de spullen te laten brengen.” De Braziliaan heeft vrienden die hier niet op voorbereid waren. “Dan word je gewoon in de kleren die je op dat moment aan hebt het land uitgezet.”
Twee keer ging het bijna mis. “In de tram had ik per ongeluk een keer een zone te weinig gestempeld en toen kwam er controle. Ik dacht toen echt dat ik zou worden uitgezet, maar uiteindelijk bleek dat als ik de boete ter plekke zou betalen, ik niet aan de politie werd overgedragen. Dat heb ik natuurlijk meteen gedaan. En een andere keer fietste ik met een vriend over het Leidseplein. Daar mag je niet fietsen maar dat wist ik toen nog niet. Kwamen er opeens twee agenten op ons af. Ik dacht dat het voorbij zou zijn. Uiteindelijk zeiden ze alleen maar dat we daar niet mochten fietsen. Ze vroegen geen legitimatie.”
Zelf vindt Pimentel de angst voor uitzetting wel overkomelijk. Toch merken de vrijwilligers van Kruispost dat illegalen beduidend vaker stressgerelateerde klachten hebben dan reguliere patiënten. Cijfers heeft Kruispost niet.
Thuis
Inmiddels is Fernando Alves Pimentel veilig in Brazilië aangekomen. Bij thuiskomst wachtte hem een grote teil met bier. Hij wil zijn werk als autospuiter weer oppakken. Daarmee verdient hij genoeg om in zijn levensonderhoud te voorzien. Met het geld dat hij in Nederland heeft verdiend, kan hij het huis van zijn moeder opknappen en een auto kopen.
Hij bewaart goede herinneringen aan Nederland. Trots denkt hij terug aan het schoonmaakadres waar de mensen hem dusdanig vertrouwden dat hij hun huissleutel kreeg. “Dat is een belangrijke verantwoordelijkheid.” Toch zal hij geen van zijn vrienden aanraden om als illegaal naar Nederland te gaan. En niet alleen omdat de Braziliaanse economie steeds beter draait.
“Het leven van een illegaal is lastig. Ik had in Nederland gelukkig een goede vriend – ook een illegale Braziliaan – die mijn familie zou waarschuwen als mij iets zou overkomen. Want dat is het ergste aan illegaal zijn. Je kunt zomaar doodgaan zonder dat je familie thuis dat ooit te horen krijgt.”
Illegaal strandt aan ziekenhuisbalie
Posted By Carlinde Broeks On oktober 23, 2009 @ 17:17 In Achtergrond | No Comments
Een op de drie illegalen in Nederland wordt zorg geweigerd. “Veel ziekenhuizen hadden protocollen met de insteek: ‘Hoe mijd ik een illegaal’.” Sinds begin dit jaar zijn de financiele bezwaren voor medische noodhulp aan illegalen weggenomen, maar dat is nog niet bij alle zorgverleners bekend.
AMSTERDAM - Een Ghanese moeder stond onlangs met haar zoontje van 3 maanden aan de balie van een ziekenhuis in Amsterdam. Ze spreekt geen Nederlands en heeft geen papieren. Haar zoontje gebruikt antibiotica tegen een urineweginfectie. Die kreeg hij een week eerder voorgeschreven op dezelfde polikliniek. Ze kwam voor de vervolgafspraak om te kijken of de kuur was aangeslagen.
“Er staat nog een rekening open van 300 euro”, zei de baliemedewerkster. “U moet eerst betalen, daarna kunnen we u pas helpen.” Dat geld had ze niet. Met haar zoontje op de arm liep de moeder weg. Hij slikt nog steeds antibiotica.
Een op de drie illegalen wordt in eerste instantie zorg geweigerd, zegt de internationale ontwikkelingsorganisatie Médecines du Monde [4](Dokters van de Wereld). Een ruime helft van de sans papiers zoekt helemaal geen medische hulp, door een taalbarrière, geldgebrek of uit angst om opgepakt te worden. De organisatie baseert zich op eigen onderzoek onder 1218 illegale migranten in elf Europese landen. In Nederland werden 103 mensen geïnterviewd.
Steeds meer illegalen vragen om zorg. Hun aantal groeit sinds de regels voor de toelating van asielzoekers in heel Europa strenger zijn geworden. Uitgeprocedeerde asielzoekers belanden vaker in de illegaliteit. Ze hebben dikwijls complexe problemen. Hun gezondheidssituatie wordt bemoeilijkt door trauma’s, stress en psychische stoornissen. Maar als gevolg van allerlei drempels wachten ze lang voordat ze hulp zoeken.
Illegalen in Nederland
Niemand weet precies hoeveel mensen illegaal in Nederland wonen en werken. De meest recente schattingen over het aantal illegalen in Nedeland zijn in 2008 gepubliceerd door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie [5]. Het WODC schat dat er tussen 1 april 2005 en 1 april 2006 tussen de 74.000 en 184.000 personen illegaal in Nederland verbleven.
Door de uitbreiding van de Europese Unie is het aantal Europese illegalen in Nederland sindsdien afgenomen. Het WODC schat dat tussen 1 april 2005 en 1 april 2006 22.185 illegale Bulgaren en Roemenen in Nederland verbleven. Zij zijn door de toetreding van Bulgarije en Roemenie tot de Europese Unie in 2007 inmiddels legaal. Ook het generaal pardon uit 2007 heeft invloed gehad op de omvang van de populatie illegalen in Nederland.
In 2010 zal het WODC een nieuwe schatting uitvoeren.
Als ze die hulp wel zoeken, gaat het vooral mis aan de balie. “Baliemedewerkers en administratief personeel zien alleen dat een patiënt geen paspoort en geen verzekeringspapieren heeft. Ze weten niet wat ze daarmee aan moeten”, zegt Marianne Begemann, arts en bestuurslid van de Johannes Wier Stichting voor mensenrechten en gezondheidszorg. “De front office is niet goed geïnformeerd over de regeling voor illegale patiënten.”
Sinds januari dit jaar is er een nieuwe wet, die de vergoeding van medische zorg voor illegale migranten regelt. Zonder verblijfsvergunning mag je geen zorgverzekering afsluiten, maar heb je wel recht op medisch noodzakelijke hulp. Artsen moeten die hulp in principe verlenen – ook als de patiënt niet kan betalen.
De wet wordt uitgevoerd door het College voor Zorgverzekeringen (CVZ). Het uitgangspunt is dat de illegale patiënt zelf betaalt. Als hij dat nalaat, kan de zorgverlener de factuur in de meeste gevallen declareren bij het CVZ. Huisartsenzorg en kraamhulp worden (grotendeels) vergoed. Voor ziekenhuiszorg geldt dat de illegale patiënt tenminste bij één ‘gecontracteerd‘ ziekenhuis in de regio terecht kan.
Voorheen hadden ziekenhuizen zelf potjes waaruit de zorg voor illegalen werd betaald. “Het was verliesgevende zorg”, zegt Henk Vis van GGD Rotterdam. “En dat is ongunstig voor de balans van het ziekenhuis.” Marjan Mensinga van Lampion, een stichting die hulpverlening aan illegalen coördineert: “Veel ziekenhuizen hadden protocollen met de insteek: ‘Hoe mijd ik een illegaal’. Het is een hele verbetering dat nu duidelijk is bij welke instelling illegale patiënten kunnen aankloppen.”
Vrijwel iedereen noemt de wet een vooruitgang. “Technisch, juridisch en medisch is het niet meer zo’n probleem”, zegt Vis. Alleen: de praktijk is weerbarstiger.
Begin dit jaar heeft elke zorgverlener, van huisarts tot ziekenhuis, een ‘persoonlijke brief’ gehad over de nieuwe regeling, laat een woordvoerder van het CVZ weten. Ook de brancheorganisaties zijn aangeschreven. Maar binnen de ziekenhuizen daalt de informatie langzaam in. “Het schort aan de informatievoorziening in het ziekenhuis”, zegt Marianne Begemann.
Het is te gemakkelijk om met de beschuldigende vinger naar de baliemedewerker te wijzen, vindt ze. “De ziekenhuisdirectie is ervoor verantwoordelijk dat het personeel goed is voorgelicht.” Artsen zijn nu ook niet verplicht om zich bij te scholen over het onderwerp en studenten krijgen in hun opleiding evenmin te horen hoe ze met illegale patiënten om moeten gaan.
Bij het CVZ komen nooit signalen binnen over zorgweigering. “Als er al klachten over de weigering van zorg aan illegalen zijn, dan bereiken die ons niet. Wij zijn er namelijk alleen om zorgverleners te compenseren als de rekening niet betaald wordt”, zegt de woordvoerder. “Dat binnen de instellingen niet iedereen op de hoogte is, is niet de verantwoordelijkheid van het CVZ, maar van de ziekenhuisdirectie.”
Niet alleen in het ziekenhuis is kennisgebrek een probleem. Een medewerker van de Nederlandse Huisartsen Vereniging geeft grif toe dat het lezen van informatieve brieven er nogal eens bij in schiet. “De werkdruk is al hoog. Veel huisartsen komen om in het papierwerk. Ze verdiepen zich niet in specifieke regelingen.”
Artsen houden hun patiënten ook niet genoeg in de gaten, zegt Begemann. “Als de patiënt niet op het spreekuur verschijnt, zou de dokter er achter aan moeten bellen. De arts denkt dat het geregeld is, terwijl de patiënt is afgedropen.”
Het probleem ligt ook bij de illegaal zelf, denkt Marjan Mensinga van Lampion. “De illegaal spreekt meestal slecht Nederlands. Die snapt de instructies van het baliepersoneel niet en denkt ten onrechte dat hij wordt weggestuurd.” Sommige illegalen denken ook dat de zorg gratis is, weet ze. “Onwetende vrijwilligers van vluchtelingenorganisaties vertellen ze dat. Illegalen komen dan aan de balie en eisen zorg. Het baliepersoneel denkt: ‘bekijk het, iedereen moet betalen, dus jij ook’.”
Illegale patiënten moet je binnen de boot houden. Anders zie je niet meer terug, is de angst. En dat is kwalijk gezien hun vaak aanzienlijke problemen. De informatievoorziening over de zorgverlening aan illegalen moet op alle niveaus beter, vinden betrokken organisaties. “Het is nu veel te vrijblijvend”, zegt Begemann. “Je moet mensen verplichten zich bij te scholen, anders dringt het nooit door. ”
Illegale Filippijnen zijn het liefst onzichtbaar
Posted By Nelleke Koops On oktober 23, 2009 @ 17:16 In Interview | No Comments
[7]Veel Amsterdamse huishoudens hebben een Filippijnse schoonmaker in dienst. De meesten zijn illegaal. Hoe kwamen zij hier terecht en hoe houden zij zich staande? Het verhaal van Tony en Cécile.
AMSTERDAM - Ze komen altijd samen. Lopend, want een fiets hebben ze niet. Daarom willen ze eigenlijk alleen schoonmaken in de buurt van stadsdeel Westerpark, al hebben ze het niet altijd voor het zeggen. Soms doorkruizen ze samen de halve stad, op weg naar de Rivierenbuurt. “Maar die huizen doen we alleen als het niet anders kan.”
De Filippijnse Tony (27) en Cécile (25) maken al acht jaar schoon in Amsterdam. Cécile, een tenger meisje met iets te grote kleren en een open, vriendelijk gezicht, kreeg een tijdelijk visum om als au pair te werken bij een gezin in Amsterdam Zuid. Haar vriend Tony, een schuchtere jongen met haar tot op zijn smalle schouders, kwam haar achterna met een toeristenvisum. Ze wilden hier geld verdienen voor hun familie in de Filippijnen. Tony voor de opleiding van zijn twee jongere broertjes en Cécile voor de behandeling van haar moeder, die aan een spierziekte lijdt.
Over haar tijd als au pair is Cécile niet erg open. “De mensen waren niet goed”, zegt ze alleen. “Ze moest heel veel doen en sliep weinig”, vult Tony voorzichtig aan. Hij trekt zijn ogen naar beneden en zuigt zijn wangen naar binnen: “zo zag ze eruit”. Cécile lacht en zegt dan zachtjes: “En hij was, hoe zeg je dat, handtastelijk. Niet heel erg hoor, maar hij probeerde het wel”. “Daarom doen we nu alles samen”, zegt Tony. “Dat is leuker en het gaat twee keer zo snel. En als een van ons ziek is, gaat de ander ook niet.”
Door te stoppen met haar werk als au pair raakte Cécile haar werkvergunning kwijt. Tony was al illegaal in Nederland en viel af en toe in voor zijn tante die schoonmaakster was. “Dat gebeurt heel veel”, zegt hij. “Mijn tante heeft heel veel adresjes, meer dan ze zelf kan doen. Dus stuurt ze familie of Filippijnse vrienden. En de bewoners hebben het nooit door, die werken altijd. Als het huis maar schoon is.” Hij schat dat zeker de helft van alle schoonmakers in Amsterdam van Filippijnse afkomst is. De meesten zijn illegaal en moeten het hebben van dit soort klusjes totdat ze zelf een netwerk hebben opgebouwd.
Vertrouwen
Ook bij Tony en Cécile duurde dat even. “Het is ook wel gek”, zegt Cécile. “Mensen geven ons de sleutels van hun huis, met al die mooie spullen erin, terwijl ze niets van ons weten.” Soms vragen ze een kopie van hun paspoort of hun adres, maar dat krijgen ze niet. “Er zijn mensen die ons dan niet meer willen, maar vaak denken ze: ‘oh ze maken ook bij mijn collega schoon, dus het zal wel goed zijn’.” Omdat ze dat vertrouwen niet willen beschamen, sturen ze zelf nooit iemand anders naar één van hun adresjes.
Al zou dat wel eens makkelijk zijn, zucht Tony. Gek worden ze van alle smsjes of ze deze week niet op maandag kunnen komen in plaats van woensdag en of ze niet ‘s middags kunnen komen in plaats van ‘s ochtends. Ze zijn afhankelijk van de grillen van hun ‘bosses’: Amsterdamse tweeverdieners met goede banen en weinig tijd. Die willen op hun wenken bediend worden en niet horen dat iets niet kan. Dus doen ze hun best te schuiven met hun schema, tot ergernis van hun andere ‘bazen’. “Nederlanders zijn gehecht aan hun vaste dagen. Als je ze die niet kunt geven, zoeken ze een ander.”
Soms gaat het goed, dan speelt de een na de ander hun nummer door aan een vriend of collega en moeten ze zelfs mensen afwijzen. “Maar dat is ook vervelend”, zegt Cécile. Dat ze regelmatig van nummer wisselen, om de instanties op afstand te houden, maakt het extra ingewikkeld. “Dan krijgen ze een familielid of Filippijnse kennis aan de lijn, die de boodschap weer aan ons moet doorgeven. Voor die mensen is dat verwarrend. En er slingeren zo steeds meer nummers van ons rond.”
Er zijn ook periodes dat het minder gaat. “Mensen vertrekken naar het buitenland en hebben ons niet meer nodig. Of ze sturen ons weg. Ze vinden het vervelend dat we alleen samen willen komen of dat we geen Nederlands spreken”, zegt Cécile. Ze denkt er wel eens over Nederlands te leren, maar met wie moet ze het dan spreken? Behalve hun bazen kennen ze geen Nederlanders.
Het liefst maken ze zich onzichtbaar. Als de bewoner toevallig thuis is als ze komen schoonmaken, komen ze liever een andere keer terug. Of ze sluipen door het huis zonder een woord te wisselen. Een Filippijnse gewoonte, denkt Cécile, je moet je werkgever niet tot last zijn. Ze spreken gebrekkig Engels maar kunnen het wel schrijven, dus gaat het contact meestal per sms en via briefjes op de keukentafel. “Dan ligt er een briefje of we naast de gewone dingen ook nog tien overhemden willen strijken en de oven willen schoonmaken”, zegt Tony, terwijl hij een kleur krijgt. “Maar er ligt geen extra geld”.
Loonsverhoging
Tien euro per uur krijgen ze meestal, al proberen ze de laatste tijd voorzichtig om loonsverhoging te vragen. “Tony wilde het niet”, zegt Cécile, “maar ik heb het doorgedrukt. Als je al vier jaar bij dezelfde mensen schoonmaakt, mag je toch op een gegeven moment wel wat meer verdienen?” Dus legden ze een briefje neer, waarin ze uitlegden dat ze moeite hadden om rond te komen en dat alles duurder was geworden. Vijftig cent extra vroegen ze per uur. Sommigen schreven een aardig briefje terug, maar de meesten legden de volgende keer gewoon weer hetzelfde bedrag neer. “Dezelfde mensen die nooit iets extra’s geven met kerstmis”, mompelt Tony voor zich uit.
Een deel van het geld dat ze verdienen, sturen ze naar hun familie. Van de rest kunnen ze net rond komen en zelfs nog wat opzij zetten. “We doen twee à drie huizen per dag, zes dagen in de week”, legt Cécile uit. “Bij sommige huizen komen we één keer in de twee weken, bij andere twee keer in de week. Ik denk dat we nu zeker zo’n twintig huizen hebben.”
Ze hebben een kamer en een eigen keukentje in het huis van een achterneef van Cécile in Westerpark. Bij mooi weer gaan ze op zondag met z’n allen naar het park om te barbecuen en een beetje te voetballen. In de buurt wonen een paar Filippijnse vrienden, in West en in de Bijlmer nog wat familie. Via via kent iedereen elkaar wel. Iedereen werkt bovendien om geld te kunnen sturen naar familie, vaak naar kinderen die ze in geen jaren hebben gezien. Dat schept een band.
Tony en Cécile willen ook graag kinderen, maar niet in Nederland. Ze werken nog even door, met desnoods wat extra adresjes, om straks voorgoed terug te gaan. “Tot we genoeg hebben om daar iets op te bouwen”, zegt Tony. “Dan hoeven we niet weer weg als we kinderen krijgen. Wij gaan het anders doen.”
De namen van Tony en Cécile zij op hun verzoek gefingeerd.
“We zoeken de grenzen van de wet op”
Posted By Laura van der Wal On oktober 23, 2009 @ 17:15 In Reportage | No Comments
Asielactivisten probeerden afgelopen zondag met pannendeksel en fluitjes opnieuw aandacht te vragen voor de illega
len in ‘Kamp Zeist’. De uitgeprocedeerde asielzoekers wachten daar volgens de lawaaidemonstanten onder erbarmelijke omstandigheden op hun uitzetting. Volgens de AIVD worden de actievoerders steeds extremer.
Met fluitjes, pannendeksels, trommel en sirenes maken ruim dertig betogers voor het hek rond het gesloten detentiecentrum van het Ministerie van Justitie in Zeist herrie. Ze roepen: “No borders, no nations, stop the deportations!”
In ‘Kamp Zeist’ wachten illegalen op hun uitzetting. Vanuit het detentiecentrum klinkt een zachter geluid: een aanhoudend dof gedreun. De mannen in het bewaakte gebouw slaan met hun vuisten op de ramen, één bonkt met zijn hoofd tegen de ruit. Een zwarte man trekt aandacht door zijn okergele gordijnen open en dicht te doen. Zijn buurman knippert met het licht. Iets verder op houdt een Arabische man een op een papier getekend huis tegen het raam.
Buiten loopt de stoet lawaaidemonstranten verder, langs het hek het bos in. Met de demonstranten verwijdert ook het lawaai zich. Maar het doffe dreunen en roepen van de illegalen houdt aan. Roos (30) uit Wageningen vindt het moeilijk om door te lopen.
Asielactivisten
Roos is één van de asielactivisten van de Anarchistische Anti-deportatiegroep Utrecht (AAGU) en de Werkgroep Stop Deportaties die vandaag opkomt voor de illegalen in Kamp Zeist. “Om gedetineerde illegalen een hart onder de riem te steken”, vertelt Mikkie van de AAGU. Ze heeft een kleurige omslagdoek om haar nette overjas geslagen. De anarchistische actiegroep verzet zich tegen het feit dat Justitie mensen zonder geldige papieren voor onbepaalde tijd opsluit. Volgens de actievoerders gebeurt dat onder slechte omstandigheden en zonder proces.
De twee actiegroepen bepalen het illegale verzet, aldus de Algemene Inlichtingen en Veiligheiddienst (AIVD [9]). Zij noemt het protest van de asielactivisten een ‘Een potentiële dreiging’. Volgens de AIVD wordt het verzet extremer en bestaat er overlap tussen de legale en illegale actiemethoden.
De actievoerders zien dat anders. “In onze strijd zoeken wij de grenzen van de wet op,” legt Mikkie uit. “Zo blokkeerden we de ingang van een detentiecentrum in aanbouw.” Maar Mikkie ziet zichzelf en haar organisatie niet als radicaal. “We zijn wel meer in beeld, omdat we reageren op een steeds strenger wordend asielbeleid.”
Het protest
De individuele demonstrant kiest tijdens het protest zelf of hij zich verzet tegen de bevelen van de politie. “We staan dit keer niet toe dat we eerder worden weggestuurd. Wij bepalen wanneer deze demonstratie is afgelopen. Als je met ons meedoet -en niet wegloopt, maar gaat zitten- hartstikke tof. Je wordt dan waarschijnlijk wel opgepakt,” instrueert Ron van de AAGU de groep actievoerders. Voor de zekerheid vullen de demonstranten ‘de arrestantenlijst’ in. Op een uitgedeeld papiertje geven ze aan wie de organisatie moet bellen en wat er tegen het contact gezegd moet worden, mocht de politie hen arresteren.
Naast de wat oudere leden van de AAGU zijn er aardig wat jonge betogers op de lawaaidemonstratie afgekomen. Een meisje, haar bruine haar in quasi-warrige dreads, versierd met kleurige speldjes, vertelt met een jointje in de hand over de laatste botsing met de ME. Ze danst op het losse ritme van pannen en trommels.
De betogers komen vandaag verder dan bij hun eerdere pogingen. Toen riep de politie bij het eerste cellenblok al op om te stoppen. Degenen die dat bevel negeerden konden rekenen op arrestatie. De hele groep demonstranten vragen om zich te identificeren, is een ander ‘middel’ om het activisme tegen te werken, vertelt Mikkie. De meeste betogers weigeren principieel: ze komen op voor degenen die de papieren niet hebben. Ook dan is arrestatie het gevolg. Dat zal vandaag niet gebeuren, verzekert een marechaussee-agente. “We grijpen alleen in als ze dingen vernielen of als de demonstranten over de grens gaan.”
Het lukt de lawaaidemonstranten om door te lopen naar de achterkant van het complex, waar zij enkel zicht hebben op een betonnen muur. Volgens de uitleg bij het uitgedeelde plattegrondje bevinden daarachter zich de nieuwe isoleercellen en de vrouwenafdeling. Acht jaar geleden demonstreerde Roos voor het eerst bij ‘Kamp Zeist’. Sindsdien is er weinig veranderd, vindt ze. “Er zijn alleen maar cellen bijgekomen.”
Het valt stil na het lawaai van de betogers. Geen reactie dit keer. “De illegalen die nu op de ramen bonzen, worden morgen dingen afgenomen. Dan volgt isolatie of mogen ze bijvoorbeeld niet luchten,” legt Mikkie van de AAGU uit. Dat soort verhalen krijgen ze te horen van het bezoekteam van de AAGU. Het bezoekteam loopt niet mee met de demonstraties. “Zodra je een keer gearresteerd bent, mag je geen vluchteling meer bezoeken in het detentiecentrum.” En een bezoek met een gedetineerde illegaal regelen is al niet gemakkelijk. De gedetineerden moeten zelf het bezoek uitnodigen, terwijl ze geen namen en telefoonnummers kennen. De betogers lossen dat op door zo nu en dan een spandoek met o6-nummer op te houden.
AIVD houdt in de gaten
Sommige asielactivisten gaan verder dan lawaaidemonstraties en gevangenisbezoeken. De AIVD houdt daarom de digitale stappen van de asielactivisten in de gaten. Op de website van de AAGU staat bijvoorbeeld onder het kopje De Schandpaal een lijst met contactgegevens van “celtekenaars, hekkenzetters, murenmetselaars, traliesmeders, privé-bewakers, toeleveranciers en andere geniepige medewerkers”. De AIVD ziet de genoemden – waar niet verrassend de Dienst Terugkeer en Vertrek en de Koninklijke Marechaussee op te vinden zijn, maar ook de leveranciers van plastic zakken en toiletpapier – als mogelijke doelwitten van de AAGU.
Niet alleen lawaaidemonstraties
Een deel van de asielactivisten verweven legale en illegale actiemethoden, de AIVD spreekt daarom van extremisme. Volgens de inlichtingendienst is het aannemelijk dat in ieder geval individuen uit de Anarchistische Anti-deportatiegroep Utrecht (AAGU) en de Werkgroep Stop Deportaties verantwoordelijk zijn voor “het heimelijk geweld tegen objecten”, zoals bekladingen, vernielingen en (poging tot) brandstichting.
Eind september besmeurde de actiegroep Betonrot in Zoetermeer de voordeur en auto’s van de directeur van het ingenieursbureau Smits van Burgst, de heer Mast. Het ingenieursbureau ontwerpt de beveiliging van het in aanbouw zijnde detentiecentrum Zestienhoven in Rotterdam. Eerder demonstreerden activisten bij ECM Architecten, dat ook werkt aan het nieuwe detentiecentrum. De bedrijven onder vuur willen niet reageren. “Wij kiezen voor radiostilte om nog meer activisme te ontmoedigen.”
Deze woensdag protesteert de Anarchistische Groep Amsterdam bij station Bijlmer/Arena tegen uitzendbureaus Randstad en Adecco. De uitzendbureaus zouden bewakers voor detentiecentra voor uitgeprocedeerde asielzoekers werven.
De AIVD verwacht dat de illegale en intimiderende activiteiten van asielactivisten de komende jaren toeneemt. Dat is omdat “een aantal individuen zijn beroep heeft gemaakt van het verzet tegen het asielbeleid.” Maar ook omdat het uitzettingsbeleid in de komende jaren verder uitgebouwd wordt.
Over de vermeende radicalisering van de asielactivisten, schreef de AIVD een rapport: “Het vuur van het verzet”. Het rapport begint met een citaat uit een gedicht van Joke Kaviaar van de Werkgroep Stop Deportaties. “Op een dag (…) slaat de vlam in de pan. Ik zal me warmen aan dit bevrijdingsvuur dat de in aanbouw zijnde detentiecentra voor mensen zonder papieren vernietigt. (…) Laten Balkenende en Beatrix, Albayrak en Hirsch Ballin, Middelkoop en Bos, laat hen allen met verschroeide gezichten toezien hoe de ware bevrijder eruit ziet.”
De AIVD noemt deze tekst zowel profetisch als opruiend en legt een link tussen de tekst uit mei 2009 en de brandstichting in de bouwketen van de uitvoerders van het nieuwe detentiecentrum op Rotterdam Airport. In de nacht van 23 augustus brandde de keet af. De groep Anarchist Fire heeft de brand opgeëist. Anarchist Fire is volgens de AIVD een gelegenheidsnaam, waaronder illegale acties worden uitgevoerd.
Joke Kaviaar doet vandaag ook mee aan de lawaaidemonstratie. Ze trekt een boodschappentrolley, omgebouwd tot een sirene op wieltjes, voort over het onregelmatige pad. “Na de brand bekeek de AIVD regelmatig mijn website. En niet alleen de inlichtingendienst, ook politie en justitie.” Stemmingmakerij, noemt ze het AIVD-rapport. Wie de brand heeft gesticht weet ze niet. “Dat wil ik ook niet weten.” Wel wist ze dat ze in de gaten werd gehouden. Toch was ze erg verbaasd toen ze haar eigen tekst terug las als inleiding. “Ze doen niet eens aan bronvermelding.”
“Alleen maar witte Nederlanders”
De 26-jarige Murat uit Apeldoorn bekijkt Kaviaar en de andere lawaaidemonstranten van een afstand. “Goed hoor, dat ze dit doen. Het hadden er wel meer mogen zijn.” Samen met zijn broertje en neef heeft hij zijn oom bezocht in Kamp Zeist. Die wacht daar op uitzetting naar Iran. Het valt Murat op dat het allemaal witte Nederlanders zijn, die demonstreren. De drie jonge mannen lopen een stukje achter de betogers aan, maar houden het dan voor gezien.
Andere voorbijgangers reageren minder positief. “Stop ze maar in een elektrische stoel,” roept een wielrenner op veilige afstand over zijn schouder. Een andere fietser rijdt rakelings langs de betogers, zijn hond strak aangelijnd. “Zijn jullie hier weer trammelant aan het trappen.” De lawaaidemonstranten reageren nauwelijks.
Op de agenten en bewakers reageren ze wel. “Zeker van jou valt dit me tegen,” zegt een demonstrant in het voorbijgaan tegen een zwarte politieagent te fiets. Even weet de agent niet hoe hij moet reageren. Dan: “O, vind je dat?” Ook dat is discriminatie, wijst Roos de mededemonstrant terecht.
Middelvinger voor bewaarders
De vijf bewaarders die zich achter een raam in de toren verdringen mogen rekenen op wat middelvingers. Ongeveer twaalf marechaussee- en politieagenten volgen de betogers te paard en te fiets. Een van hen fietst steeds een stukje door en wacht de betogers op het pad weer op. Als hij bij de nabespreking vlakbij de groep betogers komt staan, valt Rob van de AAGU uit: “Je bent wel erg aan het uitdagen, hé!”
Na twee uur lawaaimaken loopt de demonstratie ten einde. De demonstranten laten nog een keer flink van zich horen bij het eerste cellencomplex. Een motoragent toetert mee. De schemer zet in en de demonstranten bespreken nog snel de volgende actie voor ze zich naar de laatste bus haasten. De bewaker achter het hek rilt en probeert zijn jasje dicht te trekken over zijn flinke buik. Achter hem knipperen de lichten nog even, voordat ze aanblijven. Eén man zonder papieren blijft bonken op het raam.
“Tien jaar manuscripten lezen maakt me cynisch”
Posted By Merel Straathof On oktober 23, 2009 @ 17:14 In Interview | 2 Comments
In juni dit jaar ontving ‘zijn’ Robert Vuijsje nog de Gouden Uil en in september won ‘zijn’ Ricus van de Coevering de Academia Debutantenprijs. De gatekeeper van literair Nederland Paul Sebes, over zijn cynisme, slechte schrijvers en de exclusiviteit van de literaire wereld.
AMSTERDAM - Zodra de deur van Kerkstraat 301 opengaat springt meteen de overvloed aan boeken in het oog. In kasten, stellingen, dozen en kisten herbergt het kantoor van Sebes & Van Gelderen zeker een paar duizend boeken die middels het literair agentschap zijn uitgegeven. Vanuit zijn halve bibliotheek is agent Paul Sebes (1965) al meer dan tien jaar spin in het web van de Nederlandse literatuurwereld. Aan hem de taak de torenhoge slush pile (ongevraagde manuscripten) op zijn bureau door te ploegen, op zoek naar literaire ‘parels’ die hij bij een uitgeverij kan slijten. Dat lukt hem aardig. Want als Sebes dweept met een boek is er een grote kans dat het goed is, weten de grote jongens van Querido, De Bezige Bij en Prometheus binnen de Amsterdamse grachtengordel. Een van zijn laatste successen is de debuutroman van Robert Vuijsje, waar inmiddels meer dan 70 duizend exemplaren van zijn verkocht.
Als het aan Sebes ligt vallen er alleen maar pareltjes van manuscripten in zijn brievenbus, maar in zeker negentig procent van de gevallen is dat niet het geval, verzucht hij. “Het meeste dat binnenkomt is echt van de categorie: u mag nooit meer een toetsenbord aanraken.” Het was voor Sebes aanleiding om in 2008 zelf een boek uit te brengen. In Bestseller beschrijft hij op een soms wat cynische wijze hoe een beginnend auteur zou kunnen debuteren. Hij wijst lezers op open deuren: wees consequent met het vertellersperspectief, stijl en naamgebruik. Toch is het geen overbodige luxe, stelt Sebes. “Er zijn nog steeds mensen die zonder enige voorbereiding gaan zitten en gewoon beginnen met schrijven. Ze lezen niets terug. Zo komt het dat de hoofdpersoon op pagina een de trap oploopt en op pagina twee in de lift staat.”
Nederlanders zijn er van overtuigd dat ze een roman kunnen schrijven als ze drie mooie zinnen op papier hebben gezet
“Elf jaar manuscripten lezen maakt je helaas wel cynisch. Het is vervelend dat mensen, ook na het verschijnen van mijn boek, nog steeds ontzettende troep insturen.” Volgens Sebes zijn het vooral Nederlanders die lijden aan zelfoverschatting, de Vlaamse zuiderburen zijn veel bescheidener. “Nederlanders zijn er van overtuigd dat ze een roman kunnen schrijven als ze drie mooie zinnen op papier hebben gezet. Maar dan denk ik: u kunt gewoon echt niet schrijven. En de boze mails die ik dan krijg en hoe vaak ik al niet ben uitgescholden over de telefoon.”
Sebes vergelijkt het met een programma’s als Idols. “Ik denk zo vaak: hoe haal je het in je hoofd om daar te gaan staan? Welke achterlijke oom, tante, neef of nicht heeft gezegd: ga maar?!” Het grote probleem is volgens Sebes het gebrek aan kritisch vermogen van veel mensen. “Over het algemeen vindt iedereen van zichzelf dat ze goed kunnen autorijden, totdat ze zichzelf terug zien op beeld. Maar zelfreflectie is belangrijk, zeker als je een boek wilt gaan schrijven.”
Schrijvers die niet door Sebes screening komen, ontvangen een afwijzingsbrief. En dat is een gevoelige zaak, weet Sebes. “Ik weeg mijn woorden goed als ik een manuscript afwijs, want auteurs zien hun verhaal als hun eigen kind.” Dat Sebes een van de weinige succesvolle agenten is in de literaire wereld, maakt een afwijzing vaak extra pijnlijk. Als een manuscript het niet haalt bij Sebes, heeft een rondgang langs de uitgeverijen vaak ook niet veel zin. “Uitgevers zien mij als een soort gatekeeper. Collega’s bij de uitgeverijen denken: als het bij Paul afgewezen is, ga ik het niet nog eens zitten lezen. Maar dat is niet echt mijn probleem.” Anderzijds gelooft Sebes niet dat hij garantie is voor succes. “Ook ik zit er wel eens naast. Als ze het niet goed vinden, krijg ik het ook heus niet verkocht.”
Wat de consument wil interesseert mij in feite niet
Tuurlijk is dat wel eens teleurstellend, geeft Sebes toe. “Als je een boek heel erg mooi vindt, maar het toch niet ergens onder kan brengen. Wat de reden is, is moeilijk te achterhalen.”
Maar dat overkomt hem niet vaak meer.“Na elf jaar ervaring weet je wel wat. Wij zijn vooral bezig met de inhoud, we kijken naar stijl en sfeer. Is het goed geschreven? Literatuur moet je aan het denken zetten, een beetje verontrusten. Er moeten zinnen in staan waarvan je denkt: ik zou willen dat ik dat zo zou kunnen verwoorden. Ik stel me de vraag: kunnen we dit aan een uitgever verkopen? Wat de consument wil interesseert mij in feite niet.” Daarom is het voor het agentschap belangrijk goede relaties te onderhouden met de Nederlandse uitgeverijen. “We eten regelmatig met Querido, Nijgh & Van Ditmar, Bruna, etc. Door elkaar beter te leren kennen, weten we wat voor boeken ze uitgeven.”
CV
Paul Sebes (Dordrecht, 1965) zit al twintig jaar in het boekenvak. Vanaf 1991 werkte hij bij Prometheus als publiciteitsassistent. In 1998 startte hij zijn eigen literair agentschap. Hij begon met het organiseren van schrijf- en spreekopdrachten voor bekende Nederlandse schrijvers. Tegenwoordig vertegenwoordigd hij 250 auteurs, waaronder Tommy Wieringa en Cees Nooteboom. Daarnaast zoekt hij nieuw talent en begeleidt hij hen van manuscript tot aan publicatie van het boek.
Sebes goede positie in de literaire wereld wordt nog wel eens gehekeld door beginnende auteurs. Zo ook op internetfora voor boekenschrijvers. Ene ‘Cobra’ schrijft op schrijvenonline.org: ‘het is inderdaad een trieste zaak. In Nederland bestaan zo goed als geen literaire agenten. Omdat Paul Sebes zowat de enige is, wordt hij meteen als een grootheid beschouwd. Tja, als je de enige binnen het vak bent kun je ook van geen enkele verliezen.’ Maar zelf ziet Sebes het belang van concurrentie in zijn vak niet. “Hoe minder concurrentie, hoe makkelijker ik het heb. Maar ik zie mezelf niet als monopolist. Zat mensen gaan zelf naar een uitgeverij. Er verschijnen ongeveer 55 boeken van debutanten per jaar, daarvan doe ik er misschien vijf.
Bovendien acht Sebes de kans klein dat de komst van meerdere agenten de kwaliteit van de literatuur zal verhogen. “Er zouden waarschijnlijk net zoveel boeken verschijnen, en van dezelfde kwaliteit. Als ik dan een manuscript afwijs, is het voordeel voor de auteur dat hij in dat geval wel naar een andere agent kan. Misschien lukt het daar dan wel. Maar dat zullen er vijf per jaar zijn, hooguit tien.”
Sebes’ sterke positie is het resultaat van jarenlang strategisch bouwen aan zijn eigen naam en agentschap. “Dat doe ik ook echt bewust,” zegt Sebes. “Elk jaar verzin ik weer twee grote nieuwe dingen die ik wil gaan doen.” Elf jaar geleden begon hij met het organiseren van schrijf- en spreekopdrachten voor bekende Nederlandse schrijvers. Inmiddels doet hij dat voor zo’n 250 auteurs en het is nog altijd een belangrijke inkomstenbron voor het bedrijf. “Die tak heeft vanaf het begin de cashflow gaande gehouden,” zegt Sebes. Het maakt het voor de agent mogelijk te zoeken naar nieuw talent tussen de stapels manuscripten. Daarnaast geeft Sebes cursussen en gastcolleges over het schrijven van boeken en hoe te debuteren. Hij schreef columns voor de Volkskrant over zijn handboek Bestseller, hij professionaliseerde zijn website en zit dit jaar in een denktank van de ArteZ Hogeschool in Arnhem voor een opleiding creative writing. Uiteindelijk draagt het allemaal bij aan het succes van Sebes. “Ik denk echt in Sebes als merknaam. Door mijn boek heb ik bijvoorbeeld veel publiciteit gekregen. Het is in feite een heel uitgebreide visitekaart.”
Het behouden van die goede naam in het boekenvak vereist constante aandacht. “Je moet echt aan kwaliteitsbewaking doen,” stel Sebes. “Een paar jaar geleden heb ik dat boek van de butler van Diana vertegenwoordigd, omdat ik er veel geld voor kreeg. Dat zou ik nu niet meer doen. Wat dat betreft ben ik kritischer geworden, daar wil ik mijn naam nu niet meer aan verbinden.” Maar die kwaliteitsbewaking betrekt zich niet alleen op het niveau van de boeken. Even kritisch is Sebes op de 250 schrijvers waar hij schrijf- en spreekopdracht voor regelt. “We halen elk jaar wel een stuk of drie auteurs van de lijst af. Als iemand een slechte reputatie heeft, om wat voor reden dan ook, dan haal ik hem er af. Als een auteur bij de boekhandel bekend staat als iemand die altijd te veel geld vraagt, dan is dat niet goed voor mijn naam, want ik word daarop aangekeken.”
Als ik een deadline heb en er is niets ingeleverd, dan krijgt die auteur op zijn donder
“De boekenwereld is een delicate wereld. Het gaat om veel meer dan kwaliteit. Je moet sociaal zijn, goed kunnen netwerken en zorgvuldig zijn in je contacten.” Sebes eist dat niet alleen van zichzelf, maar ook van de auteurs waarmee hij werkt. “Een van onze auteurs kwam een keer naar kantoor toen ik er niet was. Hij klaagde tegen een van mijn medewerkers: ‘Sebes is vast weer Komrij ophalen van het vliegveld.’ Dat heb ik echt één keer gedaan omdat de man verder geen tijd had. Dat vind ik gewoon gezeik.” En dat heeft de schrijver in kwestie ook te horen gekregen.
“Bij problemen treedt Sebes op tegen iedere auteur op, bekend of niet. “Als ik een deadline heb en er is niets ingeleverd, dan krijgt die auteur op zijn donder. Ik word in diskrediet gebracht. Die krijgt dan de komende twee jaar geen werk van mij. Dat maakt mij verder niets uit. Dan zeg ik gewoon: het is over.” Sebes denkt niet dat hij daarmee iemands schrijfcarrière breekt. Volgens hem valt er alleen een deel van hun inkomsten weg. “Maar ik besef op dit gebied wel mijn macht. Als iemand niet op tijd levert, zeg ik: ik heb 250 anderen, als jij het niet doet, vraag ik iemand anders.”
Renny Ramakers: haar tijd ver vooruit
Posted By Nelleke Koops On oktober 23, 2009 @ 17:13 In Profiel | No Comments
Als een van de oprichters van ontwerpersplatform Droog [13], zette Renny Ramakers ‘Dutch design’ internationaal op de kaart. Met het platform bood ze een podium aan ontwerpers als Marcel Wanders [14] en Hella Jongerius. Een profiel van een vrouw met visie.
AMSTERDAM – Daar zat ze. Op een meubelbeurs in Kortrijk, weggestopt in een hoekje, op een klapstoel. Voor haar een stapel bruine boterhammen, naast haar een sloophouten kast van Piet Hein Eek. Droog Design [15] bestond nog niet, maar Renny Ramakers (63) had al een missie: jonge ontwerpers die het nèt even anders doen voor een groter publiek brengen.
“Ik zie haar nog zitten”, zegt Cok de Rooy, eigenaar van de Amsterdamse designwinkel The Frozen Fountain. “Zij geloofde in die nieuwe generatie ontwerpers. Ze heeft oog voor wat relevant is, of gaat worden. Niet voor wat mooi is, maar voor wat ertoe doét.”
Het was 1992 en de grote Italiaanse designhuizen dicteerden de trends op de internationale meubelbeurzen. De ontwerpen waren overdadig, kleurrijk en richtten zich vooral op de vorm, minder op de functie van het product. Ramakers zag om zich heen steeds meer jonge Nederlandse ontwerpers die het anders deden en voelde dat het tijd was voor iets nieuws.
“Ik vermoed dat ze van strenge huize komt, ik zou bijna zeggen gereformeerd”, zegt De Rooy. “Ze is een echte doorzetter, die achter de waarheid wil komen en wil zien of haar gevoel klopt. Dat is moedig, maar het kan ook gevaarlijk zijn. Gelukkig voor Renny heeft ze steeds de goede keuzes gemaakt.”
Doorzetter
Haar doorzettingsvermogen, gevoed door een onbedwingbare nieuwsgierigheid naar nieuwe ontwikkelingen, bracht Ramakers tot waar ze nu is. Ze maakte haar middelbare school in Den Haag [16] niet af, maar ging op haar 28ste alsnog kunstgeschiedenis studeren na het behalen van haar colloquium doctum, het toelatingsexamen voor de universiteit. Eenmaal daar, in Leiden, nam ze zich voor eerst iets over de geschiedenis te leren om vervolgens zelf geschiedenis te schrijven. Ze studeerde cum laude af.
Die geschiedenis begon op een zondagmiddag met een kleine tentoonstelling in het bovenzaaltje van Paradiso. Ze had uitnodigingen rondgestuurd met daarop ‘Een middag gewoon doen’: een statement tegen de overdaad van de ontwerpen uit de jaren tachtig. De nadruk lag op eenvoud, hergebruik en originaliteit. De sfeer was ontspannen, er was muziek en grote namen als Benno Premsela kwamen kijken. Het was een lokaal succes. Ramakers ontmoette er Gijs Bakker, een sieraden- en productontwerper die les gaf op de Eindhovense Design Academy [17]. Bakker zag meteen dat Ramakers het bij het rechte eind had.
Overtuigd dat er meer in zat, gingen de twee samen op zoek naar een internationaal podium. Zes weken later, in april 1993, stonden ze met beginnende ontwerpers als Hella Jongerius, Jurgen Bey [18], Marcel Wanders en Tejo Remy op de meubelbeurs in Milaan. Onder de naam Droog Design presenteerden ze een kast bestaande uit kriskras op elkaar gestapelde lades, een boekenkast van pakpapier en een stoel van oude kleren. Hun werk was controversieel, maar wars van pretenties en met een grappige ondertoon. De naam Droog behoefde geen uitleg.
Nieuw tijdperk
De oprichting van Droog markeerde het begin van een nieuw designtijdperk, waarin ‘Dutch Design’ een prominente rol zou krijgen. De vrouw met de vlotgeknipte coupe, de casual kleding en de strenge blik schudde de ingeslapen designwereld en de Design Academy in Eindhoven wakker. Renny Ramakers was als kunsthistorica en curator een buitenstaander, maar wel één met een visie. Samen met Bakker, die wèl van de Design Academy kwam, wist ze daar het juiste talent vandaan te plukken.
“Bien étonnés de se trouver ensemble” – “ik ben verbaasd jullie samen aan te treffen” – zou één van de juryleden van de Benno Premselaprijs later over het duo zeggen, bij het toekennen van de prijs aan Droog in 2007. De twee waren immers erg verschillend. Ramakers was curator van kleine designtentoonstellingen, schreef boeken over vormgeving in Nederland en was hoofdredacteur van designtijdschrift ‘Items’. Bakker was ontwerper, een creatieveling. Hij noemde haar de ‘intuïtieve denker’ van de twee, zij hem de ‘onrustige doener’. Het tweetal werd door buitenlandse media al snel de founding fathers of Dutch Design genoemd.
“Ze heeft Droog op de kaart gezet en daarmee een hele serie jonge ontwerpers”, zegt ontwerper Peter van der Jagt. Zijn eigen bottoms up doorbell – twee omgekeerde wijnglazen waar een elektromagneet tegenaan klingelt – is inmiddels een icoon geworden van de vormgeving in de jaren negentig. “Zonder de context die Droog bood, was dat niet gelukt.”
Samen met Bakker werd Ramakers hoofd van de masteropleiding IM aan de Design Academy. Zij dacht na over het lesprogramma en de maatschappelijke context, maar gaf geen les. “Daar heb ik het geduld niet voor”, zegt ze zelf. “Ik zie meteen of iets goed is of niet, maar kan niet uitleggen hoe het beter kan.”
Ontwerper Jurgen Bey, van wie de boomstambank en uittrekbare boekenkast intussen wereldwijd bekend zijn, was erbij vanaf het begin. “Ik ken Renny al bijna twintig jaar als een hele gedreven vrouw”, zegt hij. “Ze bijt zich ergens volledig in vast en zorgt dat het een succes wordt.” Ondanks haar sterke eigen visie is er wel ruimte voor de inbreng van ontwerpers. “Ze heeft niet alleen maar wensen die ze je opdringt”, zegt Bey. “Ze staat open voor debat en discussie om een concept aan te scherpen. Maar ze heeft wel altijd een eigen idee.”
CV Renny Ramakers
29 mei 1946: Geboren in Den Haag als Renny de Jong
1958 – 1961: Christelijke Lyceum Populierstraat Den Haag
1975 – 1982: Studie kunstgeschiedenis Universiteit Leiden [19]
1985: Publicatie boek ‘Tussen kunstnijverheid en industriële vormgeving’
1988 – 1993: Hoofdredacteur tijdschrift ‘Industrieel Ontwerpen’
1993 – 1997: Hoofdredacteur tijdschrift ‘Items’
1993: Oprichting Droog Design
1996 – 2001: Lid Raad van Cultuur
1998: Publicatie boek ‘Droog Design. Spirit of the Nineties’
2002: Publicatie boek ‘Less+More, Droog Design in context’
2004: Publicatie boek ‘Simply Droog’
2006: Publicatie boek ‘A Human Touch’
Touwtjes in handen
Die ideeën steekt Ramakers niet onder stoelen of banken. “Ze is eigenwijs, maar kan het zich ook veroorloven, want ze heeft het meestal bij het rechte eind”, zegt Roderick van der Lee, oud-galeriemanager bij Droog. Ramakers realiseert zich maar al te goed dat haar uitgesproken gevoel voor een bepaalde richting soms lastig kan zijn voor haar medewerkers. “Ik denk snel, zet snel projecten op, maar gooi het ook net zo makkelijk weer om als ik halverwege denk dat het anders moet”, zegt ze daarover zelf. “Dat is soms moeilijk te volgen.”
Van der Lee: “Renny is wel toegankelijk. Ze was veel weg, maar als ze in Amsterdam [20] was, zaten we met z’n allen aan een grote lunchtafel en praatte en lachte ze met iedereen. Ze moest haar aandacht verdelen, omdat iedereen wel iets wilde overleggen, maar dat voelde ze goed aan. En uiteindelijk was zij toch degene die de beslissingen nam.”
Die manier van werken – open voor iedereen maar met de touwtjes stevig in handen – had ze zich al eerder eigen gemaakt. In 1988, zes jaar na haar afstuderen, werd ze hoofdredacteur en later ook uitgever van het blad ‘Industrieel Ontwerpen’. Na vijf jaar wilde Ramakers het blad laten fuseren met ‘Items’, een ander tijdschrift over vormgeving. Het blad ging onder die naam verder met Ramakers als hoofdredacteur. “Dat leverde wel wat achterdocht op bij de zittende redactie”, herinnert de huidige hoofdredacteur Max Bruinsma zich. “Wij dachten: de concurrent komt ons even overnemen. Maar ze pakte het goed op. Ik vond haar inspirerend en collegiaal.”
Ook als lid van de Raad van Cultuur, een cultureel adviesorgaan van de overheid, stelde Ramakers zich onafhankelijk op. Bruinsma zat met haar in de werkgroep vormgeving. “Ze trok zich weinig aan van wat anderen vonden, liet zich niet dicteren door politieke agenda’s. She makes up her own mind. Ze neemt geen blad voor haar mond, toen ook al niet, maar de positie die ze nu heeft, maakt haar misschien wat gereserveerder. Ze is geen feestbeest, meer een private person.”
Breuk
De breuk tussen Ramakers en Bakker kwam dan ook voor veel mensen onverwacht. Dat het al een tijdje niet meer zo lekker liep, hield ze lang voor zichzelf. Totdat Bakker in juni dit jaar bekend maakte Droog te verlaten. Er was een verschil van inzicht over de zakelijke en inhoudelijke koers van Droog, luidde de officiële verklaring. Bakker verweet Ramakers te veel geld in de nieuwe winkel in New York te hebben gestopt en teveel voor de commerciële kant te hebben gekozen. Ramakers verdedigde zich door te zeggen dat het tweetal altijd samen de vakinhoudelijke koers hadden bepaald en dat New York een privé-investering was. Maandenlang communiceerden de twee alleen via advocaten. En nog steeds ligt de zaak gevoelig.
Renny Ramakers was de afgelopen jaren inderdaad verantwoordelijk geweest voor de exposities en de publiciteit, maar net zoals Bakker hield zij zich ook bezig met het begeleiden van projecten. “Niet omdat zij zo zakelijk was”, zegt Van der Lee, “maar omdat iémand het moest doen.” Ook Jurgen Bey wil haar niet typeren als zakelijk of commercieel. “Ze zou juist wel wat zakelijker kunnen zijn, maar ik geloof niet dat het daarom gaat bij Droog. Als curator heeft ze vooral een grote liefde voor goede ontwerpen.”
Haar andere grote liefde is haar man Leon Ramakers, ex-directeur van concertorganisator Mojo, met wie ze al dertig jaar getrouwd is. Ze wonen in een loft in de Jordaan, zonder kinderen. Daar had ze het altijd te druk voor, zegt ze zelf.
Er waren altijd nog wel boeken te schrijven, concepten uit te denken, tentoonstellingen te organiseren. In september organiseerde ze nog het designfestival ‘Pioneers of Change’ op Governors Island in New York. Het was met 25 duizend bezoekers en lange wachtrijen een groot succes. Het ‘Go Slow café’, waar bejaarden bedienen, theezakjes ter plekke worden genaaid en het tempo bewust laag ligt, was dagen uitverkocht. Zes jaar geleden presenteerde ze hetzelfde café in Milaan, maar daar had het minder impact. Haar verklaring? “Soms ben ik mijn tijd ver vooruit.
Prijzen en eervolle vermeldingen:
1997: Vermelding ‘Who’s who in the world’
1998: Dedalus prize for European Design
1999: George Nelson Design Award
2000: Kho Liang le prijs
2000: CNBC top 50 Innovators in Europe
2007: Benno Premsela prijs
‘Soms is het al eng om de eigen naam te zeggen’
Posted By Emma Boelhouwer On oktober 23, 2009 @ 17:08 In Interview | No Comments
[22]Laat niet over je heenlopen! Wees een beetje assertief! Oftewel: verlegenheid is in onze maatschappij not done. Bij de Vereniging van Verlegen Mensen leerde Ingeborg met haar ‘probleem’ om te gaan. Nu geeft ze als ervaringsdeskundige zelf cursussen, maar daar openlijk voor uitkomen blijft moeilijk.
AMSTERDAM - Dat ze een cursus heeft gedaan om met haar verlegenheid om te gaan, zegt ze niet zo snel tegen de mensen om haar heen. De 34-jarige Ingeborg vindt het nog steeds vervelend om er voor uit te komen dat ze lid is van de Vereniging van Verlegen Mensen (VVM): een zelfhulporganisatie, door en voor verlegen mensen, zonder professionele hulpverlening.
Hoewel Ingeborg de cursus in 2003 met goed gevolg heeft doorlopen, inmiddels voorzitter is van de coördinatoren in de verschillende regio’s waar de VVM actief is en in januari zelf een nieuwe cursus op gaat zetten in Amsterdam, wil ze liever niet met haar achternaam in dit artikel. “Verlegenheid is gewoon niet zo geaccepteerd.”
Terwijl uit onderzoek blijkt dat 40 procent van de Nederlandse bevolking wel eens verlegen is en de helft daarvan er ook echt last van heeft, heerst er een groot taboe op verlegenheid. De Britse Amerikaanse historicus Christopher Lane beschreef vorig jaar in zijn boek Shyness: How Normal Behavior became a Sickness hoe de perceptie van verlegenheid is verschoven van een charmante maar onhandige karaktereigenschap, naar een psychische afwijking.
‘Je wordt snel in een hokje geplaatst’
Zo gesteld is het nog al wat om openlijk voor je verlegenheid uit te komen. De man die momenteel de Amsterdamse groep van VVM begeleidt wilde dan ook niet geïnterviewd worden. Bang dat mensen hem in het verhaal zouden herkennen. Ingeborg: “Je wordt snel in een hokje geplaatst, dat je alleen nog maar een verlegen persoon bent en niets meer.”
Het verenigingsblad dat zes keer per jaar verschijnt, wordt ‘discreet’ naar de leden van de VVM verstuurd. Op de kaft van het informatieboekje staat niks dat doet vermoeden dat het iets te maken heeft met verlegenheid, zodat de buren het niet kunnen zien.
In de huidige maatschappij worden de kwaliteiten van introverte mensen volgens Ingeborg onderschat en extraverte mensen juist steeds hoger gewaardeerd. “Dus als je introvert bent, denk je al snel dat je extravert hoort te zijn. Maar extravert word je niet als het niet in je zit.” Ingeborg denkt tijdens de vergaderingen op haar werk misschien iets langer na voor ze iets zegt. “Maar dan kom ik wel met goede punten. Toch luisteren de leidinggevenden eerder naar mensen met een goede babbel, ongeacht wat ze te melden hebben.”
Hoewel zich zo’n zes tot zevenhonderd mensen hebben verenigd in de VVM, is de vereniging niet in het leven geroepen om de beeldvorming omtrent verlegenheid te veranderen. Ingeborg: “VVM is geen tegenbeweging, die wil laten zien dat verlegenheid normaal is. Verlegenheid heeft zijn goede en charmante kanten, maar wij hebben een ander uitgangspunt: jezelf ontwikkelen, zodat je de lasten van je verlegenheid minder ondervindt”.
Het idee voor de VVM ontstond in 1988. De reguliere hulpverlening schoot volgens de oprichters te kort: verlegenheid werd afgedaan als een kinderziekte en psychologen hadden er weinig oren naar. De eerste zogenaamde zelfhulpgroepen met lotgenoten werden uit nood geboren. Hoogleraar psychologie Henk van der Molen schreef een cursusboek voor de vereniging ‘Hallo, hier ben ik’ met een begeleidende video waarop voorbeelden staan van goed en slecht gedrag tijdens contactsituaties. In groepjes van zes tot twaalf werken ze het materiaal in 22 lessen van 2,5 uur af.
Het speerpunt van de cursus is de zogeheten G-training: gedachten, gevoel en gedrag. Ingeborg: “Wat je denkt, bepaalt je gevoel en daardoor ga je je op een bepaalde manier gedragen. Bijvoorbeeld: je gaat naar een feestje en je denkt ‘ze zullen me wel raar vinden dat ik hier alleen sta’ of ‘ík moet van alles te vertellen hebben anders vinden ze me niet interessant’. Door dat soort gedachten word je bang en stap je juist niet op iemand af of ga je bij voorbaat niet naar dat feestje.”
Zelf heeft Ingeborg al sinds ze zich kan herinneren het gevoel dat iedereen op haar lette en iets over haar dacht. “Als ik ergens was, dan bleef ik heel lang, omdat ik anders bang was dat mensen over me zouden gaan praten als ik wegging.”
Schrijver en televisiepersoonlijkheid Hugo Borst slikt er een pilletje tegen: Seroxat. Hij gedijt er al tien jaar goed op, zei hij in een interview in de Volkskrant. Ingeborg: “Ik hoorde zelf pas twee jaar geleden dat er medicijnen tegen verlegenheid zijn. Als het helpt om iemand over de drempel te krijgen om de angst te overwinnen toch naar dat ene feestje te gaan, dan is dat positief. Maar het probleem is dat het eigenlijk een soort anti-depressivum is dat je continu moet slikken. Je onderdrukt onzekere gevoelens, maar je werkt er niet aan.”
‘het goede nieuws is dat niemand op je let en het slechte nieuws is dat niemand op je let’
Tijdens de zelfhulpgroepen daarentegen leren de verlegen mensen dat veel van hun gedachten irreëel zijn. “Het allerbelangrijkste is om te beseffen dat de mensen om je heen heus niet de hele avond met jou bezig zijn. Iemand zei een keer: ‘het goede nieuws is dat niemand op je let en het slechte nieuws is dat niemand op je let’.” Je bent het dus vooral zelf die hoge eisen stelt, zegt Ingeborg. “Je kunt ook denken ‘ik hoef helemaal niet interessant te zijn en ik zie wel wat er komt’.”
Maar met alleen inzicht in je eigen verlegenheidsproblematiek ben je er nog niet. Want als je eenmaal op het feestje bent, hoe ga je dan het gesprek aan en vooral hoe zorg je dat het gesprek loopt? In kleine groepjes oefenen de cursisten de assertiviteit-, luister- en spreekvaardigheid uit het cursusboek: stel bijvoorbeeld open vragen, dan krijg je een uitgebreider antwoord.
Een prototype verlegen mens bestaat er volgens Ingeborg niet. “De cursisten zijn heel divers. Over het algemeen melden zich iets meer mannen dan vrouwen. Die zijn misschien sneller geneigd iets aan hun verlegenheid te doen, omdat verlegenheid onder mannen nog minder geaccepteerd is. Aan sommige mensen kun je helemaal niet zien dat ze verlegen zijn, maar ze hebben er zelf wel last van. Een ander vindt het al eng om de eigen naam te zeggen.”
Dat laatste komt volgens Ingeborg niet vaak voor. “Voor mensen met een extreme vorm van verlegenheid is de stap naar de cursus vaak te groot. Ik denk dat er dan ook iets anders aan de verlegenheid ten grondslag ligt, waar een psycholoog beter bij kan helpen.”
‘Is verlegenheid genetisch bepaald, of komt het door de opvoeding en omgeving?’
Naar de oorzaak van de verlegenheid kijken ze tijdens de cursus niet. “Er is binnen de groep wel eens discussie: is verlegenheid genetisch bepaald, of komt het door de opvoeding en omgeving? We gaan er verder niet mee aan de slag, want de cursus is primair bedoeld om te kijken wat we er nu aan kunnen doen.”
Iedere cursist houdt zijn eigen tempo aan en stelt zijn eigen doelen. “In principe moet iedereen een keer een opdracht of een avond begeleiden, maar is iemand daar niet aan toe, dan is dat ook geen probleem.” Als de cursus is afgerond, is het streven dat in ieder geval één cursist zich geroepen voelt om mee te helpen een nieuwe beginnerscursus op te zetten.
De praktijk is weerbarstiger. “Veel mensen melden zich af als ze de cursus met goed gevolg doorlopen hebben, waardoor we momenteel een tekort hebben aan begeleiders.” Er zijn nu zo’n vijf hulpgroepen actief, terwijl er voorheen in elke provincie wel één zat, en in een grote provincie zelfs twee. Daarom geeft Ingeborg haar huidige functie als voorzitter van de regio-coördinatoren binnenkort op, om nu zelf weer een cursus te begeleiden. “Ik vind het belangrijk dat de groep in Amsterdam blijft bestaan.”
Het leven is voor Ingeborg een stuk makkelijker geworden sinds ze bij de VVM zit. “Toen ik daar in 2003 binnenkwam bestonden ze net vijftien jaar. Ik dacht: ‘Ik wou dat ik dit vijftien jaar geleden geweten had’. Tegenwoordig pakt ze de telefoon op als haar schoonzus belt, iets wat ze vroeger haar partner liet doen en durft ze haar nieuwe buren aan te spreken. “Wij gaan binnenkort verhuizen en willen iets veranderen aan het huis. Ik zag dat veel mensen in de straat dat ook hebben gedaan, dus liep ik de straat op en heb ik iemand aangesproken. Hij liet me binnen en gaf me een hele rondleiding door zijn huis. Vroeger zou ik het niet hebben gedurfd op hem af te stappen.”
Website Vereniging van Verlegen Mensen [23]
Anonimiteit geen oplossing voor privacyprobleem
Posted By Robert Buzink On oktober 23, 2009 @ 17:07 In Algemeen, Onderzoek | No Comments
[25]De burger plaatst zijn hele hebben en houden op internet en ondervindt daar steeds vaker de nare consequenties van. De overheid heeft de oplossing: blijf anoniem. Maar dat is compleet onrealistisch.
AMSTERDAM - Vroeger dacht je twee keer na voordat je iets vastlegde op papier. Helemaal als je je handtekening er onder zette. Alles wat je schreef was voor eeuwig. Het kon altijd tegen je gebruikt worden. Als je iets gevoeligs wilde communiceren, kon je dat beter gewoon zeggen. Gesproken woorden vervliegen in de wind. Hoe je iets precies hebt gezegd weet niemand meer.
Tegenwoordig denken mensen een stuk minder na voordat ze iets vastleggen. Daarom is de overheid een campagne begonnen om burgers te wijzen op de gevaren van internet. Het bijbehorende tv-spotje toont een vrouw op straat, omringd door vreemden. Haar evenbeeld zit boven op het dak van een gebouw en roept allerlei privégegevens van haar om. Haar e-mailadres, telefoonnummer en wachtwoord. Op de muur wordt een vakantievideo van haar geprojecteerd. De vrouw raakt een beetje in paniek. Ze heeft spijt dat ze zomaar al haar gegevens op het internet heeft gezet. Ze zal het nooit meer doen.
Achteraf gezien viel dat wel mee, met die eeuwigheid van het schrift. Papier vergaat, archieven worden vernietigd of zo onoverzichtelijk groot dat de kans klein is dat je naam er ooit in teruggevonden wordt. Echt interessant worden gegevens sowieso pas als je verschillende soorten informatie elkaar in verband brengt.
Sinds er in de Westerse wereld miljarden meters glasvezelkabel in de grond zijn gestopt is die situatie radicaal veranderd. Informatie heeft zich definitief losgeweekt van zijn papieren substraat en tiert nu welig binnen een netwerk van miljarden computers verspreid over de hele wereld. Het gedraagt zich steeds minder als een boek dat je kunt raadplegen wanneer je dat wilt en steeds meer als een levend organisme dat je confronteert op het moment dat het dat wil. Het dupliceert zichzelf, plant zich voort, gaat nieuwe en onverwachte combinaties aan, muteert.
De campagne van de overheid doelt vooral op het gevaar van informatie achterlaten op sociale netwerksites. Maar sinds de Volkskrant zijn archief heeft opengegooid zou de campagne net zo goed over het meewerken aan een interview kunnen gaan. De krant is terug te lezen tot 1994. Alle artikelen die sindsdien in de krant zijn verschenen, zijn terug te vinden in het ‘Dagelijks Archief’. Dit archief verandert het karakter van de krant radicaal. Van oudsher was de krant een momentopname, een stil uit een film van voortschrijdend inzicht. Wat de ene dag als waarheid in de krant stond, kon de volgende dag in dezelfde krant een leugen zijn. Alleen professionele onderzoekers zoals geschiedkundigen legden in de Koninklijke Bibliotheek de kranten van twee opeenvolgende dagen naast elkaar.
Nu kan ook een amateur het krantenarchief in duiken met heel andere belangen dan wetenschappelijke. Die amateur zou een werkgever kunnen zijn, die wil weten wat voor persoon schuilgaat achter een cv. Dat zou de cv van ene Thibault kunnen zijn, een naam die niet veel voorkomt. In het cv van Thibault ziet de werkgever dat hij in Leiden heeft gestudeerd. Hij heeft hard zijn best gedaan en was lid van een studentenvereniging. Even googelen. De tweede hit is het artikel ‘Doe mij maar een lekkere skileraar’, verschenen in de Volkskrant. Uit de reportage blijkt dat Thibault zich erg goed vermaakt heeft tijdens een skivakantie in zijn studietijd. In het stuk staat hoe Thibault wakker wordt na een avond flink drinken. Waarna hij zich door “een half stokbrood, een knakworst, een bananenschil, een afgekloven klokhuis en een ui” baant, de overblijfselen van een voedselgevecht van de afgelopen nacht.
Sinds de krant het archief tot 1994 heeft geopend, stromen er mailtjes binnen van mensen die graag hun naam verwijderd zien uit een artikel, zegt het hoofd van Volkskrant online, Bas Timmers. Elke maand komen er wel weer een paar binnen. “Het gaat altijd om persoonlijke of zakelijke belangen, nooit om politiek. Mensen hebben vaak spijt van ingezonden brieven. Ze schamen zich dan voor hun mening, of willen niet meer met die uitspraken geconfronteerd worden. Omdat ze bijvoorbeeld gaan solliciteren.”
De spijtoptanten van ingezonden brieven beseften misschien niet helemaal dat ze met hun naam in de krant zouden komen, maar ook veel mensen die bewust meewerkten aan interviews zien het resultaat liever niet terug op Google. Eén van de verzoeken die bij de Volkskrant binnenkwam was echt van een man die als student onhandige dingen had gezegd in de krant, zegt adjunct-hoofdredacteur Arie Elshout. “En onze advocaat is nu toevallig met een zaak bezig die precies hier over gaat.”
Die advocaat is Jens van den Brink. Over de zaak kan hij niets zeggen, maar in het algemeen wil hij wel wat kwijt. Binnenkort verschijnt er een stuk van hem over deze materie in Mediaforum, een tijdschrift voor media- en communicatierecht. “Ik krijg steeds vaker zaken van mensen die eisen dat hun naam wordt geschrapt uit een artikel van de Volkskrant. Ik adviseer de krant dan altijd om die mensen te vertellen dat we daar niet aan gaan beginnen.” Tot een rechtszaak komt het zelden, daarom is er geen jurisprudentie. “Er is wel één zaak voor de Raad van de Journalistiek (RvdJ) gekomen.”
In die zaak uit 2007 waren artikelen uit het archief van Ublad, het nieuwsblad van de Universiteit van Utrecht, onderwerp van discussie. De aanklager studeerde aan de universiteit en was twee keer door Ublad geïnterviewd, in november 1999 en juli 2001. In 2007 concludeerde hij dat hij de stukken uit het archief van het blad wilde hebben.. De raad vroeg advies aan internetspecialist Herbert Blankestijn. Hij merkte op dat de stukken zo makkelijk in Google te vinden waren, “dat het lijkt of de artikelen elke dag opnieuw worden geplaatst zonder de afweging of de privacy van klager in het geding is.”
‘Wat is de journalistiek waard als iedereen achteraf zomaar artikelen kan verwijderen?’
Maar wat is de journalistiek waard als iedereen achteraf zomaar artikelen kan verwijderen? Ook dat is een belangrijke afweging volgens Blankestijn. Het was de afweging waar de raad naar oordeelde: “In navolging van het deskundigenrapport meent de raad dat de samenleving is gebaat bij goed functionerende, zo volledig mogelijke en dus betrouwbare archieven, waarvan de inhoud niet kan worden gewijzigd.” Pech voor de aanklager.
Maar als de aanklager wel zijn gelijk had gehaald en was geanonimiseerd in de stukken, was het geen goede oplossing geweest voor de krantenarchieven. Wanneer achteraf anonimiseren de archieven onbetrouwbaar maakt, doet vooraf anonimiseren dat zeker. Als mensen alleen zonder of met een gefingeerde naam in de krant willen, kan niemand achteraf meer controleren of zij überhaupt wel echt hebben bestaan.
Tegenwoordig moeten burgers er rekening mee houden dat krantenartikelen, redelijk makkelijk en voor eeuwig te vinden zijn. Maar ook als zij met een interview instemden lang voordat het voor de hand lag dat het eeuwig in het web zou resoneren, hebben ze pech als het aan de RvdJ en de Volkskrant-advocaat Van den Brink ligt. Toch is de Volkskrant niet zo streng als de advocaat aanbeveelt. “Vanwege het grote historische en journalistieke belang, veranderen we zo min mogelijk aan ons archief, ” zegt Timmers. “Desondanks kunnen we ons voorstellen dat mensen zich ten tijde van publicatie niet realiseerden dat het artikel tot in lengte van dagen via internet te vinden zou zijn. Als ze dan ook nog eens aantoonbaar overlast hebben van de publicatie, hebben ze met een verzoek tot Wijziging Archief kans van slagen.”
Timmers kan zich een geval herinneren van een jongen die in 2001 meewerkte aan een artikel over psychische ziekten. “Hij benaderde destijds weliswaar actief de krant met zijn eigen verhaal, maar was destijds minderjarig en kon gezien zijn gesteldheid wellicht de gevolgen van de publicatie niet overzien.” Dus heeft Timmers zijn naam weggehaald en de wijzigingen ook laten doorvoeren in de archieven die de bibliotheken gebruiken. “In het interne krantenarchief blijven wel de originele artikelen te zien.”
‘Informatie op internet zingt nu eenmaal rond’
Maar zelfs al haalt de krant een naam weg, dan nog is de privacy van de burger niet gewaarborgd. De kans is groot dat het artikel uit de krant overgenomen is op andere websites, zegt Blankestijn in zijn advies aan de RvdJ. Informatie op internet zingt nu eenmaal rond. Dat merkte ook Maarten Corpeleijn, de man die zogenaamd anoniem het Ublad aanklaagde. Blogger Peter van Olsthoorn van Leugens.nl ging eens spitten in de Ublad-archieven met de twee publicatiedata die genoemd werden in het rapport van de RvdJ en kwam erachter dat de aanklager niemand anders kon zijn dan Corpeleijn. Van Olsthoorn wijdde er een artikel aan op zijn website en strooide nog eens extra zou in de wonde door Corpeleijns Hyves-profiel door te spitten. Corpeleijn zelf kan er wel om lachen. “Mooi stuk, haha,” schrijft hij onder het artikel van Van Olsthoorn.
Of het nu gaat om artikelen in het Volkskrantarchief of om profielen op netwerksites als Facebook, LinkedIn en Hyves: als informatie eenmaal op het net staat, is de controle zoek. Zelfs al haal je informatie achteraf weg van je profiel, dan nog zwerft het ergens rond. In de cache van Google bijvoorbeeld. Of anders wel in het Internet Archive. Het is precies het gevaar waar de campagne van de overheid voor waarschuwt.
Voor jongeren heeft de campagne van de overheid een hoog ‘dûh’-gehalte. Ze weten wel dat profielen niet altijd handig zijn, maar hebben geen keus. Als ze een normaal sociaal leven willen hebben moeten ze wel een uitgebreid Hyves-profiel hebben. Anders bestaan ze niet. De gevolgen van hun exhibitionistische gedrag blijven schijnbaar beperkt tot wat moeilijke vragen bij sollicitaties. Corpeleijns aanvulling op het artikel van Van Olsthoorn over zijn persoon geeft goed aan hoe jongeren over privacy denken “Ik vond het een beetje flauw van de UU, daarom heb ik die klacht ingediend. Dat de RvdJ er zo’n halszaak van heeft gemaakt vond ik wel vermakelijk.”
Het is moeilijk voor te stellen dat jongeren uiteindelijk minder informatie over zichzelf gaan prijsgeven. Informatie delen heeft allerlei voordelen. Zo is het bijvoorbeeld handig als een applicatie betere uittips kan geven. Ook de voordelen van een centraal beheerde en voor alle artsen toegankelijke ziektegeschiedenis zijn evident. Niet voor niks uploaden Amerikaanse consumenten zelf hun medische dossiers naar hun Micrososft Healt Vault, Google Medical en Patients like me. Tienduizenden mensen over de wereld delen zelfs hun genetische samenstelling via het sociale netwerk 23andme.
De tips van de overheid zijn dan ook volledig achterhaald. “Gebruik online een nickname.” Maar hoe kan dat verlegen meisje dat jou zo leuk vindt, je dan vinden op Hyves? “Denk na voordat u iets online zet!” is net zoiets als zeggen ‘laat geen sporen achter als je door de sneeuw loopt”. Jongeren “zetten” niks online, ze leven deels op het net en laten dus sporen achter.
Maar gebrek aan anonimiteit is niet het echte probleem. Er is iets veel ergers aan de hand. Het makke informatieschaap verandert pas echt in een veelkoppig monster door de profielen die commerciële bedrijven opstellen. De profielen die zij maken kunnen inspelen op het consumentegedrag en daarmee van grote waarde zijn voor het bedrijf. Om die profielen te maken hebben deze bedrijven heel grote hoeveelheden gegevens nodig. Of die gegevens anoniem zijn of niet, is onbelangrijk. Zij maken namelijk geen profielen van individuele klanten, maar van soorten klanten. Hokjes dus.
Een van de meest vooruitstrevende bedrijven op dit gebied is het New Yorkse bedrijf Sense Networks. Op de sociale mediaconferentie Picnic 2009 laat directeur Greg Skibiski zien wat zijn bedrijf doet. Op het scherm zijn tienduizenden puntjes te zien op een kaart van de stad San Francisco. De puntjes zijn mobiele telefoons en dus de eigenaren van die telefoons. De data koopt hij van mobiele telefoonaanbieders, uiteraard geanonimiseerd. “Een groot probleem van data is dat het niet op een uniforme manier is opgeslagen. Mobiele telefoondata is over de hele wereld hetzelfde. De helft van de wereldbevolking heeft een mobiele telefoon. Ik geloof daarom dat de mobiele telefoon dataset de grooste en meest uniforme dataset over menselijk gedrag is die op dit moment bestaat.”
Sense Networks gebruikt de data om urban tribes te definiëren. Het gaat daarbij verrassend simpel te werk. Het bedrijf volgt de mobiele telefoons en kijkt op welke plekken de mobiele gebruiker zich iedere een zaterdagavond bevindt. Vervolgens laat het een statistische analyse op de data los. Daar komen dan clusters van plekken uit. Als iemand in café A komt is de kans groot dat hij ook in club B komt, of in supermarkt C. Zo worden er vijf profielen van locatiegedrag gedefinieerd, de zogenaamde urban tribes.
Tot zo ver vooral heel leuk. Maar Sense Networks is een bedrijf, geen antropologische faculteit. Dus gebruikt het de data om een mobiele telefoonapplicatie te bouwen die uitgaantips geeft. Als je de applicatie installeert registreert het je locatie. Aan de hand van de locaties die je bezoekt kijkt het programma tot welke tribe je behoort en doet vervolgens suggesties van plekken die je misschien ook leuk zult vinden, aangezien de rest van je tribe er ook naartoe gaat. Het verdienmodel bestaat uit de verkoop van advertenties. Als je weet tot welke tribe mensen behoren weet je ook wat voor producten ze interessant zullen vinden en zo kan reclame veel efficiënter worden.
Middels dergelijke profielen kunnen er allerlei aannames gedaan worden over de persoonlijkheid en het gedrag van mensen. Consumenten kunnen nog meer verleid worden tot het kopen van allerlei producten en diensten. Maar het kan ook veel ernstigere gevolgen hebben. Wat gebeurt er als data uit grote hoeveelheden ziektegeschiedenissen gekoppeld wordt aan de persoonlijke details die klanten invullen op het aanmeldingsformulier van hun zorgverzekeraar?
Tot nu hadden zorgverzekeraars nog een beperkte dataset tot hun beschikking, namelijk de gegevens van hun eigen klanten. Maar als het aan het kabinet ligt worden ook de gegevens uit het Elektronisch PatiëntenDossier (EPD) beschikbaar gesteld aan de zorgverzekeraars. Daarmee beschikken zij ineens over een uniforme en zeer betrouwbare dataset van alle Nederlanders. Dat de data geanonimiseerd zijn maakt niks uit, het gaat er om risicoprofielen te maken en daar heb je geen namen bij nodig.
Niets staat de verzekeraar in de weg om op basis van risicoprofielen klanten waar niets aan te verdienen valt aanvullende verzekeringen te weigeren. De verzekeraars zijn sinds de hervorming van het zorgstelsel in 2006 vrij om aanvullende verzekeringen te weigeren en kunnen zelf de tarieven bepalen van deze verzekeringen. Terwijl de Nederlandse overheid zijn burgers waarschuwt voor hun Hyves-profiel, werpt ze verzekeraars gegevens in de schoot waar ze pas echt iets mee kunnen.
‘Als je in de Randstad op de snelweg rijdt wordt met camera’s je kenteken gelezen’
Onder druk van de Nederlandse overheid slaan telefoonmaatschappijen en internetproviders langer op met wie je wanneer hebt gebeld dan eigenlijk volgens de Europese regelgeving moet. Je vingerafdrukken die gemaakt worden bij het aanmaken van een paspoort worden opgeslagen in een centrale database. Vervoersbedrijven slaan gedetailleerde locatie-informatie van je op. Als je in de Randstad op de snelweg rijdt wordt met camera’s je kenteken gelezen. Elk aspect van je leven wordt vastgelegd en in de gaten gehouden. Maar zet vooral niet je telefoonnummer op je Hyves.
Als anonimiteit geen oplossing biedt tegen de werkelijke gevaren van het informatiemonster, wat is dan de oplossing? Publicist over de digitale stad Adam Greenfield heeft een radicale oplossing. “Maak alle informatie die je als bedrijf of overheid over burgers verzamelt openbaar, zodat iedereen de informatie kan gebruiken.”
Burgers hebben dan dezelfde tools in handen als grote organisaties en kunnen daarmee terugslaan. In zijn manifest Urban Computing and Its Discontents noemt hij als voorbeeld iSee Manhattan. iSee is een routeplanner die de kortste route van A naar B plant zonder dat je gezien wordt door surveillance camera’s. Volgens Greenfield gaat een groot deel van het openbare stadsleven zich in de nabije toekomst op internet afspelen. De privacy van burger komt daarbij onder druk te staan. Openbaarheid van informatie kan de burger in staat stellen zich te weren, alleen al omdat hij dan weet welke informatie er over hem rondzingt in databases.
Een woordvoerder van de Consumentenbond verwoordt het wat minder radicaal, maar is het met Greenfield eens. “Veel mensen weten niet dat er overal allerlei gegevens over hen zijn opgeslagen. Transparantie en openheid is belangrijk om mensen wat bewuster te maken. Daarnaast willen we dat mensen zelf de controle krijgen over hun eigen gegevens.” De bond heeft begin dit jaar tien privacy eisen in een manifest vastgelegd, waaronder zeggenschap voor de burger, informatie en toestemming.
Wat betekent dat in de praktijk? Burgers moeten zelf kunnen bepalen welke delen van het EDP door wie gezien kunnen worden. Ook moeten ze onderdelen kunnen verwijderen als ze dat willen. De reisgegevens van de OV-chipkaart moeten klanten niet alleen via het web kunnen inzien, maar ook kunnen verwijderen. Als het aan Greenfield ligt worden de gegevens die door het EPD en de OV-chipkaart verzameld worden, bovendien geanonimiseerd teruggegeven aan het publiek. Hetzelfde geldt voor mobiele telefoniegegevens. Met een beetje geluk kunnen burgers het beest dat hen dreigt te verslinden dan uiteindelijk toch nog temmen.
De stad als bibliotheek
Posted By Anna van den Breemer On oktober 23, 2009 @ 17:06 In Reportage | No Comments
[27]Zomaar een mooi boek ‘in het wild’ achterlaten voor een onbekende voorbijganger. Het fenomeen ‘bookcrossing’ wint aan terrein in Amsterdam. Een goedkope manier om aan boeken te komen of een hechte community?
AMSTERDAM – Bij de houten kist met sinaasappels staat ze abrupt stil. Schichtig schieten haar ogen van links naar rechts door de Natuurwinkel. Haar blik blijft rusten op de man rechts van haar. Kijkt hij? Maar de man is druk bezig met het uitkiezen van zijn appels. Mooi. “Dit is een goed moment”, fluistert ze op samenzweerderige toon. Bijna plechtig legt ze het boek Besneeuwde sinaasappels van Peter Kerr op de sinaasappels. “Zo.” Haar hoofd een tikkeltje schuin. “En nu snel weg.”
Het moest allemaal vlug gaan, had ze van te voren al gewaarschuwd. “Je wilt niet dat mensen zien wat je doet. Het moet een verrassing zijn.” Voordat ze de winkel binnenstapte, had ze het boek al in het zijvakje van haar bordeauxrode schoudertas gedaan. Het boek moet met een greep van de hand gevonden kunnen worden. “Als je daar zo staat te graven in je tas, denken de mensen dat je iets steelt.”
Het tegenovergestelde is echter waar. Hendrickje (57), die liever alleen met haar bookcrossingsnaam genoemd wil worden, is een bookcrosser. Ze laat boeken achter in het wild.
Bookcrossingzones in Amsterdam
OBCZ CoffeePlaza, Jan Pieter Heijestraat 143a, 1054 MG Amsterdam.
Café Lef, Zeedijk 23, 1012 AP Amsterdam.
Mulligans Irish Bar, Amstel 100, 1017AC Amsterdam.
OBCZ-NPK , cultureel paviljoen in het Noorderpark Studio-K, Timorplein 62, 1094CC Amsterdam.
Met zo’n 17.192 leden wordt bookcrossen steeds populairder in Nederland. Deze maand haalde Nederland grotere landen als Frankrijk en eerder Duitsland in. Gratis boeken verspreiden en vinden in de stad; het lijkt een welkome hobby in deze crisistijd. Sinds het begin van de financiële crisis in september 2007 nam het aantal leden in Nederland met 60 procent toe. Televisieprogramma Kassa noemde bookcrossing dan ook dé besparingstip.
De wereld omtoveren tot een grote gratis bibliotheek; dat was het doel van de Amerikaanse Ron Hornbaker die het concept van bookcrossing in 2001 bedacht. Inmiddels is bookcrossing de grootste boekenclub ter wereld met 817.191 leden in 130 landen. Het idee achter bookcrossing is simpel. Je laat een boek achter in de openbare ruimte, zodat iedereen die langsloopt het mee kan nemen. Op het boek plak je een unieke code, die je van de site bookcrossing.com [30]haalt. Via deze code kan de vinder het boek op dezelfde site registreren en zie je welke reis een boek maakt.
Dankzij de fanatieke groep Amsterdamse bookcrossers zijn er op dit moment 75 boeken ergens in de stad in het wild te vinden. Gulliver’s travels van Jonathan Swift op de bovenste verdieping van de Kalvertoren of Helen Fielding’s Bridget Jones bij metrohalte Uilenstede, bijvoorbeeld. Iedere dag komen daar nieuwe bij en worden anderen door voorbijgangers of doelbewuste jagers meegenomen.
Na het wegleggen van boeken is het leuk dat de vinder van het boek dit vervolgens meldt op de website. In de praktijk blijkt dat er op 10 tot 15 procent van de boeken wordt gereageerd. De rest verdwijnt, om misschien nog eens jaren later op het forum op te duiken. Dat is toch ook een nadeel van Amsterdam, vindt Hendrickje. “In een klein plaatsje in Brabant worden boeken toch sneller gemeld dan in de anonieme grote stad.” Ze geeft toe in het begin wel eens ‘dipjes’ te hebben gehad. “Als ik een boek had weggelegd, dook ik steeds achter de computer om te zien of het gevonden was. Dan was het heel teleurstellend als je niets hoorde. “Waar doe ik het dan voor?”, vroeg ik me af.
Voor Hendrickje werd die vraag gaandeweg beantwoord. Door bookcrossen heeft ze nieuwe genres en auteurs ontdekt. “Eigentijdse auteurs zoals Paulo Coehlo. Je wordt gemakkelijk. Ik begin gewoon aan een boek, als het me niet pakt, leg ik het gerust na twee hoofdstukken weer weg. Het was toch gratis.” Dat geldt ook voor bookcrosser Huisman. Las ze eerst vooral romans over het oude Egypte, nu waagt ze zich ook wel eens aan een chicklit.
Op het eerste gezicht lijkt Coffee Plaza een gewoon lunchtentje op de hoek van de Jan Pieter Heijestraat in Oud-West. Een centrifuge die onder onophoudelijk gebrom verse sapjes maakt, de geur van verse koffie en de zaterdagkrant die verspreid ligt over de grote houten tafel. Maar het café is een officiële bookcrossingzone (OBCZ). Amsterdam kent vijf OBCZ’s, meer dan in andere steden, meestal winkels of een kroeg, waar een boekenplank te vinden is. Een ontmoetingsplek voor bookcrossers waar je gratis boeken mee kunt nemen of achterlaten.
Bookcrosser Linda Huisman, ofwel Linniepinnie, is de trotse beheerder van deze OBCZ. Doodsbang was ze toen ze in mei met haar bookcrossingspullen onder de arm het pas geopende lunchtentje binnenstapte met het voorstel er een OBCZ van te maken. “Mensen vinden bookcrossing toch een beetje vreemd.” Ieder weekend checkt Huisman trouw het boekenplankje rechts achter in de zaak, vlak bij de toiletdeur. Op een schema vult ze in welk boek is meegenomen en daar komt dan een nieuwe uit haar eigen collectie voor in de plaats. Ze krijgt alle boeken van vrienden en collega’s die van haar bookcrossobsessie afweten. “Ik had niet echt hobby’s”, vertelt Huisman. Totdat ze drie jaar geleden bookcrossing ontdekte. Het werkt hartstikke verslavend, verzekert ze. Vooral de voorbereiding. “Therapeutisch plakken noem ik het. Dat ik lekker met mijn zakjes stickers en etiketten aan tafel zit, mijn boeken te beplakken.” Op het boek in haar handen prijkt een bontgekleurd etiket met in blauwe letters: “Gefeliciteerd je hebt een gratis boek gevonden dat iemand via bookcrossing heeft vrijgelaten om door jou gevonden te worden.” Daarnaast het logo van een geel verkeersbord waar een rennend boek op te zien is.
Voor de meeste bookcrossers blijft het niet bij eenzaam door de stad fietsen, her en der boeken achterlatend. Amsterdam beschikt over een hechte bookcrosserscommunity. En die bestaat niet alleen uit oude vrouwen die boektreeksen lezen, vertelt Huisman. Hoewel de meeste leden vrouw zijn, is de gemiddelde leeftijd 38 jaar. Op het forum van de website worden dagelijks uiteenlopende dingen besproken: van boekenrecensies tot onderwerpen die niets met boeken te maken hebben, zoals: wat at je als avondeten?
De leden ontmoeten elkaar ook regelmatig buiten de website om, in allerlei Nederlandse steden, om boeken te ruilen of samen boeken los te laten. Iedere maand is er wel ergens in Nederland een ontmoeting van Nederlandse bookcrossers, waar tientallen mensen op af komen. De bookcrossers noemen elkaar bij hun nickname. Hendrickje: “Dan fiets ik door Amsterdam en hoor ik opeens; ‘Ha Hendrickje!’ Het is een ander wereldje, en dat is leuk.” Ontmoetingen vinden veelal plaats op de daarvoor bestemde bookcrossingzones.
Inmiddels heeft Linniepinnie 2013 boeken ‘in het wild losgelaten’. Het op zoek gaan naar een goede plek om het boek achter te laten is zo eenvoudig nog niet. Als ervaren bookcrosser breek je je hoofd erover om een originele plek te vinden. Liefst eentje die aansluit bij het boek. Voor de Baantjerboeken ging Huisman net zo lang op zoek totdat ze de exacte locatie vond in Amsterdam die op de voorkant van het boek stond afgebeeld. En zaterdag was ze nog speciaal naar de Ikea gegaan om daar het boek Kitchen van Banana Yoshimoto in een keuken achter te laten. “Je wordt creatief”, haalt Linniepinnie haar schouders op.
Na de Natuurwinkel zet Hendrickje de bookcrossingstocht door Amsterdam voort. In de straffe herfstwind fietst ze door het Oosterpark naar de stiltekapel van het Onze Lieve Vrouwen Gasthuis. De perfecte plek voor het spirituele Don’t fall of the Mountain van Shirley McLaine. Het boek heeft ze al in het zijvakje van haar tas gestopt.
‘Lucht Amsterdam nog steeds te vies voor Europa’
Posted By Joel Broekaert On oktober 23, 2009 @ 17:05 In Achtergrond | No Comments
[32]Ondanks de invoering van een milieuzone voor goederenvervoer – precies een jaar geleden – is de luchtkwaliteit in Amsterdam nog steeds slecht. Een van de knelpunten is de Jan van Galenstraat, waarlangs veel goederenverkeer de stad inrijdt op weg naar het nabijgelegen bedrijventerrein Food Center Amsterdam.
AMSTERDAM – Het blijft een gek gezicht: een meterslange vrachtauto met even lange aanhanger die netjes stopt voor het zebrapad. De voetgangers die op weg zijn naar de supermarkt of de bloemenstal aan de andere kant van de straat, kijken bij het oversteken recht tussen de koplampen. De cabine, die de volle breedte van de stoep in beslag neemt, is zo hoog dat de voetgangers de bestuurder niet eens kunnen zien zitten. En dus lopen ze altijd net iets sneller dan normaal, wanneer er zo’n ronkend gevaarte staat te wachten.
Op de hoek van de Jan van Galenstraat en de Bestevaerstraat in Amsterdam West is het elke ochtend een vertrouwd tafereel. Veel van het vrachtverkeer dat vanaf de ringweg A10 de Jan van Galenstraat inrijdt, is op weg naar het nabijgelegen bedrijventerrein Food Center Amsterdam (FCA).
De uitlaatgassen van al dat vrachtverkeer verontreinigen de lucht in de Jan van Galenstraat zodanig, dat deze straat lang bekendstond als de vieste straat van Amsterdam. Maar het is zeker niet de enige plek in de hoofdstad waar de lucht niet bepaald schoon is. Vier jaar nadat de gemeente haar Actieplan ‘Luchtkwaliteit’ lanceerde, is het nog steeds erbarmelijk gesteld met de luchtkwaliteit in de hoofdstad, zegt André van der Poel van het Milieucentrum Amsterdam. Ook de GGD zegt op haar website dat de luchtkwaliteit sinds 2000 nog niet verbeterd is.
Het actieplan van de gemeente richt zich op twee peilers: ‘voorrang voor een gezonde stad’ –maatregelen gericht op burgers, zoals het promoten van autodelen, verhogen van parkeertarieven en een milieuzone voor personenvervoer; en de ‘milieuzone goederenvervoer’ –gericht op het bedrijfsleven.
Een Amsterdamse milieuzone voor personenvervoer werd eerder dit jaar afgeblazen. Volgens een onderzoek van TNO zouden de gunstige effecten op de luchtkwaliteit tegenvallen. De milieuzone voor het goederenvervoer werd vorig jaar oktober wel met succes ingevoerd. Vanaf dat moment moesten alle vrachtauto’s binnen de ringweg A10 aan bepaalde milieueisen moeten voldoen. Vanaf 1 januari 2010 zullen die eisen worden aangescherpt (zie kader).
Het doel van de milieuzone van goederenvervoer was om de uitstoot van schadelijke stoffen in 2010 met 15 procent te hebben teruggedrongen ten opzichte van 2005. Dat was nodig om aan te voldoen aan de Europese milieueisen. Ondertussen heeft Amsterdam vijf jaar uitstel gekregen van Brussel. “Maar ook om tegen die tijd aan de eisen te voldoen, moet er nog een hoop gebeuren”, zegt Van der Poel. Deze week presenteerde het Milieucentrum een nieuw rapport [33] met de laatste metingen van de luchtkwaliteit in Amsterdam. Daaruit blijkt dat het hoofdwegennet van Amsterdam nog steeds veel te vies is. “Er zijn zelfs wegen bij waarbij de norm makkelijk twee keer overschreden wordt.”
Een van die vieze plekken is de Jan van Galenstraat. Daarom maakten de gemeente en het FCA bij de invoering van de milieuzone onderling extra afspraken om de lokale luchtverontreiniging aan te pakken.
Lang niet al het goederenverkeer dat via de Jan van Galenstraat de stad binnenrijdt, komt voor het FCA. Nog niet eens de helft, volgens Erik Fischer, voorzitter van de Verenigde Bedrijven FCA. Toch werkt het Food Center mee aan een verduurzaming van het bedrijventerrein en de wagenparken van de bedrijven die er gevestigd zijn. “We praten graag over een ‘groen’ Food Center”, aldus Fischer.
De Verenigde Bedrijven FCA beloofden een plan te ontwikkelen om het afval op het terrein collectief in perscontainers af te voeren, bij voorkeur over het water met elektrisch aangedreven vaartuigen. Ook willen ze het aantal elektrisch aangedreven bestelauto’s fors uitbreiden, het gebruik van led-verlichting bevorderen en de aangesloten bedrijven stimuleren om milieuvriendelijke vervoermiddelen te gebruiken.
De gemeente zou op haar beurt de luchtkwaliteit proberen te verbeteren door te experimenteren met het plaatsen van groenstroken langs de weg, het aanpassen van de verkeerslichten om de doorstroom van het verkeer te bevorderen en het natsproeien van het wegdek om de verspreiding van fijnstof te beperken. De proeven zijn gedaan, maar het bleek allemaal niet te werken. En dus staat er nu één verloren klimophaag langs de weg.
Gelukkig waren dat niet de enige maatregelen die de gemeente beloofde te nemen. Zo wil de gemeente om de Jan van Galenstraat te ontlasten het goederenverkeer omleiden langs de Haarlemmerweg. Daarvoor moest de noordelijke ingang van het bedrijventerrein worden verbreed. Die verbreding zou in 2009 worden gerealiseerd, zo werd vorig jaar afgesproken, maar het onderzoek naar de mogelijkheden loopt nog steeds. De gemeente hoopt half november de resultaten te presenteren. Het is dus nog maar de vraag of er voor het einde van het jaar met de verbreding kan worden begonnen.
Milieuzone: overtredingen en ontheffingen
Sinds de invoering van de ‘Milieuzone Goederenvervoer Amsterdam’ op 1 oktober 2008 worden binnen de ringweg A10 alleen nog vrachtwagens toegestaan met een Euro II dieselmotor en een roetfilter. Vanaf 1 januari 2010 zal de norm worden aangescherpt. Alleen vrachtwagens met een Euro IV-dieselmotor of een Euro III- dieselmotor met roetfilter mogen dan nog de Amsterdamse ring op.
Sinds september 2009 worden alle 7.000 vrachtauto’s die dagelijks vanaf de ringweg de stad inrijden gecontroleerd met behulp van speciale scanners. Sindsdien deelt de gemeente gemiddeld 150 boetes per dag uit aan vrachtauto’s die de milieunorm overschrijden. Een dergelijke boete bedraagt 150 euro.
Bedrijven die financieel niet in staat zijn te investeren in een schoner vervoer, kunnen een ontheffing aanvragen. Sinds de invoering van de milieuzone verleent de gemeente gemiddeld 20 structurele ontheffingen per maand. Daarnaast verleent de gemeente per maand 150 dagontheffingen aan bedrijven die slechts op incidentele basis in Amsterdam moeten zijn.
Voordat de Verenigde Bedrijven FCA hun deel van de afspraak na kunnen komen, zal eerst het bedrijventerrein op de schop moeten. In 2005 was er al discussie over de locatie van het FCA. Er werd besloten om het bedrijventerrein te handhaven op de Jan van Galenstraat en het terrein efficiënter in te richten. Het FCA zou een grootscheepse herstructurering ondergaan. Vorige week woensdag liet de gemeente weten eindelijk een plan te hebben voor een “duurzame en klimaatneutrale” herstructurering van het terrein. Voor de herontwikkeling, die op z’n vroegst in 2011 van start zal gaan, trekt de gemeente tien tot vijftien jaar uit.
Totdat het duidelijk is hoe het nieuwe terrein wordt ingedeeld, kan het FCA nog niet beginnen met plannen voor collectieve afvalverwerking of een aanlegplaats voor vervoer over het water. Om hun goede wil te tonen hebben de Verenigde Bedrijven FCA besloten in samenwerking met Mokum Maritiem toch te beginnen met de ontwikkeling van een elektrisch schip dat de Amsterdamse binnenstad voor een deel over de grachten moet bevoorraden. Maar ook die test zal op z’n vroegst pas medio volgend jaar plaatsvinden.
Dat wil niet zeggen dat er helemaal niks gebeurt. Tijdens de viering van het 75-jarig bestaan van het FCA eind vorige maand presenteerden de bedrijven niet alleen hun plannen voor het bevoorradingsschip, en onthulde de gemeente twee oplaadpunten voor elektrische vracht- en bestelauto’s op het terrein. Maar Fischer kan de op het terrein gevestigde bedrijven niet verplichten te investeren in elektrisch vervoer, want elektrisch vervoer is nog steeds ontzettend duur. “Zo’n bestelauto kost gemiddeld 30 duizend euro, en een nieuwe accu zeker 18 duizend euro. En die accu’s zijn nog steeds heel kwetsbaar”, legt Fischer uit. Vier van de 90 bedrijven die op het terrein gevestigd zijn hebben inmiddels al geïnvesteerd in een elektrische vrachtauto. “Die hebben ze uit het Verenigd Koninkrijk moeten halen, want die wagens zijn in Nederland helemaal niet beschikbaar”, zegt Fischer. Kortom: goederenvervoer met elektrische vrachtauto’s verkeert nog in de ontwikkelingsfase.
De Jan van Galenstraat moet het dus doen met een klimophaag en vier elektrische vrachtwagens. Hoe staat het intussen met de luchtkwaliteit? Sinds september dit jaar controleren speciale scanners de 7.000 vrachtauto’s die dagelijks vanaf de ringweg Amsterdam inrijden. Vanaf dat moment heeft de gemeente gemiddeld 150 boetes per dag uitgeschreven. Dat zijn dus minimaal 4500 vrachtauto’s per maand die in Amsterdam de milieunormen overschrijden. Daarnaast geeft de gemeente per maand nog eens 20 structurele ontheffingen en 150 dagontheffingen (zie kader).
Op de website www.luchtmetingen.amsterdam.nl [34]van de GGD wordt de luchtkwaliteit op verschillende meetpunten in de stad per uur bijgehouden. Daarbij wordt gekeken naar het gehalte van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof in de lucht. Dat wordt gemeten in microgrammen stikstofdioxide per kubieke meter (µg/m3).
In de periode van 15 september tot 15 oktober 2008 (de milieuzone werd op 1 oktober ingevoerd) werd er gemiddeld 291,5 µg/m3 gemeten. Precies een jaar later was dat voor diezelfde periode gemiddeld 212 µg/m3. Aanzienlijk lager op het eerste gezicht. Bij nader inzien is het hoge gemiddelde in 2008 is het gevolg van een uitschieter. Op één dag werd er meer dan 500 µg/m3 aan stikstofdioxide gemeten. De rest van die periode waren er slechts zes dagen waarop het gemiddelde boven de 200 µg/m3 kwam. Ter vergelijking: in 2009 werd er op elf verschillende dagen meer dan 200 µg/m3 stikstof gemeten. Drie daarvan kwamen zelfs boven de 300 uit.
Of de Jan van Galenstraat schoner is geworden, hangt dus af van de meetmethode. Daarnaast is het de vraag in hoeverre dit voorbeeld representatief is voor de rest van Amsterdam. Maar als we André van der Poel van het Milieucentrum moeten geloven, moet Amsterdam nog veel doen om over vijf jaar aan de Europese norm te voldoen.
Amsterdam bereikt haar digibeten niet
Posted By Paula van Rooij On oktober 23, 2009 @ 17:03 In Onderzoek | 1 Comment
Veel Amsterdamse bejaarde Turken en Marokkanen hebben geen internet. Hoe kunnen zij de weg nog vinden in een steeds meer gedigitaliseerde samenleving. Doet Amsterdam wel genoeg voor haar digibeten?
AMSTERDAM - “Heeft iedereen internet? Nog niet, hè?”, lacht computerleraar Jerry Augustin van de christelijke vrijwilligersorganisatie House of Charity, tegen de vijf senioren die braaf achter hun beeldscherm zitten. De computers staan in de kelder van de Kolenkitkerk. Aan de muur hangt een vaandel met de tekst “Jesus risen exalted one”.
“Hij doet het niet en ik heb toch op Internet Explorer gedrukt”, zegt de een.
“Je moet ook twee keer klikken”, adviseert de ander.
De ouderen – van Surinaamse, Antilliaanse, Indische en Nederlandse komaf – hebben de grootste moeite om internet op te starten tijdens hun vierde computerles. De meesten hebben voordat deze cursus van start ging nog nooit achter een pc gezeten.
De ouderen in de Kolenkitkerk zijn niet de enige bejaarden zonder internet. Uit het jaarlijkse onderzoek van de gemeente, de Burgermonitor 2009, blijkt dat 45 procent van de Amsterdamse 65-plussers geen internet heeft. En dat terwijl de computer met internetaansluiting in toenemende mate een voorwaarde is om mee te doen aan de maatschappij. Veel bejaarden voelen zich dan ook gedwongen om met internet te gaan werken. Maar uit een inventarisatie door de vrijwilligers van House of Charity bleek dat er nogal wat ouderen waren die zich geen raad wisten met een computer, als ze die al hadden.
Meedoen
“Het kan mensen uit een maatschappelijk isolement halen”, denkt communicatiedeskundige van de Universiteit Twente Jan van Dijk. Maar dan moeten ze er wel mee kunnen omgaan en dat is vaak een probleem, zegt hij. Bijna alle Amsterdammers hebben tegenwoordig internet, maar toch kent slechts 44 procent de website van de gemeente. En daar staan toch erg relevante zaken op. Zo zijn alle gemeentelijke besluiten online [36] te vinden en kun je via www.loket.amsterdam.nl [37] allerlei diensten aanvragen. Van bouwvergunning tot het doorgeven van een verhuizing.
De voorlichtingsloketten op het stadhuis en in de verschillende stadsdelen bestaan nog wel, maar het is een stuk rustiger dan pak ‘m beet tien jaar geleden, vertelt de dame die op maandagmiddag achter het loket zit. De loketten worden vooral door bejaarden, maar ook door allochtonen die moeilijk met internet om kunnen gaan. internet hebben ze niet en bellen naar het gemeentelijke nummer vinden ze eng, vanwege hun gebrekkige Nederlands.
Allochtonen
Willem Bosveld van de Dienst Onderzoek en Statistiek zegt dat het vooral de eerste generatie Turken en Marokkaanse allochtonen zijn die nog naar het voorlichtingsloket komen. “Zij die thuis of op het werk geen internet hebben. Het is een groep die sowieso moeite heeft om mee te doen met de maatschappij. Bosveld denkt dat 7 procent van de Amsterdammers systematisch niet of nauwelijks deelneemt aan de maatschappij.
Jos de Haan van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) ziet ook dat vooral de eerste generatie allochtonen vaak geen internet heeft. Uit onderzoek naar digitale vaardigheden in 2007 bleek dat ondanks dat zo’n 90 procent van de Nederlanders internet heeft, ongeveer een derde er niet mee kan omgaan. Dat zijn vaak ouderen, allochtonen en lageropgeleiden. Die groepen overlappen elkaar regelmatig. Een 70-jarige Turk is nu eenmaal vaak slecht opgeleid.
En er is nòg een probleem: de oudere Turkse en Marokkaanse Nederlanders hebben vaak moeite met lezen en schrijven. Als je de reclamefolders van de supermarkt al niet kunt lezen, begrijp je al helemaal niks van de website van de gemeente. Digibeten hebben dus vaak moeite met lezen en schrijven. In Nederland zijn er anderhalf miljoen van die ‘functioneel ongeletterden’. Van hen is ongeveer eenderde allochtoon.
De Haan denkt dat het taalprobleem in een grote stad als Amsterdam “misschien wel groter” is dan elders. Als allochtonen zich concentreren in stedelijke wijken, dan wonen daar dus meer allochtonen en dat is niet erg goed voor de taalvaardigheid.
Behalve taal zijn er nog andere barrières. Mensen hebben geen goede pc, kunnen hem niet bedienen, of een computer is simpelweg te duur, blijkt uit SCP-onderzoek uit 2007. Daarnaast zeggen veel ondervraagden internet niet te willen omdat ze het niet interessant of zinvol vinden. De Haan wijst erop dat dit soort redenen vaak schaamte verhullen.
Die gêne proef je ook een bij de pc-les in de Kolenkitkerk. Ter illustratie van dit artikel maakte ik een filmpje van de heren Raoul Nauman (77) en Hans Suijker (68), die elkaar helpen met het sturen van e-mails. Het duurt een tijd voor ze erin slagen om het mailadres goed in te vullen. “Mag ik het filmpje op de site van Nieuw Amsterdams Peil zetten?”, vraag ik ze achteraf. “Nee, nee”, schrikken ze. “We voelen ons nog te veel een kruk met de computer.”
Het probleem van de digitale kloof is overigens niet uniek voor Nederland. Ook in andere Europese landen en de Verenigde Staten blijven migranten vaak achter als het gaat om ict-vaardigheden. In Amerika hebben aanmerkelijk minder jeugdige latino’s toegang tot het wereldwijde web. In Duitsland probeert de overheid migranten aan het internet te krijgen, zodat ze actiever deelnemen aan de maatschappij.
Oplossingen
Het aantal bejaarde Amsterdammers zonder internet is de afgelopen tien jaar enorm afgenomen. “De 55-plussers van nu zijn immers de 65-plussers van straks”, zegt Bosveld. En ook het probleem van de eerste generatie allochtonen lost zich op den duur wel op. De generatie maakt namelijk vanzelf plaats voor de volgende. De kinderen van de eerste generatie allochtonen zijn vaak beter opgeleid en ze hebben bovendien op school met computers leren werken. Vermoedelijk komen sommige van hun kinderen in aanmerking voor een gratis computer van de Dienst Werk en Inkomen (zie kader). Deze gemeentelijke dienst stelt sinds 2003 computers met internetverbinding ter beschikking aan gezinnen met weinig geld en kinderen op de middelbare school.
PC-REGELING
Sinds 2003 geeft de Dienst Werk en Inkomen (DWI) gratis computers aan gezinnen met een laag inkomen met kinderen in het voortgezet onderwijs. De gemeente wil dat iedereen op de middelbare school thuis kan computeren en internetten. Daarom zijn de computers voorzien van internetaansluiting en printer. Omdat kinderen wel met zo’n computer moeten kunnen werken, moeten ze verplicht een pc-workshop volgen.
De gezinnen kunnen drie jaar lang aanspraak maken op een gratis computer. Na vier jaar kunnen zij deze opnieuw aanvragen. Tot 12 september van dit jaar hebben 770 Amsterdammers gebruik gemaakt van de pc-regeling. In 2008 vroegen 1344 personen een gratis computer aan.
De ‘probleemgroep’ sterft dus langzaam uit, maar tot die tijd zitten we met veel digibeten. Via internet gaat het dus niet lukken om die groep te bereiken, denkt ook Bosveld. Hoe bereikt de gemeente intussen de eerste generatie allochtonen en ouderen? De Haan: “Tja. Dat zou kunnen via televisiespotjes, maar daar moet je wel weer de Nederlandse taal voor beheersen. Of misschien via vertaalde folders, die je via buurthuizen verspreidt. Dan heb je alleen weer te maken met een ander taalprobleem. Via Turkse folders kan je nog wel mensen bereiken, maar veel Marokkanen lezen geen Arabisch en spreken alleen maar Berbers.”
Website gemeente
De gemeente doet onderzoek naar de gebruikersvriendelijkheid van de eigen website. Onderzoeker Thomas Marteijn liet vorig jaar in de Stopera zes proefpersonen dingen opzoeken op de website van de gemeente: drie mannen en drie vrouwen. Onder hen bevonden zich twee personen van allochtone afkomst. Uit het rapport blijkt dat de meeste respondenten redelijk tevreden waren over de website. In de conclusies worden aanbevelingen gedaan van het genre “onder het hoofdmenu ‘Verkeer en Vervoer’ een submenu toevoegen”.
Saillant detail: veel internetters weten niet dat ze via het Loket Amsterdam vergunningen aan moeten vragen. Eigen gebruik leert dat het niet zo makkelijk is om in het digitale loket je weg te vinden. Zo kom je alleen via de zoekfunctie uit bij het aanvraagformulier van een bouwvergunning. Ze belanden op de goede plek via google of de zoekfunctie van de website.
En dan nog iets. Er worden wel uitspraken gedaan over de kwaliteit van de website op basis van een erg kleine groep respondenten, van wie de meeste “ervaren internetgebruikers” zijn. Volgens Marteijn is zo’n laag aantal respondenten normaal bij gebruikersonderzoek naar websites. “Ze lopen toch allemaal tegen dezelfde problemen aan.”
Ook zaten er wel erg veel ervaren internetgebruikers tussen de proefpersonen. “Als we alleen onervaren internetgebruikers ondervragen, dan wordt een website weer onnodig simplistisch. Dan zadel je het gros van de gebruikers op met onnodige barrières. Zo kun je de knoppen waarmee je navigeert wel heel groot maken, maar dat gaat weer ten koste van het overzicht van de website.” Bovendien, vult Marteijn aan, ook mensen die slecht met internet kunnen omgaan, profiteren van verbeteringen op basis van tips van ervaren internetgebruikers. Dat wil niet zeggen dat ze dan meteen hun weg kunnen vinden, maar het wordt ze toch iets makkelijker gemaakt.
Communicatiedeskundige Van Dijk vindt dat de overheid er toch te gemakkelijk van uit gaat dat burgers hun weg wel kunnen vinden op het net. In het rapport Digitale vaardigheden van Nederlandse burgers [38] uit 2008 bestrijdt hij met een collega dat digibeten uitsterven. Zo hebben “aanzienlijke aantallen burgers” moeite met het invullen van elektronische belastingformulieren. De (lokale) overheid heeft volgens hem een taak bij het aanleren van digitale vaardigheden aan burgers. Gemeenten zouden ernaar moeten streven om hun website zo gemakkelijk mogelijk te maken. Ook is het wenselijk om computercursussen aan te bieden.
Cursussen in Amsterdam
Dat laatste gebeurt in ieder geval in Amsterdam, zegt woordvoerder van de gemeente. Stadsdelen organiseren computercursussen en daarnaast maken nieuwe Amsterdammers tijdens het inburgeringtraject kennis met de pc. Dit past in het streven om alle Amsterdammers te laten meedoen aan de maatschappij. Inwoners krijgen ook hulp met het spreken van de taal en het zoeken naar werk. De zegsman wijst eveneens op de neveneffecten van de al genoemde pc-regeling van de Dienst Werk en Inkomen. Niet alleen schoolgaande kinderen leren daardoor omgaan met de computer, maar zij helpen ook hun ouders om te werken met pc’s. Ondanks de inspanningen heeft 7 procent van de Amsterdammers moeite om mee te komen. De woordvoerder: “Dat is wel iets waar je nooit mee klaar bent, want als je de ene groep op weg hebt geholpen, komen er weer nieuwe Amsterdammers bij.” Daarom werkt de gemeente met een ‘en-en-en-beleid’. “Als we inwoners niet digitaal kunnen bereiken, dan bellen we ze op of schrijven we ze een brief. Desnoods gaan we bij ze thuis langs”
Bosveld: “Het klinkt misschien cynisch, als het om belangrijke zaken gaat als inkomen of huisvesting, komen mensen via-via wel aan de informatie die ze nodig hebben.”
BURGERMONITOR 2009
De afgelopen tien jaar zoeken Amsterdammers steeds vaker informatie over de gemeente via de website van de stad. In 2000 gaf 1 procent van de Amsterdammers aan via de gemeentewebsite naar informatie te zoeken; in 2008 was dat 10 procent. De lokale televisiezender AT5 is al die jaren de belangrijkste informatiebron gebleven voor hoofdstedelingen.
Ondertussen hebben veel meer Amsterdammers toegang tot internet dan in 1999. In dat jaar hadden nog geen vier van de tien Amsterdammers thuis de beschikking over het wereldwijde web (37 procent). Nu hebben bijna negen op de tien Amsterdammers dat (85 procent). De 65-plussers blijven achter, maar toch heeft ruim de helft inmiddels wel een internetaansluiting (55 procent).
Noreena Hertz geeft haar publiek de Sesamstraatversie
Posted By Laura van der Wal On oktober 23, 2009 @ 17:02 In Profiel | No Comments

Image by Chris Saunders via Flickr
De Britse econome Noreena Hertz is sinds september hoogleraar globalisering, duurzaamheid en financiën aan de Duisenberg School of Finance. Een opvallende stap voor iemand die een paar jaar geleden nog antiglobaliste werd genoemd.
AMSTERDAM – Noreena Hertz verveelde zich. Ze verbleef voor de Van der Leeuw Lezing in november 2004 in een hotel in Groningen. Haar verhandeling zou gaan over haar nieuwste boek I.O.U., over de schuldenlast van de Derde Wereld. Om een uur of een ’s nachts trof de tweede spreker haar buiten aan met de barman, “vozend”. Ze had hem eerder die avond aan de haak geslagen. De volgende dag was er een officieel diner ter ere van de lezing. Hertz stond erop dat voor haar barman ook een plekje aan tafel werd gereserveerd. Daar zat hij dan tussen de Commissaris van de Koningin en de bestuurders van de universiteit.
“Mooi, vind ik dat,” zegt Luuk van Middelaar, “Wat kan mij het allemaal schelen. Dat was haar houding.” Historicus en filosoof Van Middelaar zou na de lezing van Hertz het woord voeren. Het was een van de weinige keren dat de sprekers op de plechtige Van der Leeuw Lezing echt van mening verschilden.
Voor Hertz is de leerstoel globalisering aan de Duisenberg School of Finance niet de eerste stap op Nederlandse bodem. Als hoogleraar was ze eerder verbonden aan de Universiteit Utrecht en ze is sinds een klein jaar gasthoogleraar op de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Antiglobalist
Voor de jonge Duisenberg School of Finance is de aanstelling van Hertz wel de eerste stap op het gebied van duurzame globalisering. Hertz’ ideeën zullen soms botsen met de ideeën die in de wereld van finance gangbaar zijn, vermoedt oud-rector en huidig bestuurslid van de school Jaap Winter, “En dat is maar goed ook.” Decaan Dirk Schoenmaker legt dat uit: “De Duisenberg School leidt de financiële leiders van de toekomst op. Juist in deze tijd moeten die leiders leren kritisch na te denken over onderwerpen als duurzaamheid en ethiek.”
Charmant, mooi, jong, vrouw. In vrijwel elke beschrijving van Hertz duiken die woorden op. Ze valt op in de wereld van de internationale economie. Niet alleen vanwege haar verschijning, ook vanwege haar standpunten. Hertz’ kritiek op de werking van het kapitalistische systeem is flink. Tijdens de rellen waarmee de G8-top in Genua in 2001 gepaard ging, stond ze tussen de demonstranten. Hertz werd ‘het gezicht van de antiglobalisten’, al zal ze zichzelf nooit zo noemen. Zit de onconventionele Hertz op haar plek op de deels door het bedrijfsleven gefinancierde Duisenberg School of Finance?
De economische leiders hebben nooit veel opgehad met antiglobalisten. Toch luisteren ze wel naar Hertz. Een verklaring daarvoor is dat Hertz het kapitalisme en de globalisering niet afwijst. Ze ziet het kapitalisme als het beste systeem om welvaart te brengen. “Hertz is geen tegenstander van kapitalisme, maar wijst erop dat kapitalisme een prijs heeft. Ze is ook geen antiglobaliste, maar ze maakt duidelijk dat de huidige globalisering een schaduwzijde heeft,” legt Hans van Oosterhout uit. Als hoofd van de vakgroep Business-Society Management aan de Rotterdam School of Management heeft hij aardig wat inhoudelijke discussies met Hertz gevoerd. Hertz is ook geen ideoloog, weet Van Oosterhout. “Maar Noreena confronteert de mensen uit haar wereld wel met zaken die ze niet graag horen.”
Hertz is in de gevestigde kringen van economische leiders opgegroeid. Ook dat werkt in haar voordeel. Op haar zestiende studeerde ze in Londen economie en filosofie. Negentien was ze, toen ze werd toegelaten op de bekende Amerikaanse Businessschool Wharton. Haar carrière begon Hertz in 1999 bij de Wereldbank in Rusland. Het communisme was net gevallen en Rusland werd klaargestoomd voor de vrije markt. Hertz werd naar de fabrieken gestuurd waar duizenden mensen werkten aan producten waar niemand behoefte aan had. Ze schreef er een proefschrift over en promoveerde aan de universiteit van Cambridge.
Daarnaast spreekt Hertz haar talen. De talen van een verschillend publiek. “Het zit in haar genen om te spreken tegen degene die ze tegenover haar heeft,” verduidelijkt Schoenmaker. “Voor haar speech bij de opening van het academisch jaar vroeg ze me: Wie zitten er in de zaal? Mensen uit de financiële sector, wat politiek en studenten, vertelde ik haar. Tegen het einde van haar speech had ze voor elke groep een afzonderlijke boodschap.”
Kritisch tegengeluid
“Ze is in staat het publiek de Sesamstraatversie van de problematiek voor te schotelen. Daardoor wordt ze begrepen,” vult Van Oosterhout aan. Ze versimpelt de boodschap, maar dat lukt alleen als je heel goed weet hoe het zit, vindt hij. “Haar spreken is haar kracht. Wanneer ze een hopeloze spreker zou zijn, was ze nu niet zo bekend.” Maar Hertz zegt wel wat ze vindt en ze heeft een andere mening dan de meeste mensen in ‘haar wereld’. “Hertz blijft in gesprek, ook met tegenstanders,” zegt Winter.
Die discussie zal ze ook op de Duisenberg School of Finance voeren. We zullen het niet altijd met elkaar eens zijn, voorspelt Winter. De wetenschappelijke discussie wordt – niet verassend – grotendeels beheerst door theorieën op het gebied van financiële economie. “Het is goed om binnen die muren ook andere geluiden te horen,” vindt Van Oosterhout, “Een mogelijke financieel-economische tunnelvisie kan doorbroken worden door een kritisch tegengeluid.” Dat de Amsterdamse Duisenberg School die discussie wil aangaan, getuigt volgens de Rotterdamse hoogleraar van lef.
Vorig najaar benaderde Winter, toen nog rector van de Duisenberg School, Noreena Hertz in Londen. “Dat was vlak na het uitbreken van de crisis, Lehman Brothers was zojuist omgevallen.” Maar volgens decaan Schoenmaker vormde de crisis op zichzelf geen aanleiding om Hertz naar Amsterdam te halen. Schoenmaker: “Ook daarvoor vonden we het nodig om verder te kijken dan de standaard finance-theorieën.”
De ideeën van deze radical thinker zijn nu gangbaarder, vertelt Schoenmaker. Dat ligt deels aan Hertz zelf: “Was Hertz in het verleden een antiglobaliste, nu is ze filosoof.” Haar ideeën evolueren, aldus Schoenmaker. Ook de crisis verandert veel. Van Oosterhout: “Pas sinds de crisis krabben we ons achter de oren en zijn we vatbaarder voor ideeën die anders zijn. Veel mensen in de gevestigde kringen waren niet geïnteresseerd in haar geluid. Nu wordt er meer naar Noreena geluisterd.”
Filosoof Van Middelaar heeft Hertz’ ideeën nooit zo vernieuwend gevonden. “Ik vind dat ze in clichés spreekt en daarmee niet aansluit op de economische en politieke werkelijkheid.” Het bewijs daarvoor vindt hij juist in de crisis. In het boek waarmee Hertz doorbrak, The Silent Takeover, betoogt ze dat de overheid zichzelf klein en onbeduidend heeft gemaakt. Over politici zegt ze: “Ze proberen het te verkopen in verschillende tinten blauw, rood of geel, maar het blijft een systeem waarin het bedrijf koning is, de staat zijn onderdaan en de burgers consumenten.”
“De dragende stelling van haar gedachtegoed, dat staten geen handelsvermogen meer zouden hebben, klopt simpelweg niet.” Van Middelaar legt uit dat juist tijdens deze crisis, nu het echt nodig is, staten naar voren treden en niet machteloos toekijken.
Schuldgevoel
Van Middelaar heeft meer kritiek. Ook de oplossingen die Hertz aandraagt zijn naïef. Van Middelaar vat de oplossing die zij in haar boek I.O.U. geeft voor de torenhoge schulden van ontwikkelingslanden kort samen: Allereerst schelden we alle schulden van ontwikkelingslandenlanden kwijt. Vervolgens wordt het geld dat anders aan aflossing zou zijn besteed, in een onafhankelijk trust gestopt, die de hulpbehoevenden bereikt. Het maatschappelijk middenveld zou de trust beheren.
Maar wat is de civiele maatschappij in een land als Somalië?, vraagt Van Middelaar zich af. Juist de landen die een hoge schuldenlast hebben, kennen geen maatschappelijk middenveld. Althans, niet zoals wij dat zouden willen zien in de vorm van vrouwennetwerken en vakbonden. Hertz doet een moreel appèl op westerlingen. Door de schuld van arme landen kwijt te schelden, ontdoet het rijke Westen zich van haar schuld(gevoel), aldus Van Middelaar. Na de terugtrekkende staat en de schuldenproblematiek, richt Hertz zich nu op duurzaamheid. Van Middelaar vermoedt dat Hertz ook daarvoor een beroep zal doen op ons schuldgevoel.
Ook Van Oosterhout is het op een aantal gebieden “fundamenteel oneens” met Hertz. Van Oosterhout vindt dat Hertz soms doorslaat. Ze toont aan welke kosten ons systeem met zich meebrengt, en dat is goed. Maar dat betekent niet dat het hele systeem slecht is. Gezien de alternatieven is de keuze voor het huidige systeem juist realistisch, zegt hij. “Ik vind dat ze te makkelijk roept dat het hele systeem niet deugt.”
Prikkelen
Maar zijn kritiek “diskwalificeert haar niet als wetenschapper,” vindt Van Oosterhout, “integendeel”. Ze zet haar boodschap bewust sterker neer. “Zodra je de discussie met haar aangaat, blijkt haar boodschap veel diepgaander en genuanceerder. Hertz prikkelt om gehoord te worden.”
Hertz’ ideeën mogen wat onrealistisch zijn, en misschien zelfs naïef, voor degenen die zich hebben ingegraven in het financiële systeem zijn ze vernieuwend. Volgens Winter heeft Hertz een belangrijk punt in de huidige crisis. “Ze wijst op een holistische en duurzame aanpak. Daar heeft de financiële sector zich de afgelopen jaren niet mee bezig gehouden. Zoveel is wel duidelijk.”
Het vernieuwende gaat er wel een beetje vanaf, nu haar ideeën gemeengoed worden. Van Oosterhout hoopt wel dat Hertz haar ideeën preciezer zal gaan uitwerken.“ Ze zal moeten voortbouwen op wat ze predikt. ”Dat was ook de wens van Winter toen hij haar vroeg voor de Duisenberg School: “Hertz zal handen en voeten moeten gaan geven aan thema’s als duurzaamheid en hoe de financiële sector daaraan kan bijdragen.”
Maar Winter blijft realistisch. Ook Noreena Hertz heeft het perfecte recept niet in handen, weet hij. Dat neemt niet weg dat Hertz de discussie in de financiële wereld kan aanzwengelen. De taal van de toekomstige leiders spreekt ze. En, zo vult Van Middelaar aan, haar aanstelling op de Duisenberg School of Finance is in ieder geval een verstandige pr-manoeuvre, zeker in crisistijd.
Van de borstelbaan naar de Spelen
Posted By Sander Heijne On oktober 23, 2009 @ 17:01 In Interview | No Comments
De beste snowboarders groeien op in de buurt van bergen. En ze hebben geld. Hoe anders is dat voor Nederlandse freestylers die het vroeger moesten doen met buitenbaantjes in eigen land. Een dubbelinterview met snowboarders David Mol en Dolf van der Wal.
AMSTERDAM - De Amerikaanse snowboarder Shaun White gaat het onderdeel halfpipe op de Olympische Spelen van Vancouver winnen. Daar zijn de Nederlandse freestyle-snowboarders David Mol en Dolf van der Wal het over eens. “Hoewel Kevin Pearce ook een kans maakt”, oppert Van der Wal. Mol moet het nog zien. Het wordt in ieder geval een snowboarder uit een land met bergen en een grote wintersporttraditie. En vooral met grote trainingsbudgetten. Voor twee Nederlandse boezemvrienden die hun snowboardcarrière begonnen op de borstelbaan in Huizen, is het een ander verhaal.
Dolf van der Wal (22) en David Mol (22) zijn grote namen in de Nederlandse freestyle-snowboardscene. Mol besloot afgelopen voorjaar – na zes seizoenen lid te zijn geweest van het Nederlands team – te stoppen met snowboarden, hij stort zich nu op een studie rechten aan de Universiteit van Amsterdam. Van der Wal gaat door. Als hij dit seizoen vormbehoud toont, mag hij in februari namens Nederland deelnemen aan de Olympische Spelen in Vancouver.
Mol verwacht dat Van der Wal weinig moeite zal hebben zich definitief voor Vancouver te kwalificeren. “Dolf moet dit jaar een keer bij de beste twintig eindigen op een wereldbekerwedstrijd. En hij moet ervoor zorgen dat hij in de top veertig op de wereldranglijst blijft staan.” Van der Wal werd al eens zesde bij een wereldbekerwedstrijd en is al vaak in de top twintig geëindigd. Hij gaat er dan ook vanuit dat hij aan de norm kan voldoen.
Eenmaal in Vancouver moet Van der Wal het opnemen tegen het grote geld van Amerikaanse superprofs zoals Shaun White en Kevin Pearce. Opgegroeid in een land waar topsnowboarders dezelfde status hebben als topschaatsers in Nederland. Snowboarders die ten opzichte van de Nederlander misschien wel meer dan het honderdvoudige in hun trainingsprogramma kunnen investeren.
Van der Wal: “Shaun White heeft een eigen halfpipe op een geheime locatie. Je schijnt er alleen per helikopter of sneeuwscooter te kunnen komen. Om nieuwe sprongen te leren heeft White ook een halve halfpipe met een luchtkussen eronder gebouwd. Hij zet nog af op het ijs, maar landt comfortabel in een zacht luchtkussen.”
Bij de Nieuw Zeeland Open, afgelopen zomer, liet White zien dat zijn trainingsmethode effectief is. Als eerste snowboarder ter wereld sprong de Amerikaan in de halfpipe een double cork, een sprong die tot voor kort voor onmogelijk werd gehouden.
Voor snowboarders is het belangrijk om nieuwe trucs en sprongen te introduceren. Halfpipe-snowboarden is een jurysport. De jury let op de techniek, de hoogte en de moeilijkheidsgraad van een sprong, maar ook op originaliteit. Zodra een snowboarder een nieuwe truc introduceert, zijn er binnen een mum van tijd andere snowboarders die het ook kunnen. Maar in de praktijk heeft de snowboarder die een nieuwe truc heeft geïntroduceerd altijd een streepje voor bij de jury.
Mol legt uit hoe dat werkt. “Natuurlijk blijft een sprong net zo moeilijk, maar het is voor een snowboarder belangrijk dat hij weet dat een ander een bepaalde sprong al een keer veilig geland heeft. Als je weet dat iets fysiek mogelijk is, wordt het makkelijker.” Van der Wal: “En dat is het grote voordeel van dat luchtkussen, dan kun je straffeloos van alles proberen. Het zou natuurlijk nog sicker zijn als Shaun White die double cork zonder had geleerd.”
Toch zegt Van der Wal niet jaloers te zijn op de Amerikaan, niet echt tenminste. “Maar er is natuurlijk gewoon niet tegen te rijden. Ik vraag me ook nog steeds af hoe hij dat betaalt. Het gerucht gaat dat Red Bull alles voor hem betaalt, maar ik weet niet of dat waar is. Hij heeft natuurlijk zelf ook geld. Misschien dat hij denkt: als ik dat geld nu investeer in een nieuwe overwinning op de Olympische Spelen, dan heb ik daarna nog veel meer cash.”
Mol denkt dat White’s privé-halfpipe helemaal door sponsoren wordt betaald. “In Amerika gaat er veel geld om in snowboarden, dus is het voor een sponsor interessant om veel in White te investeren. Nu hij hierdoor als eerste heeft laten zien dat een double cork mogelijk is, heeft hij weer in alle grote snowboardbladen gestaan met het verhaal over zijn geheime traincomplex. Eén en al gratis reclame.”
Er gaan geruchten dat de invloed van sponsoren het sportieve element soms inhaalt. Bij de X-Games, een Amerikaans sportevenement voor funsports dat bijna even prestigieus is als de Olympische Spelen, lijken de belangen van sponsoren in ieder geval belangrijker dan de prestatie van de deelnemers. Van der Wal: “Om aan de X-Games mee te mogen doen, moet je een sponsor hebben die voor jou betaalt. Er zijn ook goede rijders die niet zo’n goed contract hebben met hun sponsor. Die zie je dus niet op de X-Games.”
Door de afwezigheid van sneeuw en bergen zal snowboarden in Nederland wel nooit dezelfde proporties aannemen als in de Verenigde Staten of de Alpenlanden. En dat is jammer voor het talent dat hier rondloopt. Van der Wal is namelijk niet de enige Nederlander met een Olympische halfpipe-nominatie op zak. Ook de vijftienjarige Dimi de Jong heeft vorig jaar een nominatie voor de belangrijkste halfpipe-wedstrijd afgedwongen.
“Het is echt bizar dat hem dat gelukt is”, vindt Van der Wal. “Vorig seizoen was het eerste jaar dat Dimi wereldbekerwedstrijden reed en dan plaatst hij zich meteen voor de Olympische Spelen. Hij is nog jong en zit gewoon op school, hij traint bijna niet. En toch springt hij al rotaties van negenhonderd graden. Dat kon Shaun White op die leeftijd niet.”
Waarschijnlijk is het niet dat Dimi de Jong ooit net zo dominant kan worden als Shaun White. Hij mag dan talent hebben, maar de Amerikaan laat zien dat talent alleen niet meer genoeg is. Mol: “In Amerika is snowboarden een volwassen sport geworden. Wie de beste trainingsfaciliteiten heeft, heeft de beste kansen. Zoals in iedere sport.”
Toch komt er ook in Nederland steeds meer geld beschikbaar voor freestyle-snowboarders. De afgelopen jaren blijken steeds meer Nederlandse jongeren opgewassen tegen de internationale top. Het Nederlands Olympisch Comité wil dit stimuleren en ondersteunt haar talent financieel via de Nederlandse skivereniging. Opvallend is dat de kiem voor het succes de meeste Nederlandse snowboarders niet in de Alpen ligt, maar op Nederlandse in- en outdoor skibanen.
Midden jaren negentig schoten de skihallen in Nederland als paddenstoelen uit de grond. De mogelijkheden van deze kunstmatige pistes bleken echter beperkt.
Wie goed wil leren slalommen of racen heeft in de hal te weinig ruimte. Maar iedere baan heeft een schans. Schansen hebben stuk voor stuk een grote aantrekkingskracht op de lokale jeugd. Honderden jongens en meisjes hebben een abonnement op een van de skihallen en oefenen elke dag nieuwe sprongen en trucs. Hoewel een schans in de hal nog steeds geen Big Air is en de dichtstbijzijnde halfpipe in de Alpen ligt, blijken de relatief kleine schansen wel geschikt om een goede basistechniek te ontwikkelen.
Ook Dolf van der Wal en David Mol begonnen ooit in Nederland, op de buitenbaan in Huizen. Dagen achtereen waren ze er te vinden. “Lekker snowboarden op plastic matten”, grapt Van der Wal. “En af en toe een weekje naar de echte sneeuw.” Lang hebben ze alles op eigen kosten gedaan. Mol: “Of eigenlijk op kosten van onze ouders.” De laatste jaren waren ze eindelijk zover dat ze over de hele wereld konden trainen en aan wedstrijden mee doen. Maar geld overhouden doen ze niet.
Voor snowboarders die in de sneeuw zijn opgegroeid is dat moeilijk te begrijpen. Vanaf het moment dat ze goed werden, kwam er geld beschikbaar. Veel jongens dromen al hun hele leven van de Olympische Spelen, zonder dat ze dat halen. En plots voegt een voegt amateur die op een borstelbaan is begonnen, zich bij de wereldtop. Van der Wal ziet de humor daarvan wel in. “Als klein jongetje heb ik er inderdaad nooit echt van gedroomd om als snowboarder naar de Olympische Spelen te gaan. In elk geval niet zoals duizenden jongetjes ervan dromen om later in Oranje te voetballen. Pas nu ik er dicht bij zit denk ik, ja, dat zou wel heel vet zijn.”
De aarde koelt af, het debat laait op
Posted By Joel Broekaert On oktober 23, 2009 @ 13:35 In Onderzoek | 1 Comment
The science is settled. Volgens het internationale klimaatpanel IPCC is het zo goed als zeker dat de menselijke uitstoot van broeikasgassen verantwoordelijk is voor opwarming van de aarde. Alleen, de aarde is al elf jaar niet meer warmer geworden. Wat zeiden de sceptici ook al weer?
“Een ding is zeker”, schrijft de BBC twee weken geleden op haar website. “Het debat over de oorzaak van de opwarming van de aarde is verre van beslecht.” De aanleiding voor het artikel [40] in kwestie is het feit dat de wereldtemperatuur de afgelopen elf jaar niet meer is gestegen. De kop luidt daarom: ‘What happened to global warming?’ (Waar is de opwarming van de aarde gebleven?).
Dat die opwarming het afgelopen decennium is gestagneerd, terwijl de uitstoot van broeikasgassen onverminderd toeneemt, was aanleiding voor auteur Paul Hudson om toch weer eens te rade te gaan bij enkele klimaatsceptische wetenschappers. Die vinden het aannemelijker om de temperatuurschommelingen op de aarde te verklaren aan de hand van de activiteit van de zon of de cyclische opwarming en afkoeling van de oceanen.
Het artikel werd met veel gejuich ontvangen op diverse klimaatkritische websites en weblogs. De BBC liet er voorheen namelijk weinig twijfel over bestaan dat de menselijke uitstoot van broeikasgassen dé oorzaak was van de opwarming van de aarde die de afgelopen eeuw onmiskenbaar heeft plaatsgevonden.
Ook in Nederland zijn de media in het algemeen stellig over de toedracht van global warming. Daar zijn goede argumenten voor. Het Internationale Klimaatpanel van de VN, het IPCC, stelde in haar laatste rapport (2007) dat de ruimte voor twijfel minder dan 10 procent is. De menselijke uitstoot van koolzuurgassen is de drijvende kracht achter de opwarming van de aarde.
Bij het IPCC zijn duizenden wetenschappers aangesloten. Ook de klimaatonderzoekers van het KNMI onderschrijven de bevindingen van het IPCC. Reden genoeg om te spreken van consensus binnen de wetenschap. Daarmee verklaarden de media en de politiek de standpunten van de sceptici grotendeels irrelevant. The science was settled.
Maar de klimaatmodellen van het IPCC hebben niet voorspeld dat de opwarming zou stoppen na het piekjaar 1998. Zie je wel, zeggen de sceptici nu, de wetenschap is er nog lang niet uit.
Blijkbaar is het aardse klimaat hypergevoelig voor kleine variaties in de activiteit van de zon
Volgens Bas van Geel gaan we echter binnen een paar jaar vanzelf meer zekerheid krijgen. Van Geel is paleo-ecoloog aan de Universiteit van Amsterdam. Dat betekent dat hij aan de hand van fossiele plantenresten veranderingen in het klimaat onderzoekt in het verleden. Wanneer het klimaat verandert, verandert ook de samenstelling van plaatselijke flora. Sommige planten doen het beter als het warm en droog is, anderen gedijen beter in een natte omgeving. Zo kunnen die klimaatveranderingen behoorlijk nauwkeurig vastgelegd worden.
Die veranderingen hebben, volgens Van Geel, alles te maken met de activiteit van de zon. Ook de geschiedenis van de zonneactiviteit is namelijk vastgelegd in planten. Die geschiedenis wordt opgetekend in de jaarringen van bomen. Het magnetisch veld rond de aarde beschermt ons tegen teveel kosmische straling. Als de zon actief is, wordt het magnetisch veld om de aarde sterker. Dat betekent dat er minder kosmische straling door het magnetisch veld heen komt. De kosmische straling is weer verantwoordelijk voor de vorming van zogeheten kosmogene isotopen op aarde, die worden vastgelegd in de jaarringen van bomen. Dus, weinig kosmogene isotopen, veel zonneactiviteit. En wat blijkt, volgens Van Geel: de klimaatveranderingen uit het verleden komen in de meeste gevallen nauwkeurig overeen met schommelingen in de activiteit van de zon. “Blijkbaar is het aardse klimaat hypergevoelig voor kleine variaties in de activiteit van de zon”, zegt Van Geel.
De activiteit van de zon valt ook af te lezen aan de hoeveelheid zonnevlekken. Die zijn gewoon te tellen, en dat is de afgelopen vierhonderd jaar ook gebeurd. “De afgelopen decennia hebben we een uitzonderlijk hoge zonneactiviteit gehad. Maar de laatste jaren is die activiteit sterk afgenomen en hebben we opeens ook geen temperatuurstijging meer op aarde”, aldus Van Geel. Zo zou ook de wereldwijde temperatuurdaling tussen 1940 en 1970 verklaard kunnen worden. De menselijke uitstoot van broeikasgassen ging ook toen onverminderd door.
Ergens tussen 2012 en 2015 verwacht ik dat we kunnen zien hoe groot het aandeel van de mens is
Waarom de activiteit van de zon een dergelijke impact op het klimaat zou hebben, is echter nog niet duidelijk. Er moeten bepaalde versterkingssmechanismen bestaan waarvan we nog maar weinig afweten. Het IPCC geeft dat toe, zegt Van Geel. “Maar omdat ze die versterkende mechanismen niet kunnen kwantificeren, nemen ze die niet mee in hun modellen. Daarmee kleineren ze de rol van de zon van meet af aan.”
Het is zeer waarschijnlijk dat de zonneactiviteit laag blijft, zegt Van Geel. Als de temperatuur ook daalt, dan heeft de opwarming van de aarde in de vorige eeuw minder te maken gehad met de uitstoot van broeikasgassen dan aangenomen. Vanwege de vertragende werking van de oceanen, die veel warmte vasthouden, duurt dat nog een aantal jaren. “Maar ergens tussen 2012 en 2015 verwacht ik dat we kunnen zien hoe groot het aandeel van de mens is.”
Rob van Dorland, klimaatonderzoeker bij het KNMI, denkt ook dat het niet lang zal duren voordat er meer duidelijkheid is over de rol van de mens. Maar niet vanwege de zonneactiviteit. Volgens Van Dorland zijn er weinig aanwijzingen om aan te nemen dat de zon een dergelijk grote invloed heeft op het klimaat. Toegegeven over eventuele versterkende mechanismen is weinig bekend, maar dat wil niet zeggen dat daar geen rekening mee wordt gehouden. “Het effect hiervan lijkt marginaal als je het verloop van de mondiale temperatuur vergelijkt met dat van de zonneactiviteit”, aldus Van Dorland.
“Van Geel kijkt heel lokaal naar veengebieden. Lokaal is de invloed van de zon veel sterker dan mondiaal”, zegt Van Dorland. “Dat mag je niet zomaar extrapoleren.” Natuurlijk zijn er meer onzekerheden naarmate je verder terug kijkt in het verleden, maar daar wordt volgens hem voldoende rekening gehouden in de modellen. Wat de bevindingen van het IPCC betreft is de “science settled” voor Van Dorland.
Aan het eind van de rit is er weinig wetenschappelijks meer aan
Maar er is wel meer aan te merken op de werkwijze van het IPCC zeggen andere sceptici. “De aangesloten wetenschappers zijn natuurlijk geen gekken, er wordt echt wel nuttig werk verricht”, zegt emeritus hoogleraar geologie Harry Priem. “Die rapporten van het IPCC bevatten serieuze wetenschappelijke artikelen.” Maar de samenvattingen aan het eind van die rapporten worden niet geschreven door wetenschappers, maar door politici. En daar gaat het fout, zeggen de sceptici. “Daar wordt over onderhandeld, een soort handjeklap”, zegt Priem.
“De politiek heeft een wetenschappelijk monopolie toegekend aan het IPCC”, zegt econoom Hans Labohm. “Om daaraan deel te nemen, moet je al bij voorbaat gelovige zijn.” Labohm is in de voorbereiding van het laatste rapport, dat uitkwam in 2007, uitgenodigd om als ‘expert reviewer’ zijn commentaar te leveren. Hij stelt het gebaar op prijs, maar heeft wel sterk het gevoel dat hij er als “excuus-truus” is bijgehaald. “Politici maken uiteindelijk de samenvatting. De woordvoerders versimpelen dat nog een keer. En de kranten maken daar weer pakkende koppen bij. Aan het eind van de rit is er weinig wetenschappelijks meer aan”, aldus Labohm.
“Vervolgens zeggen de politici ‘er is consensus’”, zegt Priem. “Maar in de wetenschap bestaat consensus niet. Er zijn altijd enkelingen die tegen de stroom ingaan.” Meer dan eens hebben die enkelingen achteraf gelijk gekregen. Priem wil zich op geen enkele manier vergelijken met Darwin of Galileo. Maar het geeft wel aan dat het belangrijk is dat er altijd wetenschappers zijn die zich kritisch blijven opstellen en de gangbare opvattingen binnen de wetenschap blijven falsifiëren. Zo komt de wetenschap vooruit.
Des te kwalijker is het daarom dat deze wetenschappers genegeerd worden, zeggen ze. De sceptische wetenschappers zijn bijna allemaal oude, gepensioneerde professors. Ze worden vaak afgeschilderd als een allegaartje van verongelijkte wetenschappers die liever gelijk willen krijgen dan gelijk hebben.
Toch zijn het niet de minste (zie inzet). Van Geel denkt ook dat er veel meer sceptische wetenschappers zijn, dan diegene die zich nu durven uit te spreken. “Als ik midden in mijn carrière had gezeten en wellicht nog had moeten solliciteren, had ik mijn argumenten misschien ook wel anders naar voren gebracht”, zegt Van Geel.
De sceptici
- Dr. Bas van Geel – hoofddocent paleo-ecologie, Universiteit van Amsterdam. “Ik wordt niet warm of koud van wat journalisten vinden, om in termen te blijven. Ik krijg hier aan de universiteit alle ruimte om mijn mening te verkondigen.”
- Dr. Harry Priem – em. hoogleraar planetaire- en isotopengeologie, oud-directeur ZWO/NWO Instituut voor Isotopen-Geofysisch Onderzoek, oud-voorzitter Koninklijk Nederlands Geologisch en Mijnbouwkundig Genootschap. “Consensus is een vloek voor de wetenschap, zolang die niet 100 procent is.”
- Hans Labohm – econoom, expert reviewer van het IPCC en met Dick Thoenes en Simon Rozendaal auteur van Man-Made Global Warming: Unravelling a Dogma. “Op talloze gebieden zijn journalisten altijd als eerste kritisch, maar waar het gaat om global warming gedragen ze zich als ‘cheerleaders’ voor de klimaatconferenties.”
- Prof. Dr. Salomon Kroonenberg – hoogleraar toegepaste geologie aan de Technische Universiteit van Delft en auteur van De menselijke maat: de aarde over tienduizend jaar. “Ik reken mezelf niet tot de sceptici. Ik sta aan de zijlijn en wie wil luisteren, die doet dat maar. Maar ik ben het wel gewend om op één hoop gegooid te worden met anderen.”
Rampscenario’s doen het nu eenmaal goed in de media
Volgens Labohm kun je als scepticus je verhaal ook nergens kwijt in de media. In het verleden schreef Labohm columns in het Financieel Dagblad, maar toen hij zich kritisch begon uit te laten over de klimaatcrisis, werden zijn stukken geweigerd. “Ook de stukken over andere onderwerpen. Ik kwam al gauw nergens meer aan de bak”, zegt hij.
Priem publiceerde in de jaren negentig van de vorige eeuw met enige regelmaat een kritisch stuk in NRC Handelsblad. Maar de afgelopen tien jaar krijgt hij zijn stukken vriendelijk teruggestuurd.
Er is consensus in de wetenschap en dus hoeft er niet meer geluisterd te worden naar de sceptici, was de trend. “De politiek en de media zijn veel te gevoelig voor alarmistische geluiden van de milieubewegingen”, zegt Priem. “Rampscenario’s doen het nu eenmaal goed in de media. Het is net als met de hype rond de Mexicaanse griep.”
Alles wordt er aan toegeschreven, veel regen, weinig regen
In opinietijdschrift Elsevier wordt over het algemeen veel aandacht besteedt aan de mening van de ‘klimaatsceptici’. Eerder dit jaar publiceerde Elsevier een klimaatspecial waarin de onzekerheid over de invloed van menselijk handelen op het klimaat centraal stond. De toonzetting van redacteur Simon Rozendaal verhult weinig: “…hierna acht portretten van alarmisten (pardon, van types die oprecht verontrust zijn over het klimaat).”
Maar in de rest van de media is er eigenlijk geen discussie meer, zegt ook universitair docent Journalistiek Peter Vasterman. “Sinds het laatste rapport van het IPCC uit 2007 lijkt het debat voorbij.” De berichtgeving wordt ook sterk clichématig neergezet, zegt de mediahype-deskundige van de Universiteit van Amsterdam. “Het onderwerp is te groot om te zeggen dat het in z’n totaliteit een mediahype is. Maar alles wat er zijdelings mee te maken heeft, wordt in dat ‘frame’ gepresenteerd. Alles wordt er aan toegeschreven, veel regen, weinig regen. Dat de politieke partijen aanhaken bij de eenzijdige berichtgeving, versterkt dat proces. Vervolgens worden er op grond daarvan politieke maatregelen genomen, waar weer over bericht wordt. Het is geen collectieve dwaasheid”, zegt Vasterman, “maar het schept wel een dwingend klimaat. Als scepticus ben je direct een ketter.”
Hij onderschrijft dat de media een voorkeur hebben voor alarmerende boodschappen. “De Mexicaanse griep is een goed voorbeeld. Bij het uitbreken van die griep werd door gezondheidsorganisaties direct het pandemieschema opgeroepen. Dat wordt opgepikt en uitvergroot en daarmee ontstaat een kader om nieuws te maken. Opeens was de eerste vlucht uit Mexico nieuwswaardig geworden, alsof die mensen terugkeerden uit een rampgebied.”
Het is een belangrijke taak van de journalistiek om af te wijken van de consensus, vindt Vasterman. Een ander voorbeeld: de Trafigura-zaak. Afgelopen zaterdag bleek uit een stuk van Karel Knip, wetenschapsredacteur bij NRC Handelsblad, dat er misschien wel helemaal geen giframp heeft plaatsgevonden. “Maar wij zijn zo gewend aan de combinatie oliemaatschappijen en giframpen, dat we direct aannemen dat het wel het geval is”, zegt Vasterman.
Salomon Kroonenberg, hoogleraar toegepaste geologie aan de TU in Delft vindt niet dat het sceptische standpunt doodgeschreven wordt. “De discussie is nog wel degelijk aanwezig”, zegt Kroonenberg. Maar hij onderschrijft wel dat het overheersende beeld vrij eenzijdig is.
Mensen ontdekken nu opnieuw dat de natuur verandert
Dat heeft alles te maken met ‘de menselijke maat’, zegt Kroonenberg. In 2006 publiceerde hij een boek onder diezelfde titel waarin hij duidelijk maakt dat “mensen slecht met de lange termijn om kunnen gaan. Als ze gewend zijn dat dingen een bepaalde kant opgaan”, zegt Kroonenberg, “denken ze dat het zo blijft. Dat is met de temperatuur van de aarde zo, maar bijvoorbeeld ook met de beurskoersen.”
Het klimaat is nooit stabiel geweest en de aarde heeft alle rampen al eens meegemaakt. “Geen mens heeft recht op een constante zeespiegel”, zegt Kroonenberg. Wat hij bedoelt is dat de mensheid al eerder een zeespiegelstijging heeft meegemaakt, aan het eind van de vorige ijstijd. Dat ging toen 20 keer sneller dan nu, maar het is uit ons collectieve geheugen verdwenen. “Mensen ontdekken nu opnieuw dat de natuur verandert.” Maar wanneer je de veranderingen in een groter perspectief plaatst, op een grotere geologische tijdlijn, dan wordt de curve van de opwarming minder steil. “Daarmee neemt ook het alarmgevoel af.”
Wij kunnen helemaal niet aan de thermostaat van de aarde draaien
Maar wat willen de sceptici dan? Met de armen over elkaar afwachten?
“Ik ben het eens met alles wat Al Gore wil bereiken”, zegt Kroonenberg, “maar hij misbruikt de wetenschap.”
Alle sceptici die eerder aan het woord kwamen zijn nadrukkelijk vóór een zuiniger energiebeleid en investeringen in alternatieve energie bronnen. Er zijn talloze argumenten om zo snel mogelijk een alternatief te vinden voor fossiele brandstoffen: ze raken op, en dus worden we steeds afhankelijker van dubieuze regimes als Rusland en Saoedi-Arabië; ze verontreinigen de lucht; en ze zijn kunnen veel nuttiger gebruikt worden als basis voor kunststoffen dan als brandstof.
Het klimaat is een enorm complex systeem, waar vele aardse en buitenaardse krachten op inwerken, die lang niet allemaal volledig begrepen worden door de wetenschap. “We weten veel te weinig om het beleid alleen op basis van de invloed van koolzuurgas te laten bepalen”, zegt Kroonenberg. Hij pleit daarom voor een scheiding tussen energiebeleid en klimaatbeleid. Dat laatste bestaat niet, zegt hij. “Wij kunnen helemaal niet aan de thermostaat van de aarde draaien.”
Ze willen de politiek behoeden voor verkeerde beslissingen, zoals het investeren in technologieën om koolzuurgas af te vangen en onder de grond te pompen. “Dat is duur en het kost enorm veel extra energie, terwijl we geen flauw idee hebben of het iets uit gaat maken op de lange termijn”, zegt Labohm. Beter is het om al dat geld in de ontwikkeling van alternatieve brandstoffen te steken, vinden de sceptici.
Maar het ministerie van VROM wil niets weten van de onzekerheid over de invloed van de mens op global warming. “Voor ons is het een uitgemaakte zaak”, zegt woordvoerder Jan Jaap Eikelboom. VROM is stellig van mening dat ze een klimaatcrisis aan het bestrijden zijn en dus is er haast bij geboden. “Natuurlijk zetten wij ook in op duurzame energie en energiebesparing. Maar we hebben niet de luxe daarop te wachten.”
Van Geel maakt zich vooral zorgen om het maatschappelijke draagvlak voor wenselijke veranderingen in onze omgang met energie. Het hele energiebeleid is gebaseerd op het idee dat we het klimaat aan het veranderen zijn. “Als dat straks blijkt mee te vallen dan brokkelt het maatschappelijke draagvlak voor dat beleid snel af.” De enige partijen die in hun communicatie naar de kiezer rekening houden met de mogelijkheid dat het meevalt met de invloed van de mens, bevinden zich ver rechts op het politieke spectrum. Van Geel is bang dat het een triomf wordt voor deze partijen als hij straks gelijk krijgt. “En daar zit ik helemaal niet op te wachten.”
Article printed from Nieuw Amsterdams Peil: http://napnieuws.nl
URL to article: http://napnieuws.nl/2009/10/23/de-aarde-koelt-af-het-debat-laait-op/
URLs in this post:
[1] Image: http://www.flickr.com/photos/40279823@N00/3300079511
[2] Image: http://reblog.zemanta.com/zemified/03f0b2f4-42b4-44c9-8773-f2b079542109/
[3] Image: http://commons.wikipedia.org/wiki/Image:Jan_Snoeck_at_Westeinde_Ziekenhuis_Den_Haag_IMG_2666.JPG
[4] Médecines du Monde : http://www.doktersvandewereld.org
[5] Ministerie van Justitie: http://en.wikipedia.org/wiki/Ministry_of_Justice_%28Netherlands%29
[6] Image: http://reblog.zemanta.com/zemified/2394fd2d-a66e-465b-adc2-2e34b7070553/
[7] Image: http://www.flickr.com/photos/38891731@N00/2122677113
[8] Image: http://reblog.zemanta.com/zemified/10da9e7f-efaa-47b8-92d0-c2d479083464/
[9] AIVD: https://www.aivd.nl/
[10] Image: http://reblog.zemanta.com/zemified/d42fa221-ed89-4036-87b5-20367c42f3c2/
[11] Image: http://reblog.zemanta.com/zemified/fd7334f6-908a-4ec8-9d79-b9e2a7543ed6/
[12] Image: http://www.flickr.com/photos/46761163@N00/671847710
[13] Droog: http://www.droog.com/
[14] Marcel Wanders: http://en.wikipedia.org/wiki/Marcel_Wanders
[15] Droog Design: http://en.wikipedia.org/wiki/Droog_Design
[16] Den Haag: http://maps.google.com/maps?ll=52.08,4.3&spn=0.1,0.1&q=52.08,4.3 (The%20Hague)&t=h
[17] Design Academy: http://www.designacademy.nl/
[18] Jurgen Bey: http://www.jurgenbey.nl/
[19] Universiteit Leiden: http://www.leiden.edu/index.php3
[20] Amsterdam: http://maps.google.com/maps?ll=52.3730555556,4.89222222222&spn=0.1,0.1&q=52.3730555556,4.89222222222 (Amsterdam)&t=h
[21] Image: http://reblog.zemanta.com/zemified/adce99f1-e71c-4fb6-8d25-de7096188cfe/
[22] Image: http://www.flickr.com/photos/36325147@N03/3485067869
[23] Website Vereniging van Verlegen Mensen: http://www.verlegenmensen.nl/vvm.html
[24] Image: http://reblog.zemanta.com/zemified/e98fe6b2-c803-4b27-88c2-cb1e5ae58eec/
[25] Image: http://www.flickr.com/photos/11762101@N00/2251266697
[26] Image: http://reblog.zemanta.com/zemified/af15ebfe-818d-459c-af03-30fc489d78fc/
[27] Image: http://www.daylife.com/image/08xMbs5fu86gT?utm_source=zemanta&utm_medium=p&utm_content=08xMbs5fu86gT&utm_campaign=z1
[28] Getty Images: http://www.daylife.com/source/Getty_Images
[29] Daylife: http://www.daylife.com
[30] bookcrossing.com : http://www.bookcrossing.com/
[31] Image: http://reblog.zemanta.com/zemified/0a7c2be3-a491-48f9-b097-2c859c4ac6b2/
[32] Image: http://www.flickr.com/photos/39041992@N05/3603982784
[33] rapport: http://www.milieucentrumamsterdam.nl/main.php?obj_id=777684685
[34] www.luchtmetingen.amsterdam.nl : http://www.luchtmetingen.amsterdam.nl/
[35] Image: http://reblog.zemanta.com/zemified/b9fa52b2-96a1-4340-9dba-af09adf448a6/
[36] online: http://www.bestuursinformatie.amsterdam.nl/
[37] www.loket.amsterdam.nl: http://www.loket.amsterdam.nl/
[38] Digitale vaardigheden van Nederlandse burgers: http://www.gw.utwente.nl/mco/bestanden/digitalevaardigheden.pdf
[39] Image: http://reblog.zemanta.com/zemified/85834b70-b73d-41bc-80cf-a386dae5fa8e/
[40] artikel: http://news.bbc.co.uk/2/hi/science/nature/8299079.stm
[41] Image: http://reblog.zemanta.com/zemified/914fcd1c-f971-4b26-8492-e937de65e36b/
Click here to print.
Copyright © 2009 Nieuw Amsterdams Peil. All rights reserved.