- Nieuw Amsterdams Peil - http://napnieuws.nl -

Ict-crisis bij gemeente Amsterdam

Posted By Yasmina Aboutaleb On oktober 28, 2011 @ 14:00 In Algemeen, Onderzoek | No Comments

    Kader:      Crisis      De ict van de gemeente Amsterdam is verouderd, niet op orde en slecht gedocumenteerd. De systemen van de diensten en stadsdelen zijn bovendien totaal niet op elkaar afgestemd. Dat blijkt uit verschillende rapporten die de gemeente heeft laten opstellen. Wethouder Wiebes zei eerder dit jaar tegen de raad dat de kosten van 130 miljoen euro per jaar van Amsterdam ‘tientallen miljoenen hoger zijn dan in vergelijkbare steden’. Hoe komt dit?      “Pas in 2005 werd voor het eerst gesproken over samenwerking op ict-gebied tussen de verschillende diensten. Bij de oprichting van het Servicehuis ICT, die de ict van acht diensten moest integreren, begon alle ellende”, vertelt een ex-medewerker van de Dienst ICT die liever anoniem wil blijven. Belangrijkste redenen waren: geen goede analyse (business case) van wat er moest gebeuren vooraf, niet genoeg geld, onbekwame managers, niet genoeg expertise bij andere medewerkers en de onwerkbare organisatorische constructie waarbij de directeur voor alle diensten werkte.      “Toen Claudia de Andrade – De Wit medio 2009 aantrad was de situatie al reddeloos, al had nog niemand echt weet van de dramatische toestand. Omdat er nog niets was samengevoegd, waren er alleen wat lokale, kleine problemen”, aldus de ex-medewerker. “Toen er in december 2010 een aantal grote storingen optrad, werd bekend dat de ict van de gemeente Amsterdam er dramatisch aan toe is en was het ook aan de ambtelijke top crisis.”      Sinds februari zit directeur van de Dienst ICT De Andrade – De Wit officieel ziek thuis en is Johan Boomgaardt waarnemend directeur. De Dienst ICT is onder een verzwaard managementregime gesteld, geleid door externen. Ondertussen is er in de crisisaanpak en achterstallig onderhoud al zo’n 70 miljoen euro gestoken. Dat geld is afkomstig uit een pot van 100 miljoen die eigenlijk was bestemd voor een ‘toekomstgerichte ict’.

De ict van de gemeente Amsterdam is sterk verouderd (foto: Flickr, miss_rogue)

Veel ict-projecten van de overheid falen. De Dienst Maatschappelijke Organisatie (DMO) van de gemeente Amsterdam heeft net een project afgerond om verschillende jeugdzorginstellingen informatie te laten uitwisselen. En nu begint ze – tijdens een gemeentelijke ict-crisis  – met een nieuw, groot ict-project met hetzelfde doel.

Peuter Savanna (3) werd in 2004 gedood door haar ouders; ‘Maasmeisje’ Géssica (12) in 2006 door haar vader. In beide gevallen waren de families bekend bij verschillende zorginstellingen, maar die bleken compleet langs elkaar heen te werken. De politiek ging te rade hoe dit soort gevallen voortaan voorkomen konden worden. Toenmalig staatssecretaris Clémence Ross – Van Dorp (CDA, Welzijn) kwam al snel met een antwoord: digitalisering.

Informatie over een kind uitwisselen tussen alle instanties gaat het snelst en het gemakkelijkst als er een ict-systeem voor bedacht wordt, was de conclusie. De Verwijsindex Risicojongeren (VIR) moest er voortaan voor zorgen dat instellingen automatisch een berichtje binnenkrijgen dat hen vertelt welke organisaties zich nog meer met een risicojongere (een kind tussen de 0 en 23 jaar) bezighouden.

Dat was in 2006. Inmiddels is het 2011 en is de gemeente Amsterdam dit jaar begonnen met het aansluiten van zorgorganisaties op een Amsterdamse variant van de verwijsindex, ‘Matchpoint’. Op deze manier moet de grote hoeveelheid aan zorginstellingen in de stadsregio Amsterdam eindelijk basisinformatie over kinderen met elkaar kunnen uitwisselen. Nog niet alle Amsterdamse instellingen zijn aangesloten, maar verantwoordelijk programmamanager Peter van Bosheide van DMO (Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling) van de gemeente Amsterdam denkt dit in april 2012 rond te hebben, nadat het project vier jaar in beslag nam. Daarmee duurde het bijna twee keer zo lang als gehoopt.

Hoe kon het gebeuren dat het realiseren van zo’n ‘eenvoudig’ ict-systeem zo lang duurde? En wat doet de gemeente eraan dit in de toekomst te voorkomen?

Geldverslindende ict-projecten

Matchpoint is geen uitzondering op de andere ict-projecten van de gemeente Amsterdam. Ict en de overheid zijn doorgaans geen gelukkige combinatie. De ov-chipkaart, het communicatiesysteem voor hulpdiensten C2000, het Elektronisch Patiënten Dossier: allemaal voorbeelden van geldverslindende ict-projecten. CDA Tweede Kamerlid Ger Koopmans stelde deze week voor een parlementair onderzoek te doen naar problemen bij grote ict-projecten van de overheid. Aanleiding was berichtgeving dat falend ict-beleid grofweg vijf miljard euro per jaar zou kosten.

Overigens mislukken niet alleen bij de overheid ict-projecten. In het bedrijfsleven komt het net zo goed voor. Alleen is het minder zichtbaar omdat het geen belastinggeld betreft. “Alle literatuur daarover zegt dat grote ict-projecten in het bedrijfsleven vaak ook dubbel zo duur zijn dan begroot, net zoals bij de overheid”, zegt Jan van Dijk, hoogleraar en directeur van het Center for eGovernment Studies aan de Universiteit Twente.

Wethouder Eric Wiebes (VVD) heeft een hoofdpijndossier te pakken met de portefeuille ict.

Wethouder Eric Wiebes (VVD) heeft een hoofdpijndossier te pakken met de portefeuille ict.

Bij de ict-projecten van verschillende overheidsinstellingen die mislukken, gaat het in de allereerste fase vaak al mis: bij de politieke ambities. Van Dijk: “Colleges van b en w en ministers zitten er vier jaar. Een project van vijf jaar is dan geen optie. De ambities zijn vaak te ambitieus: het systeem moet te veel kunnen, mag niet te veel kosten en moet te snel klaar zijn. Wordt de deadline toch overschreden, dan komt het op het bord van het volgende college of de volgende minister en die kijkt er weer anders tegenaan. Gevolg: extra eisen waardoor het weer langer duurt en nog duurder wordt.”

Ook Matchpoint liep vertraging op door te hoge ambities van de gemeente. Het oorspronkelijke idee leek eenvoudig: een simpel technisch systeem dat een automatisch berichtje doorgeeft om te laten zien welke organisaties met een kind bezig zijn. Matchpoint werd in een rapport over de toestand van de ict in Amsterdam van onderzoeksbureau McKinsey genoemd als een van de makkelijkere projecten die snel en eenvoudig gerealiseerd zouden kunnen worden. Maar Amsterdam wilde meer. “Matchpoint is uniek ten opzichte van de verwijsindex omdat wij niet alleen jongeren uit de gemeentelijke basisadministratie willen registreren, maar ook illegale kinderen”, vertelt Peter van Bosheide, programmamanager van Matchpoint. Daarnaast wilde de gemeente dat het ict-systeem ook meteen zou aanwijzen welke van de betrokken instanties de regie heeft over zo’n risicojongere. Op deze manier kunnen instellingen niet langer naar elkaar wijzen, maar wordt de zorg gecoördineerd.

Taai en complex onderwerp

Bij Matchpoint bleek het lastig om bij alle betrokkenen te inventariseren wat de precieze eisen moesten zijn. Van Bosheide: “Zorgcoördinatie is een taai en complex onderwerp. Het overleg met alle instanties over de vraag hoe we het systeem moesten inrichten, kostte veel tijd.” Hij vindt het daarom niet meer dan logisch dat Matchpoint vertraging opliep. Daarnaast moesten grote instellingen als Bureau Jeugdzorg aangesloten worden op Matchpoint zonder dat zij daar enige last van zouden ervaren, ook dat kost tijd. “Matchpoint is voor 90 procent een kwestie van afstemming en het respecteren van elkaars bijdragen”, zegt Van Bosheide.

Daarom moet bij de overheid vooraf exact helder zijn wat moet gebeuren, door wie, wat voor besparing het op moet leveren, hoeveel het mag kosten en hoe lang het mag duren voordat het af is. Oftewel, er moet een degelijke business case liggen. Anders weten medewerkers niet precies wat ze moeten doen en kunnen er steeds aanvullende eisen bijkomen die weer een heel andere inrichting van het systeem vergen.

Eilandjes van losse systeempjes

Crisis

De ict van de gemeente Amsterdam is verouderd, niet op orde en slecht gedocumenteerd. De systemen van de diensten en stadsdelen zijn bovendien totaal niet op elkaar afgestemd. Dat blijkt uit verschillende rapporten die de gemeente heeft laten opstellen. Wethouder Wiebes zei eerder dit jaar tegen de raad dat de kosten van 130 miljoen euro per jaar van Amsterdam ‘tientallen miljoenen hoger zijn dan in vergelijkbare steden’. Hoe komt dit?

“Pas in 2005 werd voor het eerst gesproken over grootschalige samenwerking op ict-gebied tussen de verschillende diensten. Bij de oprichting van het Servicehuis ICT, die de ict van acht diensten moest integreren, begon alle ellende”, vertelt een ex-medewerker van de Dienst ICT die liever anoniem wil blijven. Belangrijkste redenen waren: geen goede analyse van de situatie en wat er moest gebeuren na samenvoeging (business case), niet genoeg geld, ongeschikte managers, niet genoeg expertise bij andere medewerkers en de onwerkbare organisatorische constructie waarbij de directeur voor alle diensten werkte.

“Toen Claudia de Andrade – De Wit medio 2009 aantrad was de situatie al reddeloos, al had nog niemand echt weet van de dramatische toestand. Omdat er nog niets was samengevoegd, waren er alleen wat lokale, kleine problemen”, aldus de ex-medewerker. “Toen er in december 2010 een aantal grote storingen optrad, werd bekend dat de ict van de gemeente Amsterdam er dramatisch aan toe is en was het ook aan de ambtelijke top crisis.”

Sinds februari zit directeur van de Dienst ICT De Andrade – De Wit officieel ziek thuis en is Johan Boomgaardt waarnemend directeur. De Dienst ICT is onder een verzwaard managementregime gesteld, geleid door externen. Ondertussen is er in de crisisaanpak en achterstallig onderhoud al zo’n 70 miljoen euro gestoken. Dat geld is afkomstig uit een pot van 100 miljoen die eigenlijk was bestemd voor een ‘toekomstgerichte ict’.

Hoe een organisatie is ingericht, zo wijzen evaluaties keer op keer uit, is ook van doorslaggevend belang voor het slagen van een ict-project. Voormalig gemeenteambtenaar bij de gemeente Amsterdam en ict’er Carolien Schönfeld, werkt nu aan een boek over het falen en slagen van ict: “Er mag bij ict-projecten maar één opdrachtgever zijn en die moet een helder mandaat hebben. Anders loopt hij tegen gesloten deuren aan en komt er van de opdracht niks terecht.”

Het bestaan van stadsdelen en de relatief grote autonomie die de gemeentelijke diensten in Amsterdam hebben, is een belangrijke reden geweest voor de huidige ict-crisis in de gemeente, zeggen alle ondervraagden. “De stadsdelen hebben hun eigen bevoegdheden. Zo hebben ze ook altijd hun eigen ict kunnen regelen”, zegt Schönfeld. “Destijds bij het oprichten van de stadsdelen is gekeken wat samen gedaan moest worden. Dat waren zaken als openbare orde en veiligheid, verkeer en vervoer. Ict had daar ook bij moeten zitten. Maar ja, dat is met de kennis van nu.”

Hetzelfde probleem speelt met de verschillende gemeentelijke diensten, die in Amsterdam van oudsher behoorlijk decentraal werken en dus ook altijd over hun eigen ict mochten beslissen. Schönfeld: “Daardoor zijn allemaal eilandjes ontstaan bij de stadsdelen en diensten. Losse systeempjes, die vanwege de verschillende programmeertalen en leveranciers niet één, twee, drie samengevoegd kunnen worden.”

“Alle diensten en stadsdelen zouden zoveel mogelijk moeten samenwerken en hun systemen moeten standaardiseren”, zegt hoogleraar Van Dijk. “Alleen als een dienst of stadsdeel de enige is die een applicatie gebruikt, zou je het niet moeten doen. De versplintering in Amsterdam leidt tot rampen.” Het biedt volgens Van Dijk hoop dat er binnen de Dienst ICT gewerkt wordt aan één centrale ict voor alle diensten, die streeft naar zoveel mogelijk gemeentebreed gebruik van dezelfde softwareprogramma’s voor dezelfde functies. Zo is het plan van de Dienst ICT bijvoorbeeld dat ooit alle werkplekken uitgerust zijn met dezelfde email- en printsoftware.

Oude en nieuwe regime

Matchpoint is tot stand gekomen onder het ‘oude regime’ van de gemeente Amsterdam. Dat wil zeggen dat de afzonderlijke diensten van de gemeente nog verantwoordelijk waren voor hun eigen ict. De wethouders van de verschillende diensten waren verantwoordelijk voor de lopende ict-projecten die binnen hun portefeuille vielen. Daarnaast was er nog het samenwerkingsverband tussen verschillende diensten ‘Servicehuis ICT’ dat meer eenheid op ict-gebied probeerde te brengen. Zo was vaak niet duidelijk wie er nu het laatste woord had: de dienst of het Servicehuis ICT.

Het Servicehuis ICT ging op 1 januari 2007 van start. Doel was dat het Servicehuis ICT de ict van acht verschillende diensten – waaronder DMO (Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling) – over zou nemen en zou proberen dit centraal te regelen. Het Servicehuis ICT moest ervoor zorgen dat de software die alle diensten en stadsdelen gebruiken zoveel mogelijk gelijk is en dat alle krachten kunnen worden gebundeld. Door verschillende redenen kwam daar niets van terecht (zie kader ‘Crisis’).

Mede op aanraden van onderzoeksbureau McKinsey ging op 1 januari 2010 de opvolger van het Servicehuis ICT van start, de Dienst ICT. De belangrijkste conclusie van McKinsey was dat de organisatiestructuur van de gemeente moest veranderen. In de nieuwe structuur is er een aparte wethouder voor ict gekomen, Eric Wiebes (VVD). Daarnaast is de functie gecreëerd van chief information officer (CIO). Deze directeur van de Dienst ICT is formeel opdrachtgever van de ict-projecten en daarmee ook eindverantwoordelijke. Op zijn beurt legt de CIO weer verantwoording af aan de ict-wethouder.

Valkuilen bij ict-projecten

Er is al veel literatuur verschenen over het falen van ict-projecten. Vier redenen waarom projecten bij de overheid kunnen mislukken:

1. Projecten zijn te groot

De politiek heeft vaak te ambitieuze plannen en wil te grote projecten. Van Dijk: “Grote projecten zijn veel moeilijker te beheersen en lopen gemakkelijk uit de hand. De neiging van de politiek is vaak om iets in één project van 10 of misschien wel 100 miljoen euro te doen, maar veel beter is het om dit op te knippen in projecten van maximaal, zeg, een half miljoen.”

2. Consultants kunnen belang hebben bij dure software

Consultants van de leveranciers van softwaresystemen zijn blij met deze torenhoge ambities van de politiek, gezien hun werkgevers zoals Getronics (nu KPN), Accenture of Atos Origin flink kunnen verdienen aan deze grote ict-projecten. Laat je dus vooral adviseren door consultants die niet verbonden zijn aan een leverancier, is de tip van Van Dijk.

3. Te weinig expertise

De politiek moet knopen doorhakken over ict-systemen, terwijl ze daar weinig kennis over hebben. Ambtenaren die politici daarover moeten adviseren missen vaak ook genoeg specialistische kennis. “Probleem is dat experts vaak worden weggekocht door het bedrijfsleven, zeker in deze tijden van bezuinigingen waarin de budgetten van overheden slinken”, constateert Van Dijk.

4. Een gemeente heeft veel verschillende diensten

Carolien Schönfeld: “Een gemeente heeft veel meer producten en diensten dan bedrijven, en dus ook ook veel meer software nodig. Paspoorten, parkeervergunningen, persoonsregistratie, erfpacht, belastingen: je hebt overal aparte systemen voor nodig.” Zelfs banken en verzekeraars hebben lang niet zoveel diensten als een gemeente. Schönfeld: “En zelfs daar gaat al een hoop mis op ict-gebied.”

Nieuw in de ict-organisatie is ook de functie van de informatiemanager, die de koppeling is tussen enerzijds de (politiek en ambtelijk) verantwoordelijken voor het beleid en anderzijds de automatisering. “Ambtenaren wilden vroeger nog al eens scoren voor hun wethouder door te snel te zeggen dat iets technisch uitvoerbaar was”, zegt een projectmanager van een dienst van de gemeente die liever anoniem wil blijven. Met de strakkere hiërarchische structuur en de centralisatie van expertise bij de Dienst ICT, zal dat nu minder moeten gebeuren.

Nóg een nieuw ict-systeem

Door het nieuwe ict-systeem Matchpoint weten de aangesloten zorgaanbieders van elkaars bestaan af en kan bepaald worden wie het initiatief neemt. Maar wat er met een kind aan de hand is, kunnen ze niet zien. “De gemeente en de zorginstellingen willen het liefst dat met een druk op de knop ook meteen de behandelstatus van een kind ingezien kan worden”, vertelt Erik Gerritsen, bestuursvoorzitter van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (BJAA) en voorheen gemeentesecretaris van de gemeente Amsterdam .

Daarvoor moet er een nieuw systeem komen, dat nu in voorbereiding is bij DMO, zeggen ingewijden. Een exact plan is er nog niet, evenmin als een werktitel. Wel is duidelijk dat er een aparte, digitale plek zal komen waar inhoudelijke dossierinformatie uitgewisseld kan worden. De privacy van de kinderen en hun gezinnen moet daarbij kunnen worden gegarandeerd, zodat gegevens over bijvoorbeeld de behandeling van de ouders bij verslavingszorg of een psychiater niet op straat kunnen komen te liggen.

DMO denkt geleerd te hebben van de vele fouten die er in het verleden zijn gemaakt. Eerst wordt nu grondig op een rij gezet aan welke eisen het systeem allemaal moet voldoen. Pas dan kan de aanbesteding worden uitgeschreven. Een veelgemaakte fout is namelijk het aanbesteden van een te vaag plan, waardoor er gaandeweg het ontwikkelingsproces steeds nieuwe eisen bijkomen.

Schoolvoorbeeld

Gezien de vele betrokken organisaties is dit project een schoolvoorbeeld van hoe belangrijk een helder mandaat is. De informatiemanager moet krachtdadig kunnen optreden ten opzichte van alle betrokkenen. Bij zo’n groot aantal betrokken organisaties moet er tevens een strakke business case zijn, zodat wordt voorkomen dat er tijdens het ontwikkelen steeds meer eisen bijkomen. “We moeten oppassen dat het geen megalomaan project wordt”, waarschuwt Gerritsen, bestuursvoorzitter van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (BJAA). “Daar zijn er in het verleden veel van geweest en dat ging vaak mis. Maar ik ga er vanuit dat de gemeente daarvan heeft geleerd.”

Over een aantal maanden hoopt DMO het nieuwe ict-project voor de jeugdzorg helder uiteengezet te hebben. Hoeveel geld er in het project gestopt zal worden, is nog niet duidelijk. In de eerste schatting wordt gesproken over een half miljoen tot een miljoen. DMO hoopt dat het project, anders dan Matchpoint, minder dan twee jaar in beslag zal nemen. Maar gezien eerdere ervaringen met ict-projecten binnen de gemeente en de omvangrijke crisis bij de Dienst ICT blijft het onzeker of dat gaat lukken.

Nog voor er een steen is geworpen de cel in

Posted By Marit Van Kooij On oktober 28, 2011 @ 13:50 In Onderzoek | No Comments

De aanpak van groepen relschoppers moet anders, vindt burgemeester van Amsterdam Eberhard van der Laan. Hij wil groepen preventief kunnen vastzetten als zij dreigen de orde te verstoren. De gemeenteraad is hier altijd kritisch over geweest, maar er lijkt nu sprake te zijn van een cultuurverschuiving. “Over veiligheid slaat de PvdA tegenwoordig harde taal uit.”

Leden van English Defence League in Amsterdam. Foto: Jos van Zanten/Flickr

Leden van English Defence League in Amsterdam. Foto: Jos van Zanten/Flickr

Engelse skinsheads die op de vuist gaan met Nederlandse hooligans. Op zaterdag 30 oktober vorig jaar kwam het bijna zo ver. Een delegatie van de English Defence League (EDL) was afgereisd naar Amsterdam om hun steun te betuigen aan PVV-leider Geert Wilders, die toen voor de rechter stond voor het aanzetten tot haat en discriminatie.

Tientallen Ajax-supporters waren van plan de EDL op te zoeken. Niet om mee te demonstreren, maar omdat “iedere Ajax-aanhanger met een beetje ballen” moest laten zien dat ze de EDL niet dulden. “Omdat wij geen (gewelddadig) racisme en fascisme in onze stad tolereren”, aldus de website van de voetbalclub.

Burgemeester Eberhard van der Laan (PvdA) gaf opdracht de twee groepen uit elkaar te houden. Maar op preventief vlak deed hij niets, ondanks sterke aanwijzingen dat het op een gewelddadige confrontatie kon uitlopen. Van der Laan verordonneerde de Wilders-sympathisanten uit te wijken van het Museumplein naar een veldje naast metrostation Isolatorweg in het Westelijk Havengebied. De ME, die aanwezig was met paarden en honden, zette het metrostation af om ervoor te zorgen dat de Ajax-supporters niet op de vuist konden gaan met de betogers. Desondanks werden er totaat 43 demonstranten gearresteerd.

Daar, op het veldje, waren uiteindelijk meer politieagenten dan demonstranten. “Van der Laan had toen goed de maatregel bestuurlijke ophouding kunnen inzetten, om mensen preventief te kunnen oppakken”, zegt oud-hoofdcommissaris van de politie Amsterdam-Amstelland Joop van Riessen.

De burgemeester zal het met Van Riessen eens zijn: hij liet weten dit najaar met de gemeenteraad in gesprek te willen gaan over uitbreiding van zijn bevoegdheden bij bestuurlijke ophouding. Gaat het Van der Laan lukken om meer bevoegdheden te krijgen? En wat is de toegevoegde waarde van zo’n maatregel?

“We zijn altijd te laat”

Een zwaar middel, noemen zowel voor -als tegenstanders bestuurlijke ophouding. “In het voorbeeld van de Pro-Wilders demonstratie gaat het om oppakken van mensen die willen demonstreren”, zegt Jan Paternotte, fractievoorzitter van D66 in de Amsterdamse gemeenteraad. “Ook al zijn wij anti pro-Wilders demonstranten, het feit dat je deze mensen kan vastzetten zonder dat ze iets gedaan hebben, staat toch wel op zeer gespannen voet met het recht om te demonstreren.” En hoewel het verplaatsen van de demonstratie en het uit elkaar houden van twee groepen dan resulteert in de aanwezigheid van meer politieagenten dan demonstranten, is Paternotte voorstander van die aanpak.

De politie vindt op haar beurt dat zij wel moet kunnen ingrijpen als zij sterke aanwijzingen heeft dat er iets staat te gebeuren. Joop van Riessen schetst deze frustratie: “Als de politie nooit ergens kan ingrijpen zonder dat er een strafbaar feit is gepleegd, dan zijn we dus altijd te laat. Moet de stad eerst platgebrand worden voordat we kunnen ingrijpen?”

Geen groepen, alleen individuen

In de jaren ’60 zette Amsterdam de eerste stap om groepen in toom te houden tijdens (ludieke) demonstraties en grote evenementen. De methode ‘Koppejan’ werd het toen genoemd, naar de hoofdinspecteur van Amsterdam in de jaren ‘60.  Pak onruststokers op, drop ze ver buiten de grenzen van de stad en laat ze zelf maar kijken hoe ze terugkomen. Het overkwam de Provo’s die krenten uitdeelden op het Spui.

De discussie over het toepassen van bestuurlijk ophouden begon in 1997. Toen waren regeringsleiders van Europese lidstaten naar Amsterdam gekomen om te overleggen over een nieuw Europees verdrag. Met hen ook veel betogers, uit verschillende landen. Sommige van hen noemden zich in hun pamfletten “chaoten” en “anarchisten”. Een bont gezelschap dat naar de hoofdstad kwam om te bidden voor een sociaal Europa of te demonstreren voor de rechten van het dier in Europa onder de noemer  ‘Een dier is geen aardappel’. Zaterdag 14 juni 1997 verzamelden ze zich met tienduizenden op de Dam voor de mars naar een sociaal Europa.

In de aanloop naar de Eurotop kondigde burgemeester van Amsterdam Schelto Patijn (PvdA) verschillende maatregelen af. Er gold een zogenoemde noodverordening in negen gebieden in de Amsterdamse binnenstad. Daar mocht niet gedemonstreerd worden en moesten mensen zich kunnen legitimeren. Zo ook de zone rond krakersbolwerk Vrankrijk op het Spui. Zaterdagnacht arresteerde de politie 350 mensen nog voordat zij aan de geplande lawaaidemonstratie voor het hoofdbureau van de politie waren begonnen.  Preventief, want buiten het feit dat de politie vermoedde dat zij de openbare orde gingen verstoren, hadden de arrestanten nog niets misdaan.

Op basis van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (deelname aan een criminele organisatie) hield de politie de arrestanten vast tot de grote demonstratie over was. “Een Sovjetoptreden”, noemde tegenstanders de actie. De politie en de burgemeester kregen veel kritiek, omdat demonstranten zonder rechtsgeldig bewijs te lang waren vastgezet. En ook toenmalig minister Winnie Sorgdrager van Justitie (D66) noemde het “achteraf gezien onjuist” dat artikel 140 was ingezet. “De aanhoudingen op zich zijn niet onrechtmatig geweest”, zo schreef zij in een brief naar de Tweede Kamer. “Maar gezien de gecompliceerde situatie voor de bewijsvoering bij grootschalige incidenten, kan het artikel in dit soort situaties maar beter niet meer worden gebruikt.”

Een loods met televisieschermen

De rechter oordeelde later dat het ingrijpen van de politie onrechtmatig was geweest. Het lukte het Openbaar Ministerie in geen enkel geval te bewijzen dat ze een demonstrant had deelgenomen aan een criminele organisatie. De groep werd vrijgelaten. Sommigen kregen een schadevergoeding.

“Strafrechtgeleerden en de gemeenteraad vielen over ons heen. Dat is vervelend, maar ik zie het nog steeds niet als een fout”, zegt Joop van Riessen, toenmalig hoofdcommissaris van de politie. Hij heeft achteraf geen bedenkingen. “Onder mijn leiding hebben we toen die ordeverstoorders als groep kunnen aanhouden en aan het eind van de top losgelaten. Daarom is de Eurotop rustig verlopen, daar ben ik zeker van.”

Van Riessen legt uit dat de politie niet kon ingrijpen tegen groepen. “Alleen tegen individuen. Dus als er één met een steen gooide, dan mochten we alleen die oppakken. Maar de groep als zodanig moesten we met rust laten. Vandaar dat we grepen naar artikel 140 van het Wetboek Strafrecht.”

De controverse heeft volgens de oud-hoofdcommissaris wel tot iets geleid: in de aanloop naar het EK voetbal in 2000 werd bestuurlijke ophouding opgenomen in de Gemeentewet. Burgemeesters kregen de mogelijkheid om in geval van dreiging van ernstige ordeverstoring grote groepen mensen maximaal 12 uur vast te houden. Met de regeling wilde de politiek groepsgeweld van hooligans tegengaan.

“Een novum”, volgens kenners. Burgemeester Job Cohen charterde een loods in het Westelijk havengebied. Daar konden de supporters die op basis van bestuurlijke ophouding waren opgepakt, worden ondergebracht. In de loods hingen videoschermen zodat ze toch de wedstrijd zouden kunnen volgen. “En een batterij aan advocaten”, vult Joop van Riessen aan. “Om ze meteen bij te kunnen staan.” Honderden arrestanten kon de ruimte volgens de oud-hoofdcommissaris herbergen. Maar uiteindelijk heeft geen enkel van hen de binnenkant van de loods gezien. “Er was geen ordeverstoring”, zegt Van Riessen. “Het heeft uiteindelijk vooral veel geld gekost.”

Geen succes

Sinds 2000 heeft iedere burgemeester dus de mogelijkheid om mensen preventief op te pakken. Dat kan, volgens artikel 175 van de Gemeentewet, bij een “oproerige beweging, van andere ernstige wanordelijkheden of van rampen of zware ongevallen, dan wel van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan.” Met toestemming van de gemeenteraad als een evenement lang van tevoren is aangekondigd en de driehoek (het Openbaar Ministerie, burgemeester en politie) verwacht dat het uit de hand zal lopen, bijvoorbeeld een kroning, een huldiging van een voetbalclub of een festival. Zonder toestemming van de gemeenteraad kan bestuurlijke ophouding ingaan als het gaat om een onvoorziene gebeurtenis die een acute verstoring van de openbare orde oplevert. Achteraf legt de burgemeester dan verantwoording af.

De pro-Wilders demonstranten en Ajax-hooligans had burgemeester Van der Laan dus wel vast kunnen zetten. “Maar het is gebruikelijk dat de burgemeester altijd toestemming van de gemeenteraad vraagt”, zegt D66’er Jan Paternotte. Het is nog nooit voorgekomen dat Van der Laan zijn bevoegdheid buiten de gemeenteraad om heeft gebruikt. “Eigenlijk zet hij het alleen bij voetbal in, maar daar vraagt hij altijd toestemming voor.” Hoeveel mensen op basis van bestuurlijk ophouden zijn vastgezet, is in Amsterdam niet te controleren. De politie Amsterdam-Amstelland kan Nieuw Amsterdams Peil niet van cijfers voorzien.

Het is een complexe maatregel, schrijft Arthur Hartmann, bijzonder hoogleraar bestuursstrafrecht aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, in een artikel over bestuurlijke ophouding. En daarom niet erg populair onder burgemeesters. “Inmiddels is al jaren duidelijk dat bestuurlijke ophouding veel juridische en praktische haken en ogen kent”, zegt Arthur Hartmannn.

De hoogleraar heeft twee grote bezwaren tegen de maatregel. Zo zou het niet duidelijk zijn wie wanneer tot een groep behoort. “Is vereist dat iedere persoon zich niet houdt aan het voorschrift? Of is er voldoende aanleiding voor ophouding als anderen zich niet houden aan het voorschrift, en dat men zich niet verwijdert? En wat, als men zich wil verwijderen, maar dit door de druk van buiten niet lukt? Wordt een bepaalde ‘groepscohesie’ verlangd?”, vraagt hij zich af in een artikel.

Ook bestaat er volgens de hoogleraar “verwarring” over wanneer de burgemeester toestemming moet krijgen van de gemeenteraad en wanneer niet. Hartmannn schrijft: “Een helder kader voor toepassing van de bevoegdheid ontbreekt hier”. De rechtmatigheid is volgens de hoogleraar niet goed te bepalen, “aangezien er een heldere definitie ontbreekt van degene die het object kunnen zijn van de bestuurlijke ophouding”.

Hij verwijst naar een uitspraak van de bestuursrechter over PSV-supporters die preventief waren opgepakt om verstoring van de wedstrijd PSV-Heracles te voorkomen. En dat had niet mogen gebeuren, oordeelde de bestuursrechter later. De gemeente was “haar bevoegdheden te buiten gegaan”, zo stelde de rechter. Vijfennegentig euro  kregen de supporters als schadevergoeding voor de anderhalf uur die zij hebben vastgezeten.

Een maatregel van “spierballen tonen”, noemt fractievoorzitter van GroenLinks in Amsterdam Marieke van Doorninck bestuurlijk ophouden. GroenLinks, die samen met de PvdA en de VVD in het Amsterdamse college van burgemeester en wethouders zit, heeft nog een ander bezwaar. “Op basis van het bestuursrecht kun je hiermee mensen arresteren en vasthouden. Zonder dat er een strafrechter aan te pas komt. En dat vinden wij bezwaarlijk, want voor het vasthouden van mensen is bestuursrecht niet bedoeld. Daar hebben we het strafrecht voor.”

Geen principieel tegenstander

Van der Laan wil eerst met de gemeenteraad in gesprek voordat hij zijn bevoegdheden uitbreidt. “Eberhard kennende, zal hij hiermee zeker vaart maken”, zegt Jan Paternotte, fractievoorzitter van D66. “Dat doet hij altijd op het gebied van veiligheid.”

D66 staat, net als GroenLinks, ‘sowieso sceptisch’ tegenover vrijheidsbeperking zonder dat er een rechter aan te pas komt, vertelt Paternotte. Maar principieel tegenstander van bestuurlijk ophouden is D66 niet. “Bij voetbalwedstrijden kan het wel, daar zijn het toch wel vaak dezelfde types die onrust stoken. Maar als Van der Laan komt met voorstellen tot uitbreiden van dit middel, dan zijn we het daar niet mee eens.”

Een ander geluid bij de VVD, coalitiepartner van GroenLinks en PvdA. Ook zij zijn geen principieel tegenstander van de maatregel. “Maar ook niet van een mogelijke uitbreiding”, zegt Robert Flos, fractievoorzitter. “Als je ziet dat een bepaalde groep plannen heeft om de openbare orde te verstoren, dan moet de politie kunnen ingrijpen zonder dat de eerste steen door de lucht is gevolgen. Het is een goed middel om bepaalde groepen te isoleren.”

Het middel moet niet standaard gebruikt worden, meent Flos. “Het moet wel blijven gaan om specifieke plekken, personen en tijdstippen. Het mag niet overal en altijd gelden, daarvoor vinden we het collectief vastzetten van een groep mensen een te zwaar middel. Bij de Eurotop in 1997 had het bijvoorbeeld effectief ingezet kunnen worden en in de toekomst denken we bijvoorbeeld aan verstoringen rond de kroning van Koning Willem IV.”

Eber de Harde

eberhard_van_der_laan_208

Burgemeester Eberhard van der Laan. Foto: Amsterdam.nl

Het zou Joop van Riessen zeer verbazen als de burgemeester nu de zege krijgt van de gemeenteraad. “Die ligt namelijk altijd dwars bij dit soort vrijheidsbeperkende maatregelen”, vertelt hij. “Of dat iets typisch Amsterdams is, dat weet ik niet. Beperking van bewegingsvrijheid ligt heel gevoelig in deze stad en de politieke partijen zijn toch altijd, ongeacht wat hun grote broers in Den Haag doen, linkser georiënteerd.” Van Riessen heeft als hoofdcommissaris altijd gepleit voor preventief fouilleren door de hele stad, in plaats van alleen in het centrum en in Zuid Oost. “Maar de gemeenteraad lag altijd dwars.”

Een opstandige gemeenteraad maakt volgens Marieke van Doorninck voor de plannen van de burgemeester niets uit. “Op veiligheidsgebied heeft de gemeenteraad heel weinig in de melk te brokkelen. Het is vooral de driehoek die hierover beslist.” De gemeenteraad kan het de burgemeester wel op andere gebieden moeilijk maken als die geen oor heeft voor de raad, benadrukt Van Doorninck.  “Maar dat is tot nu toe nog niet gebeurd. Net als Cohen heeft Van der Laan de confrontatie met de gemeenteraad over deze onderwerpen nog niet opgezocht.”

Maar volgens betrokkenen is er wel een nuanceverschil tussen Eberhard van der Laan en Job Cohen. Beiden zijn PvdA’ers en juristen, maar Van der Laan staat, in tegenstelling tot zijn voorganger, bekend als vriend van de politie. Als harde aanpakker van overlast. Zijn bijnaam in de wandelgangen van het stadhuis: Eber de Harde. Paternotte, die als gemeenteraadslid Job Cohen nog meemaakte: “Cohen was altijd van de middenweg, luisterde naar GroenLinks en VVD. Er zijn in zijn tijd wel wat restrictieve maatregelen ingevoerd, maar relatief gezien toch minder dan onder Van der Laan, die duidelijk aan de kant van de politie staat.”

“Van der Laan is een verademing voor de politie en is veel meer van het doorpakken”, zegt misdaadverslaggever van het Parool Paul Vughts, zonder een eigen oordeel te willen vellen over de twee burgemeesters. “Zo kwam hij bijvoorbeeld met de top 600 van criminelen. Cohen had dat nooit gedaan.”

Een burgemeester die van aanpakken weet. Maar dat wil dus niet zeggen dat de gemeenteraad zijn idee om bestuurlijk ophouden uit te breiden met open armen zal ontvangen. Hoewel Jan Paternotte een zekere “cultuurverschuiving” bespeurt in de raad. “Het verzet tegen dit soort restrictieve maatregelen slinkt. Het komt nog van GroenLinks en D66, maar steeds minder van de PvdA”. En het oordeel van deze partij is doorslaggevend in de gemeenteraad.

“Ze zijn aan het schuiven”, zegt Paternotte. “Niet voor niets hebben ze vorig weekend ‘veiligheid’ als speerpunt van hun partijprogramma gebombardeerd. De VVD was altijd al de partij van YouTube-filmpjes van criminelen verspreiden, preventief fouilleren en overal camera’s ophangen. Maar je ziet dat de PvdA nu ook harde taal hierover aan het uitslaan is. Vroeger waren ze tegen preventief fouilleren, nu niet meer. En zo interpreteer ik ook hun voorstel om iedereen die met een auto de stad binnenkomt met een camera te volgen.” Marieke van Doorninck herkent dit beeld: “de PvdA zegt vaak principieel moeite te hebben met dingen. Maar tegenwoordig zeggen ze: ‘we vinden het niet prettig, maar we doen het toch’.”

Het debat met de gemeenteraad over de uitbreiding van de mogelijkheden tot bestuurlijke ophouding is nog niet gepland. De PvdA was niet bereikbaar voor commentaar.

Een moccachino-latte in plaats van een broodje shoarma

Posted By Joris Belgers On oktober 28, 2011 @ 13:20 In Achtergrond, Algemeen, Onderzoek | No Comments

Amsterdam – Yuppen hebben nu ook de Indische Buurt ontdekt. Met hun macbooks, kinderwagens en latte-moccachino’s trekken ze de wijk in. Maar het brengt ook een keerzijde met zich mee. Gentrification, een vloek of een zegen?

Javaplein, Indische Buurt

Javaplein, Indische Buurt

Al vanaf de overkant van het Javaplein is het draadloze internet van de gloednieuwe Coffee Company te ontvangen. Binnen staat een kinderwagen. Twee jonge moeders. Langs het raam zitten een paar twintigers achter hun openklapte macbooks. Barista Naomi vertelt dat er vooral studenten komen. “Het was ook wel nodig, deze Coffee Company, voor al die mensen die nog snel even een kop koffie  voor hun werk willen halen.”

De Coffee Company is een symptoom dat het goed gaat met de wijk, die nog niet zo lang geleden werd aangewezen als één van de slechtste wijken van Nederland. Langzaam verdwijnen shoarmatentjes uit het straatbeeld en komen jonge echtparen met kinderwagens en moccachino-lattes hiervoor in de plaats. De gentrification van de Indische Buurt een feit.

Gentrification. Een officiële vertaling is er niet: opwaardering, of ‘veryupping’ zijn synoniemen die in de literatuur vaak worden gebruikt. Het komt van gentry, Engels voor (land) adel. Het woord behelst de opwaardering van de stadscentra, door een stijgende vraag naar woonruimte van voornamelijk goedverdienende young urban professionals, oftewel: ‘de yuppen’.

Maar er is een keerzijde. De komst van de yuppen roept het beeld op van arme stadsgezinnen die uit hun volksbuurt worden verdreven. Sociale spanningen zijn het gevolg. Zo is het in Berlijn al jaren populair om BMW’s en Mercedessen in brand te steken. In New York, waar de yuppen na Brooklyn ook de voormalige achterstandswijk Harlem hebben ontdekt, wordt het straatbeeld getekend door graffititeksten als ‘whitey go back below 110th’, verwijzend naar de straat waar Harlem begint.

In Amsterdam heeft het tot dusver nog geen heftige reacties ontlokt. Waarom niet? Worden hier geen arme gezinnen tegen hun wil weggedrukt naar ‘groeikernen’ en tuindorpen als Purmerend of Almere, of dichterbij, Osdorp en Amstelveen? Heeft gentrification geen kwalijke gevolgen voor onze hoofdstad?

Waar komen die yuppen vandaan?

Gentrification is het beste wat Amsterdam in honderd jaar is overkomen,” zegt Errik Buursink, planoloog bij de Dienst Ruimtelijke Ordening (DRO) in Amsterdam. “De hervonden interesse van jonge, hoger opgeleiden heeft Amsterdam gered van complete verloedering.”

Want net als alle andere grote steden liep ook Amsterdam vanaf de jaren vijftig leeg. Grote boosdoener was de auto, die het families mogelijk maakte buiten de stad gaan wonen. Iets wat men massaal deed. Samen met de de-industrialisering in de tweede helft van de twintigste eeuw zorgde dit voor suburbanisatie, een ware leegloop van de grote steden. Ook Amsterdam. Telde de hoofdstad in 1953 nog 835.000 inwoners, in 1980 waren dit er bijna 200.000 minder. Vooral de oude volksbuurten in de binnenstad, de Jordaan, de Pijp, de Staatsliedenbuurt hadden te maken met serieuze verkrotting.

Het was in de Amsterdamse Jordaan waar gedurende de jaren zeventig gentrification als eerste op gang kwam. Demografische ontwikkelingen speelden hierbij een belangrijke rol, verklaart Rob van Engelsdorp Gastelaars, emeritus hoogleraar sociale geografie. “Enerzijds was er een enorme daling van geboortecijfers, anderzijds zag je dat jongeren ‘verzelfstandigden’. Het ouderlijk huis werd eerder verlaten om elders carrière te kunnen maken.”

Zodoende ontstonden er vanaf de jaren zestig steeds meer jonge alleenstaanden en kinderloze huishoudens. Deze bleken erg stadsgebonden, omdat de moderne vormen van werkgelegenheid, zoals media en de creatieve industrie, zich hier bevonden. En niet op het platteland. Een andere reden waarom jongeren massaal naar de stad trokken, is meer persoonlijk. Van Engelsdorp Gastelaars. “In de stad ging men op zoek naar een partner, dat gaat daar nu eenmaal lekker.” Voornamelijk universiteitssteden met voldoende horecagelegenheden en een rijk cultureel aanbod bleken aantrekkelijk voor deze groep.

De jaren zeventig bleken nog maar het begin. De dienstensector die toen opkwam, is alleen maar groter geworden. “Hoogopgeleide mensen willen bij elkaar wonen, met elkaar borrelen, met elkaar afspreken, met elkaar van gedachten wisselen”, legt Planoloog Errik Buursink uit. Hierdoor ontstaat een vraag naar ruimtes als Coffee Company: tentjes binnen het stadscentrum die door zelfstandigen zonder personeel, de zogeheten ZZP’ers, worden gezien als hun mobiele kantoor. Met als gevolg: een toegenomen woningdruk. Buursink spreekt van een ‘demografische trendbreuk’. “Voor het eerst in vijftig jaar is in Amsterdam zowel het geboorteoverschot als het binnen- en buitenlandse migratiesaldo structureel positief.

De groeiende vraag naar woningen binnen de Amsterdamse ringweg brengt sterk stijgende huurprijzen met zich mee. Dit biedt de gemeente de ruimte om over te gaan tot stedelijke vernieuwing, zoals duidelijk te zien is in de Indische Buurt. In 2008 werd de Javastraat op de schop genomen; het moest een “brede mediterrane winkelboulevard” worden. In 2011 was de herinrichting van het Javaplein voltooid, compleet met Coffee Company en het gerenoveerde badhuis, waarin nu een hippe eettent (Het Badhuis) is gevestigd. Ook de opening van het cultureel centrum Studio K in 2007 is in het licht van stadsvernieuwing te zien.

De Coffee Company op het heringerichte Javaplein in de Indische Buurt

De Coffee Company op het heringerichte Javaplein in de Indische Buurt

Het hoe en waarom

Logisch dat gemeentes dit soort ontwikkelingen ondersteunen, vindt Van Engelsdorp Gastelaars. “Steden krijgen een enorme injectie van hoogopgeleide mensen. Bovendien, als je stad op de internationale markt wil concurreren, want daar draait het tegenwoordig om, moet je ook aan het niveau van je voorzieningen werken.” Daarbij brengen jonge, talentvolle mensen geld met zich mee. “Die jonge afgestudeerden zijn economisch een goed draaiende groep, zeker op termijn”, aldus Van Engelsdorp Gastelaars.

Steden zijn tegenwoordig steeds meer een ‘opwerkfabriek’, een roltrap voor pasafgestudeerden op weg omhoog op de sociale ladder. Wethouder Maarten van Poelgeest (Ruimtelijke ordening, GroenLinks) omschreef Amsterdam ook wel als een ‘emancipatiemachine [1]’; er komen vooral jonge starters binnen. Ze komen voor een opleiding en een carrièrestart naar de stad, en vertrekken vervolgens weer rond hun veertigste.

Diversificatie is ook een reden voor de stad om meer goed verdienende en hoogopgeleide gezinnen naar een wijk als de Indische Buurt te krijgen. Een goede mix van sociale klassen voorkomt het ontstaan van gesegregeerde achterstandsbuurten. De komst van hogere klassen zou lagere klassen omhoog trekken. Meer geld in de buurt leidt tot meer en betere voorzieningen, rijkere en betere leerlingen zorgen voor betere scholen, lijkt het adagium.

Deze instroom van yuppen gaat gepaard met de nodige ruimtelijke vernieuwingen: de buurt gaat er beter uitzien, er komt meer groen, meer culturele en horecagelegenheden en meer geld voor stadsverfraaiing. Maar dit is niet alleen het gevolg van sociale opwaardering, het is ook een aanjager die yuppen naar wijken als de Indische Buurt moet lokken.

Vrije markt

Daling Sociale Huurwoningen [2]

Afbeelding 1: Klik voor groter

Daarbij wil Amsterdam haar woningmarkt meer vrijgeven. Arie de Zeeuw, beleidsmedewerkers bij Dienst Wonen van Amsterdam, wijst erop dat Amsterdam internationaal uit de pas loopt. “Als je het vergelijkt met Europa, is er overal vrije markt – behalve hier. Dit wil Amsterdam graag anders, niet iedereen moet afhankelijk zijn van de overheid. En Amsterdam bestaat niet alleen maar uit mensen met lage inkomens.”

Het terugbrengen van sociale huur, waardoor meer woningen beschikbaar worden voor de vrije huursector en de koopmarkt, is ook een manier om veryupping te stimuleren. Het is de woningcorporaties sinds 1998 toegestaan binnen bepaalde afspraken woningen naar die vrije markt te brengen. Hierdoor ontstaat meer marktwerking.

In Amsterdam is nu ongeveer de helft van de woningvoorraad goedkope corporatiehuur. De andere helft bestaat voor een kwart uit koopwoningen en voor een kwart uit dure corporatie of particuliere huur. Die verhoudingen wil Amsterdam veranderen. Een manier om dat te doen, is volgens De Zeeuw om bij nieuwbouw nog maar dertig procent voor sociale huur toe te wijzen. “Dat wil niet zeggen dat zeventig procent verdwijnt, maar het wordt wel minder. ”

Corporaties maken dankbaar gebruik van de gemiddeld hogere huurprijzen (zie afbeelding 1) die het gevolg zijn van de toenemende druk op de Amsterdamse woningmarkt. Dit doen zij door het zogenaamde splitsen en doorverkopen van sociale huurpanden. In de Indische Buurt daalde het percentage sociale huurwoningen hierdoor van 78,1 procent in 2000 naar 68,9 in 2010 (afbeelding 2).

Afbeelding 2: klik voor groter [3]

Afbeelding 2: klik voor groter

De keerzijde

Maar niet iedereen is tevreden met de veranderende samenstelling van de Indische Buurt. Volgens Frans Ondunk, voorzitter van huurdersvereniging Oost, boet een buurt juist in aan leefbaarheid wanneer nieuwe bewoners massaal de wijk intrekken. “De studenten en jonge academici die komen,  hebben geen sociale binding met de buurt. De cohesie verdwijnt door dit systeem.” Ondunk gelooft niet in het argument dat daar enige tijd overheen moet gaan. “Ik zie daar niets van. Ook niet over tien jaar. Want ze winkelen wel, maar heus niet bij de Turks om de hoek.”

Volgens socioloog Merijn Oudenampsen, die meerdere publicaties [4]over dit onderwerp op zijn naam heeft staan, wordt gentrification vaak ten onterechte gezien als een wondermiddel. “Je verandert niet de situatie van die mensen die er voorheen woonden. Ze hebben niet opeens een beter leven omdat ze een hoogopgeleide buurman krijgen.”

Hij wijst op een sociologisch onderzoek [5], uitgevoerd door Justus Uitermark en Jan Willem Duyvedak in opdracht van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. “De stelling dat lage klassen kunnen meeliften op het succes van hogere klassen klopt niet. Er blijft segregatie. De blanke mensen die in Nieuw-West gaan wonen, sturen hun kinderen heus niet naar een zwarte school. De enige vorm van interactie die ontstaat, is dat er meer restaurantjes komen waar deze mensen eten kunnen serveren aan hun nieuwe, hoog opgeleide blanke buurman.” Van Engelsdorp Gastelaars beaamt dat geen enkel onderzoek aantoont dat een gemengde wijk de buurt ten goede zou komen.

Ondunk is het ook niet eens met het argument dat de wijk er beter gaat uitzien door de instroom van nieuwe rijke bewoners. “De ideeën en dat stukje groen, die komen van de paar bewoners die zijn  achtergebleven. Die hebben nog wel binding met de buurt. Zij komen op inspraakavonden met initiatieven. Zij zorgen ervoor dat als er dan toch gesloopt wordt er een leuk stukje groen bij wordt aangelegd. Die jonge mensen zijn alleen maar hartstikke blij met hun goedkope huurwoning in onze opgeknapte buurt.”

De voorzitter van de huurdersvereniging is bang dat een vrije markt zowel corporaties als particuliere huurders zal stimuleren om druk uit te oefenen op zittende huurders om te vertrekken en vervolgens de huur omhoog te gooien. Socioloog Oudenampsen, verwacht niet zozeer dat corporaties huurders weg zullen pesten uit hun huis. Wel wijst hij op wat er gebeurde in De Pijp, nog een wijk waar gentrification toesloeg. “Er is daar relatief veel particuliere verhuur. Daar werden bewoners wel weggepest. Het water werd afgesloten, huurbazen wachtten lang met het repareren van een kapotte cv, dat soort dingen. Dit zie je nu ook gebeuren in de Indische Buurt ook.”

Stadsvernieuwingsurgentie

Errik Buursink van DRO vindt dat er helemaal geen sprake is van bewoners die hun buurt uit worden gejaagd. Er bestaat namelijk zoiets als ‘stadsvernieuwingurgentie’: wanneer een pand door een corporatie wordt gesloopt of gerenoveerd en verkocht, krijgen bewoners een jaar tot anderhalf de tijd om iets anders te vinden. Èn voorrang op de wachtlijst. “Deze mensen hebben het recht op een andere huurwoning in dezelfde wijk. Interessant is dat veel van hen echter van de gelegenheid gebruik maken om hun woonsituatie elders in de stad of de regio te verbeteren.”

De Zeeuw is binnen Dienst Wonen verantwoordelijk voor deze zogeheten ‘stadsvernieuwingsurgenten’.  Van de in 2010 verhuurde sociale huurwoningen in Amsterdam (totaal 13.949) ging er zo’n dertig procent naar voorrangskandidaten, waar ook de stadsvernieuwingurgenten onder vallen. Deze laatste groep maakt zo’n veertig procent uit van de ruim 3500 voorrangskandidaten die de regio Amsterdam telt.  De Zeeuw durft niet te zeggen of deze mensen voor een vergelijkbare huur iets in dezelfde wijk kunnen vinden. “In het geval van stadsvernieuwingsurgentie is er namelijk bijna altijd sprake van verbetering in de buurt. En dat houdt een huurverhoging in.”

Frans Ondunk denkt niet dat de voorrangsregeling veel effect heeft. “We hebben het over duizenden mensen. Wil je die allemaal in Amsterdam plaatsen? Almere zit er al vol mee, met dat soort vluchtelingen. Of Hoofddorp, ook vol met mensen die Amsterdam uitgejaagd zijn. Die kunnen echt niet allemaal in dezelfde buurt terecht.”

De conclusie lijkt duidelijk: niet alleen is het voor huurders moeilijk om voor hetzelfde geld een nieuwe woning in hun buurt vinden, ook gaat de sociale woningmarkt door de veryupping verder op slot. Het aantal sociale huurwoningen neemt af terwijl de stadsvernieuwing waarmee de gentrification in de Indische Buurt gepaard gaat, zorgt voor nog meer woningzoekenden die de wachtlijsten van de corporaties er niet korter op maken. Inmiddels is de gemiddelde wachttijd voor een sociale huurwoning in Amsterdam opgelopen tot zo’n elf jaar.

Toch, weinig boze huurders

Maar auto’s vliegen hier niet in brand. Graffiti of demonstraties tegen de komst van de yuppen zoals in Berlijn of New York zul je in de Indische Buurt niet vinden. Dat komt omdat er in Nederland nog altijd relatief veel huurderbescherming is, anders dan bijvoorbeeld in New York waar geen doorlopende huurcontracten bestaan. Je staat daar zo op straat, aldus Rob van Engelsdorp Gastelaars. Daarbij verloopt het proces van gentrification in Nederland veel geleidelijker. Heel anders dan bijvoorbeeld in Berlijn, een stad die helemaal was leeggelopen totdat het in één klap weer zijn hoofdstadfunctie terugkreeg.

Ondanks dat dit proces van opwaardering een stad er structureel bovenop lijkt te helpen, kan het in de nabije toekomst voor echte problemen gaan zorgen, denkt de socioloog. “Het wordt nu echt dringen om die laatste goedkope woningen. Starters, studenten, maar ook andere categorieën gaan het steeds moeilijker krijgen om iets te vinden of iets te behouden. Dit gedrang ga je voelen in West, Zuid, en nu ook in Oost tegen de binnenstad aan. Je kunt daar weinig aan doen. De steden zijn volgebouwd, het enige wat je kunt hopen is dat je een doorstroom op gang krijgt.”

Toch moet worden opgepast dat Amsterdam niet richting Parijs gaat, met problematische banlieues tot gevolg. Want, zo denkt Van Engelsdorp Gastelaars, de tuinsteden om Amsterdam kunnen grote  probleemgebieden worden. De rellen in Londen eerder dit jaar vindt de socioloog des te opvallend, omdat de Britse hoofdstad het eigenlijk ontzettend goed doet. Hij gelooft dat die rellen passen in deze thematiek van sociale spanningen die gentrification met zich meebrengt. “Tot nu toe hebben wij het onder controle. Maar het kan ons ook overkomen.”

Enhanced by Zemanta [6]

Zorgregeling voor illegalen zit nog vol gaten

Posted By Simon Blok On oktober 21, 2011 @ 17:00 In Onderzoek | No Comments

Op papier lijkt alles in orde bij de vernieuwde regeling voor zorg aan illegalen, maar de realiteit is weerbarstiger. Aan illegalen worden nog altijd zorg geweigerd. Toegang tot de gezondheidszorg is wisselend en onvoorspelbaar.

Foto javi velazquez, Flickr.com

Foto javi velazquez, Flickr.com

De Nigeriaanse Abeje (31) is vijf maanden zwanger, maar een medisch onderzoek heeft ze nog niet gehad. Ze is illegaal en bang om hulp te zoeken, bang voor aangifte en hoge rekeningen. Ze besluit om naar het spreekuur van Dokters van de Wereld in Amsterdam Zuidoost te gaan. Zij bemiddelen en regelen een afspraak bij een verloskundige. Die verwijst Abeje door naar het laboratorium voor onderzoek. Maar daar komt ze niet verder dan de balie. Ze wordt weggestuurd.

“Een op de drie illegalen die zich bij ons meldt, heeft problemen om toegang te krijgen tot zorg”, zegt Margreet Kroesen, projectcoördinator bij Dokters van de Wereld (DvdW), een internationale hulporganisatie voor medische en humanitaire zorg. Die houdt onder meer wekelijkse bemiddelingsgesprekken in Amsterdam en Den Haag. “In 2011 hebben we tot nu toe 369 illegalen gesproken, 117 daarvan hadden toegangsproblemen. We zien al jaren dit soort verhoudingen. Het is een structureel probleem.” Tussen 2007 en 2010 heeft Dokters van de Wereld ruim 450 meldingen van zorgweigering binnen gekregen. Uit het dit jaar verschenen onderzoek Hiding and Seeking [7], dat zich richt op ongedocumenteerde vrouwen, blijkt zelfs dat 70 procent van hen problemen ondervindt bij het krijgen van zorg.

In Nederland zijn bijna 100 duizend illegalen [8]. Ruim een kwart daarvan bevindt zich in de vier grote steden: Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht. Vaak zijn hun leefomstandigheden slecht, wat dikwijls leidt tot een slechtere gezondheidssituatie.

Wie is de illegaal?

  • De meeste illegalen komen uit Afrika (33 duizend) en Azië (25 duizend).
  • Tweederde van alle illegalen is man. En 90 procent is jonger dan veertig jaar.
  • Sommigen komen het land binnen met eepn toeristenvisum of een tijdelijke verblijfsvergunning en blijven langer dan toegestaan. Maar de meeste illegalen – zo’n 65 procent – zijn afgewezen asielzoekers.
  • Als illegalen werken – wat ze niet mogen – doen ze dat vooral in de horeca, bouw en tuinbouw, blijkt uit gegevens van de Arbeidsinspectie.
  • Het aantal illegalen is de afgelopen jaren flink gedaald. In 2005 werd het aantal nog geschat op bijna 130 duizend. De afname wordt verklaard door de toetreding van Roemenië en Bulgarije tot de EU in 2007. Ook het generaal pardon uit datzelfde jaar heeft invloed gehad.

Tegelijkertijd zijn illegalen niet goed op de hoogte van hun recht op gezondheidszorg. In hun zoektocht naar zorg zijn zij vaak bang voor aangifte bij de politie en hoge rekeningen. Angst voor uitzetting zorgt ervoor dat ze geen hulp zoeken of zeer voorzichtig zijn in het benaderen van een arts. Ook taal en cultuur vormen een barrière om zorg te vragen. Dat zijn echter niet de enige barrières: illegalen worden ook regelmatig geweigerd.

Zorg weigeren mag niet

“Artsen mogen patiënten niet weigeren, dat is een rechtsregel”, zegt Martin Buijsen, hoogleraar Recht en Gezondheidszorg aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Ook niet als patiënten niet kunnen betalen. “Daar is de jurisprudentie heel duidelijk over. Gezondheidszorg is een sociaal grondrecht, een mensenrecht. Dokters die zoiets wel flikken, schenden regels en kunnen te maken krijgen met de tuchtrechter. Maar een illegaal zal dat niet voor de rechter aanvechten.”

Weigeren van zorg aan illegalen brengt ook risico’s met zich mee. “Ze komen vaak uit gebieden waar tuberculose veel voorkomt en lopen extra risico,” zegt een woordvoerder van de GGD Amsterdam. “Daarom hameren wij er bij andere zorginstellingen op om ze naar ons te sturen voor een gratis behandeling. Daar moet iedereen van doordrongen zijn, anders kan het een risico worden voor de volksgezondheid.”

Regeling financiële zorg illegalen

  • Sinds de koppelingswet (1998) kunnen illegalen zich niet verzekeren tegen ziektekosten. Volgens de Vreemdelingenwet hebben ze wel recht op medische zorg.
  • Sinds januari 2009 bestaat de Regeling illegalen. Huisartsen kunnen 80 procent van de oninbare rekeningen terugkrijgen. Verloskundigen 100 procent. Tandartsen kunnen alleen 80 procent declareren bij patiënten tot 18 jaar.
  • Zorg die niet in het basispakket van de Zorgverzekeringswet valt, wordt niet vergoed.
  • Voor zorg waar je een verwijzing voor nodig hebt, bestaat een contractstelsel. Alleen zorginstellingen waarmee het CVZ een contract heeft afgesloten, kunnen aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten. In Nederland zijn dat 28 ziekenhuizen, 361 apotheken, 27 AWBZ-instelling en 40 GGZ-instellingen. Alle andere instellingen moeten illegalen doorverwijzen naar de juiste plek.
  • Spoedeisende hulp is bij alle ziekenhuizen mogelijk.
  • Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft 44 miljoen euro in kas voor de regeling. Dit wordt onderbenut: in 2010 werd 14,4 miljoen euro gedeclareerd, in 2009 slechts 6 miljoen.

De Nederlandse staat dient vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel medisch noodzakelijke zorg te garanderen. Daartoe heeft ze zich verplicht in verschillende internationale verdragen. Volgens jurisprudentie mag de overheid zorginstellingen niet laten opdraaien voor de kosten hiervan.

Sinds januari 2009 bestaat een nieuw financieel vangnet voor zorg aan illegalen. Het uitgangspunt is dat de illegale patiënt zelf betaalt. Als hij dat nalaat, kan een zorgverlener de factuur (gedeeltelijk) declareren bij het College voor Zorgverzekeringen (CVZ), dat het budget namens de Rijksoverheid beheert (zie kader). Hoewel de nieuwe regeling over het geheel gezien wordt als een verbetering, zitten er volgens betrokkenen nog steeds gaten in.

Baliepersoneel

“Ik bemiddelde laatst voor een vrouw, begin twintig, uit Guinee”, vertelt hulpverlener Pieta Rodenburg van het Amsterdams Steunpunt Vluchtelingen (ASKV). “Uit bloedonderzoek bleek dat ze hepatitis B had, waarop de huisarts een verwijsbrief schreef voor een CVZ-gecontracteerd ziekenhuis. Op de dag van de afspraak gingen we een half uur eerder, omdat je eerst langs de registratiebalie moet als je niet bent verzekerd. De vrouw achter de balie zei gelijk: ‘Het kan niet. Alleen als ze een betalingsregeling ondertekent.’ Maar dat was geen optie, dat geld had ze niet. De vrouw achter de balie was ook niet bekend met de CVZ-regeling, waarmee het ziekenhuis de kosten kan declareren. Ze zei: ‘Er zijn heel veel illegalen, we kunnen ze niet allemaal helpen.’”

“Ook bij CVZ-gecontracteerde ziekenhuizen gebeurt het nog wel eens dat een illegaal wordt geweigerd”, zegt Kroesen van Dokters van de Wereld. “Als iemand binnenkomt met een afspraak moet hij zich eerst melden bij de balie, de poort tot zorg. Daar zit het probleem.” Het baliepersoneel is soms onvoldoende op de hoogte van de compensatieregeling en het eigen instellingsprotocol.

“Gecontracteerde ziekenhuizen krijgen alles vergoed”, zegt Buijsen. “Er is dus geen financiële prikkel om hulp te weigeren. Ze zijn simpelweg niet gewend om illegalen te administreren. Toch mag baliepersoneel mensen niet zomaar wegsturen. De protocollen horen zo te zijn dat ze verder worden geholpen. Maar het baliepersoneel komt en gaat.”

Bij de verzekeringsadministratie werken soms mensen die net zijn begonnen, of uitzendkrachten, die de regeling niet kennen, vertelt Kroesen. “Maar het hangt ook af van de houding van de baliemedewerkers. Als iemand conservatiever is, kan het zijn dat hij strenger is. Ze zeggen dan: ‘De patiënt moet gewoon betalen.’ Als dat gebeurt verlaat de ongedocumenteerde patiënt vaak het pand.” Vincent van Offeren, hulpverlener bij ASKV, beaamt dat: “Het ligt er echt aan wie je bij de intakebalie aantreft. Politieke voorkeuren van het individu spelen ook mee. Sommigen beginnen gelijk te morren: ‘Wij betalen zo veel, en zij betalen niks.’ Als we bemiddelen lukt het soms om een arts te zien, maar soms ook niet.”

Foto Vasta, Flickr.com

Foto Vasta, Flickr.com

Administratief personeel oefent volgens hulporganisaties regelmatig druk uit op illegalen om voor een consult de rekening te betalen of een betalingsregeling te tekenen. “Zorgverleners moeten voordat ze declareren bij het CVZ, eerst proberen om de kosten op de patiënt te verhalen”, zegt Kroesen. “Heel goed, want zorg is niet gratis. Maar hoe ga je daarmee om? Dat is een grijs gebied. Als iemand bij de balie staat met een mobieltje en sieraden, dan snap ik op zich dat iemand zegt: ‘We geloven je niet. Je moet een betalingsregeling ondertekenen.’ Maar aan de andere kant: ziekenhuisbehandelingen zijn doorgaans heel duur. Als je een patiënt vraagt om een betalingsregeling te tekenen, kan dat betekenen dat hij jarenlang elke maand 50 euro moet betalen. Dat is eigenlijk niet te beloven voor iemand die niet mag werken en een onzekere toekomst heeft. En als hij tekent zit hij er juridisch aan vast. Het baliepersoneel dient realistisch te zijn: ‘Wat kan hij betalen? Wat kan hij als illegaal echt beloven?’ Het resterende bedrag kan men vervolgens declareren bij het CVZ.”

Tandartsen

Tabor (35) komt oorspronkelijk uit Liberia, maar leeft nu als illegaal in Amsterdam. Hij heeft pijn aan zijn tanden en heeft loszittende kiezen. Drie jaar terug zijn er al eerder een aantal kiezen getrokken. Via Dokters van de Wereld vindt Tabor een tandarts die bereid is om hem tegen een kleine vergoeding te helpen. De enige oplossing is het trekken van twee kiezen. Hard voedsel kan hij niet meer eten. Omdat Tabor nog maar twee kiezen en zijn voortanden over heeft, is het belangrijk om regelmatig op controle te gaan. Maar dat kan hij niet betalen.

“De tandartsenhulp is een ramp”, zegt Van Offeren van ASKV. “Het loopt totaal niet. In tegenstelling tot vroeger valt tandartshulp niet binnen de huidige compensatieregeling. Vroeger waren er wel tandartsen bereid om niet al te ingewikkelde dingen uit te voeren. Dat was meer dan trekken alleen; ook vullingen en wortelkanaalbehandelingen. Maar nu is dat praktisch onmogelijk. We proberen af en toe vijf tandartsen een uurtje bij elkaar te krijgen tegen materiaalkosten, maar dat is heel lastig. Het is een vergissing dat ze het uit de CVZ-regeling hebben gelaten.”

Volgens de regeling wordt alleen zorg aan patiënten tot 18 jaar gedeeltelijk vergoed. Tandartsen krijgen dus geen vergoeding voor noodhulp aan illegale volwassenen. “Bij de invoering van de nieuwe regeling hebben we erop aangedrongen om tandheelkunde onder te brengen bij medisch noodzakelijke hulp”, zegt een woordvoerder van de Nederlandse Vereniging tot Bevordering van Tandheelkunde (NMT), de beroepsvereniging van tandartsen in Nederland. “Want hoe eerder je iets kunt behandelen, hoe meer problemen je kunt voorkomen. Er zijn wel initiatieven ontstaan om deze patiënten op te vangen, maar die beslaan maar een klein deel van de mensen met klachten en kiespijn. Het is voor hulporganisaties erg lastig om tandartsen te vinden.”

Foto Purplemattfish, Flickr.com

Foto Purplemattfish, Flickr.com

Sinds 2009 is het aantal meldingen van toegangsproblemen tot de tandheelkundige zorg gestegen bij Dokters van de Wereld. “Het is duidelijk verslechterd met de nieuwe regeling. Destijds hebben we gelobbyd om de tandartszorg voor volwassenen, net als voorheen, vergoed te krijgen”, zegt Kroesen. “Minister Klink zei destijds: ‘Dat kan ik niet maken, want het zit niet in het basispakket. Nederlanders moeten zich daar ook voor bijverzekeren.’ Daar heb ik begrip voor, maar het neemt niet in ogenschouw dat illegalen zich niet mogen verzekeren.” Er zijn wel particuliere initiatieven ontstaan waar illegalen met tandklachten terechtkunnen, maar die richten zich alleen op directe pijnbestrijding.”

Een van die initiatieven is Kruispost in Amsterdam, een medische post voor ongedocumenteerden. Sinds 2009 geven ze ook tandheelkundige hulp. “Samen met vier andere tandartsen organiseer ik om de week een spreekuur”, zegt de gepensioneerde Teun Rietmeijer. “We geven daar voor een paar euro hulp aan onverzekerde vreemdelingen. Ze betalen wat ze kwijt kunnen. Het gaat echt om elementaire noodhulp; vooral pijnbestrijding. In 99 van de 100 gevallen gaat het om het trekken van een kies. De gebitten zijn vaak in deplorabele staat. Hightech mondzorg krijgen ze bij ons niet. We hebben één tandartsstoel en bijeengesprokkelde hulpmiddelen en daarmee kunnen we enige hulp kunnen bieden. Het is eigenlijk ontwikkelingswerk in Nederland.”

Het aantal patiënten is in de loop der jaren toegenomen: “In 2009 hadden we eens per maand een dag spreekuur. Inmiddels is dat eens in de twee weken. Door mond-op-mondreclame is het wat drukker is geworden. Elke keer behandelen we tussen de tien en twintig patiënten, maar het is niet zo dat ze in lange rijen staan te wachten.”

Toch wordt volgens Dokters van de Wereld nog een groot aantal mensen niet bereikt. Kroesen: “Er zit een groot gat tussen wat in 2008, voor de nieuwe regeling, werd gedeclareerd aan oninbare tandartsenzorg en wat er nu aan incidentele zorg wordt geboden in het land. Dat duidt op een grotere behoefte aan tandartszorg onder volwassen illegalen dan nu wordt gegeven.”

Huisartsen

“Drie weken geleden kwam er een Arabische man van 27 jaar binnenlopen, die op straat leeft”, vertelt Cherie van den Elshout, sinds enkele weken stagiair bij ASKV. “Hij was helemaal groen uitgeslagen en het leek alsof hij elk moment dood kon neervallen. Al zijn haar was binnen een week uitgevallen. Ik heb een huisarts gebeld in de buurt en aan de assistente uitgelegd wat er aan de hand was. Ze zei: ‘Kom maar langs om vier uur.’ Om tien voor vier belde ze terug om te zeggen dat de huisarts hem niet wilde helpen, omdat hij geen verzekering en verblijfsadres had. Ik heb toen uitgelegd dat ze het grootste deel van de kosten konden declareren bij het CVZ, maar dat maakte niet uit. Toen heb ik hem naar Kruispost gestuurd. Daar werd hij onderzocht en kreeg hij medicijnen. Ik zag hem vorige week weer en hij ziet er een stuk beter uit. Wat bleek: hij had een tekort aan vitaminen.”

“Ik ze geadviseerd naar de GGD te gaan, want die hebben daar potjes voor”, zegt de weigerende huisarts. Dat de CVZ-regeling een ‘potje’ is voor reguliere artsen, zoals hijzelf, wist hij naar eigen zeggen niet. “Wanneer is dit de huisartsen verteld?”

“De regeling is een aantal keren beschreven in medische magazines en komt gemiddeld ook twee à drie keer per jaar in nieuwsbrieven aan bod”, zegt Carolien Pronk, beleidsmedewerker bij de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV). De informatievoorziening schiet volgens haar niet tekort. “Huisartsen weten van het bestaan af, maar ze hebben met zoveel regels en wetgeving te maken, dat ze het niet uit hun hoofd weten. Het belangrijkste is dat ze het snel voor handen kunnen hebben, als het nodig is.”

Foto RTV Utrecht

Foto RTV Utrecht

Huisartsen kunnen 80 procent van de oninbare kosten gecompenseerd krijgen van het CVZ. Dat klinkt als een redelijke compensatie, maar ze moeten daar enorm veel moeite voor doen, zegt hoogleraar Martin Buijsen. “Je moet eerst aanmanen. Als de patiënt binnen twee weken het geld alsnog niet heeft overmaakt, dan is hij in gebreke. Pas dan kun je aankloppen bij het CVZ. Je moet eerst aantonen dat je hebt gedaan wat mogelijk is om de illegaal te laten betalen. Als huisarts moet je je dus administratief inspannen om rechtstreeks bij de illegaal het geld op te halen, maar tegelijkertijd wordt 20 procent van de openstaande schuld niet vergoed. Vergeet niet: een dokter is ook maar mens, en een ondernemer. De wetenschap dat je niet alles terugkrijgt, maakt dat je als arts niet al te happig zal zijn om illegalen te helpen. Veel huisartsen zullen verstandig genoeg zijn om ze niet zomaar te weigeren. De arts weet namelijk dat het niet mag. Maar ze zijn wel sneller geneigd om dingen zo te organiseren dat illegalen zich niet zo snel bij hun praktijk melden. Denk aan lastig baliegedrag, pinnen wanneer je weg moet of handje contantje betaling vooraf. Deze omstandigheden maken het niet bepaald prettig voor illegalen.”

“We krijgen ook signalen dat er geweigerd wordt”, zegt Pronk van de LHV. “Dat is zorgelijk. Maar ik kan me voorstellen dat huisartsen terughoudender zijn geworden om illegalen te helpen.” De werkdruk voor huisartsen is de laatste jaren toegenomen door de vergrijzing en de nieuwe Zorgverzekeringswet. De regelgeving voor huisartsen verandert vaak. “Wij vinden het onverstandig dat huisartsenzorg aan illegalen niet meer volledig wordt vergoed. Je geeft daarmee meteen bij de poort aan dat mensen zelf moeten betalen.”

Hoogleraar Martin Buijsen ziet niet in waarom huisartsen niet volledig vergoed kunnen worden. “Die twintig procent is een nare, onnodige regeling. Het effect is dat gelijke toegang tot zorg, een mensenrecht, ontbreekt. De regeling is doelbewust ingebouwd door de overheid. Het is een incentive om afhoudend te zijn, zodat er geen run op het geldpotje ontstaat. Ze vermoedt dat artsen anders sneller langs komen om geld op te eisen en minder weigerachtig worden. Een arts is ook een ondernemer en daar speculeert de overheid op.”

‘Aanzuigende werking’

De regering wil voorkomen dat de regeling een ‘aanzuigende werking’ heeft [9] op illegalen om naar ons land te komen voor medische behandeling. Volgens oud-minister van Volksgezondheid Ab Klink, zou volledige vergoeding de ‘prikkel’ weghalen om de kosten te verhalen op de patiënt. Huisartsen moeten echter sowieso eerst hun kosten proberen te verhalen op de illegale patiënt voordat ze declareren bij het CVZ. Ook als ze alles vergoed krijgen. Volgens de overheid bestaat dan echter het risico dat zorgverleners ook te gemakkelijk bij het CVZ gaan claimen voor de behandeling van de 136 duizend Nederlanders geen wettelijk verplichte zorgverzekering hebben afgesloten

Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is momenteel bezig met een evaluatie van de financiële compensatieregeling van zorg voor illegalen. Naar verwachting zal de evaluatie eind dit jaar aan de Tweede Kamer worden aangeboden.

‘Situatie wordt slechter’

Ondank die evaluatie wordt het er voor illegalen vermoedelijk niet beter op, zegt Kroesen. “Door de bezuinigingen zal bepaalde medicatie uit het basispakket verdwijnen [de financieringsregeling neemt het basispakket als uitgangspunt, red.] En de tolktelefoon, die de huisarts kan bellen om een normaal gesprek te voeren met een buitenlandse patiënt, wordt ook afgeschaft. Bovendien zijn er de plannen om illegaliteit strafbaar te stellen. De vraag is of dat juridisch haalbaar is, maar de toon is gezet. Het maakt illegalen angstiger. We moeten nu al aan mensen uitleggen dat artsen in Nederland een medisch beroepsgeheim hebben.”

De namen Abeje en Tabor zijn gefingeerd. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft voor het moment van publicatie niet gereageerd op een verzoek tot reactie.

Amsterdam mijdt Russische bedrijven

Posted By Anna Zhuravel On oktober 21, 2011 @ 16:40 In Onderzoek | No Comments

mail.google.comAmsterdam is wel geïnteresseerd [10]in Russische olie, toeristen en cultuur. Maar de vestiging van Russische bedrijven wordt niet gestimuleerd.

Tijdens zijn handelsmissie naar Moskou werd premier Mark Rutte afgelopen woensdag aangesproken door de Russische mensenrechtenactivist Aleksej Navalny. Navalny riep Rutte op zich aan zijn eigen ethische normen vast te houden bij het zakendoen met Rusland.  Navalny beschuldigt Nederland al langer van het witwassen van geld van het Russische bedrijf Gunyor, een van de grootste oliehandelbedrijven ter wereld. Rutte antwoordde dat er volgens hem geen enkele aanleiding is om te denken dat Russische gelden in Nederland worden witgewassen. Of dat klopt is maar de vraag.  Is het corrupte imago van Rusland misschien de reden dat Amsterdam niet graag samenwerkt met Rusland?

Van de 2100 internationale bedrijven die in de regio Amsterdam zijn gevestigd komen er namelijk maar acht bedrijven uit Rusland met gezamenlijk 152 werknemers. Ter vergelijking: India telt er zeventig en China ongeveer negentig. Het grootste Russische bedrijf  in Amsterdam is de Alfa Bank met 100 werknemers. Daarna volgt ICT/Telecom bedrijf Vimplecom. De andere Russische spelers op de Amsterdamse economische markt zijn twee kleine ICT bedrijven, twee bedrijven uit energiesector en een transportbedrijf. Aan Russische gelden heeft de gemeente Amsterdam na eigen zeggen niet veel. “Zelfs het grootst vertegenwoordigde bedrijf uit Rusland, de Alfa Bank, is een relatief kleine speler op de Amsterdamse economische markt”, liet een woordvoerder van de gemeente weten.

Geen interesse in Russische bedrijven

“Amsterdam is het meest geïnteresseerd in landen als  India, China, Japan, India, Brazilië en de Verenigde Staten”, vertelt  Hilde van der Meer van Amsterdam Inbusiness, de gemeentelijke organisatie voor buitenlandse investeringen in Amsterdam.  In al die landen is dan ook een  Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) aanwezig, een organisatie die bedrijven adviseert en begeleidt die zich in Nederland vestigen.  Hoewel Rusland en economische groei heeft van 6,5 procent, heeft het geen NFIA.

“Er is geen actief beleid voor samenwerking tussen Amsterdam en Russische bedrijven”, zegt een Russische man die dicht bij de bemiddeling van zaken tussen Rusland en Nederland staat. Hij wil graag anoniem blijven. “Kunnen wij  Amsterdam niet van de diensten voorzien waar de gemeente geïnteresseerd in is? Natuurlijk wel. Maar het is allemaal politiek.”  Een andere anonieme bron die aan de Nederlandse kant stond bij de bemiddeling van de zaken tussen twee landen, bevestigt dat de politieke belangen en kritische benadering van de situatie in Rusland op het gebied van corruptie de productieve samenwerking tussen Amsterdam en Rusland in de weg staan.

De gemeente Amsterdam onkent politieke motieven: “Een gebrek aan actief beleid richting Rusland betekent niet hetzelfde als negeren, aldus een woordvoerder. “Nederlandse hoofdstad staat open voor alle acquisities uit het buitenland, waar het bedrijf vandaan komt doet er niet toe.”

In de Amsterdamse haven wordt wel veel samengewerkt met Rusland. “Rusland is  extra interessant gezien de groei die het enorme land doormaakt en het feit dat wij geografisch relatief gunstig liggen voor de Noordoost kant”, zegt een woordvoerder van de haven. “Rusland is een grote exporteur van olieproducten. Tien procent van onze business wordt met Rusland gedaan.”   Steeds meer grote oliemaatschappijen uit Rusland  slaan hun  producten op in haven van Amsterdam.   “Voor ons wordt de relatie tussen Amsterdam en Rusland steeds belangrijker”, zegt de woordvoerder.  Toch zijn ook hier de Russische bedrijven niet gevestigd. Zij huren enkel de opslagcapaciteiten bij de onafhankelijke tankopslagterminals.

Russisch geld in Amsterdam

“Politiek gezien doet gemeente Amsterdam niet veel aan samenwerking met Rusland, maar via een omweg komt er veel Russisch geld in Amsterdam “, zegt  Jeroen Jurn Buismanopzetter, oprichter van de Kamer van Koophandel. In tegenstelling tot de gemeente is hij er van overtuigd dat er niet alleen geld binnenkomt via de olie-industrie en de haven, maar ook via de Alfabank. Buisman vindt het jammer dat er niet meer gedaan wordt aan de economische connectie tussen Amsterdam en Moskou. “Waarschijnlijk komt het doordat deze connectie nog uit de Stalintijden afstamt.” Wat algemeen interesses van de gemeente betreft, is Amsterdam volgens hem vooral gericht op de Russische toeristen. “Daarvoor woorden regelmatig actief delegaties uit Rusland ontvangen.”

De Russische steden Sint-Petersburg en Moskou leveren steeds meer toeristen die de Nederlandse hoofdstad willen bezoeken. “In de afgelopen jaren zijn in Rusland steeds meer mensen bijgekomen die reizen zichzelf kunnen veroorloven”, zei de hoofd communicatieafdeling van het Amsterdamse Toerisme en Congresbureau (ATCB) Machteld Ligtvoet. “Russische toeristen bezoeken in eerste instantie Rijksmuseum en Van Goghmuseum, maar ze zijn ook in het diamantenvak geïnteresseerd.” Toch heeft ATCB geen actief beleid om nog meer toeristen uit Rusland te betrekken. “Rusland is een te groot land om daar een gerichte campagne te organiseren, zoals zij wel doen in Frankrijk, Duitsland en België. Vanwege de crisis is het voor mensen te duur om ver te reizen”, zei Ligtvoet. Ze benadrukt wel dat in het kader van de economische handelsmissie  gesprekken worden gevoerd met touroperators in Sint-Petersburg en Moskou met hoop op verdere toename van de bezoekers uit deze en andere Russische steden.

Het aantal Russische bedrijven in Amsterdam is in de laatste deccenia niet  gestegen. Sterker nog:  Bemiddelingskantoor Ruskontakt, dat Russische bedrijven hulp biedt om zich in Amsterdam te registreren, zegt nu veel minder aanvragen te hebben dan vijftien jaar terug. “Grote bedrijven komen in ieder geval niet meer naar ons toe. Het zou kunnen zijn dat de potentie van de regio Amsterdam niet interessant genoeg is voor bedrijven uit Rusland. Maar het kan ook zijn dat mensen nu zelf Engelse taal beheersen en ons niet nodig hebben om al het papierenwerk af te handelen”, zei een woordvoerder van Ruskontakt. Op dit moment houdt Ruskontakt zich op het gebied van registratie vooral bezig met kleine eenmanszaken, die men wil oprichten voornamelijk om een Nederlandse verblijfsvergunning te bemachtigen.

Officieel gezien lijkt Rusland voor gemeente Amsterdam dus vooral interessant te zijn voor de toeristen, de olie en aantrekkelijke culturele producten zoals de Hermitage en voorstellingen van de Russische balletgezelschappen.  Tot en met 21 oktober is premierminister Rutte samen met een aantal invloedrijke Nederlandse zakenmensen naar Moskou en Sint-Petersburg met een economische missie. Wie weet, vloeien daar ook voor de gemeente Amsterdam de nieuwe samenwerkingsplannen uit voort.

Geen boodschap aan de krant

Posted By Eva de Valk On oktober 7, 2011 @ 17:30 In Algemeen, Onderzoek | No Comments

Almere moet het doen zonder eigen lokaal dagblad. Het slaat niet aan. Vier keer in de week verschijnt Almere Vandaag, maar ook daarvan is het bestaan onzeker. Het is de eerste ‘zero-paper-city’.

krantenBas Vos – rood petje, grijs joggingpak, diamanten oorbel – knippert verbaasd met zijn ogen. “Betálen voor een krant? Hoezo?” Hij zit met zijn vrienden op een terras in Almere. Ze drinken bier, baco’s en wodka-redbull en genieten van de late herfstzon. “Ik volg het nieuws gratis op internet, vooral via de site van De Telegraaf”, zegt een van de jongens. “En Almere Vandaag krijg je gratis in de bus.” Vos knikt. “Die lees ik altijd. Je krijgt nieuws uit de hele wereld, maar voornamelijk uit Almere. Als je ‘m uit hebt ben je weer helemaal bij.”

Almere is de enige grote stad in Nederland zonder eigen dagblad. De Telegraaf, het Parool en de Gooi en Eemlander hebben geprobeerd een lokaal dagblad in Almere op te richten, tevergeefs. Keer op keer bleek er in de stad onvoldoende vraag om een betaalde krant rendabel te maken. Wel is er een gratis krant, Almere Vandaag, die vier keer per week wordt verspreid in een oplage van ruim 70 duizend. Het is de belangrijkste informatiebron van de stad – een unieke situatie voor een stad met ruim 190.000 inwoners.

Hoe is het zo gekomen? En is de situatie in Almere wel zo uitzonderlijk? Want niet alleen in Almere hebben lokale media het moeilijk; de oplages van lokale kranten dalen vrijwel overal structureel. Waar inwoners van de meeste gemeenten twintig jaar geleden nog konden kiezen uit verschillende lokale kranten, heeft het merendeel van de gemeenten nu nog maar één krant (zie tabel). ‘One-paper cities’ worden deze genoemd. Almere is  – bij een strikte definitie van een dagelijks verschijnend ‘dagblad’ – een ‘zero-paper city’. Als de trend van dalende oplages doorzet, zullen ook andere steden zonder lokaal dagblad komen te zitten. Kan Almere worden gezien als een voorbode voor wat er in andere steden staat te gebeuren?  En biedt het model van een gratis lokale krant perspectief?

Boekweitbeer

Terug naar het begin. In 1975, als de eerste heipaal van de nieuwe stad nog in de grond moet worden geslagen, werken twee landelijke krantenbedrijven aan de oprichting van een Almeers dagblad: de Telegraaf met de krant de Almare, het Parool met Almere Post. Frits Huis, de toen 25-jarige verslaggever bij de Telegraaf, werd door toenmalige hoofdredacteur Goeman Borgesius gevraagd de Almare op te zetten. “Het was een grote stap”, vertelt Huis. “Er was nog niets, maar er moest al wel een krant verschijnen. Ik moest naar de stad verhuizen met mijn vrouw en twee kinderen. We waren ingeloot bij de eerste honderd bewoners. Drie dagen nadat de sleutels waren verdeeld, woonden we er.”

De verwachtingen waren hoog, de concurrentie fel. Huis kreeg een mobiele redactiebus met typemachine en megafoon. ‘De Almare’, stond er in koeienletters op. Huis: “Met die bus reed ik door de Wibautstraat langs het Parool, waar ze ook bezig waren met een krant voor Almere. Dan scandeerde ik: ‘De Almare! Voor iedereen die alles wil weten over de nieuwe stad! De Almare! Het ongekende topblad van Almere!” Hij glundert als hij eraan terugdenkt.

De krant werd aanvankelijk maandelijks gemaakt en gratis verspreid onder belangstellenden via het Amsterdamse weekblad De Echo. Toen de eerste bewoners in hun huizen waren getrokken verscheen de Almare wekelijks en werden abonnementskosten gevraagd. “Het idee was dat de Almare na een paar jaar een eigen, zelfstandige krant zou zijn”, vertelt Huis. “Er is flink in geïnvesteerd. Ik kreeg een eigen kantoor. Eerst had ik één, ten slotte vijf medewerkers. We hadden acht pagina’s, met alle rubrieken. Bij gebrek aan cultuur schreef ik voor het feuilleton de eerste maanden een kinderverhaal, ‘De Boekweitbeer’. Alles om die krant maar vol te krijgen.”

Percentage van inwoners in Nederland in een gebied met  één, meerdere of geen lokaal dagblad. Bron: Piet Bakker, lector Massamedia en digitalisering aan de School voor Journalistiek, Hogeschool Utrecht. Percentage van inwoners in Nederland in een gebied met één, meerdere of geen lokaal dagblad.

Percentage van inwoners in Nederland in een gebied met één, meerdere of geen lokaal dagblad. Onder lokaal dagblad wordt verstaan: een krant die minstens vijf keer per week verschijnt.Bron: Piet Bakker, Hogeschool Utrecht.

Krantenkerkhof

Na een paar jaar was het voorbij met de Almare. Adverteerders bleven uit, het aantal abonnementen viel tegen. Huis: “Achteraf is de oprichting van de Almare een totaal ondoordacht plan geweest. Alsof er zomaar uit het niets een gemeenschap zou ontstaan.” Halverwege de jaren tachtig gaat de Almare over in een lokale variant van de Telegraafkrant Nieuws van de Dag. Deze krant is in 1998 opgeheven. Onder eigen naam bestaat de Almare tot op heden als wekelijkse advertentiekrant in handen van Telegraaf Lokale Media.

Ook Almere Post van het Parool redde het niet. Tussen 1982 en 1989 werd in Almere het Flevoparool uitgegeven, een kopblad van Parool. De Gooi- en Eemlander deed in 1985 een laatste poging tot een Almeers dagblad met het kopblad Dagblad van Almere. Het Dagblad van Almere werd in 2003 opgeheven, met slechts 1500 abonnees.

Nieuwe formule
Met het wegvallen van het Dagblad van Almere is Almere de eerste grote ‘zero-paper-city’.  Het Telegraafconcern, van begin af aan dominant in deze regio, wil de stad echter graag behouden als advertentiemarkt. Bovendien denkt men dat er ondanks het lage aantal krantenabonnementen toch behoefte is aan goede berichtgeving over de stad.

In 2003 wordt daarom gekozen voor een experiment: de gratis lokale krant Almere Vandaag, waarvan de inkomsten zijn gebaseerd op advertenties. Met zes redacteuren is de redactie groter dan gebruikelijk bij een huis-aan-huiskrant. “Er is een duidelijke scheiding tussen redactie en commercie”, zegt hoofdredacteur Vincent Schot. Jeroen Oosterheert, redacteur bij Almere Vandaag: “Uiteraard komt er iedere week wel een adverteerder die wil dat wij schrijven dat er een nieuw filiaal opent of iets dergelijks. Inmiddels weten ze dat ze daar bij ons niet meer mee aan hoeven te komen.”

De krant lijkt op de landelijke gratis krant Sp!ts, maar dan in lokale variant. De binnenland- en buitenlandpagina’s bestaan uit ANP-berichten, daarnaast zijn er vier pagina’s met nieuws uit de stad. De krant bestaat uit een mix van lichte en zware onderwerpen: er wordt bericht over het 11-jarige Almeerse meisje Aliyah die Holland’s got talent wint, maar ook over verdwenen subsidie van wijlen voetbalclub FC Omniworld. De krant doet iedere week verslag van de raadsvergadering, en van het betaald voetbal uit Almere worden zowel thuis- als uitwedstrijden gevolgd. Schot: “Daar onderscheiden wij ons mee.”

Andere huis-aan-huisbladen de Almare en Almere deze week vormen volgens Schot geen concurrentie. “Die verschijnen slechts een keer per week en zijn primair advertentiebladen.” Omroep Flevoland is het enige andere medium dat serieuze journalistiek bedrijft in de regio. “Maar radio en tv is toch een ander medium”, zegt Schot. “En bovendien bestrijken zij een veel groter gebied.”

Controle
Almere Vandaag is veruit de belangrijkste bron is om zich te informeren over de gemeente, zo blijkt uit de enquête ‘Hoe volgt u de lokale politiek?’ die de gemeenteraad in juli dit jaar liet uitvoeren onder 769 Almeerders. Driekwart van de respondenten zegt de krant regelmatig te lezen. Maar er klinkt ook kritiek. “Zou wel eens een kritisch commentaar willen zien maar dat is meer het werk van een (onafhankelijk) medium”, merkt een van de respondenten van de enquête op. Een ander: “De gemeente zou kunnen bevorderen […] dat Almere Vandaag meer en uitgebreid meldt wat er politiek aan de hand is.”

Politici nemen Almere Vandaag serieus. De gemeentepolitiek van Almere heeft de afgelopen jaren turbulente ontwikkelingen doorgemaakt: tijdens de gemeenteraadsverkiezingen in 2002 kwam Leefbaar Almere in één keer als grootste partij binnen met negen zetels, in 2010 gebeurde hetzelfde met de PVV. Voorafgaand aan de gemeenteraadverkiezingen van 2010 lukte het Almere Vandaag ondanks vele verzoeken van landelijke media als enige een debat te organiseren waar alle fractievoorzitters aanwezig waren, inclusief PVV-voorman Raymond de Roon. Ruud Pet, fractievoorzitter GroenLinks: “Journalisten van Almere Vandaag zijn op de hoogte en stellen kritische vragen. Het is niet zo dat ze bij je komen van ‘zegt u het maar’. Heel anders dan Almere deze week. Als je daar een tekst aanlevert, plaatsen ze het één op één. Dat is ook wel eens makkelijk hoor.”

Frits Huis vindt het zorgwekkend dat er niet meer media actief zijn in Almere. De oud-Telegraaf-journalist en oprichter van de Almare werd in 2002 wethouder namens Leefbaar Almere en zit nu als fractievoorzitter in de gemeenteraad. Huis: “Almere Vandaag geeft nieuwsberichten, maar geen duiding of achtergrond. Er staat bijna nooit een stuk in langer dan driehonderd woorden, laat staan een kritisch opiniestuk. De controle van de politieke macht door media was in de beginjaren van Almere veel groter, terwijl dat nu veel harder nodig is. Dat is een hele rare paradox.”

Not in my backyard
“Op lange, beschouwende stukken zitten onze lezers niet te wachten”, verweert Almere Vandaag-hoofdredacteur Vincent Schot zich. “Het is niet voor niets dat andere dagbladen het hier niet hebben gered. Er is een kleine groep actief betrokken bij de stad, maar die groep is te klein om een krant op te laten draaien. De doorsnee Almeerder heeft geen boodschap aan een abstract verhaal over bijvoorbeeld het belang van de schaalsprong [het plan om Almere tot 2030 tot 350.000 inwoners te laten groeien, red.]. Het moet concreet zijn.”

Een gebrek aan betrokkenheid: dat is de meest gehoorde verklaring voor de vraag waarom er in Almere zo weinig vraag is naar een dagblad. “Almeerders zijn vluchtelingen”, zegt Almere Vandaag-redacteur Jeroen Oosterheert van. “Degenen die hier komen wonen, doen dat vaak om economische redenen: waar je in Amsterdam drie hoog achter woont, krijg je hier een huis met een tuintje. Vaak blijven ze zich verbonden voelen met de regio waar ze vandaan komen: Amsterdam, Friesland, Zwolle, noem maar op. Er heerst een mentaliteit van not-in-my-backyard. Pas als er een snelweg door hun achtertuin wordt gepland, komen ze in actie.”

Verder zijn er demografische redenen: er zijn in Almere relatief veel lager opgeleiden, forenzen en jonge gezinnen, groepen die doorgaans minder vaak kranten lezen. Dat is ook terug te zien in het aantal abonnementen op landelijke kranten: met uitzondering van de Telegraaf, die bijna 11.000 abonnementen heeft in de stad, ligt het aantal krantenabonnementen in Almere onder het landelijk gemiddelde.

Concurrentie
“Het is heel tragisch om te zien dat een stad van bijna 200.000 en in de toekomst misschien wel 350.000 inwoners zo’n schraal media-aanbod heeft”, vindt Frits Huis. Maar niet alleen in Almere, ook in andere steden hebben lokale media het moeilijk. Dertig jaar geleden had twee derde van de Nederlandse bevolking nog keuze uit twee lokale kranten, nu geldt dat nog maar voor 15 procent, zo blijkt uit onderzoek Piet Bakker, lector Massamedia en digitalisering aan de Hogeschool Utrecht. ‘One-paper-cities’ zijn nu de norm: in 2010 woont 84 procent van de bevolking in een gebied met één lokale krant.

Behalve Almere zijn Aalsmeer, Abcoude,  Ouder Amstel, Uithoorn en Goedereede de enige gemeenten zonder lokale krant. Bakker: “Concurrentie is er officieel nog in Friesland, delen van Limburg en Zeeuws Vlaanderen. In die laatste twee gebieden werken de kranten echter zodanig samen dat er feitelijk geen concurrentie tussen de beide titels is. En dat is jammer, want concurrentie houdt een krant scherp.”

Uit de laatste kwartaalcijfers van HOI blijkt dat de oplagen van alle betaalde lokale en regionale kranten dalen, met uitzondering van het Fries Dagblad en De Barneveldse Krant. De krantenoplages dalen al jarenlang. Een logisch gevolg is dat er meer ‘zero-paper-cities’ zullen ontstaan. Ook bij landelijke kranten nemen de oplages af, maar bij lokale media zijn de gevolgen ingrijpender, vertelt Yvonne Dankfoort, secretaris Lokale media bij journalistenvakbond NVJ. “Er valt bij kleine redacties nou eenmaal minder te snijden. Dan komt sluiting sneller in zicht.”

Verdienmodellen
Zullen er straks meer lokale media overstappen op een gratis uitgave, zoals in Almere? De directeur van HDC Media van Telegraaf Mediagroep wil hier niets over kwijt, omdat het om bedrijfsgevoelige informatie gaat. Ook Wegener Huis-aan-Huismedia, de andere grote speler op dit gebied, wil niet op deze vraag ingaan. Wel is bekend dat Barneveld Vandaag, een initiatief van Wegener met dezelfde formule als de Almere Vandaag, op niets is uitgelopen. Barneveld Vandaag kreeg onvoldoende adverteerders en ging terug van vier uitgaven per week naar drie, toen naar twee, en verschijnt nu nog maar één dag per week.

Lokale kranten zijn hard op zoek naar nieuwe manieren om lezers aan zich te binden. Voormalig minister Ronald Plasterk (Media, PvdA) stelde in 2009 de ‘tijdelijke subsidie persinnovatie’ in. Van de acht miljoen euro is twee miljoen gereserveerd voor projecten in de regio. Het geld wordt verdeeld via het Stimuleringsfonds voor de Pers.

Bij de projecten die subsidie krijgen zit geen één lokale krant die overstapt naar een gratis krant. HDC Media krijgt ruim twee ton om te onderzoeken ‘welk effect de lokale sites hebben op de oplageontwikkeling van de dagbladen en of de lokale sites aanleiding geven tot nieuwe abonnementsvormen’.  De Leeuwarder Courant en de Stentor krijgen ieder ongeveer 1,5 ton om een journalistieke app te ontwikkelen. En de Amsterdamse lokale omroep AT5 en de lokale omroep van Deventer respectievelijk 85 en 20 duizend euro voor projecten waarbij wordt samengewerkt met burgers.

Volgens een woordvoerder van het Stimuleringsfonds is het nog te vroeg om te zeggen welke van de projecten succesvol is. “De projecten die al zijn afgerond zijn op een hand te tellen. We zijn nog niet in de gelegenheid geweest om die te evalueren.” Wel lijkt het erop dat geld verdienen met lokale websites moeilijk is. Een project van Media Groep Limburg om geld te verdienen met thematische websites, waarvoor het Stimuleringsfonds 1,3 miljoen euro subsidie verstrekte, werd na anderhalve maand stopgezet. Er kwamen slechts driehonderd betalende abonnees op af in plaats van de duizenden waar op was gehoopt.

‘Niet onze zorg’
De hoofdredacteur van Almere Vandaag begrijpt wel dat er op dit moment geen gratis lokale kranten worden opgezet. “Het is niet iets waar je nu even begint”, zegt Schot. “Het is risicovol om honderd procent afhankelijk te zijn van adverteerders. Zeker nu het financieel niet goed gaat – advertenties is iets waar al snel op wordt bezuinigd.”

Een gevoelig onderwerp hierbij zijn de informatiepagina’s van de gemeente die wekelijks verschijnen in Almere Vandaag. Daarmee voldoet de gemeente aan haar wettelijke verplichting om burgers te informeren over wat er speelt op het gemeentehuis. De gemeente koopt hiervoor advertentieruimte in en is daarmee een van de grootste adverteerders van de krant. Voor de informatiepagina’s is een aanbesteding uitgeschreven die volgend jaar afloopt, en het is de vraag of Almere Vandaag volgend jaar nog op advertentie-inkomsten van de gemeente kan rekenen.

De PVV diende dit voorjaar een motie in om te bezuinigen op deze “onnodige subsidie”. Toon van Dijk, raadslid van de PVV: “Het staat de onafhankelijkheid van de krant in de weg. Ze zijn wel kritisch, maar zullen nooit echt uithalen. Never bites the hand that feeds you. In november moet de raad beslissen wat er met de informatiepagina’s gebeurt. Een rondgang langs de partijen leert dat veel fractievoorzitters het een goed idee vinden om te bezuinigen op de informatiepagina’s. Miranda Joziasse, VVD: “We moeten veel bezuinigen, dus ook deze uitgaven moeten kritisch bekeken worden. Veel informatie kan op de website van de gemeente of die van de politieke partijen zelf. Wat de gevolgen zijn voor de financiële positie van de krant, is niet onze zorg.”

“Als de één van de grootste adverteerders zich terugtrekt, is dat wel problematisch”, zegt Schot. “Dan moeten we op zoek naar een creatieve oplossing. Minder papieren uitgaves en meer met de site werken bijvoorbeeld.” Almere is een jonge stad, die voortdurend verandert. Schot: “Dat er tien jaar geleden in Almere geen ruimte was voor een betaalde krant, hoeft niet te betekenen dat dat nu nog steeds zo is. Inmiddels is er een generatie twintigers en dertigers die hier is opgegroeid. Wellicht is er onder hen al wel vraag naar een betaalde krant, zij voelen zich verbonden met de stad. Dat zouden we moeten laten onderzoeken.”

Bas Vos is zo’n echte Almeerder. Hij woont al zijn hele leven in de stad en wil niet meer weg. Hij spreidt zijn armen: “Al mijn vrienden wonen hier!” Natuurlijk wil hij het nieuws volgen uit Almere, zegt hij beslist. Maar betalen voor een krant? Hij fronst. “Neuh.”

Enhanced by Zemanta [6]

Chemische bedrijven: Hoe veilig is Amsterdam?

Posted By Yasmina Aboutaleb On februari 2, 2011 @ 18:52 In Achtergrond, Algemeen, Leven, Onderzoek | 1 Comment

De grote brand in Moerdijk bij het bedrijf Chemie-Pack riep in het hele land vragen op. Ook in Amsterdam, dat zelf zeventien van de meest risicovolle bedrijven van het land telt. Hoe ziet de chemische industrie in Amsterdam eruit en hoe is het toezicht geregeld?
Bedrijf Oiltanking in de Westelijk havengebied. Foto: Haven Amsterdam, www.flickr.com

Bedrijf Oiltanking in het Westelijk havengebied. Foto: Haven Amsterdam, www.flickr.com

Amsterdam, 2 feb – Vrijwel alle zeventien risicovolle bedrijven, waar giftige of brandbare stoffen aanwezig zijn, bevinden zich in het Westelijk Havengebied. Vlak over de gemeente grens zijn er nog vier risicovolle bedrijven. Het gaat om bedrijven waar bijvoorbeeld aardolie, chemische stoffen en gassen opgeslagen liggen.

Volgens de Dienst Milieu en Bouwtoezicht (DMB) van de gemeente Amsterdam moeten deze risicovolle bedrijven zich houden aan ‘dezelfde veiligheidsregels als Chemie-Pack’. Deze bedrijven vallen onder de wet Besluit Risico’s Zware Ongevallen [11] (BRZO). Hierin staan de veiligheidsvoorschriften waar BRZO-bedrijven in Nederland aan moeten voldoen, om het risico op zware ongevallen door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen te voorkomen.

Rampenplan
DMB schrijft in een memo naar aanleiding van de brand in Moerdijk aan verantwoordelijk wethouder Van Poelgeest (Milieu en Ruimtelijke Ordening, GroenLinks) dat ‘een ramp zich in elke gemeente kan voordoen’. Toch benadrukt DMB in dezelfde memo er ‘alles aan te doen om rampen bij risicovolle bedrijven te voorkomen’. Volgens Ben Ale, hoogleraar Veiligheid en Rampenbestrijding aan de TU Delft, is er een verschil tussen bedrijven die aardolie, gassen of chemische stoffen opslaan als er een ramp plaatsvindt. “Het is bij een ramp belangrijk om te weten of er een grote kans is op gifwolken, een plofbrand of explosie. Vooral gifwolken met bijvoorbeeld chloor zijn schadelijk voor de volksgezondheid.” Ongeveer de helft van de bedrijven in Amsterdam is aardolie-industrie, ten minste zes bedrijven houden zich bezig met giftige stoffen.

Om te controleren of de BRZO-bedrijven aan alle veiligheidseisen voldoen, vinden er jaarlijks inspecties plaats. “Dit is een bijzondere groep bedrijven. Bij andere bedrijven moeten wij bewijzen dat er iets mis met de veiligheid. Maar bij BRZO-bedrijven is het omgekeerd: zij moeten aantonen dat er niets mis is”, aldus een woordvoerder van de landelijke Arbeidsinspectie. BRZO-bedrijven zijn verplicht rampenoefeningen te houden. Hierbij worden uiteenlopende scenario’s nagebootst, zoals een exploderende opslagtank of een nabijgelegen rivier die buiten zijn oevers treedt.

Het gevaarlijke stoffenmagazijn van luchtvaartmaatschappij KLM op Schiphol-Oost deed onlangs alsof de dijk van de Ringvaart doorbrak. Terwijl het fictieve water het KLM-complex blankzette, vond er direct een volledige ontruiming plaats, vertelt een betrokkene bij de oefening. “We stonden allemaal buiten bij een lantaarnpaal die als verzamelpunt diende, maar er gebeurde niets. Toen bleek dat het rampenplan van de overstroming niet voorschreef dat de brandmeldknop ook even ingedrukt moest worden. Daarom kwamen de hulpdiensten ook niet.”

Inspecties en sancties
Bij BRZO-inspecties zijn drie verschillende partijen betrokken: de landelijke Arbeidsinspectie (Major Hazard Control), de Brandweer Amsterdam en de gemeente Amsterdam (DMB) of de Provincie Noord-Holland. Welke van deze twee lokale overheden meegaat op inspectie hangt af van de grootte van het bedrijf. “De grootste bedrijven vallen onder de verantwoordelijkheid van de provincie. De bedrijven die daar net onder zitten vallen onder ons toezicht”, aldus Pieter van den Bergen, hoofd Milieutoezicht van DMB. De lokale overheid is ook verantwoordelijk voor het verschaffen van de vergunning aan een risicovol bedrijf. In die milieuvergunning staat welke gevaarlijke stoffen die zich daar bevinden en hoeveel. Ook worden hierin eisen gesteld, zoals de maximale omvang van de opslag van gevaarlijke stoffen.

KLM gebouw op Schiphol-Oost. Foto: dirkjankraan, www.flickr.com

KLM gebouw op Schiphol-Oost. Foto: dirkjankraan, www.flickr.com

Zowel de Arbeidsinspectie als de lokale overheid kan sancties uitdelen aan bedrijven als de veiligheid niet op orde is. Dit kan een waarschuwing zijn, een eis dat de veiligheid verbetert of – in het uiterste geval – een stillegging van het bedrijf. In heel Nederland waren er tussen 2005 en 2010 in totaal tweeëntwintig stilleggingen. Of dit in Amsterdam ook gebeurde, weet de landelijke arbeidsinspectie niet. “Wij hebben de cijfers van Amsterdam niet paraat, maar de stilleggingen komen zo vaak voor dat ik me niet kan voorstellen dat dat in Amsterdam nooit gebeurd is”, stelt de woordvoerder van de Arbeidsinspectie. Van den Bergen van DMB daarentegen, kan zich geen recentelijke stilleggingen in Amsterdam herinneren.

Als een bedrijf de veiligheid moet verbeteren, bijvoorbeeld vanwege verscherpte veiligheidsregels van de overheid, wordt er in overleg met het BRZO-inspectieteam bepaald hoelang dit mag duren. De Arbeidsinspectiewoordvoerder: “Het hangt af van wat er verbeterd moet worden, maar als het in een week kan, moet het ook in een week gebeurd zijn.” Maar het grote bedrijf Oiltanking dat in het Westelijke havengebied ligt, kreeg maarliefst vijf jaar de tijd, van 2008 tot 2013, om een verbetering door te voeren. Dit vanwege het overschrijden van een nieuwe, wettelijke veiligheidsnorm. Opvallend genoeg zegt Van den Bergen van DMB dat de langste verbetertermijn bij DMB doorgaans rond een jaar ligt. “Het hangt heel erg af van het type bedrijf en wat er moet gebeuren. Maar bij een dergelijk lang termijn moet er bijvoorbeeld een heel bedrijf verplaatst worden. Dit kan nodig zijn wanneer het door een nieuwe regel te dicht bij buurbedrijven of huizen staat.”

BRZO-kaart[1]

De BRZO-bedrijven in Amsterdam en omgeving
1. VOPAK Terminal Amsterdam BV   | VR |   Groothandel in brandstoffen en andere minerale olieproducten.
2. PPG Coatings   | PBZO |   Vervaardiging van verf, lak, vernis, inkt en mastiek.
3. Oiltanking Amsterdam   | VR |   Benzine op- en overslag.
4. BP Terminal Amsterdam   | VR |   Brandstoffen, aardolie.
5. Afval Energie Bedrijf   | PBZO |   Afvalverwerkingsbedrijf Gemeente Amsterdam.
6. Simadan Greenmills   | PBZO |   Afvalinzameling en -verwerking, vervaardiging van ethylalcohol.
7. Caldic Nederland BV   | VR |   Opslag van (zeer) licht ontvlambare, brandbare- en giftige (vloei)stoffen.
8. Noordeuropees Wijnopslag Bedrijf   | PBZO |   Opslag van alcohol, wijnen en port in tanks.
9. Sonneborn Refined Products   | VR |   Petrochemische industrie; verwerking van benzine, kerosine, nafta, etc.
10. Nustar Terminals BV   | VR |   Aardolie op- en overslag.
11. Diergaarde Beheer   | PBZO |   Opslag van gevaarlijke stoffen.
12. Chemtura Netherlands BV   | VR |   Ammoniak en organische basischemicaliën.
13. Eurotank Amsterdam BV   | VR |   Aardolie op- en overslag.
14. Main BV   | PBZO |   Opslag en verwerking van gevaarlijke stoffen, overslag van brandstoffen.
15. VOPAK Terminal Westpoort BV   | VR |   Groothandel in brandstoffen en andere minerale olieproducten
16. Air Products Nederland   | PBZO |   Vervaardiging van industriële gassen
17. Albemarle Catalysts Company   | VR |   Gevaarlijke, giftige stoffen.
18. KLM hazardous goods   | VR |   Opslag van gevaarlijke (giftige) stoffen.
19. Aircraft Fuel Supply   | ? |   Aardolieproducten.
20. Eurofill Holding BV   | ? |   Aerosol: gassen met vloeistof erin, zoals deodorant.
21. Gulf Oil Nederland   | VR |   Brandstoffen, aardolie.

Er zijn twee categorieën BRZO-bedrijven.’VR’ (Veiligheidsrapport) is de zware catergorie,’PBZO’ (Preventiebeleid zware ongevallen) de lichtere.
Bronnen: Risicokaart [12], Dienst Milieu en Bouwtoezicht Gemeente Amsterdam

Lees ook: ‘Te grote kans op doden door Amsterdamse benzinereus’ [13]

Geen weekend zonder evenement

Posted By Kristel van Teeffelen On oktober 29, 2010 @ 17:30 In Algemeen, Onderzoek | No Comments

Oranje naar finale WK 2010 [14]
Image by Lody Trepels [14] via Flickr

In 2010 is er een recordaantal evenementen in Amsterdam. Evenementen zijn goed voor het imago van de stad en brengen geld in het laatje. Maar ze zorgen ook voor irritaties bij bewoners. Het beleid biedt weinig speelruimte om de wildgroei aan evenementen te beteugelen en de overlast te beperken.

Een lange stoet zwetende en hijgende mensen rent door het Vondelpark. “Zet ‘m op, jullie zijn er bijna,” roept een man aan de zijlijn. De hardlopers passeren net het bordje met daarop ‘39 kilometer’. Nog even en zij zullen het Vondelpark uit zijn en de Amstelveenseweg inslaan, richting het Olympisch Stadion, het eindpunt van de Amsterdamse Marathon.

Er zijn vandaag veel verkeerswachters ingehuurd om te voorkomen dat Amsterdammers en bezoekers de lopers hinderen. De Marathon gaat dwars door de stad: vanaf het Olympisch Stadion richting de Rivierenbuurt, Ouderkerk aan de Amstel, Oost, de Indische buurt, de Pijp, het Vondelpark en terug naar het Stadion. Tijdens eerdere edities resulteerden afgesloten wegen nog wel eens in agressieve reacties. Deze 35e editie is rustig verlopen, meldt de politie aan het einde van de dag.

Rustig verlopen, maar wel met een hoop chagrijn. Verkeerswachters pakken er regelmatig een plattegrond bij om verontwaardigde voorbijgangers een alternatieve route voor te stellen. “Dit heeft helemaal geen zin,” verzucht een fietser geïrriteerd tegen de man naast haar. “Kom we fietsen wel om over de Overtoom.” Het is duidelijk dat sommige Amsterdammers er geen zin in hebben: omfietsen, omlopen of omrijden vanwege weer het zoveelste evenement in de stad.

Wildgroei

Want de evenementen die Amsterdam aandoen zijn talrijk. In 2010 zijn het er 160 in stadsdeel Centrum, een recordaantal. In 2009 waren er 128 evenementen, in 2008 127. De evenementen met minder dan honderd bezoekers waar geen vergunning voor nodig is, zijn er bovendien niet bij opgeteld. En ook de tientallen festiviteiten rond Koninginnedag zijn niet meegerekend. Jeanine van Pinxteren, stadsdeelvoorzitter van stadsdeel Centrum: “Dit jaar is een idioot jaar. Een aantal evenementen was niet regulier. Bijvoorbeeld de Giro, de WK-huldiging en Sail.”

Evenementen zijn goed voor Amsterdam, vindt de gemeente. “Van buurtbarbecue tot WK-huldiging, dragen evenementen bij aan de aantrekkelijkheid van de stad voor zowel bewoners als bezoekers,” zegt een woordvoerder van de gemeente. “Daarnaast verstevigen met name de grotere evenementen het imago van Amsterdam als creatieve, innovatieve handelsstad in binnen- en buitenland.”

Ook ondernemers in de stad zijn blij met de evenementen. “Bezoekers eten even een broodje, drinken wat, of overnachten in de stad,” zegt Ton Poppes, voorzitter van Koninklijk Horeca Nederland afdeling Amsterdam. “Dat betekent omzetstijging voor de ondernemers.”

Die verdiensten kunnen echter ook tegenvallen, bleek na de start van Giro d’Italia in Amsterdam afgelopen mei. Het leverde de stad 10,8 miljoen euro extra op. En niet de 25 miljoen euro die de gemeente van te voren had verwacht. Volgens de verantwoordelijke wethouder Carolien Gehrels kwamen de tegenvallende inkomsten onder meer door de economische crisis. Ook probeerde de gemeente niet het maximaal aantal bezoekers naar het evenement te trekken om de binnenstad niet te veel te belasten.

Angelique Lombarts, docent citymarketing aan de Hogeschool InHolland, denkt dat de geschatte inkomsten van 25 miljoen euro niet helemaal realistische waren. Het was samen met het argument dat de Giro veel publiciteit in het buitenland zou krijgen, een manier om het evenement aan de gemeente te verkopen. Lombarts: “De Giro past niet echt binnen het citymarketingplan, maar wel bij de ambities om in 2028 de Olympische Spelen te organiseren. Amsterdam wilde laten zien dat zij capabel genoeg waren om een groot sportevenement te regelen.”

Beleid

Een organisator van een evenement waarbij meer dan honderd bezoekers worden verwacht, moet bij het stadsdeel een vergunning aanvragen. Daarbij zijn er een aantal eisen. Zo moeten er een bepaald aantal toiletten zijn en voldoende toezichthouders. Het stadsdeel toetst de aanvraag ook aan de evenementennota, waarin per locatie uitgewerkt is hoeveel evenementen er mogen plaatsvinden, hoeveel bezoekers er maximaal mogen komen en hoe hard het geluid mag zijn.

In totaal mogen er volgens de evenementennota jaarlijks 206 evenementen in het centrum zijn. Van vier festiviteiten staat vast dat die groot mogen zijn, dus meer dan 2000 bezoekers mogen trekken. Bij 90 evenementen staat het niet vast hoeveel bezoekers er maximaal mogen komen. Dat is vrij of wordt in overleg met de politie en brandweer bepaald.

Het evenementenbeleid van het stadsdeel geeft daarmee ruimte om steeds meer grote festiviteiten te organiseren. De vrije of onbepaalde plaatsen worden vaak ingevuld door grote evenementen, blijkt uit de cijfers. In 2008 werden er dertien grote evenementen georganiseerd, in 2009 23. En hoe groter een evenement, hoe meer overlast voor bewoners.

Het stadsdeel kan daar volgens Van Pinxteren weinig aan doen. “Veel evenementen beginnen kleinschalig, maar groeien langzaam uit hun jas. Daar kan je qua beleid niet veel aan doen. We vinden het ook belangrijk dat het gratis evenementen blijven. Het gaat niet via kaartverkoop, dus er is ook geen controle.”

Een voorbeeld van een evenement dat uit zijn jas is gegroeid is het Jordaanfestival. Ooit werd dit muziekevenement nog midden in de Jordaan georganiseerd. Inmiddels is het uitgeweken naar de Appeltjesmarkt aan de Marnixstraat. Maar ook voor die plek is het evenement eigenlijk te groot, aldus Van Pinxteren. “Dat is moeilijk te voorkomen. Als iedereen naar dat evenement wil, kunnen we mensen niet tegen houden.”

Onvrede

Ondertussen neemt het enthousiasme van bewoners voor evenementen af.  Dat blijkt uit cijfers van het Trendrapport Amsterdamse Binnenstad. In 2004 vond 63 procent van de inwoners van de binnenstad evenementen leuk, in 2008 was dat nog maar 47 procent.  Recentere cijfers zijn er niet, maar ook volgens de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad is er steeds meer onvrede. Bewoners klagen over plassende mensen tegen de gevel, geluidsoverlast, onbereikbare huizen, afval en vernielingen.

Secretaris van de Vereniging Walther Schoonenberg: “Ik heb de stellige indruk dat de hinder toeneemt. Ik ben bang dat het doorslaat. Het is te gek voor woorden dat er elk weekend meerdere evenementen zijn. Het zou prettig zijn als we een keer een normaal weekend zouden hebben.”

Amsterdammers zijn niet de enige stadsbewoners die klagen over evenementen. Rotterdam heeft vergeleken met Amsterdam meer festiviteiten. In 2010 waren er 46 grootschalige evenementen, dat is bijna elke week één.  “Sommige evenementen horen gewoon niet in de binnenstad van Rotterdam thuis,” zegt Cor Lecker, voorzitter van bewonersvereniging Delftse Poort. “Ik woon aan het Hofplein, hartje stad, nog geen 300 meter van het station. Evenementen zijn leuk, maar iets als City Bavaria Racing, geeft zoveel overlast. De race-auto’s zorgen ervoor dat het geluidsniveau van dat evenement echt bizar is. Ook hebben wij bewaking op de daken nodig om te voorkomen dat mensen erop klimmen.” Hij vraagt zich af waarom de race niet wordt gehouden op een plek waar meer ruimte is. “Bijvoorbeeld aan de Maasboulevard.”

Dat gevoel heerst ook bij Amsterdamse bewoners. Waarom moet de Marathon dwars door de stad en kan het niet door het Amsterdamse bos? Waarom moet een houseparty in de binnenstad zijn? Schoonenberg: “Het criterium moet zijn dat het bestaande kwaliteiten van de binnenstad versterkt. Een goed voorbeeld daarvan is het Prinsengrachtconcert.”

Wat te doen?

Van Pinxteren: “Wat je als stadsdeel altijd moet doen is goed luisteren naar signalen.” Dat er overlast is, geeft volgens haar aan dat één en ander nog niet helemaal goed gaat. “Laten we evalueren wat we van dit jaar hebben geleerd. Een gemeentewoordvoerder: “Ik kan me voorstellen dat sommige bewoners aangeven dat er in 2010 wel erg veel evenementen in de stad hebben plaatsgevonden. We kiezen dan ook bewust voor minder evenementen in 2011.”

Wat het stadsdeel volgens Pinxteren ook kan doen is evenementen meer spreiden. “Op het Rembrandtplein, Leidseplein, Dam en de Nieuwmarkt is het wel erg druk. Terwijl er delen in de Oostelijke binnenstad zijn waar meer ruimte is.”

Van Pinxteren wil het karakter van het centrum behouden. “Het is niet goed als het centrum één grote kermisattractie wordt.” Maar er zijn volgens haar  evenementen die het stadsdeel “overkomen”. Bijvoorbeeld de WK-huldiging, die niet in het beleidsplan is opgenomen. En ook Koninginnedag. Van Pinxteren: “Heel Nederland wil dan naar Amsterdam komen. Je zou willen ingrijpen, maar dat kan niet.” Een beleid heeft volgens Van Pinxteren altijd tekortkomingen.

Het stadsdeel kan er volgens haar ook niet altijd iets aan doen dat sommige evenementen meer overlast veroorzaken dan de bedoeling was. “Als organisatoren zich houden aan de afspraken gaat alles goed,” zegt Van Pinxteren. “Maar het kan gebeuren dat er meer decibel wordt uitgestoten dan de bedoeling was. Op dat moment zelf kunnen we daar als stadsdeel niet zoveel aan doen. Is het op dat moment zo ernstig dat je moet ingrijpen? Het feest afblazen geeft ook een hoop gedonder.”

Het stadsdeel kan dan hooguit de organisator achteraf wijzen op wat er fout ging en besluiten de volgende keer geen vergunning meer te verlenen.  Maar dat gebeurt volgens Van Pinxteren bijna nooit.

Nieuw citymarketingplan

Volgens Schoonenberg weigert het stadsdeel geen evenementen, omdat het bang is mee te doen aan de vertrutting van Amsterdam. De discussie over de vertrutting speelt al jaren: er kan en mag niets meer in de stad, zeggen critici. Van Pinxteren vindt dat onzin. “De angst voor vertrutting heb ik niet. Het uitgangspunt is dat wij zoveel mogelijk mensen welkom willen heten in het stadsdeel. Dat mensen graag hierheen komen, is ook iets om trots op te zijn.”

Er zijn ook zeker bewoners die de evenementen in de stad leuk vinden. “Ze wonen mede door levendigheid in de binnenstad,” zegt Van Pinxteren. Schoonenberg: “Als je in de Amsterdamse binnenstad woont, heb je natuurlijk niet de rust van het platteland. Amsterdammers zijn naar mijn mening in die zin heel verdraagzaam.”

Evenementen hoeven volgens Angelique Lombarts bovendien niet allemaal groot te zijn. “Kleine evenementen zijn ook leuk. Bijvoorbeeld dat er op de Wallen in kerken klassieke muziek concerten zijn.”

Het is volgens Lombarts tijd dat Amsterdam een nieuw citymarketingplan maakt. De huidige dateert uit 2006. Citymarketing moet ten eerste gericht zijn op de bewoners en de bedrijven in de stad, vindt Lombarts. “Als die happy zijn, dan is dat de beste reclame voor je stad.”

Enhanced by Zemanta [6]

Van der Laan stuit op weerstand tegen preventief fouilleren

Posted By Een onzer verslaggevers On oktober 29, 2010 @ 17:20 In Onderzoek | No Comments

Burgermeester Eberhard van der Laan [15]
Image by Newsphoto! [15] via Flickr

Ronald Olsthoorn

Na de roofmoord op juwelier Fred Hund stelde Burgemeester Eberhard van der Laan snel een daad: preventief fouilleren in Amsterdam West is nu ook toegestaan. Een verkeerde beslissing menen tegenstanders.

“Wegens verbouwing gesloten”, staat er op de pui van juwelierszaak Midyat aan de Jan Evertsenstraat in Amsterdam West. De luiken zijn naar beneden en op de stoep voor zijn zaak overlegt Turkan Asoy (38) met zijn aannemer. Dikkere muren, kogelwerend glas, een DNA-douche en een RVS-deurophanging; het zijn de maatregelen die de ondernemer zelf neemt om te voorkomen dat in het vervolg “dat tuig” nog een keer zijn zaak overvalt.

Zeven jaar is Asoy nu juwelier in de Jan Evertsenstraat, hij kent er iedereen en iedereen kent hem, maar dat mocht niet verhinderen dat hij in die tijd drie keer werd overvallen. De laatste keer op 8 september van dit jaar toen drie jongemannen met een bivakmuts zijn winkel binnenstormden. Ze namen 40.000 euro aan losgeld en sieraden mee, maar Aksoy gaf zich niet gemakkelijk gewonnen. “Het eerste waar ik naar kon grijpen was de sport van een ladder waarmee ik op ze in ben gaan rammen. Schietend vluchtten ze mijn tent uit. Als ik zelf een pistool had gehad, had ik ze doodgeschoten.”

Aksoy heeft er dan ook geen probleem mee dat de burgemeester van Amsterdam, Eberhard van der Laan (PvdA) onlangs besloot dat er vanaf 1 november in West preventief gefouilleerd gaat worden. De maatregel werd al eerder toegepast in andere ‘kwetsbare gebieden’ van de stad om het wapenbezit en het aantal geweldsincidenten terug te dringen.  Dat preventief fouilleren nu ook in West is toegestaan, kan niet los worden gezien van de moord op Fred Hund, een collega-juwelier van Aksoy in de Jan Evertsenstraat die op 7 oktober na een worsteling met een van de overvallers van zijn zaak dodelijk in zijn buik werd geschoten.

Of zoals Van der Laan het zelf in de Volkskrant zei: “We worden allemaal liever in onze privacy geschonden dan dat een van onze mede-Amsterdammers wordt neergeschoten.” Niettemin ligt preventief fouilleren politiek gevoelig en zetten deskundigen vraagtekens bij de effectiviteit van dit ingrijpende middel.

Het verzet tegen invoering kwam in de eerste plaats vanuit het stadsdeel zelf. Sven Meeder is voor GroenLinks woordvoerder veiligheid in West en stelde samen met D66 een motie op tegen preventief fouilleren. De motie werd aangenomen, maar daar trok Van der Laan zich niets van aan. Meeder: “Wat mij stoorde in de discussie was dat gedaan werd alsof GroenLinks blijft hangen in oude, versleten linkse dogma’s. Maar het zijn niet eens zozeer de principiële argumenten tegen preventief fouilleren die voor ons zwaar wegen, maar de praktische: het is gewoon niet de oplossing voor de problemen in West. Maar ja, de burgemeester wil kennelijk niet te boek staan als ‘een theedrinker’.”

Preventief fouilleren: wat levert het op?

De laatste jaren is er preventief gefouilleerd in delen van Oost, Zuidoost en Centrum. Vorig jaar voerde de politie 75 grootschalige preventieve fouilleeracties uit in Amsterdam. Daarbij werden 33.196 personen en 2.886 voertuigen doorzocht. 143 keer leidde dat tot een arrestatie; in 38 van deze gevallen was dat een arrestatie in het kader van de Wet Wapens en Munitie. In de andere gevallen betrof het “positieve bijvangsten” als overtredingen van de Opiumwet, overtreding van een gebiedsverbod en illegale vreemdelingen. Er werden 706 wapens in beslag genomen, waarvan 6 scherpschietende vuurwapens, 6 nepwapens en 583 steekwapens.

In Amsterdam deden zich vorig jaar 4.621 wapenincidenten voor, met een hoge concentratie in het Centrum (21 procent) en Zuidoost (19 procent) blijkt uit onderzoek van onderzoeksbureau IVA. Maar ook West (22 procent) scoort hoog met de kanttekening dat het geweld zich concentreert in bepaalde delen en dat het om relatief veel bedreigingen en eenvoudige mishandelingen gaat.  Naar aanleiding van het rapport kreeg West het advies te kiezen voor een gerichte aanpak om de wapenincidenten in de ‘hot spot-gebieden’ te bestrijden. Niettemin heeft burgemeester Van der Laan besloten dat er vanaf 1 november ook in West preventief gefouilleerd gaat worden.

Sinds 2002 kan de burgemeester van Amsterdam delen van de stad aanwijzen als ‘een veiligheidsrisicogebied’. Dit zijn voor iedereen toegankelijke gebieden waar relatief veel geweldsdelicten voorkomen en waar een dreiging bestaat van (vuur)wapens. De Officier van Justitie kan vervolgens bevelen tot een preventieve fouilleeractie waarbij kleding, vervoersmiddelen en bagage worden onderzocht op de aanwezigheid van wapens. Het doel van de preventieve fouilleringen: mensen ertoe bewegen hun wapens thuis te laten.

Van der Laan rechtvaardigt zijn beslissing met cijfers (zie ook het kader). West blijkt in 2009 het grootste aantal ernstige schiet- en steekpartijen per vierkante kilometer van de stad te tellen, namelijk 46. Op de voet gevolgd door Zuidoost (44) en de Amsterdamse binnenstad (34). “Ja maar”, riposteert Meeder, “in ene telt het aantal inwoners niet meer mee. Het maakt nogal wat uit of je met 50.000 mensen op twee vierkante kilometer woont – zoals in sommige delen van West – of dat je met minder mensen op een grotere oppervlakte woont, zoals in Nieuw-West. Daarbij, in afwijking van het Centrum en Zuidoost, vindt het geweld in West veel meer binnenshuis plaats. En ik vraag me af of er ook preventief gefouilleerd gaat worden achter de voordeur.”

Meeders argumenten sorteerden geen effect bij de burgemeester die op dit terrein zijn eigen koers kan varen en geen rekening hoeft te houden met het oordeel van het stadsdeelbestuur. Van der Laan hoeft officieel ook geen rekening te houden met de gemeenteraad, maar goedkeuring van de raadsleden is wel wenselijk. Tijdens een roerige raadsvergadering stemde een meerderheid uiteindelijk voor, ondanks het verzet van GroenLinks, D66 en SP.

Volgens ingewijden was Van der Laans eigen PvdA ook verdeeld over dit vraagstuk, al zegt Geke van Velzen, het PvdA-raadslid dat over de openbare orde en veiligheid gaat, dat de fractie geen twijfel kende. “Er zijn dit jaar in West al zeventig overvallen gepleegd, preventief fouilleren heeft zijn waarde bewezen in het verleden in andere delen van de stad, dus waarom dat ook niet toepassen in West om het geweld terug te dringen? Het is jammer dat het bestuur van West het daar niet mee eens is, maar volgens ons denken de inwoners daar zelf anders over.”

Luud Schimmelpennink zit ook in de gemeenteraad namens de PvdA,  hij had in aanloop naar het besluit wel bezwaren.. “Een aantal van ons had het er moeilijk mee; ze zitten toch aan je lijf hè. Maar er is ons verzekerd dat er pas tot preventief fouilleren wordt overgegaan als andere middelen, zoals meer politie, niet helpen. Toen heb ik mijn bezwaren laten varen.”

Van der Laan is zich bewust van de gevoeligheden, zo zit hij een college voor waarin de GroenLinks-wethouders André van Es en Maarten van Poelgeest te kennen hebben gegeven principieel tegen preventief fouilleren te zijn en te blijven. “Daarom zijn de objectieve criteria zo belangrijk”, zegt zijn woordvoerder. De burgemeester zal de effectiviteit van de maatregel daarom nauwkeurig controleren. “Jaarlijks kijken we of de aangewezen gebieden nog altijd onveilig zijn en of het preventief fouilleren werkt”, zegt zijn woordvoerder. “Op basis daarvan besluiten we of we doorgaan of niet. Het is geen maatregel met een open einde of zo.”

“Dat is het wel”, reageert de Rotterdamse strafpleiter Inez Weski. “De ervaring leert hier dat die gebieden zich uitbreiden als een inktvlek, juist omdat de resultaten zo tegenvallen. Het is hier in Nederland geen East LA, niet iedereen heeft een wapen op zak en degenen die dat wel hebben en er echt wat mee van plan zijn lopen heus niet zomaar in een winkelstraat een politiefuik in.”

Sinds 2002 wordt er in Amsterdam preventief gefouilleerd. Eerst in de Bijlmer om ervoor te zorgen dat rivaliserende bendes elkaar niet meer op straat neerschoten. Tegelijkertijd werd het preventief fouilleren op wapenbezit in een deel van de binnenstad ingevoerd om het uitgaansgeweld in te dammen. Later volgde een gebied in Oost dat te maken had met drugs gerelateerd geweld. En nu dus West met de gewapende overvallen op winkels die de laatste tijd het nieuws domineren.

Opvallend is dat er nog nooit een wijk is verwijderd van de lijst met gebieden waar preventief gefouilleerd wordt; er zijn er steeds meer bijgekomen. Maar volgens Geke van Velzen is het een karikatuur om te zeggen dat de politie straks in de hele stad zomaar aan je lijf mag plukken. “Er wordt nu op 6 procent van het Amsterdams grondgebied gefouilleerd, straks is dat acht procent.”

Volgens Weski is het betasten van iemands lijf en leden zonder enige strafrechtelijke aanleiding een aantasting van iemands lichamelijke en geestelijke integriteit, een grondrecht dat is gewaarborgd in internationale mensenrechtenverdragen. “Ik vind preventief fouilleren op zichzelf dus al ontoelaatbaar. Er zijn natuurlijk voorwaarden voor de uitoefening, maar in de praktijk worden mensen met een kleurtje er eerder uitgepikt dan de blanke medemens.”

“Wij gaan onwillekeurig en aselectief te werk”, weerspreekt Ebe van der Land van de Amsterdamse politie. Hij legt uit hoe de politie te werk gaat. “Eigenlijk kun je het vergelijken met een fietsverlichtingcontrole. Wij krijgen straks toestemming om in een periode van vierentwintig uur controles uit te voeren. Daarbij fouilleren wij iedere vierde persoon die voorbijkomt. Als de vierde persoon een zwangere vrouw is en de derde een man van twee bij twee meter, dan nog houden wij alleen de zwangere vrouw aan. Indien nodig pakken we mensen op en bij lichtere vergrijpen handelen we het op straat af.”

“En zo”, zegt Weski, “wordt er een vangnet over de bevolking gespannen. Het gaat vaak allang niet meer om alleen wapenbezit, nee, er wordt een koppeling gemaakt met de belastingdienst, de vreemdelingendienst en er wordt gekeken of er nog boetes openstaan. Kortom, onder het mom van de veiligheid gaat de uitvoerende macht zijn boekje ver te buiten.” Weski beziet vanuit Rotterdam het bewind van haar voormalige confrère Eberhard van der Laan met zorg. “Het is wel duidelijk dat Eberhard zijn sporen niet als strafrechtadvocaat heeft verdiend.”

Met zijn ferme optreden richting krakers, relschoppers en vechtsportgala’s heeft Van der Laan intussen het imago van ‘de Giuliani aan de Amstel’ verworven. Van der Laan herkent zich er niet in. Zijn woordvoerder: “De burgemeester wil boven iedere politieke discussie staan en streeft maar een belang na: dat van Amsterdam.”

En dus draait Van der Laan niet om de hete brij heen als hem wordt gevraagd waarom hij denkt dat de raadsleden van GroenLinks, SP en D66 zich verzetten tegen preventief fouilleren: omdat de Marokkanen in West zich niet graag laten fouilleren, dat zou stigmatiserend werken. Van der Laan kan er geen begrip voor op brengen, zei hij in de Volkskrant. Immers, de Surinamers, Antillianen en ‘zwarte’ Afrikanen in Zuidoost worden toch ook gefouilleerd?

Het is tegen het zere been van GroenLinks in Amsterdam. Sven Meeder: “Van der Laan gaat voorbij aan de verschillende oorzaken van het geweld in Zuidoost en in West. In de Bijlmer waren het schietgrage bendes die tegenover elkaar stonden, hier in West is het geweld gerelateerd aan de overvallen. Wij weten welke kleine groep die moeilijkheden veroorzaakt en die groep moet door de politie gericht aangepakt worden. Maar daarnaast is er een grotere groep van allochtone jongeren die we met veel pijn en moeite in het vizier van de hulpinstanties hebben gekregen. Als je die nu op straat gaat lastigvallen met onnodige fouilleeracties, heb je grote kans dat je ze kwijt bent.”

Schuin tegenover de juwelierszaak van Turkan Asoy zit Alladin’s Notenhoek, de winkel van Joop en Gerrie Sierat die ze nu al ruim vijfentwintig jaar in de Jan Evertsenstraat runnen. Achter de notenbar staat Gerrie. Ze was er kapot van, die dag dat Fred Hund werd doodgeschoten, en ze kan zich niet herinneren ooit zo hard te hebben gehuild. Maar ze ergerde zich ook aan het beeld dat vervolgens in de media ontstond over ‘haar’ straat. “Ik voel me hier wél veilig. Ik verkoop dan wel noten en geen diamanten, maar het is hier echt geen wild-west hoor. Begin jaren negentig misschien, toen de bloedspetters op mijn ramen zaten omdat ze elkaar hier voor het minste of geringste omlegden. Maar nu? Ik zie juist steeds meer yuppen in mijn winkel.”

Gerrie Sierat wil de problemen van de laatste tijd niet bagatelliseren en het heeft ook op haar een grote impact gehad, maar ze zoekt de oplossing vooral in het gezonde verstand. “Mensen moeten gewoon meer met elkaar lullen, en dan heb ik het over iedereen: politie, winkeliers, de gemeente en bewoners. Zodat je elkaar kent en weet wat de ander doet. Cameratoezicht als de mensen winkelen? Liever niet, een beetje eng.”

Het veiligheidsgevoel van Gerrie Sierat komt niet helemaal uit de lucht vallen. Uit het onderzoek waarop Van der Laan de invoering van preventief fouilleren baseert, blijkt ook dat ten opzichte van 2004 het aantal geweldsincidenten (dus niet alleen de ernstige, maar ook de eenvoudige mishandelingen) in West is afgenomen met 9 procent  (van 329 naar 298). “Het is dan ook een illusie om te denken dat je met repressie veiligheid kunt afdwingen”, zegt Inez Weski. “Politici kunnen beter tijd en moeite steken in het verbeteren van de leefomstandigheden van mensen zodat ze iets moois van hun leven kunnen maken.”

Enhanced by Zemanta [6]

Stadsdelen betalen voor paasontbijt en Koranles

Posted By Carien ten Have On oktober 29, 2010 @ 17:15 In Algemeen, Onderzoek | No Comments

Moskee [16]
Image by petermeuris [16] via Flickr

De overheid moet niet langer religieuze instellingen steunen met subsidie, vindt burgemeester Eberhard van der Laan. Toch doen de Amsterdamse stadsdelen dat nog wel. ‘‘De projecten zijn goed voor de wijk.’’ 

In het Amsterdamse stadsdeel Centrum kunnen kinderen elk weekend Koranlessen volgen op een islamitische weekendschool. In West worden volop jongerenprojecten georganiseerd door de christelijke jongerenorganisatie ‘The Mall/Youth for Christ’ en in stadsdeel Zuid is een nieuwe synagoge gebouwd. Al deze projecten worden mede mogelijk gemaakt door de stadsdelen zelf.

Alle zeven stadsdelen in Amsterdam kennen subsidies toe aan organisaties of instellingen met een religieuze achtergrond, blijkt uit onderzoek van deze krant. Dat doen ze tegen de zin van burgemeester Eberhard van der Laan (PvdA). Hij bepleit een strikte scheiding tussen kerk en staat. Gemeentelijke subsidie aan Amsterdamse geloofsgemeenschappen moet niet meer worden toegekend. “De overheid moet zich daar niet mee bemoeien”, aldus Van der Laan vorige maand tijdens een bijeenkomst in de Thomaskerk in stadsdeel Zuid.

Toch doen de Amsterdamse stadsdelen dat nog wel. Ze geven onder meer geld aan katholieke basisscholen voor huiswerkbegeleiding, of leveren een bijdrage aan de organisatie van een Suikerfeest.

Breuk met Cohen

Met zijn standpunt neemt Van der Laan afstand van zijn voorganger en partijgenoot Job Cohen. Die bepleitte in een notitie in 2008 dat de gemeente in uitzonderlijke gevallen religieuze groeperingen financieel mag bijstaan. Dit werd door het Amsterdamse bestuur ondersteund.

Zo investeerde de stad tijdens het burgemeesterschap van Cohen veel in contacten met de islamitische gemeenschap. Door gematigde moslims te ondersteunen hoopte Amsterdam de radicalisering in moslimkring te bestrijden. Zoals Van der Laan hier vorige maand over zei: “Ik geloof er niet in.’’

Twee miljoen euro werd geleend voor de bouw van de Westermoskee in stadsdeel West en Cohen beloofde subsidie voor een nieuw islamitisch cultureel centrum ‘Marhaba’. Vlak voor zijn vertrek in juni 2010 gaf Cohen ook nog ruim honderdduizend euro aan tien Marokkaanse moskeeën in Amsterdam, zodat ze aan hun imago konden werken.

Cohen beloofde ook subsidie aan zo’n vierhonderd protestantse en rooms-katholieke kerken, toen ze aankondigden met Pinksteren een groot festival in de stad te willen organiseren. Daarnaast verstrekte hij financiële steun bij de renovatie van een synagoge in de stad.

PvdA-Kamerlid Ahmed Marcouch was tot eind 2009 stadsdeelvoorzitter van Slotervaart. Hij probeerde er radicalisering onder jongeren aan te pakken. “Dan had ik de steun van een moskee en imam nodig. De subsidie die we gaven had niets met de religieuze instelling te maken, maar met een poging om moslims te laten integreren. Dat was ook de bedoeling van Job Cohen.”

Maar de twee stuitten op forse tegenstand. Marcouch verloor in 2009 de strijd om het leiderschap van stadsdeel Nieuw-West van zijn partijgenoot Achmed Baâdoud, die – in tegenstelling tot Marcouch – een strikte scheiding van kerk en staat zei na te leven. Ook Cohen kreeg veel kritiek over zijn ideeën over samenwerking van de gemeente met religieuze instellingen.

Gemeentegeld voor een paasbrunch

Ondanks de discussie over principes als neutraliteit en de scheiding tussen kerk en staat worden er bij de stadsdelen pragmatische beslissingen genomen. “Soms hebben projecten van organisaties met een religieuze achtergrond een maatschappelijk doel. ‘‘De projecten zijn goed voor de wijk”, zegt een woordvoerder van stadsdeel West.

Organisaties met een religieuze achtergrond krijgen veelal dus toch subsidie toegekend, omdat hun activiteiten ten goede komen aan het stadsdeel. “Heel veel organisaties met religieuze inslag doen goed werk voor de stad”, zegt Henk Boes, CDA-fractievoorzitter van stadsdeel Zuid. “Neem bijvoorbeeld het Leger des Heils die mensen opvangt of etentjes organiseert voor daklozen. Die organisaties mag je niet zomaar wegzetten.”

Alle stadsdelen in Amsterdam hebben voor dit jaar al subsidie aan verschillende religieuze organisaties toegekend. Stadsdeel Nieuw-West geeft onder meer ruim 94 duizend euro aan drie katholieke basisscholen in het stadsdeel. Dat geld wordt gebruikt voor bijvoorbeeld huiswerkbegeleiding en het aannemen van docenten. Ook mogen de scholen met de subsidie worden opgeknapt.

In stadsdeel Zuidoost is er subsidie voor een dag voor minder validen die de Evangelische Broedergemeenschap Zuidoost’ organiseert. Stadsdeel Centrum geeft elk jaar geld voor kunsttentoonstellingen in de Oude Kerk, en Noord betaalde vorig jaar voor een paasbrunch. Verschillende stadsdelen subsidiëren het jaarlijkse Suikerfeest na de vastenmaand ramadan. In West krijgt ‘de Stichting Kerk en Buurt’ ruim dertigduizend euro om mensen in de buurt samen te laten komen. En stadsdeel Zuid stelt sinds 15 oktober jaarlijks 135.000 euro beschikbaar voor de beveiliging van joodse instellingen, die worden bedreigd.

Zieltjes winnen

Hoewel alle stadsdelen subsidie aan organisaties met een religieuze achtergrond toekennen, ontbreekt een duidelijk overzicht van deze subsidies. De verschillende afdelingen binnen een stadsdeel weten vaak niet van elkaar wie subsidie aan een religieuze organisatie toekent.

Onderzoekers van ‘Forum’, een instituut voor multiculturele vraagstukken, constateerden vorige maand al dat driekwart van de Nederlandse gemeenten geen specifiek beleid heeft voor het subsidiëren van religieuze organisaties. Het toekennen van subsidies aan organisaties met een religieuze achtergrond is volgens Forum ‘natte vingerwerk.’ In Amsterdam is dat niet anders.

Krijgt een moskee subsidie voor huiswerkbegeleiding? Mag een stadsdeel helpen met het zoeken naar een locatie voor een hindoetempel? Subsidies aan organisaties met een religieuze achtergrond vallen vaak in een grijs gebied. “De overheid mag geen enkele betrokkenheid hebben bij welke religie dan ook”, zegt VVD’er Stefan de Bruijn, deelraadslid van Stadsdeel Centrum. “Maar ik constateer ook dat de lijn erg dun is.”

Dat blijkt uit een besluit van stadsdeel Centrum om ruim achtduizend euro subsidie te geven aan de islamitische weekendschool Iqraa. Op de school kunnen kinderen in de leeftijd van vijf tot dertien jaar koranlessen volgen in het Arabisch of in het Nederlands. Volgens het stadsdeelbestuur is de subsidie toegekend, omdat de school bijdraagt aan de integratie van Marokkaanse kinderen en hun ouders.

Deelraadslid De Bruijn zet hier vraagtekens bij. “In Nederland bestaat het recht om een school op religieuze grondslag te beginnen. Maar daar moet het stadsdeel buiten blijven, subsidie is hier niet nodig.” Volgens De Bruijn heeft het stadsdeel geen duidelijke regels voor het uitdelen van subsidies aan religieuze instellingen. “De toewijzingen zijn gebaseerd op los zand. Je moet helder hebben wat je beleid is, en een duidelijke redenering ontbreekt nu vaak.”

Veel stadsdelen hanteren de ongeschreven regel dat met subsidiegeld geen zieltjes mogen worden gewonnen. Of dat gebeurt, is op voorhand niet altijd goed in te schatten. Zo kreeg jongerenorganisatie Youth for Christ subsidie toegekend van voormalig stadsdeel De Baarsjes in Amsterdam-West. “Ze wilden graag iets voor jongeren doen in het stadsdeel, met eigen geld”, legt oud-wethouder in de Baarsjes Henk Boes (CDA) uit. “Ik deed de openbare aanbesteding, en twee jaar later kwamen ze als beste en meest efficiënte jongerenorganisatie uit de bus.”

Maar Youth for Christ bleek alleen personeel te werven uit de eigen christelijke achterban. Ook werden ze verdacht van ‘gesubsidieerd zendingswerk’. Dit veroorzaakte veel kritiek binnen en buiten het stadsdeel. “Dit was een goed werkende club die veel betekende voor jongeren”, aldus Boes. “Maar ze hebben het zichzelf moeilijk gemaakt.” Toch kan ze ook volgend jaar op ruim vijfhonderd duizend euro subsidie van het stadsdeel rekenen. Voorwaarde is wel dat de organisatie niet alleen meer personeel uit de eigen christelijke achterban werft en onder een andere naam verder gaat. De instelling gaat dan ook sinds kort door het leven als ‘The Mall/ Youth for Christ’.

Krampachtig

Het stopzetten van subsidie aan alle religieuze organisaties gaat te ver, vindt Marcouch. “Als er geen enkele subsidie meer aan organisaties met een religieuze basis mag worden toegekend, dan heb je in Amsterdam gelijk een probleem. Dan krijgt bijvoorbeeld de katholieke organisatie Spirit geen geld meer, terwijl ze voor de stad heel goed maatschappelijk werk doen.”

Bovendien wordt er in Amsterdam veel te vaak geroepen dat de scheiding tussen kerk en staat in het geding is, constateert hoogleraar Theo Boer, docent ethiek aan de Protestantse Theologische Universiteit Utrecht in een artikel. “Vroeger betekende die scheiding dat de staat niet partijdig was en allerlei initiatieven van alle geloven binnen redelijke proporties ondersteunde.”

Nu is dat anders. Marcouch: “Zodra je begint over religieuze subsidies raakt iedereen in paniek. Daar wordt heel krampachtig over gedaan.” In zijn tijd als stadsdeelvoorzitter merkte Marcouch dat deze discussies liever werden vermeden. “Iedereen vindt dat het moet, maar zodra ik als politicus de integratie van Moslims op gang wilde brengen kreeg ik een motie van wantrouwen aan mijn broek, omdat ik zogenaamd de scheiding van kerk en staat niet eerbiedigde. Maar het moet acceptabel zijn dat er in een moskee activiteiten tegen bijvoorbeeld huiselijk geweld worden gesubsidieerd. De subsidie wordt niet gegeven omdat het een moskee is, maar omdat het een plek is waar problemen kunnen worden aangekaart.”

‘‘Politiemensen zijn banger voor klachten dan voor klappen’’

Posted By Joris Brussel On oktober 22, 2010 @ 16:00 In Algemeen, Onderzoek | No Comments

Politie - je beste vriend [The Police - Your b... [17]
Image by Erwin Bolwidt (El Rabbit) [17] via Flickr

Politieagenten wachten regelmatig af met het gebruik van geweld tegen burgers totdat ze eigenlijk al te laat zijn. Inzet van proportioneel geweld is geen optie, omdat agenten bang zijn voor intern onderzoek en vervolging.

Twee politieagenten krijgen melding van een mogelijke verkrachting. Buurtbewoners zouden luid gegil hebben gehoord vanuit een naburige woning. Eenmaal ter plaatse wacht het tweetal niet op nadere orders van de meldkamer. Direct trappen ze de voordeur van het huis in om hulp te bieden. In de slaapkamer treffen ze een echtpaar aan dat bezig is met SM.

Een tijdje later krijgen twee andere agenten een zelfde soort melding. Op advies van de meldkamer wachten ze voor het desbetreffende huis af. Nadat ze uiteindelijk niet hebben ingegrepen, blijkt dat vlak voor hun neus een verkrachting heeft plaatsgevonden.

In beide gevallen krijgen de agenten klachten om hun oren en wordt intern onderzoek gedaan naar hun handelen. De competentie van elk van de betrokkenen wordt grondig onderzocht. Het zijn twee anekdotes die de ronde doen bij politiekorpsen. Het dilemma dat er achter verscholen gaat, houdt agenten in de greep.

Veel agenten lijken terughoudend met het gebruiken van geweld. Als ze geweld hanteren om zich te verdedigen, blijkt dat de situatie vaak al te ver uit de hand is gelopen en niet meer te beheersen valt. De kans op klachten of eventuele vervolging van de agenten neemt dan flink toe. Wachten agenten om de hoek af tot een geweldincident tussen burgers is afgelopen of laten ze zich in elkaar slaan, dan gaat dit ten koste van hun geloofwaardigheid. Kan de politie het tegenwoordig überhaupt nog goed doen? Of is een olifantenhuid het enige wapen dat agenten voorhanden hebben bij het ingrijpen tussen burgers?

Klaagcultuur
“Politiemensen zijn banger voor klachten dan voor klappen”, zegt voorzitter Gerrit van der Kamp van de Algemene Christelijke politievakbond (ACP), met 25.000 leden de grootste politievakbond van Nederland. Van der Kamp krijgt van vakbondsleden steeds vaker te horen dat ze zich geremd voelen in hun werk en scherpe escalaties met burgers liever uit de weg gaan, uit angst dat er een klacht tegen hen wordt ingediend.

Van der Kamp was tussen begin jaren tachtig en half jaren negentig zelf politieagent. Hij nam onruststokers op straat wel eens mee naar het politiebureau om af te koelen. Hoewel dit officieel onder ‘vrijheidsbeneming’ valt, gaven onruststokers na afloop nooit een krimp. Het indienen van klachten over agenten bij de politie was, volgens hem, nauwelijks aan de orde. Tegenwoordig is dat wel anders, stelt de vakbondbestuurder. “Als het gaat om preventief geweld door politiemensen, is er weinig bescherming vanuit de wet of van leidinggevenden en de overkoepelde organisatie. Nu laten agenten burgers het zelf uitvechten. Vervolgens kunnen ze het bloed van de muur vegen en de schade opnemen.”

Steeds vaker levert geweldgebruik door agenten aangiften en klachtenprocedures op, aldus Van der Kamp. Hij spreekt dan ook van ‘een toenemende klaagcultuur’. Lang niet alle klachten beschouwt hij als gegrond, maar ze worden wel allemaal behandeld. Bij de politie bestaan er twee klachttrajecten. Enerzijds is er directe bemiddeling tussen klagende burgers en agenten. Anderzijds is er een externe klachtenadviescommissie, bestaande uit onafhankelijke buitenstaanders, die een klacht onderzoeken en de korpsbeheerder adviseren over de afhandeling.

“Er wordt te pas en te onpas een vergrootglas op politieoptredens gelegd”, zegt de ACP-voorman. “Bij politieagenten heerst voortdurend het gevoel dat ze in de beklaagdenbank zitten. Regelmatig komen de klachten van notoire klieren die agenten willen dwarsbomen of de politieorganisatie willen pesten.”

Zwaard van Damocles
Toch ziet Jaap Timmer, hoofddocent politiestudies aan de Vrije Universiteit Amsterdam en gespecialiseerd op het gebied van politiegeweld, dat  er op basis van statistische gegevens geen sprake is van een nadrukkelijke klaagcultuur. “Bij de klachtenadviescommissies en bij de Nationale ombudsman neemt het aantal klachten over politie en politiegeweld al jaren niet extra meer toe. Over het algemeen stijgt het risico dat agenten hebben om na geweldgebruik voor de rechter te moeten verschijnen dan ook niet of nauwelijks.” 

Wel bevestigt hij het bestaan van terughoudendheid bij politiemensen. Timmer weet van een aantal agenten dat ze op weg naar een geweldsdelict gas terugnemen als versterking nog onderweg blijkt zijn. Want ze willen niet per se als eerste arriveren. “Ze associëren het trekken van hun wapenstokken met het invullen van klachtenformulieren”, aldus de Timmer. Dat komt mede omdat het aantal klachten van schietincidenten en celdoden, een zeer klein percentage van de geweldsincidenten, wel toeneemt.

Steeds vaker maken slachtoffers en nabestaanden na schietincidenten door de politie gebruik van een procedure om beklag te doen tegen niet-vervolging door de Officier van Justitie. Bij gebruik van deze mogelijkheid – artikel 12 van het wetboek van Strafvordering – toetst het gerechtshof of vervolging van de agent haalbaar en ‘opportuun’ is. Als aan beide criteria wordt voldaan, kan het hof het Openbaar Ministerie opdracht geven alsnog tot vervolging over te gaan. Terwijl agenten na schietincidenten bijna nooit direct vervolgd worden, gebeurt dit dankzij deze burgerclaims nu vaker dan ooit tevoren.

Uniform nederlandse politie [18]
Image via Wikipedia [18]

Zoals Timmer in de Volkskrant van 5 oktober van dit jaar zegt: “Tussen 1978 en 1995 waren er ongeveer 300 schietincidenten met letsel door politiekogels. Dat leidde in totaal tot vijf artikel 12-procedures. Tussen 1996 en 2000 ging het al om zeker tien procedures op 82 gevallen.” De mondiger geworden burgers lijken in deze gevallen makkelijker de stap naar de rechtbank te maken dan vroeger. Dezelfde ontwikkeling doet zich voor als het gaat om (politie)celdoden.  

De strafprocedures leveren uiteindelijk echter nooit straffen op. Bovendien gaat het om zulke kleine aantallen dat Timmer niet vindt dat je op basis hiervan van een duidelijke toenemende klaagcultuur kan spreken. Hij schat dat er in 2009 ongeveer 1500 agenten gewond zijn geraakt door burgergeweld. In hetzelfde jaar zijn drie burgers omgekomen – en vijfentwintig burgers gewond geraakt – door politiekogels.

“Het beeld leeft dat je slechts naar je wapen hoeft te kijken om in de rechtbank te belanden”, aldus Timmer. “Dat is niet zo. Maar dat dit in de hoofden van agenten leeft, is voor te stellen. Die strafprocedures zorgen voor dreiging en indrukwekkende ervaringen.” Ook Van der Kamp bevestigt dit. “Achter de strafprocessen gaat een menselijk drama schuil dat jaren als het zwaard van Damocles boven je hoofd hangt.”

Bedreiging,mishandeling en belediging
Uit onderzoek van de Vrije Universiteit komt naar voren dat geweld tegen politieagenten de laatste tien jaar is verdrievoudigd en dat de ernst van dit geweld enkel toeneemt. Zo sloeg een Groninger in januari een agent met een mestvork in elkaar. Hij werd veroordeeld tot een taakstraf van tweehonderd uur, waarvan de helft voorwaardelijk. “Het valt me niet tegen”, was zijn reactie, aangezien de officier van justitie een straf van dertig maanden onvoorwaardelijke cel had geëist. Direct na de uitspraak overwoog de man om in hoger beroep te gaan.

In februari sloeg een man met zijn vuist op het oog van een agent. Dit nadat de dader een jonge vrouw bedreigde en de agent tussenbeide probeerde te komen. De rechtbank veroordeelde de man uiteindelijk tot het betalen van een schadevergoeding van vijftig euro aan de agent in kwestie. De uitspraak werd in verschillende media breed uitgemeten en op diverse discussiefora besproken.

Oud-hoofdcommissaris van de Amsterdamse politie, Joop van Riessen, meldt op 16 oktober in NRC Handelsblad wat betreft de beeldvorming over burgergeweld in Nederland: “Het is absoluut veel veiliger geworden de afgelopen jaren. Alleen, in deze mediacratie brengen we de incidenten zo in beeld dat we het gevoel overhouden dat het toch onveiliger wordt.”

Deze beeldvorming heeft ook zijn uitwerking op politieagenten, zo blijkt uit onderzoek van de Vrije Universiteit. 15 procent van de ruim 2000 ondervraagde agenten bleek zich wel eens ziek te melden na een geweldincident. 16 procent gaf aan minder plezier te hebben in het werk door wat ze hebben meegemaakt. Bovendien blijkt uit een rapport van de Arbeidsinspectie in april van dit jaar dat 94% van ruim tweehonderd geïnterviewde agenten weleens te maken heeft met geweld, bestaande uit bedreiging, mishandeling en belediging.

Beroepsrisico
De Arbeidsinspectie onderzocht ook hoe dertien van de 25 Nederlandse politiekorpsen omgaan met veiligheidsnormen. Volgens de inspectie neemt slechts één korps voldoende veiligheidsmaatregelen. Ruim de helft van de medewerkers gaf aan weinig voorlichting te krijgen over agressie en geweld en niet op de hoogte te zijn van het beleid met betrekking tot contact met burgers. Er kwam in dit rapport naar voren dat het niet altijd mogelijk is om tijdens bedreigende situaties om assistentie te vragen. Ook verklaarden leidinggevenden niet aan veiligheidseisen te kunnen voldoen door onder andere een gebrek aan financiële middelen en aan personeel.

Dat deze constateringen voor onzekerheid bij agenten zorgt, bevestigt ieder die met deze vraag te maken krijgt. De vraag is hoe de situatie te veranderen is. Want voor veel politiemensen bestaat van huis uit een drempel om intern melding te doen van het geweld waar ze mee te maken krijgen. Ze beschouwen geweld en agressie als beroepsrisico. Linda Huisman, medewerker Geweld Tegen Politie Ambtenaren (GTPA) van de politieregio Kennemerland, ziet dit ook. “Veel collega’s hebben een dikke huid en kunnen een hoop incasseren. Ze maken niet van elk wissewasje melding.” Toch merkt ze binnen haar korps dat collega’s de laatste jaren steeds meer aangeven dat ze met geweld te maken hebben gehad.

Dat komt volgens Huisman mede door overheidsinitiatieven zoals het ‘Programma Veilige Publieke Taak’. Dit initiatief van het ministerie van Binnenlandse Zaken uit 2006 richt zich op ‘de aanpak van agressie en geweld tegen werknemers met publieke taken’. Jan Smit, landelijk projectleider geweld tegen politieambtenaren, stimuleert politieagenten – vanuit het programma Veilige Publieke Taak – om blootstelling aan geweld te melden en altijd aangifte te doen van strafbare feiten. “Op die manier kan geregistreerd worden wat er werkelijk speelt op straat. Dan pas kunnen de arbeidsomstandigheden van agenten veiliger gemaakt worden. Daarnaast wordt er steeds meer ingezet op lik-op-stuk-beleid tegen geweldplegers.”

Zwaardere straffen
Het nieuwe kabinet sluit zich hier bij aan. Ze wil zwaardere straffen invoeren voor geweld tegen publieke gezagsdragers, zoals politie-, brandweer- en ambulancepersoneel. Oud-hoofdcommissaris Van Riessen als reactie op dit initiatief in NRC Handelsblad: ‘‘Dat helpt niet. Zeker niet als de geweldplegers bezopen zijn, of drugs hebben gebruikt. Misschien zouden we moeten zeggen: vechten met de politie levert altijd zitten op. Wie wordt aangehouden blijft in hechtenis totdat hij voor de rechter staat.’’ 

Volgens Timmer zijn de straffen in verband met geweld tegen agenten en andere hulpverleners de laatste tien á twintig jaar al strenger geworden. Het geweld tegen deze groep is echter alleen maar heviger geworden. “Het strafrecht heeft dus heel weinig preventieve werking”, concludeert Timmer. Ook Van der Kamp vraagt zich af of zwaardere straffen de oplossing is. ‘Incidentenpolitiek’ noemt hij het. Hij ziet liever dat agenten toestemming krijgen om preventief geweld te gebruiken ter verdediging en preventie van geweld in plaats van hard optreden achteraf.

Ook Smit constateert dat er in ieder geval op het gebied van preventief gedrag nog veel te halen, valt. Net als Timmer en Van der Kamp, weet hij uit eigen ervaring dat agenten soms afwachtend zijn als ze als eerste aankomen bij een geweldsdelict. Als ze dat bewust vanuit een veiligheidbesef doen, vindt Smit dat lovenswaardig. Maar hij denkt dat het afwachtende gedrag niet alleen gebaseerd is op dat besef, maar ook op angst. Daarom pleit hij er voor dat agenten zich meer bewust worden van hun eigen ‘professionele veiligheid’. Ze moeten aan de meldkamer vragen gaan stellen over de situatie die ze kunnen aantreffen, om daarop te kunnen anticiperen. Nu rijden agenten vaak zonder inschatting van de omstandigheden ergens op af. Smit: ‘‘Als mensen van de ME te maken kunnen krijgen met gooiers van Molentov cocktails, dan trekken ze brandwerende vesten aan. Waarom zouden agenten zich ook niet goed voorbereiden?’’

Seks bezorgt psychiatrie kopzorgen

Posted By Laurens Samsom On oktober 22, 2010 @ 15:30 In Onderzoek | No Comments

depressie1Seksualiteit is een taboe-onderwerp voor psychische patiënten en hulpverleners. Het verlangen naar seks in psychiatrische inrichtingen zorgt voor moeilijkheden. Seksuologen maken zich zorgen.

Zoenen, betasten, vrijen. Patiënten die lange tijd in een psychiatrische instelling verblijven, hebben vaak behoefte aan seks. Bij de meeste psychiatrische instellingen is elke vorm van seksueel contact echter verboden. Zo willen de instellingen hun patiënten beschermen, omdat zij psychisch en emotioneel labiel zijn, of nare ervaringen hebben met seks. 

Ondanks het verbod op seks in de psychische inrichtingen gebeurt het overal, zegt seksuoloog Renske Althuisius, werkzaam voor GGZ inGeest in Hoofddorp. “Ongewenste zwangerschappen, ruilseks: het is schering en inslag bij de instellingen. Dat is ook niet verwonderlijk als iemand voor een aantal weken of maanden intern zit en bijvoorbeeld seksueel ontremd is.” 

De meeste instellingen voor mensen met een psychische afwijking houden de problemen met de seksuele behoeften van hun patiënten achter gesloten deuren. “Als dergelijke berichten naar buiten komen, hang je als instelling”, zegt Athuisius.

Toch heeft elke psychiatrische instelling waar patiënten langere tijd verblijven te maken met seks op de afdelingen, vermoedt Peter van Drunen, psycholoog en seksuoloog in opleiding bij GGZ-Friesland. “Het gaat om een serieus probleem. Zo weet ik dat het gebeurde in een inrichting waar ik werkte in Rotterdam. Ook op de drie verschillende afdelingen in Leeuwarden waar ik nu werk is regelmatig sprake van seksueel contact tussen patiënten.” 

Op landelijk niveau bestaan geen afspraken over hoe om te gaan met seksuele behoeften van patiënten in de geestelijke gezondheidszorg. Hulpverleners moeten improviseren als patiënten seksuele neigingen hebben, en weten zich vaak geen raad. “Iedereen erkent het probleem. Maar niemand doet er wat aan”, zegt Althuisius. “Bij psychiatrische instellingen is de situatie hopeloos.”

De afdelingen in Leeuwarden waar Van Drunen werkt, verbiedt elk seksueel contact. Het gevolg: patiënten die stiekem seks met elkaar hebben en dit niet melden aan de hulpverleners. “Een slechte zaak, want zo los je het probleem niet op”, zegt Van Drunen. “Toch houden we vast aan deze regels, omdat we te maken hebben met vrouwen die in het verleden op seksueel gebied vreselijke dingen hebben meegemaakt of mensen die door een psychische aandoening moeilijk hun grenzen kunnen bepalen.” 

Als hulpverleners patiënten betrappen, stoppen zij de behandeling. Volgens Van Drunen gaat dat te ver. “We schieten door in onze voorzichtigheid. Natuurlijk hebben we een zorgplicht en ben ik niet zomaar voor seks op de afdeling. Maar maanden zonder seks is ook niet echt gezond. Het is een vreselijk moeilijk dilemma.”

Maar is het dilemma ook op te lossen? Volgens seksuologen de hulpverleners. Zij vermijden het onderwerp seks liever, blijkt uit recent onderzoek. Ze voelen zich onzeker bij het bespreken van zo’n intiem onderwerp, waar tijdens de studietijd ook weinig aandacht voor is. “Ik schaam me bijna voor het niveau”, zegt Van Drunen. “Tijdens de opleiding komt het zijdelings aan de orde. Volgens mijn stellige overtuiging ligt daar de kern van het probleem.”

Ook volgens Althuisius  beginnen de problemen bij de gebrekkige kennis van hulpverleners. “Veel behandelaren zeggen: ‘We zijn niet geschoold om door te vragen.’ Bovendien hebben ze door bezuinigingen vaak weinig tijd voor de patiënten en slaan ze dit onderwerp graag over.”

Aan de Universiteit van Amsterdam, een van de twaalf Nederlandse universiteiten die de opleiding psychologie aanbiedt, is seksualiteit in de eerste vier jaar een keuzevak: een cursus van acht weken. “Postdoctoraal is er wel meer aandacht voor”, zegt klinisch psycholoog Marc Spiering van de Universiteit van Amsterdam. “Maar ik pleit er voor dat het ook tijdens andere vakken meer aan bod komt. In bijna elk vakgebied kun je de link met seksualiteit leggen, van het vak over reclame en beïnvloeding tot vakken over wat de mens beweegt.”

De problemen die ontstaan doordat hulpverleners na hun studie weinig bekend zijn met seksuele vraagstukken, beperken zich niet tot psychiatrische klinieken.

Ook in de zogeheten ambulante psychische zorg – waarbij mensen met psychische klachten vrijwillig met een therapeut bijvoorbeeld wekelijks een gesprek hebben- zijn zorgverleners vaak zorgvermijders.

Onderzoek toont aan dat ruim driekwart van de patiënten behoefte heeft aan hulp op seksueel gebied, terwijl psychiaters en psychologen er in minder dan drie op de tien gevallen naar vragen. “Als de hulpverlener er niet over begint, durven patiënten dat vaak ook niet”, zegt Althuisius. “Veel mensen generen zich er voor en houden het dan maar voor zich.”

En dat terwijl een op de vijf Nederlanders tussen de vijftien en zeventig jaar te maken heeft gehad met seksueel geweld, zo blijkt uit een grootschalige steekproef die expertisecentrum Rutger Nisso Groep vorig jaar in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport uitvoerde. Bij vrouwen ligt dat percentage het hoogst: een derde heeft te maken gehad met seksueel geweld en een op de acht vrouwen is ooit verkracht. Daarnaast geeft bijna de helft van de mensen aan niet of nauwelijks te genieten van seks. Kortom: miljoenen mensen kampen met vervelende seksuele ervaringen, bij velen van hen zou een gesprek met een hulpverlener helpen.

Het gevolg is dat patiënten de problemen opkroppen, wat kan leiden tot depressies of plotselinge (seksuele) uitspattingen. Bovendien kan seksuele frustratie de bestrijding van andere psychische aandoeningen in de weg zitten. Zo hebben medicijnen tegen psychoses vaak effect op de seksualiteit. “Uitblijven van een erectie of een orgasme en libidoverlies zijn bijwerkingen die mensen moeilijk verdragen als ze al worstelen met seksualiteit”, zegt Van Drunen. “We maken het vaak mee dat ze daardoor te vroeg stoppen met die medicatie, met als gevolg dat de psychose terugkomt.”

Tot nu toe zien de instellingen in de geestelijke gezondheidszorg geen reden voor grootschalige ingrepen. Psychiaters en psychologen krijgen weliswaar de kans om zich bij te scholen op het gebied van seksualiteit, maar regelmatig zijn er zo weinig geïnteresseerden dat de initiatieven nog voor de start gestaakt worden.

Ook de overheid ziet geen aanleiding om verbeteringen te eisen van de deskundigheid op het gebied van seksualiteit, omdat patiënten zich stil houden. Bij de Stichting Patiëntvertrouwenspersoon, waar cliënten van de geestelijke gezondheidszorg terecht kunnen voor bijstand en advies, kwamen op een totaal van ruim tienduizend klachten, dit jaar nog geen veertig  binnen die te maken hadden met seksualiteit. Bij de Cliëntenbond, zijn “enkele mails over seksualiteit op afdelingen” binnengekomen. Ook dit was geen reden om de inspectiedienst in te schakelen.

“We doen pionierswerk”, zegt seksuoloog Althuisius. “Condoomapparaten op de psychiatrische afdeling, bemiddeling in sekszorg en voorlichting over medicatie die seksuele bijwerkingen heeft. Het is allemaal niet standaard en zou dat wel moeten zijn. Er moet nog veel veranderen.”

Vreemdeling behandeld als crimineel

Posted By Jojanneke Spoor On oktober 22, 2010 @ 14:45 In Algemeen, Onderzoek | No Comments

schipholoost_vliegtuigNadat er in 2005 brand uitbrak in een vreemdelingendetentiecentrum op Schiphol, ontstond felle kritiek op de omstandigheden van vreemdelingen in gevangenissen. Nu, vijf jaar later, is de situatie nauwelijks verbeterd.

“Ik werd opgesloten in een donkere cel onder de grond”, vertelt Sutharshan Poobalisingam, politiek vluchteling uit Sri Lanka. Hoe lang hij daar zat, weet hij niet meer. “Ze kwamen me halen voor verhoor. Heel overweldigend. Ik begreep niet wat er gebeurde en wat ze wilden horen.” Uiteindelijk zat Poobalisingam in 2006 tien maanden vast in het detentiecentrum op Schiphol-Oost.

Mensen die zonder de juiste papieren aan de grens van Nederland worden aangehouden, komen in afwachting van hun uitzetting vast te zitten in het grenshospitium. Terwijl de Dienst Terugkeer en Vertrek hun uitzetting voorbereidt, zitten ze in een cel met een stapelbed, een wc’tje en een douche. Hoe lang ze moeten blijven, is onbekend. In 2009 was dat gemiddeld 97 dagen. “Ze vertellen je niks”, zegt Afework Nigussie, een man uit Ethiopië die in verschillende detentiecentra heeft vastgezeten. “Het is heel onduidelijk. Wij zijn geen criminelen maar zo worden we wel behandeld.”

Niet alleen mensen die aan de grens worden aangehouden komen in vreemdelingendetentie terecht. Ook mensen die al in Nederland verblijven en zonder geldige papieren worden aangehouden door de politie, worden in afwachting van hun uitzetting in de detentiecentra vastgezet. Voor hen geldt een iets strenger regime.

Na een brand in detentiecentrum Schiphol in oktober 2005 laaide de kritiek op vreemdelingendetentie op. Bij deze brand kwamen elf vreemdelingen om het leven. Vijftien mensen, onder wie enkele bewakers, raakten gewond. Er kwam veel kritiek op het gebrek aan voorzieningen in de vreemdelingendetentiecentra, het opsluiten van minderjarigen en de onzekerheid over de verblijfsduur. Critici spraken van ernstige mensenrechtenschendingen. Is er iets veranderd sinds de Schipholbrand?

In 2006 oordeelde een door de Tweede Kamer in het leven geroepen commissie dat de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) asielaanvragen in de 48-uursprocedure te snel en daardoor onzorgvuldig behandelde. Sinds 1 juni van dit jaar is de asielprocedure daarom aangepast. Op het aanmeldcentrum neemt de IND nu meer tijd voor het onderzoek. De asielzoeker, die tegenwoordig ‘vreemdeling’ wordt genoemd, krijgt een rustperiode van zes dagen, waarin gesprekken plaatsvinden met de vreemdelingenpolitie en Vluchtelingenwerk. Ook krijgen ze een medische controle en een eerste gesprek met een advocaat.

Vreemdelingenbewaring in Nederland
In 1982 besloot de overheid om asielzoekers die geen of weinig kans maken op een verblijfsvergunning op te vangen in transitruimte van Schiphol. Een aantal jaar later wordt
het Verblijfscentrum Schiphol-Oost geopend. Sindsdien zijn er steeds meer inrichtingen
gebouwd, die uitsluitend zijn bedoeld voor grensdetentie of vreemdelingenbewaring. Inmiddels zijn er ruim 3000 plaatsen voor vreemdelingendetentie.

Deze ontwikkeling is door mensenrechtenorganisaties positief ontvangen. Trudy van der Wielen van Vluchtelingenwerk maakt wel een kanttekening: “Het aanmeldcentrum op Schiphol is er niet op ingericht mensen zo lang vast te houden. Het is een wachtruimte”, zegt ze. “Een gesloten wachtruimte.” Daarom is ervoor gekozen om de rustperiode voor asielzoekers die via Schiphol binnenkomen tot twee a drie dagen terug te brengen. “Van een rustperiode kun je dan niet meer spreken.”

Slechte behandeling

De kritiek op vreemdelingenbewaring is velerlei. “Ze spelen een psychologisch spelletje met je”, zegt een jonge man uit West Afrika. “Als je niet sterk bent, dan breek je.” Na zijn studie vluchtte hij op een vals Frans paspoort het land uit. Via een transit in Nederland kwam hij in de grensgevangenis terecht. Een jaar geleden is hij vrijgelaten en kreeg hij 24 uur om het land te verlaten. Sindsdien is hij samen met een advocaat een nieuw zaak aan het voorbereiden. In februari hoopt hij met een studie te beginnen en om zijn kansen daarop niet te saboteren doet hij anoniem zijn verhaal. “Ze hebben me erg slecht behandeld. Ik werd gek, kon niet meer slapen.”

Afework Nigussie is in 2001 Ethiopië ontvlucht omdat hij in gevaar was. “Ik ben zanger en schrijf teksten die gaan over mijn land”, vertelt hij. “Dan kom je in problemen, want de overheid houdt niet van kritiek. Om vrij te zijn ben ik gevlucht.” Bij aankomst in Nederland werd hij vastgezet. “Ze leken mijn verhaal niet te geloven. Ik begreep het niet. Ik begreep niet waarom ik de gevangenis in moest terwijl ik niets fout had gedaan.”

Nigussie heeft inmiddels een verblijfsvergunning en durft nu zijn verhaal vertellen.“Omdat veel Nederlanders niet weten wat er gebeurt”, zegt hij. Dat is ook niet zo gek, want er komt weinig nieuws naar buiten. Leden van de bezoekgroep moeten voordat ze naar binnen gaan beloven niet met de media te praten. Vluchtelingenwerk, dat een kantoor heeft in het detentiecentrum, is voorzichtig met kritiek, omdat hun positie daar niet gegarandeerd is. Hulpverleners houden vaak in het belang van hun cliënten hun mond en al staat de directie ‘open’ voor journalisten, het is niet makkelijk iemand te spreken te krijgen.

Laatste middel

Een detentiecentrum voor vreemdelingen is niet te onderscheiden van een reguliere strafgevangenis. Hoge muren, prikkeldraad, gewapend glas en detectiepoortjes bij de ingang; “De opsluiting in een penitentiaire inrichting versterkt het beeld dat illegalen ook criminelen zijn”, zegt emeritus hoogleraar vrijheidsbeperking en vrijheidsontneming Anton van Kalmthout daarover. “Daarbij wordt vergeten dat deze opsluiting geen strafrechtelijk doel heeft.”

Vreemdelingenbewaring is alleen bedoeld om vreemdelingen beschikbaar te houden voor uitzetting. Volgens de vreemdelingenwet mag detentie alleen ingezet worden als ultimum remedium, een uiterst middel. Maar uit onderzoek blijkt dat minder ingrijpende manieren om de vreemdelingen in de buurt te houden, zoals een meldplicht, zelden worden toegepast.

In een normale strafgevangenis worden mensen voorbereid op terugkeer in de samenleving. Ze mogen werken, kunnen een opleiding volgen en gaan op proefverlof voordat hun straf er op zit. “In het grenshospitium is dat niet zo”, vertelt een man die op Schiphol-Oost werkt en anoniem wil blijven. “Vreemdelingen worden onder druk gezet om vooral maar mee te werken aan hun uitzetting. Intimidatie is het. Dan wordt er gedreigd dat mensen nog heel lang vast blijven zitten als ze niet terugkeren naar hun eigen land.”

“Het wachten, de onzekerheid en de angst voor uitzetting, dat is het ergste”, zegt Nigussie. “Je bent voortdurend bang dat de politie komt om je uit te zetten. Ze kwamen altijd heel vroeg, met vijf of zes man en knuppels.” Ook Sutharshan Poobalasingham was getuige van gewelddadige uitzettingen. “Vooral die van een Afrikaan van mijn afdeling herinner ik me goed. Ze deden plastic over zijn mond, bonden zijn benen bij elkaar en voerden hem met vier man af als een postpakketje.”

Mensenrechten

Volgens asieladvocaat Frans-Willem Verbaas is er sprake van “systematische mensenrechtenschendingen”. De advocaat neemt geen blad voor de mond: “Vooral over vervoer krijg ik veel klachten.” Als mensen vervoerd worden naar een ziekenhuis, gebeurt dat vaak met koppelboeien -handboeien die aan een gordel vastzitten- en broekstokken. “Dat mag alleen als daar een goede reden voor is”, meent Verbaas. “Laatst had ik een blinde cliënt die op deze manier vervoerd werd. Dat is buitenproportioneel. Zijn ze nou echt bang dat hij zal vluchten? Ze zijn gewoon geobsedeerd door veiligheid.”

“Voor en na het vervoer worden de vreemdelingen gevisiteerd”, vertelt Verbaas. “De vernedering, de angst voor deze behandeling doet veel mensen besluiten dan maar niet naar de dokter te gaan”, vertelt Verbaas. Terwijl er wel veel vraag is naar medische zorg. In de instellingen is daarom een huisarts aanwezig en verpleegkundigen zijn op Schiphol-Oost 24 uur per dag oproepbaar. Voor verder onderzoek of behandeling van een specialist kunnen de vreemdelingen onder toezicht naar een ziekenhuis.

De Inspectie voor de Gezondheidszorg constateerde in 2008 dat de medische dienst goed functioneert. Toch komen er vooral over medische zorg veel klachten binnen bij het onafhankelijke meldpunt vreemdelingendetentie. “Mensen klagen dat ze geen medicijnen krijgen”, vertelt Mieke Kox van het meldpunt. “En dat ze lang moeten wachten voordat de dokter komt.”Als iemand een dokter wil zien, moet hij een verzoekbriefje invullen en laten ondertekenen door een bewaker. Het feit dat de bewaker ziet wat de klacht is, schrikt sommige mensen af. “Verder maken we ons zorgen over kwetsbare groepen”, zegt Kox. “Ouderen en geestelijk zieken bijvoorbeeld. Die zitten ook gewoon vast.”

Klachten

De behandeling in detentie was voor de jonge man uit West-Afrika reden om veelvuldig te klagen. “Ik weet wel hoe ik een protest organiseer. Dat deed ik in mijn eigen land ook al.” Samen met medegevangenen schreef hij brieven en petities. “Maar pas als we protesteerden kregen we een reactie. Vorig jaar zijn we daarom in hongerstaking gegaan. Toen stopten ze ons in isoleercellen. Naakt, of nou ja, in een soort jurk en zonder ondergoed.”
Er komen steeds minder klachten over isolatiecellen, maar advocaat Verbaas is er niet gerust op. “Isolatie wordt nog steeds te vaak en veel te snel toegepast. Het is bijvoorbeeld standaard om hongerstakers in een isolatiecel te stoppen. Zogenaamd om ze dan beter in de gaten te kunnen houden. Er is geen enkele medische reden om mensen 23 uur per dag op te sluiten in een kleine cel, waarvan het raam uit mat glas bestaat, het beddengoed alleen ’s avonds wordt binnengebracht en het licht altijd aan is, omdat anders de camerabeelden geen zin hebben.” Verbaas maakt zich hier boos over. “In feite straf je mensen voor het uiten van hun ontevredenheid. In een beschaafd land als Nederland zou dit niet moeten mogen.”

Vreemdelingen in detentie kunnen wel officieel hun beklag doen over de omstandigheden waaronder ze zijn opgesloten. De meeste klachten gaan over de manier waarop bewakers met de gevangenen omgaan of komen van mensen die in isolatie zijn gezet, blijkt uit een inspectierapport van het Ministerie van Justitie. Het Europese Comité ter voorkoming van onmenselijke bestraffing (CPT) oordeelde in 2007 dat de officiële klachtenprocedure niet toereikend was: misstanden werden niet altijd ontdekt en onderzocht.

Van de 56 klachten die in 2009 in het detentiecentrum Schiphol-Oost werden ingediend, zijn er elf in overweging genomen. Geen van de klachten werd binnen de wettelijke termijn van vier weken behandeld. De gemiddelde behandeling duurde 113 dagen, langer dan de periode dat de meeste vreemdelingen in detentie zitten. Het rapport meldt verder dat 12% van de klachten werd ingetrokken, 9% niet-ontvankelijk verklaard, 9% werd met onbekende redenen niet behandeld.

tabel

De instroom in de vreemdelingenbewaring blijft in 2005 en 2006 op een gelijk niveau. In 2007 daalt hij ten opzichte van 2006 met ruim 23%. In de daaropvolgende twee jaren zet de dalende lijn zich in mindere mate voort. In 2009 is de instroom gedaald tot 7.867 personen; in vergelijking met 2005 is dat een afname van 37%. Bron: Vreemdelingenbewaring in getal 15 juni 2010. Ministerie van Justitie

Dagprogramma

Verveling is de grootste kwaal in vreemdelingendetentie. Iedereen heeft er last van. “Ik zat de hele dag alleen maar te dammen”, vertelt de jongen uit West-Afrika. “Knettergek wordt je daar op een gegeven moment van. Vooral ook omdat we niet wisten hoe lang het nog zou duren. We hebben toen geprotesteerd door te weigeren onze cel weer in te gaan. Daar schrokken ze wel van. Toen hebben ze een tijdje de fitnessruimte voor ons open gedaan.”
Sutharshan Poobalasingam was blij dat er in het detentiecentrum op Schiphol-Oost “zelfs een bibliotheek was”. Daar mogen de gevangenen een keer in de week naartoe.  Ook is er een recreatieprogramma van 18 uur per week. De inspectiedienst van het ministerie van Justitie is daar kritisch over: “Het activiteitenprogramma bestaat voornamelijk uit ‘recreëren’. Dit komt in de praktijk neer op doelloos rondlopen over de gang en hangen in de gemeenschappelijke ruimte.” Buiten sporten wordt in de winter vaak afgelast en er is dan lang niet altijd een alternatief. Afework Nigussie was sowieso niet zo te spreken over het sportprogramma: “Dat kon alleen af en toe een half uurtje. Ben je net warm, moet je alweer naar binnen.”

Sinds april 2009 hebben de vreemdelingen in plaats van een uur, recht op twee uur bezoek per week. Daarnaast hebben de vreemdelingen recht op bijstand van een geestelijke van eigen geloof. In het detentiecentrum op Schiphol is er sinds begin dit jaar echter geen Imam meer. Een medewerker: “De priester moet in één dag per week een dienst voorbereiden en ook nog eens alle persoonlijke gesprekken met de vreemdelingen voeren die daar behoefte aan hebben.”

Illegaal verblijf strafbaar

De omstandigheden in de detentiecentra als Schiphol-Oost zijn sinds de Schipholbrand amper verbeterd. Verveling en onzekerheid zijn nog steeds aan de orde van de dag. Ook met kritiek van de Europese mensenrechtencommissaris en het VN-Comité voor de Rechten van het Kind op het vastzetten van minderjarigen, is niets gedaan. Zo zijn er vorig jaar nog 300 alleenstaande minderjarige vreemdelingen in de grensgevangenissen beland.

Wat ook niet helpt, is de manier waarop de rechtbank besluiten neemt. “Opeens werd ik op straat gezet”, zegt Nigussie. Zonder geld en zonder papieren. ‘Klinkeren’ wordt dat ook wel genoemd. De rechter heeft dan besloten dat een uitzetting onwaarschijnlijk is en de vreemdeling daarom niet meer kan worden vastgehouden. Omdat vreemdelingenbewaring onder het bestuursrecht valt, bekijkt de rechter zaken alleen “marginaal”. De juistheid van beslissing om de vreemdeling überhaupt vast te zetten wordt door de rechter niet gecontroleerd.

Dit zal binnenkort wellicht veranderen. Het kabinet Rutte wil illegaal verblijf strafbaar maken. Dat zal dan vallen onder het strafrecht. “Dat zou de rechtspositie van vreemdelingen verbeteren, de rechter kan dan wel een beslissing nemen over de omstandigheden waaronder de asielzoeker naar Nederland kwam en in gevangschap werd genomen”, zegt Kalmthout.
Maar het heeft ook een keerzijde: “Je criminaliseert mensen die alleen een administratieve fout maken. Zelfs iemand die zijn visum van drie maanden met een dag overschrijdt is dan een crimineel”, zegt Kalmthout. “In principe legitimeer je met het strafbaar maken van illegaliteit de praktijk dat we vreemdelingen al jaren als criminelen behandelen.”

tabel2

‘I am no one from nowhere’

Posted By Irene de Pous On oktober 8, 2010 @ 17:00 In Algemeen, Onderzoek | No Comments

Met het openstellen van de EU-grenzen overspoelen Bulgaren de Nederlandse arbeidsmarkt.  Maar de regels van het spel zijn ingewikkeld en velen komen in conflict met de belastingdienst. Het alternatief: de illegaliteit. “Nederlanders geven het werk aan Turken, en de Turken geven het aan ons.”

Ze zijn die ochtend vroeg aangekomen in Amsterdam. De twee mannen staan onder een winkelluifel bij het Mercatorplein in Amsterdam West. De handen in de zakken. Naast de een staat een kleine zwarte koffer, bij de ander een sporttas. Het miezert al de hele dag. Komt hij nog? De kleinere van de twee haalt een smoezelig zwart boekje uit zijn zak en slaat het open. Mercatorplein staat er, en een 06-nummer. 

 

Alleen voor vijf euro willen de twee hun naam noemen. Wel leggen ze met een mix van handen, Duits en Engels uit dat ze hier een kennis zouden ontmoeten. “In Roemenië kein geld, kein arbeid,” zegt de langere. En wat als de kennis niet komt? De man doet de handen in een driehoekje boven zijn hoofd, maakt eetgebaren en schudt zijn hoofd. Dan hebben ze geen dak en geen eten.

Of, misschien kunnen ze dan bij de verslaggever slapen? En mogen ze de telefoon even gebruiken, om hun familie te bellen in Roemenië? Of in ieder geval die kennis? Terwijl de kleine belt, wijst de ander naar de sporttas. Daar zit een accordeon in. Ze gaan muziek maken om geld te verdienen. Mocht het hier niet lukken, dan hebben ze nog wel meer nummers in hun boekje. Van kennissen uit Rotterdam en België.

Open grenzen
Jaarlijks migreren zo’n vijfduizend Bulgaren en ruim tweeduizend Roemenen naar Nederland. De Bulgaarse gemeenschap is sinds de toetreding van de twee lidstaten in 2007 landelijk meer dan verdrievoudigd, in Amsterdam zelfs verviervoudigd. Daarnaast zijn er veel – hoeveel is onbekend – migranten die in de statistieken niet voorkomen. Ze komen om te werken. Thuis heeft de crisis toegeslagen. Het minimumloon is er met zo’n honderd euro per maand dertien keer zo laag als in Nederland. De open grenzen lokken. Maar werken, althans legaal, is nu net het probleem. Voor de nieuwe lidstaten geldt nog geen vrij verkeer van werknemers. Tot in elk geval eind 2012, en uiterlijk eind 2013, heeft Nederland beperkingen opgelegd aan burgers uit deze landen om de toestroom van arbeidskrachten te reguleren. Er zijn slechts twee manieren om hier aan de slag te kunnen: met een tewerkstellingsvergunning bij een werkgever of als zelfstandig ondernemer.

Op een bedrijventerrein in Zaanstad ruikt het afhankelijk van de windrichting naar brownies of citroentaart. De Bulgaarse accountant Lili Schroot heeft er onder de rook van cacao- en zetmeelfabrieken haar kantoor. De liefde bracht haar dertien jaar geleden naar Nederland. Nu ondersteunt ze Bulgaarse ondernemers en is verontwaardigd. “Ze maken legaal werken hier bijna onmogelijk. Als mijn klanten de vragen van de Belastingdienst invullen, krijgen ze als antwoord: ‘Je bent geen zelfstandige.’”

Deze middag had Schroot eigenlijk geen afspraken, maar het is een komen en gaan van klanten. Op haar witte pumps loopt ze druk heen en weer met koffie, mappen en folders. Op tafel staan Bulgaarse bonbons. Schroot helpt haar klanten om de taal, maar vooral de Nederlandse regels te begrijpen. Bij de woorden ‘Belastingdienst’ en ‘Arbeidsinspectie’ gaan haar ogen vlammen.

Ondernemer
Lyubomir Banchev – in leren jas, laptop op tafel – bespreekt met Schroot de mogelijkheden om kinderbijslag aan te vragen voor zijn twee kinderen in Bulgarije. Voor hem gold driemaal scheepsrecht. In 2007 kon hij met een tewerkstellingsvergunning een seizoen lang andijvie snijden in Breda. Hij scheidde in Bulgarije, wilde een nieuw begin en betaalde in 2008 tweehonderd euro aan een Bulgaars bedrijf dat voor hem legaal werk en een huis zou regelen in Nederland. Bij aankomst in Eindhoven bleek het verkregen telefoonnummer niet te werken. Het was carnaval en alle hotels waren bezet. Na twee nachten op het station keerde hij weer terug naar Bulgarije. Twee maanden later ondernam Banchev de tocht voor de derde keer en startte een eigen klusbedrijf, dat inmiddels goed loopt. Banchev (in het Engels): “Ik moet voor minder werken dan een Nederlander, anders krijg ik geen klussen. Maar ik heb veel meer kosten aan belastingen en verzekeringen dan Bulgaren die zwart werken en dus nog ver onder mij kunnen gaan zitten met hun prijs.”

Omdat een tewerkstellingsvergunning moeilijk te verkrijgen is – de werkgever moet dan aantonen dat er geen geschikte kandidaten te vinden zijn zonder vergunning – kiezen veel Bulgaren voor het ondernemerschap. In het jaar van toetreding steeg het aantal Bulgaarse starters van een kleine tweehonderd naar bijna zestienhonderd. In Amsterdam is eenderde van de – geregistreerde – Bulgaren zzp-er.  Maar over de precieze definitie van ondernemerschap botsen zij regelmatig met de belastingdienst.

Echtpaar Stoilova werkte jarenlang met een tewerkstellingsvergunning bij een kweker in Brabant. Een half jaar werken in Nederland, dan een half jaar uitrusten in Bulgarije. Dit jaar kon de werkgever geen vergunning voor hen krijgen. Dus registreerden ze zich bij de Kamer van Koophandel als zelfstandig ondernemer. Om vervolgens als zelfstandige bij dezelfde kweker aan de slag te gaan. Ze wonen in een caravan achter de kas. Vandaag zijn ze persoonlijk vanuit Brabant gekomen, want de nood is hoog. Stoilova (in gebroken Nederlands) “De Arbeidsinspectie is gisteren langs geweest. Ik kwam net uit de douche. Ze hebben ons drie en een half uur ondervraagd. Ik ben niet crimineel.”

Schijnzelfstandige
De inspectie vroeg de Stoilova’s of ze hun eigen werktijden bepaalden, zelf de plantjes kochten, ze iemand anders konden sturen als ze zelf ziek waren. Is het antwoord nee? Dan ben je geen zelfstandige, maar een werknemer. En voor een Bulgaarse werknemer heeft de werkgever een vergunning nodig. Boete voor de kweker: 8000 euro per illegaal werkende werknemer.

Schijnzelfstandigen, noemt de Arbeidsinspectie dit fenomeen, dat voornamelijk bij Bulgaren en  Roemenen voorkomt. De schijnzelfstandige staat geregistreerd als zzp-er, maar werkt in feite als werknemer. “Het is een beperkt maar groeiend verschijnsel, omdat het een aantrekkelijke vlucht is om hier aan de slag te gaan,” zegt Magda de Vetten, woordvoerder van de Arbeidsinspectie. Van 2008 op 2009 verdubbelde het aantal schijnzelfstandigen dat de Arbeidsinspectie bij controle tegenkwam.

De Stoilova’s snappen het probleem niet. Schroot evenmin. Ze staan toch geregistreerd als zelfstandige, hoe kan de inspectie dan bepalen dat ze dat niet zijn? “Als de regels nou duidelijk zijn, maar de regels zijn niet duidelijk,” zegt de man boos in het Engels. De Arbeidsinspectie benadrukt dat het niet om de officiële papieren gaat, maar om de praktijk: is er wel of niet sprake van een hiërarchische relatie tussen opdrachtgever en zzp-er. Schroot en de Stoilova’s overleggen of ze een advocaat in de hand moeten nemen.

Formulieren van de Belastingdienst, Kamer van Koophandel, VAR-verklaringen: veel Bulgaren beginnen er überhaupt niet aan. Deze groep komt zelfs niet voor in de statistieken, omdat ze niet zijn ingeschreven. Om hoeveel mensen het gaat, is daarom moeilijk te zeggen. Bij een recent verschenen onderzoek van het NICIS Instituut onder Oost-Europeanen in Rotterdam gaf veertig procent van de bijna honderd ondervraagde Bulgaren aan zich niet te hebben ingeschreven bij de Gemeentelijke Basisadministratie.

Kansarm
Uit hetzelfde onderzoek, dat de kennislacune over de groeiende en tot nog toe vrij onbekende groep Bulgaren moet opvullen, bleek dat Bulgaren hun weg relatief vaak via het zwarte circuit vinden in vergelijking met andere groepen Oost-Europeanen. Ze zijn vaker dan Roemenen kansarm op de Nederlandse arbeidsmarkt, omdat ze lager opgeleid zijn en in eigen land al werkloos.

Veel van deze kansarme Bulgaren zijn Turkse Bulgaren. Zij vinden hun weg via de Turkse gemeenschap in Nederland. Al in 2002 bleek uit onderzoek in Den Haag dat Turkse ondernemers vaak Turks Bulgaarse werknemers uitbuitten. De Gemeente Amsterdam vermoedt dat in Amsterdam dezelfde situatie geldt, maar heeft dit, in tegenstelling tot Rotterdam en Den Haag, nog niet onderzocht.

Wie Bulgaren in Amsterdam wil vinden, moet op het Mercatorplein zijn. Na een aantal dagen regen, is de zon daar inmiddels doorgebroken en trekken de mensen de straat op. Met luid gebel komt een vrouw van in de vijftig het plein op fietsen. Ze zwaait links en rechts en houdt stil voor een groepje mannen dat op de bank zonnebloempitjes zit te kauwen onder het genot van een blikje energiedrank. Het is de Bulgaarse Reni, de ‘mama’ van het Mercatorplein. Twee grote goudkleurige oorringen, kraaienpootjes rond de ogen, bij de haarwortels maakt rood plaats voor grijs. 

In Bulgarije was Reni kleuterleidster in Sofia, moeder van twee kinderen en oma van nog meer. Maar ze kon de lening van haar huis niet meer betalen en vertrok drie maanden geleden naar Nederland. Ze werkt als huisschilder. De eerste maand sliep ze in het park, maar nu gaat het goed. Ze wijst op haar verroeste fiets, en laat twee mobieltjes zien. Alleen haar huur, die is zo vreselijk hoog: tweehonderd euro per maand, voor een kamer die ze met vijf anderen deelt. Hoe groot? Ze overlegt met een van de mannen. Drie bij vier denkt zij, hij zegt vijf bij zes.

De mannen geven de zak zonnebloempitjes door en kauwen. Ze spreken Bulgaars en Turks. In Bulgarije leeft een minderheid van tien procent Turkse Bulgaren, nog uit de tijd van het Ottomaanse Rijk. Bij de Turkse Aya Sofia Moskee en op dit plein ontmoeten ze elkaar om werk uit te wisselen en te kletsen. Een van hen is Ali Canueb. Met zijn benen over elkaar rookt hij een sigaretje. In zijn haar heeft hij een zonnebril geschoven. Als hij lacht blinkt een gouden tand.

Vijf jaar geleden probeerde hij al eens in Griekenland werk te vinden. Zonder succes. Een jaar geleden raakte hij zijn baan kwijt in een bakkerij en kwam met een busje vol Bulgaren naar Nederland. De andere mannen kent hij van zijn dorp in Bulgarije. “Ze zeiden dat hier banen waren.” Over werkvergunningen wist hij niets. “Nu blijkt dat ze om documenten vragen, anders is het illegaal.”

Zwartwerkers
De positie waarin Canueb zich bevindt, wordt in het NICIS-rapport ook wel een ambivalente juridische genoemd. Wél toegang tot Nederland, maar geen toegang, of in ieder geval beperkte toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt. Voordat Bulgaren aan de reis beginnen, zijn ze vaak niet van deze positie op de hoogte. “Het enige dat ze weten is dat Bulgarije bij de Europese Unie zit, en dat ze hier dus heen kunnen reizen,” zegt een medewerker van de Aya Sofia Moskee. De Bulgaren zijn dan ook koploper als het gaat om illegaal werk: bij een kwart van de illegaal tewerkgestelden die de Arbeidsinspectie tegenkomt, gaat het om een Bulgaar. Met de Roemenen erbij betreft het zelfs een derde.   

Ook Canueb vindt zijn werk zonder werkvergunning. Via vrienden. Net als de mannen naast hem op de bank, in de bouw. “Nederlanders geven het werk aan Turken, en de Turken geven het aan ons.” Ze krijgen er veertig à vijftig euro per dag voor. Een stuk minder dan de Nederlanders, beseffen ze. Maar nog altijd veel meer dan ze thuis verdienden. Daar kwamen ze op zo’n 75 euro per maand.

Nee, terug willen ze niet. “Alleen als ze ons dwingen. De mensen hier zijn aardig, het geld is goed.” Alleen hun familie missen ze. Waar ze slapen? De mannen lachen. In het park, bij vrienden, in lege huizen in de buurt. In de Gemeentelijke Basisadministratie zijn ze in ieder geval niet te vinden.

In Slotervaart is zo’n woonblok met ‘lege huizen’. Jonge mannen uit Oost-Europa vinden hier hun slaapplek. De flatgebouwen staan op de lijst om gesloopt te worden, en zijn met hoge hekken omheind. Verboden toegang. Deuren zijn dichtgetimmerd met spaanplaat, ruiten ingegooid, leidingen weggesloopt. De garagedeuren hangen half in hun voegen. In een van de garages is een tuinslang aangesloten op de waterleiding in de grond. Verderop lopen elektriciteitsdraadjes uit een gat in de grond waar eerst een lantaarnpaal heeft gestaan, en gaan op de derde verdieping van de flat naar binnen.

Straatnieuws
Het lijkt uitgestorven. Maar kleine tekens van leven verraden het tegendeel. Een jongenshoofd duikt weg achter het raam. Een t-shirt hangt over het balkon. Er klappert een deur, een man loopt voorbij. “I am no one from nowhere,” antwoordt hij en loopt gauw verder. Achter een van de huizen maakt een groepje mensen een vuurtje van afval. Een van de mannen wil wel praten en komt door het hoge gras.

Robert, of Omar heet hij. Afhankelijk of hij zijn Roemeense of Turkse naam gebruikt. Hij woont hier niet, maar is op bezoek bij Hongaarse vrienden. “Maar het is hier vol met mensen, overal vandaan,” zegt hij in het Engels. Zelf kwam Robert zes maanden geleden met Eurolines naar Nederland, met zijn ID en wat geld op zak. Thuis had hij familieproblemen en verloor zijn baan als banketbakker. “In Roemenië had ik goede verhalen gehoord over Nederland. Dat er hier veel werk was.” Maar dat viel tegen. Robert verkoopt nu het Straatnieuws. “Het is moeilijk,” zegt Robert. “Je mag hier komen, maar je mag niets doen.”

In de Buurtentree aan het Mercatorplein weet gastvrouw Johanna de Schipper de gevolgen van deze migratie treffend te verwoorden. “Vergelijk het met een vissenkom. Officieel zwemmen er tien vissen, maar eigenlijk zijn het er twintig. Alle twintig maken gebruiken van de ruimte, de plantjes en het visvoer.” Zo’n circuit dat zich aan het zicht van de gemeente onttrekt, zet ook de leefbaarheid van de wijk onder druk. “Mensen die zwart werken en wonen willen anoniem blijven en draaien niet mee. Maar ze zijn er wel.”

 Bos en Lommer
Volgens cijfers van het CBS wonen hier momenteel ruim 15.000 Bulgaren. In Amsterdam is het de snelst groeiende gemeenschap, en daar woont dan ook een relatief groot deel ervan, namelijk vijftien procent. Ter vergelijking: van de Polen in Nederland woont slechts vijf procent in Amsterdam. De Bulgaren in Amsterdam wonen vaak in buurten waar ook veel Turkse Amsterdammers wonen, met name in Geuzenveld en Bos en Lommer.

Justitie herkent schizofrenie bij Marokkanen niet

Posted By Lise Witteman On oktober 1, 2010 @ 17:25 In Onderzoek | No Comments

politieWaanideeën drijven Marokkanen de criminaliteit in. Maar de schizofrenie wordt vaak niet herkend door politie en rechters. “Met een psychose tussen de gevangenismuren is geen pretje.”

“Op 13 mei 2009, omstreeks 07.33 uur, kregen mijn collega en ik via de meldkamer door dat in Veenendaal een man met een bijl achter een vrouw en een kind aanrende. Ter plaatse zag ik een man van Marokkaanse afkomst lopen met een zwarte trainingsbroek aan. Ik hield hem aan.

Hij was niet verbaasd. Ik vroeg hem of hij begreep waarom hij was aangehouden. De man zei herhaaldelijk: “Ik moet eruit, ik moet eruit.” Hij maakte een verwarde indruk. Ik begreep dat er geen gesprek met de man mogelijk was, omdat hij bovengenoemde woorden bleef herhalen. Hij reageerde niet op mijn vragen.”

24 december 2009. De rechter bepaalt dat de man die zijn schoonzus met de botte kant van een bijl op haar arm sloeg, schuldig is aan poging tot zware mishandeling. Hem hangt een celstraf van maximaal vijf-en-een-half jaar boven het hoofd. De man gaat in hoger beroep. Zijn verdediging: schizofrenie.

De tweede generatie Marokkaanse allochtonen kampt zeven keer vaker met schizofrenie dan autochtonen. Dat betekent dat één op de achttien de ziekte vroeg of laat ontwikkelt. Velen van hen raken in de criminaliteit, omdat behandeling te laat komt. Justitie is nog onervaren in de omgang met deze patiënten, waardoor het risico groot is dat zij ten onrechte in de gevangenis belanden. Psychologen, juristen en hulpverleners luiden de noodklok. “Gevangenissen zijn geen behandelcentra.”

Verkeerde vrienden

Of iemand schizofrenie krijgt is deels genetisch bepaald, en deels afhankelijk van de omgeving. Met name de tweede generatie Marokkaanse allochtonen is geneigd schizofrenie te ontwikkelen. De patiënten, tussen de 16 en 35 jaar, komen vaak uit de lagere sociale klassen, worden gediscrimineerd en streng of juist te los opgevoed. Ook blijkt dat vooral allochtonen in witte wijken met schizofrenie kampen. Doordat ze tussen het wal en schip vallen van twee culturen, worstelen ze met hun identiteit.

Waanideeën

Schizofrenie heeft de reputatie tot de meest levensontregelende psychiatrische aandoeningen te behoren. Het rijtje aan verstoringen is lang. Hersenfuncties als aandacht, waarneming, denken, geheugen, het oplossen van problemen, taal en motoriek worden aangetast. Ook horen veel patiënten stemmen. De herinneringen van schizofrene patiënten zijn vaak gebrekkig, verward of verdraaid. Ze kunnen bijvoorbeeld moeilijk onderscheiden of de herinnering die ze hebben afkomstig is van een gebeurtenis die ze zelf hebben meegemaakt, van een gebeurtenis waarover iemand anders heeft verteld, of uit hun fantasie. Toch zijn ze volledig overtuigd van de juistheid van hun eigen waanideeën.

Ook in andere landen komt schizofrenie relatief vaak voor bij migranten. In Engeland is het risico op schizofrenie voor de tweede generatie Afro-Caribbeans negen keer zo hoog als voor autochtone Britten. In Denemarken blijken de uit Groenland afkomstige Inuit vijf tot twaalf keer vaker te lijden aan de geestesziekte. De verwarde tweede generatie immigranten zet zich af tegen zowel ouders als maatschappij. Zo komen ze in aanraking met de verkeerde vrienden en drugs, waardoor velen van hen de criminaliteit ingaan.

Dat is vaak het moment dat sociaal-psychiatrisch verpleegkundige Tiny van Hees voor het eerst de patiënten ontmoet. Want pas na aanraking met justitie wordt de ziekte ontdekt. Van Hees is de initiatiefneemster van een thuiscoachingproject voor Marokkaanse schizofreniepatiënten en hun familieleden in Utrecht. “Bij een samenkomst van Marokkanen een paar jaar terug, bleek dat schizofrene jongeren in hun geheel niet worden bereikt. Tijdens de tien jaar dat ik in de geestelijke gezondheidszorg werkte, was ook niet één Marokkaans gezin bij mij langs geweest.”

Lastige crimineeltjes

Onder Marokkanen rust een groot taboe op psychische handicaps. Ouders van patiënten met waanideeën verklaren hun kinderen ‘druk’ of ‘bezeten van geesten’. Nederlandse kinderen met een stoornis worden dan ook twee keer vaker behandeld, dan een kind van niet-westerse afkomst. Behandeling komt pas ter sprake, wanneer de patiënt een keer echt door het lint gaat of bij justitie belandt. Van Hees schat in dat een op de vijf Marokkaanse verdachten eigenlijk schizofreen is.

Maar justitie is er niet op ingericht om als eerste opvang van schizofrene jongeren te dienen. Hoewel Van Hees wel ‘langzaamaan’ verandering ziet, behandelen agenten de jonge Marokkanen vaak als lastige crimineeltjes en herkennen ze het ziektebeeld niet. Het Openbaar Ministerie is ook niet verplicht om een gedragsdeskundige aan te stellen bij de verhoren van verdachten die vermoedelijk een psychische stoornis hebben. Van Hees: “Het is allemaal erg afhankelijk van de dienstdoende agent, of hij bekend is met het probleem.”

Begin dit jaar pleiten drie psychologen in een vakblad voor psychologie daarom voor de aanwezigheid van gedragsdeskundigen bij het politieverhoor. Twee van de auteurs zijn als getuige-deskundigen betrokken geweest bij rechtszaken met Marokkaanse schizofrene verdachten. Het viel hen op dat bij de verhoren van de duidelijk verwarde mannen geen gedragsdeskundige aanwezig was.

Zo werd een man verdacht van aanranding. De rechercheurs waren hem tijdens een buurtonderzoek op het spoor gekomen. De man bleek regelmatig op merkwaardige wijze door de straat te lopen, waarbij hij plots stil stond, schichtig om zich heen keek, en vervolgens wegdook achter de geparkeerde auto’s. Tijdens het verhoor wist de verdachte globaal wel waarover de rechercheurs met hem spraken: hij woonde immers vlakbij de plaats delict en had via het buurtonderzoek en de media gehoord over de aanranding. Door zijn schizofrenie betrok de man deze kennis op zichzelf, waardoor hij aan zijn eigen onschuld ging twijfelen. Ook zijn verklaringen waren onsamenhangend en de indruk ontstond dat hij daderwetenschap had. Hij werd aangeklaagd. Maar de rechter was alert, en sprak de man vrij.

Ontoerekeningsvatbaar

Strafrechtadvocate Lotje van den Puttelaar krijgt regelmatig met dit soort zaken te maken. Ze verdedigt al meer dan twintig jaar de belangen van psychiatrische patiënten en heeft moeite met de voor haar gevoel willekeurige manier waarop patiënten worden behandeld. “Het is heel erg afhankelijk van de kennis en expertise van de advocaat en de rechter hoe een psychiatrische patiënt wordt beoordeeld.”

Van den Puttelaar herinnert zich een zaak waarbij twee patiënten in een psychiatrisch ziekenhuis seks hadden met een zwakbegaafde vrouw. De rechter oordeelde dat er sprake was van verkrachting. De patiënten, volgens Van den Puttelaar goed vergelijkbare gevallen, doorliepen apart van elkaar de rechtsgang met begeleiding van verschillende advocaten. Háár cliënt werd mild beoordeeld en gewoon teruggestuurd naar het ziekenhuis, terwijl de ander TBS kreeg opgelegd. Van den Puttelaar: “Dat snap ik dus niet.”

Bij het oordeel van de rechter spelen geslacht en etnische afkomst een rol, denkt Van den Puttelaar. “Ik merk dat vrouwen vaker als geestesziek bestempeld worden dan mannen. En dat allochtonen juist eerder in de hoek van de criminaliteit gestopt worden, dan dat ze als patiënt aangemerkt worden.” Haar observatie wordt gedeeltelijk ondersteund door recentelijk onderzoek van psychiater David Vinkers. Hij vergeleek de (on)toerekeningsvatbaarheidoordelen in 2005 van allochtonen en autochtonen. Wat bleek: allochtonen met een psychische aandoening werden vaak óf volledig toerekeningsvatbaar óf volledig ontoerekeningsvatbaar beoordeeld, waar autochtonen eerder verminderd toerekeningsvatbaar werden ingeschat. De rechter oordeelde dus genuanceerder over de autochtone verdachten. Vinkers: “Maar de vergelijking zegt niet zoveel over de fijngevoeligheid van de rechter. Schizofrene allochtonen die voor de rechter verschijnen, hebben vaak nog nooit behandeling ondergaan. Daardoor kan het zijn dat zij ook inderdaad in meer gevallen volledig ontoerekeningsvatbaar blijken.”

Gevangenismuren

Zelfs wanneer gedragsdeskundigen wel worden ingeschakeld, trekken allochtonen aan het kortste eind. Onderzoek in 2006 wijst uit dat psychiaters meer moeite hebben met het vaststellen van een diagnose bij allochtonen, doordat “de jongens zich vaker dreigend en manipulerend opstellen en proberen hun ware aard te verbergen”. De fricties tussen psychiater en verdachte belanden vervolgens in het juridisch rapport en ten slotte op het bureau van de rechter. Het gevolg is dat de rechter de allochtone verdachte harder aanpakt.

Om al deze problemen te voorkomen en een eerlijke rechtsgang te verzekeren, is in Canada en de Verenigde Staten het juridische fenomeen competence to stand trial geïntroduceerd. Het uitgangspunt hiervan is dat er pas dan een rechtszaak komt als duidelijk is dat de verdachte redelijk inzicht heeft in het proces dat tegen hem wordt gevoerd. Tot die tijd wordt de verdachte meestal opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.

Nederland kent de vergelijkbare incompetentie-wet, maar is in de uitvoering daarvan minder effectief. Zo hebben rechters in de Verenigde Staten een standaardtoets om te beoordelen of iemand competent genoeg is voor een rechtszaak. In Nederland ontbreekt een dergelijke toets.

De drie auteurs van het artikel over psychisch kwetsbare verdachten pleiten er daarom voor de effectievere competence to stand trial-regel ook in Nederland door te voeren. “Het biedt wellicht mede een oplossing voor het alsmaar groeiende aantal psychotische mensen binnen onze gevangenismuren.” Immers, bijna negentig procent van de jongens die in jeugdgevangenissen zijn opgenomen, van wie meer dan de helft van niet-Nederlandse afkomst, kampt met een psychische aandoening. Volgens mede-auteur Maarten Peters is het verblijf binnen de gevangenismuren voor patiënten met een psychose bepaald geen pretje. “Uit internationaal onderzoek is ook gebleken dat het verblijf in de gevangenis een negatieve invloed kan hebben op de aandoening, onder andere door de uitzichtloosheid, een gebrekkige behandelsetting en het leefklimaat.”

Voorkomen

Inmiddels begint ook in Nederland het besef te dagen dat mensen met een psychose een status aparte verdienen in het strafprocesrecht. Bij de recherche-opleiding komt er steeds meer aandacht voor gedragsproblemen van verdachten en kunnen rechercheurs zich ook specialiseren in het verhoren van bijvoorbeeld verstandelijk beperkte minderjarigen, zegt een woordvoerder. “Maar het is niet zo dat iedere agent een gediplomeerd psycholoog is.”

Ook Maarten Peters ziet “een positieve trend” in de manier waarop rechters zich in de belangen van psychisch labiele verdachten inleven. Hij noemt het ‘Bijenkorfdrama’ in 2007 waarbij een moeder haar kind van vier hoog liet vallen en er zelf achteraan sprong. Het kind overleefde het niet, de moeder was zwaargewond. In hoger beroep oordeelde het hof van Amsterdam afgelopen maand dat de vrouw destijds volledig ontoerekeningsvatbaar was, maar inmiddels geen TBS meer hoeft omdat ze haar psychose helemaal te boven is. Ze werd vrijgesproken.

In een zaak waarbij een veertigjarige Marokkaan een fiets naar een politieagente gooide en haar in het gezicht sloeg, kwam het eveneens tot vrijspraak. Nadat de verdachte was onderzocht, kwam de psychiater tot de conclusie dat de man geen afweging kon maken tussen goed en kwaad en daarmee volledig ontoerekeningsvatbaar was. Omdat de verdachte al een tijd had vastgezeten en de ernst van de zaak ‘gering’ was, hoefde hij niet te worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Hij kon terecht in een centrum voor geestelijke gezondheidszorg.

Maar uiteindelijk zouden schizofrene Marokkanen zoals in bovengenoemde zaken veel meer baat hebben gehad bij een vroege aanpak van problemen. Vóórdat ze met een bijl achter hun schoonzus aangaan. Helaas zit juist daar de crux, zegt onderzoeker Wim Veling. “Het heeft een tijd geduurd voordat het onderwerp schizofrenie onder allochtonen serieus werd genomen. Het probleem werd ontkend of genegeerd. Deels omdat de wetenschappelijke wereld dacht dat schizofrenie bij iedereen en overal evenveel voorkomt en dat het een puur genetisch bepaalde ziekte is. Deels omdat het een gevoelig, ook politiek beladen onderwerp is.”

Ook Tiny van Hees, van het thuiscoachingproject, herinnert zich dat er zo’n tien jaar geleden nog niets bekend was over schizofrenie onder allochtonen. “Toen bleek dat het maar liefst zeven keer zo vaak voorkomt als bij autochtonen was dat echt een wake-up call.”

Bijl

Het onderzoek naar psychische problemen bij allochtonen staat daardoor nog in de kinderschoenen. GGD Amsterdam zegt dat er vooralsnog weinig antwoorden zijn op vragen over de reikwijdte van het probleem. Pas door berichten in de media over ‘kutmarrokaantjes’, ging het onderwerp echt leven. Met name het drama rond Bilal B, schudde de autoriteiten wakker. De Marokkaanse jongen (22) uit Slotervaart liep in 2007 een politiebureau binnen en stak twee agenten neer voordat hij zelf werd doodgeschoten. Zijn familie was er juist dat jaar achter gekomen dat hij al jaren leed aan schizofrenie. Als hij eerder behoorlijk behandeld zou zijn geweest, zou de jongen wellicht nog leven.

Het incident leidde ertoe dat voormalig wethouder Marijke Vos in 2008 opdracht gaf tot een groot onderzoek naar schizofrenie onder de Amsterdamse jeugd. Het project dat werd opgezet, genaamd Hart en Ziel, moet ertoe leiden dat probleemjongeren worden behandeld voordat ze ontsporen. Onderzoeker Veling: “Preventie is inderdaad het beste: vroege signalering van problemen, met name gericht op hoog risico groepen zoals Marokkaanse jongeren.”

Afgelopen schooljaar werden daarom voor het eerst kinderen van vijf Amsterdamse basisscholen gescreend op psychische aandoeningen. Daarvoor moesten zowel hun ouders als de leerkrachten vragenlijsten invullen. Ook zwerfjongeren en overlastgevende jeugd staan op het programma om gescreend te worden. Maar voorlopig is slechts nog sprake van een proeffase. Pas volgend jaar worden de eerste resultaten openbaar.

De man met de bijl stond begin september weer voor de rechter. Ditmaal concludeerde het hof dat “verdachte het feit in zijn geheel niet kan worden toegerekend wegens de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.” Hij was immers amper aanspreekbaar en als hij iets zei op de aan hem gestelde vragen, deed dat volstrekt niet ter zake. “Verdachte zal op grond daarvan door het hof worden ontslagen van alle rechtsvervolging.” Wel wordt hij een jaar lang opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis “daar verdachte gevaarlijk is voor de algemene veiligheid van personen”. Zijn bijl krijgt hij terug.

Erbarmelijke omstandigheden op Koranscholen

Posted By Jonathan Witteman On oktober 23, 2009 @ 17:20 In Onderzoek | No Comments

11th Century North African Qur’?n in the Briti... [19]

Image via Wikipedia

Op Koranscholen in Slotervaart krijgen jonge kinderen ook op zaterdag en zondag les. Maar de kwaliteit van dat onderwijs staat ter discussie. Onderwijzers zouden autoritair zijn, weinig pedagogische kennis hebben en hun leerlingen slaan. Stadsdeelvoorzitter Marcouch bepleit islamonderwijs op openbare scholen. Maar dat komt maar niet van de grond.

AMSTERDAM – Zaterdagochtend 17 oktober, Amsterdam Slotervaart. Een processie van rugzakjes trekt over het schoolplein van de islamitische basisschool El Kadisia. Meisjes met roze mini-rugtassen benen aan de hand van hun moeder de school binnen, jongens met petjes op en rugzakken van Spongebob Squarepants rijden bij hun vader achterop de fiets het plein op. Auto’s rijden af en aan om hun kinderen af te leveren bij de achteringang van de school, die ingeklemd is tussen bouwcontainers en galerijflats.

Nauwelijks honderd meter verderop hetzelfde tafereel: schoolkinderen haasten zich over het August Allebéplein, langs de groentemannen die hun kratten met komkommers en meloenen nog aan het uitstallen zijn. De kinderen verdwijnen via een zijdeur de El Ouma-moskee in, naar de lesruimten met de gesloten gordijnen.

In dit soort “stinklokalen” – om met de Slotervaartse stadsdeelvoorzitter Ahmed Marcouch te spreken – krijgen naar schatting duizenden Nederlandse kinderen iedere zaterdag- en zondagochtend les in de Koran. Voor hen geen paardrijden, scouting of voetbal, maar het opdreunen van soera’s.

Deze zogenoemde Koranscholen staan onder druk vanwege de vaak slechte omstandigheden waarin leerlingen les krijgen. Kinderen zouden er lijfstraffen krijgen en aan anti-westerse retoriek worden blootgesteld. De leraren op de Koranscholen ontbreekt het aan pedagogische kennis en ze spreken vaak niet of nauwelijks Nederlands.

Geestelijke mishandeling

“Ze gaan om met die kinderen alsof het beesten zijn”, zegt Fatimazohra Hadjar van de Slotervaartse Stichting Kinderen in Achterstand Posities. “Ze hebben totaal geen kennis van pedagogiek of ontwikkelingspsychologie op de Koranscholen. Als kinderen iets niet weten, dan worden ze geslagen. Zo wordt hen een boodschap meegegeven dat geweld een middel is om iets te bereiken. Het is pure geestelijke mishandeling.”

Hadjar herinnert zich een meisje dat in tranen bij haar binnenkwam met een handafdruk in haar gezicht. “Ze gaf aan dat ze geslagen was omdat ze een tekst verkeerd had uitgesproken. Ik stapte naar haar docent en sprak hem erop aan, maar het moest eerst voor hem vertaald worden, want hij verstond me niet eens.”

Meerdere malen ging Hadjar op eigen houtje naar moskeeën om linialen te stelen waarmee kinderen mogelijk geslagen werden. “Dat waren eigenlijk geen linialen meer, maar dikke stokken. Ik liet een briefje achter waarin ik zei: ‘Kom ze maar bij mij thuis ophalen’. Maar daar hoorde ik dan nooit meer iets van.”

Maar niet alleen geweld is een probleem, zegt Hadjar. “Kinderen leren op Koranscholen alleen om dingen klakkeloos uit het hoofd te leren. Ze kunnen allemaal bidden en verzen reciteren, maar wat het betekent en waarom dat zo is, kunnen ze je niet vertellen.”

Koranscholen hebben als primair doel om kinderen de beginselen van de islam bij te brengen. Marokkaanse moskeeën leggen daarnaast veelal de nadruk op het leren van de Arabische taal. De imams proberen de religieuze identiteit van de kinderen te kneden en ervoor te zorgen dat de banden met het land van herkomst en de eigen gemeenschap intact blijven.

De Koranscholen mikken op kinderen in de basisschoolleeftijd, van zes tot en met twaalf jaar. Zij krijgen meestal les op zaterdag en zondag, van tien uur ’s morgens tot twaalf uur ’s middags, en soms ook op woensdagmiddag of op vrije dagen.

Onderzoek

Een van de aanbevelingen in het eind vorig jaar verschenen rapport ‘Jongeren en hun islam’ van het Verwey-Jonker Instituut was: “Geen fysieke straf en een minder autoritaire houding”. ‘Als je zeven jaar oud bent en je gaat naar zoiets toe en je krijgt te maken met geweld, ga je dan van de islam houden?’ zei een van de ondervraagden.

Het Verwey-Jonker Instituut deed ook in 2006 al onderzoek naar de kwaliteit van de weekendlessen in drie Rotterdamse moskeeën. Dat gebeurde in opdracht van de gemeente Rotterdam. De aanleiding voor het onderzoek was het bericht dat leerlingen in de Marokkaanse Othman-moskee in Crooswijk klappen hadden gekregen.

De conclusies van het onderzoek waren gemengd: het slaan leek een incident – de desbetreffende docent was inmiddels ontslagen – maar de kwaliteit van het onderwijs was erbarmelijk. Het pedagogische klimaat was volstrekt verouderd, de lessen werden gegeven door autoritaire docenten die weinig interacteerden met hun pupillen, niet in het Nederlands doceerden, de nadruk legden op het stampen van feitjes en lesgaven in armoedige lokalen.

Niet alleen in Nederland spelen problemen rond Koranscholen. In moskeeën in Keulen bleken kinderen begin 2008 met fysiek geweld tot bidden te worden gedwongen. De opvattingen die in de moskeeën werden geproclameerd waren volgens een politierapport bovendien “antiwesters” en “antisemitisch”. Imams verheerlijkten de Jihad en het martelaarschap tegenover hun pupillen. 

In Antwerpen kwam dit jaar zelfs een verkrachtingszaak aan het licht. Een docent aan een Antwerpse Koranschool kreeg achttien maanden cel voor de verkrachting van een tienjarig jongetje. Niet lang daarvoor waren twee leraren en een studieopzichter van een Koranschool veroordeeld wegens kindermishandeling. Ze hadden hun leerlingen geslagen met rubberen tuinslangen en met een ijzeren liniaal. Tijdens de zwemles hadden de kinderen striemen op hun lijf, waarna de zwemleraar alarm had geslagen.

Een van de problemen is dat de Koranscholen grotendeels onder de radar kunnen opereren. In Nederland vallen ze niet onder het toezicht van de Onderwijsinspectie en dus is er niet of nauwelijks toezicht op hoe het er in de Koranscholen aan toegaat.

Ahmed Marcouch voert sinds vorig jaar campagne tegen de Koranscholen. Marcouch zegt uit het hele land meldingen te krijgen van moslims die lijfstraffen krijgen. De omstandigheden waaronder de kinderen les krijgen en de kwaliteit van het onderwijs zijn bedroevend, aldus Marcouch.

Ex-minister Vogelaar (PvdA, Integratie) kondigde mede naar aanleiding van de uitlatingen van Marcouch een onderzoek aan naar de misstanden op Koranscholen. Dat onderzoek loopt nog steeds.

Maar Marcouch wilde een stap verder. Hij hield een pleidooi voor het geven van islamlessen op openbare basisscholen. Op die manier zouden ouders hun kinderen niet meer in het weekend naar de Koranscholen hoeven sturen.

Kritiek

Marcouch kreeg veel kritiek op zijn voorstel. Hij zou het openbaar onderwijs proberen te “islamiseren”, zo zeiden onder meer tegenstanders binnen zijn eigen partij. Zijn betoog zou een einde maken aan het seculiere karakter van het openbaar onderwijs en een aantasting betekenen van de scheiding tussen kerk en staat.

De Slotervaartse stadsdeelvoorzitter herkent zich niet in de kritiek. “Ik wil het onderwijs helemaal niet islamiseren, ik wil alleen voorkomen dat we kinderen kwijtraken aan radicalisering. Ik constateer ieder weekend weer dat er in mijn stadsdeel honderden, maar landelijk zelfs duizenden kinderen naar de Koranschool gaan. Ik constateer ook dat het pedagogisch en didactisch klimaat daar niet goed is. Ik constateer dat juffen en meesters op basisscholen tegen mij zeggen: Meneer Marcouch, die kinderen krijgen we maandag heel raar terug, ze zijn druk, ze zijn onbeschoft en ze vertellen dat ze klappen krijgen.

Maar ik kan ouders moeilijk overtuigen om hun kind niet naar de Koranschool te sturen als er geen alternatieven zijn. De wet biedt mij een alternatief in het primair onderwijs en zegt dat kinderen in openbaar onderwijs recht hebben op drie uur religieus onderwijs, dus laten we dat dan ook doen.”

Volgens de Wet op het Primair Onderwijs hebben kinderen het recht om godsdienstles of levensbeschouwelijk onderwijs te krijgen als voldoende ouders daarom vragen. Deze lessen kunnen binnen of buiten schooltijd plaatsvinden, tot een maximum van 120 uur per jaar.

Maar volgens Marcouch branden schoolbesturen hun vingers vaak liever niet aan islamonderwijs. “Je ziet dat schoolbesturen niet durven, het ontbreekt aan de bestuurlijke moed om islamlessen in te voeren vanwege het imago, omdat ze bang zijn wat de mensen zouden zeggen.”

Islamonderwijs op openbare basisscholen

In Rotterdam en Lelystad lopen ze wat dat betreft voorop. De Stichting Platform Islamitische Organisaties Rijnmond (Spior) coördineert nu al islamonderwijs op een dertigtal openbare basisscholen in Rotterdam en Lelystad. Deze lessen worden sinds 1 september niet meer door de gemeenten, maar door het Rijk gesubsidieerd. Het Rijk stelt in totaal tien miljoen euro beschikbaar voor godsdienstlessen op openbare scholen in Nederland, waaronder bijvoorbeeld ook christelijk en humanistisch onderwijs vallen.

Toch is het de vraag of ouders, zoals Marcouch hoopt, de islamlessen op openbare basisscholen als substituut zullen zien voor de Koranscholen. De Koranscholen gaan veel dieper in op de materie dan de islamlessen op de openbare scholen. Daar ligt het accent eerder op de praktische kanten van de islam.

“Onze lessen komen niet in de plaats van de Koranscholen, ze zijn anders”, zegt Mesut Disli van Spior. “In de moskee krijgen kinderen les in hoe ze de Koran moeten lezen, terwijl in onze lessen de nadruk veeleer ligt op kennis over de islam, bijvoorbeeld over de vijf zuilen van de islam, over het leven van de profeet, over islamitische feestdagen, het leven als moslim in de Nederlandse samenleving, etcetera.”

Disli ziet meer heil in een tweesporenbeleid – aan de ene kant islamlessen op de basisschool en aan de andere kant verbetering van het onderwijs op de Koranscholen. Disli: “Wij proberen om via bijscholing de pedagogische kwaliteit te verbeteren op de Koranscholen. Daarom laten we de docenten daar een assessment-test doen. Op basis van die test bieden we bijscholing op maat: sommige docenten blijken behoefte te hebben aan bijscholing op communicatief vlak, andere docenten juist op pedagogisch vlak.”

Weinig animo

De animo voor Islamlessen onder openbare basisscholen is buiten de regio Rijnmond en Lelystad nog gering. Voor de zomervakantie stuurde de landelijke koepelorganisatie Dienstencentrum GVO en HVO een brief naar alle openbare basisscholen in Nederland om de mogelijkheid van godsdienstonderwijs onder de aandacht te brengen. Vooralsnog kreeg slechts een miniem aantal scholen voldoende meldingen van ouders binnen om per 1 september islamlessen aan te bieden. Ook in Slotervaart is het door Marcouch gewenste Islamonderwijs nog niet van de grond gekomen.

Toch denkt Fatimazohra Hadjar dat islamonderwijs op openbare scholen de beste manier is om de misstanden op Koranscholen uit de wereld te helpen. “Ouders moeten kinderen neerzetten op een plek waar de docenten hart voor de zaak hebben, waar ze pedagogisch geschoold zijn en waar controle mogelijk is. Ouders moeten leren inzien dat de Koranschool niet de beste plek voor hun kinderen is. Dat vereist een cultuuromslag. Ze gaan er vanuit dat de moskee veilig is omdat moslims hun kinderen daar al eeuwenlang naartoe brengen. Maar we leven niet meer in de middeleeuwen.”

Reblog this post [with Zemanta] [20]

Klein Brazilië aan de Amstel

Posted By Sander Heijne On oktober 23, 2009 @ 17:18 In Onderzoek | No Comments

BrazilVeel Brazilianen wonen en werken illegaal in Amsterdam. Ze leven met de voortdurende angst om uitgezet te worden, maar hebben dat er graag voor over. “Het is hier makkelijk geld verdienen.”
 
AMSTERDAM – “Ik heb een goede tijd gehad, hier in Nederland. Ik ben erin geslaagd om uit handen van de politie te blijven, ik heb gewerkt, mijn geld verdiend en plezier gehad. Maar nu is het mooi geweest, ik wil terug naar huis.”

Een dag voordat Fernando Alves Pimentel Nederland verlaat, vertelt hij op een Amsterdams terras uitgebreid over de twee en een half jaar die hij als illegaal in Amsterdam doorbracht. Een paar dagen eerder heeft hij zich vrijwillig gemeld bij de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), een intergouvernementele organisatie die illegalen helpt terug te keren naar het land van herkomst. Volgens de voorwaarden van het IOM betaalt de organisatie de thuisreis voor illegalen die dat zelf niet kunnen bekostigen.

Bepakt en bezakt reist Pimentel terug naar Brazilië. Met twee koffers van elk 23 kilo gaat hij naar Schiphol. Voor dit extra gewicht hoeft hij niets bij te betalen. In zijn bagage zit voor ongeveer 2500 euro aan spullen die hij in Nederland heeft gekocht. Een computer, een videocamera, kleding. Geld heeft hij nauwelijks bij zich, dat staat al veilig op een bank in Brazilië.

Het verhaal van Pimentel staat voor tienduizenden arbeidsmigranten die zonder werk- en verblijfsvergunning in Nederland wonen en werken. De meeste illegalen werken een paar jaar in Nederland om geld te verdienen voor familie thuis, of om zelf in een goed leven in het land van herkomst op te kunnen bouwen. De Nederlandse overheid probeert illegaliteit zoveel mogelijk te bestrijden. Dat maakt het leven van een illegaal er niet eenvoudiger op.

Een illegaal kan in de Europese Unie geen rekening openen. Dit betekent niet dat illegalen al hun geld in een oude sok bewaren. Pimentel heeft zijn loon in Nederland altijd in contanten ontvangen. Al het geld dat hij hier niet nodig had om in zijn levensonderhoud te voorzien, stortte hij met Money Transfer op de bankrekening van zijn moeder in Brazilië. Hij laat in het midden om hoeveel geld het gaat. “Met wat ik in Nederland heb verdiend, kan ik in Brazilië ongeveer tien jaar vooruit.”

Tot en met augustus van dit jaar hebben 1741 vreemdelingen Nederland op kosten van het IOM, gefinancierd door het ministerie van Justitie, verlaten. Een woordvoerder van het IOM geeft toe dat ze niet weet hoeveel van deze mensen prima zelf in staat waren om hun thuisreis te betalen. “Dit is voor ons ook een groot probleem. Wettelijk zijn migranten die bij ons aankloppen niet verplicht om te bewijzen dat ze niet genoeg geld hebben voor een vliegticket. Wij zijn zelf geen overheid. De enige manier waarop we kunnen controleren of iemand zelf kan opdraaien voor de kosten van een vlucht is het ze te vragen. Dat is natuurlijk geen waterdicht systeem.”

Toeristenvisum

Het is voor Brazilianen niet moeilijk om de Europese Unie binnen te komen. Pimentel: “Ik ben op een toeristenvisum naar Parijs gevlogen. Een vriendin van mij zat toen al in Nederland. Zij zei dat het hier makkelijk geld verdienen was, dus ik ben direct doorgereisd naar Amsterdam.”

Toeristen mogen niet werken in de Europese Unie, dus na drie maanden verstrijkt het toeristenvisum. Vanaf dat moment zijn vreemdelingen voor de wet illegaal en ligt uitzetting constant op de loer. Voor veel illegalen, waaronder Pimentel, staat er vanaf dat moment meer op het spel dan uitzetting alleen.

“In het begin was ik heel bang om opgepakt en uitgezet te worden” zegt Pimentel. “In Brazilië heb ik geld moeten lenen om een ticket te kunnen betalen. Voor Braziliaanse begrippen gaat dat om een enorm bedrag, van ongeveer vijf maandsalarissen. Ik heb het geld geleend op de zwarte markt, tegen acht procent rente. Als ik was teruggestuurd voordat ik deze schuld had afbetaald, had ik een probleem gehad. Als dat je overkomt, pakken ze eerst al je spullen af. En als ze dat niet genoeg vinden, maken ze je gewoon af.”

Er zijn meer Brazilianen die het geld voor hun ticket naar Nederland bij louche woekeraars lenen, zeggen twee andere illegale Brazilianen. Ze herkennen veel in het verhaal dat Pimentel vertelt, maar willen zelf liever niet te veel kwijt over hun leven in Amsterdam. “We willen hier graag nog een tijdje blijven, begrijp je.”

Zodra een illegaal eenmaal de Europese Unie is uitgezet, is het moeilijker om opnieuw binnen te komen. Iedere vreemdeling die wordt uitgezet, wordt geregistreerd in het Schengen Informatie Systeem (SIS). Deze informatie wordt meegenomen in de beoordeling van een aanvraag voor een toeristenvisum. Vanaf december 2010 wordt het uitgezette illegalen nog moeilijker gemaakt om terug te keren. Dan wordt de Europese Terugkeerrichtlijn ingevoerd. Voor uitgezette vreemdelingen betekent dit dat hen een inreisverbod kan worden opgelegd.

Werk

Pimentel spreekt geen Nederlands en gebrekkig Engels. Toch had hij weinig moeite om werk te vinden in Nederland. Pimentel: “Ik had die vriendin hier wonen. Zij kende weer een ander Braziliaans meisje dat op dat moment terug ging naar Brazilië. Zij had een schoonmaakbaantje voor drie uur per week dat ik voor honderdtwintig euro van haar kon overkopen.” Op het schoonmaakadres verdiende Pimentel tien euro per uur. Het was zijn eerste baantje in Nederland.

Toen Pimentel meer Brazilianen leerde kennen, kreeg hij ook steeds meer baantjes. Hij schilderde, maakte schoon, waste borden en verrichte hand en spandiensten op een hockeyclub. “Er is hier een heel netwerk van illegale Brazilianen in de stad, die allemaal dezelfde baantjes hebben en werk aan elkaar doorgeven.”

Werkgevers die illegalen inhuren zijn strafbaar. Zij riskeren een boete van achtduizend euro per illegale werknemer. Voor particuliere werkgevers is dat vierduizend euro. Toch nemen werkgevers nog steeds illegalen in dienst.

Waarom nemen ze dat risico? “Omdat de pakkans klein is, de loonkosten laag zijn en illegalen doorgaans hard werken”, zegt een Amsterdamse restauranteigenaar die niet met zijn naam in de krant wil. Ook hij heeft “zo nu en dan” een illegaal in de keuken werken. Hij legt uit dat het voor hem nooit een bewuste keuze is om een illegaal in te huren. “Op het moment dat ik op zoek ben naar een nieuwe bordenwasser, dan neem ik gewoon iemand aan die een betrouwbare indruk maakt en bereid is hard te werken voor weinig geld. Soms is dat een scholier, soms een illegaal. Zolang ze er de kantjes niet vanaf lopen, heb ik daar geen probleem mee.”

De restauranteigenaar behandelt illegale werknemers naar eigen zeggen niet anders dan andere werknemers. “Ze verdienen netto zelfs iets meer dan gewone bordenwassers. Die krijgen wit het minimumloon. Toch kost mij dat meer door alle premies die daar bovenop komen. Een illegaal krijgt bij mij tien euro per uur, belastingvrij. Voor zover ik weet is dat de gangbare vergoeding in Amsterdam. Ze werken er in ieder geval graag voor.”

Pimentel bevestigt het uurtarief van tien euro. “Eigenlijk betalen alleen Braziliaanse bazen die wel een legale status hebben in Nederland minder. Zij teren vooral op nieuwkomers uit Brazilië, maar als die hier eenmaal een tijdje zijn gaan ze meestal voor Nederlanders werken.” Toch heeft ook Pimentel gemerkt dat er Nederlanders zijn die illegalen willen uitbuiten. “Ik heb een tijdje één dag in de week bij een kapper gewerkt. Die zei altijd dat hij me de week erop zou betalen, maar dat deed hij nooit. Uiteindelijk ben ik maar met dat baantje gestopt. Als illegaal kan ik natuurlijk niets tegen zo’n vent beginnen.” Over al zijn andere werkgevers is Pimentel lovend.

De Amsterdamse restauranteigenaar zegt weinig voorzorgsmaatregelen te nemen om te voorkomen dat hij betrapt wordt. “Het enige is eigenlijk dat ik illegale werknemers nooit bedrijfskleding laat dragen. En ik hang het liever niet aan de grote klok, daarom vertel ik dit anoniem. Maar reken maar dat ik niet de enige ben die af en toe een illegaal aan het werk helpt. Denk maar eens aan al die particulieren met hun Ghanese en Braziliaanse werksters. Stuk voor stuk illegaal.”

Samenleving binnen de samenleving

In de twee en een half jaar die Pimentel in Nederland doorbracht, had hij nauwelijks contact met Nederlanders. “Ik heb ongeveer een jaar een Nederlands vriendinnetje gehad, mijn huisbaas is Nederlands en ik heb voor Nederlanders gewerkt.” Verder ging Pimentel alleen met Brazilianen om, de meesten net als hij illegaal. Ze ontmoeten elkaar in de Braziliaanse bars in de stad.

Hoewel de Brazilianen in Amsterdam hun eigen leefwereld hebben, zijn ze behoorlijk goed op de hoogte van wetten en regelingen die op hen van toepassing zijn. “Iedere illegale Braziliaan weet dat je met het IOM gratis naar huis kunt en iedere Braziliaan die ik ken reist ook op deze manier”, zegt Pimentel. De illegalen weten ook dat ze in Amsterdam bij de Kruispost terecht kunnen voor huisartsenhulp. “En als je iets hebt dat ernstiger is, schijn je gewoon terecht te kunnen in het ziekenhuis zonder dat ze de politie bellen.”

De illegalen komen op verschillende manieren aan hun informatie. Deels doordat illegalen die al langer in Nederland wonen nieuwkomers vertellen wat ze wel en niet moeten doen. Maar er is ook hulp van het Braziliaanse consulaat in Rotterdam. Consul-Generaal Pereira: “Wij helpen iedere Braziliaan die onze hulp nodig heeft. Legaal en illegaal. De hulp varieert van het verstrekken van nieuwe paspoorten tot het geven van voorlichting over Nederlandse wetgeving die van toepassing is op illegalen.”

Toch kan dit niet voorkomen dat er onjuiste geruchten de ronde doen. In de Braziliaanse gemeenschap gaat momenteel het gerucht dat de Nederlandse politie vanaf januari 2010 lukraak Braziliaanse bars mag binnenvallen en iedereen om legitimatie mag vragen. Een woordvoerder van het ministerie van Justitie zegt dat er geen wetswijziging in aantocht is. “Wel is het zo dat de politie een vreemdeling van wie zij een redelijk vermoeden heeft dat deze illegaal is, nu al om een legitimatiebewijs mag vragen.”

Angst voor uitzetting

Illegalen zijn altijd op hun hoede voor de politie. Pimentel: “Ik weet gewoon dat als ik word aangehouden, ik meteen op een vliegtuig naar Brazilië wordt gezet.” De Braziliaan doet er alles aan om dit te voorkomen. “Ik zorg altijd dat mijn licht het doet en ik fiets nooit door rood.” Toch houdt Pimentel er iedere keer dat hij de deur uit gaat rekening mee dat hij misschien niet meer thuiskomt.

Illegalen in Nederland

Niemand weet precies hoeveel mensen illegaal in Nederland wonen en werken. De meest recente schattingen over het aantal illegalen in Nedeland zijn in 2008 gepubliceerd door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie. Het WODC schat dat er tussen 1 april 2005 en 1 april 2006 tussen de 74.000 en 184.000 personen illegaal in Nederland verbleven.

Door de uitbreiding van de Europese Unie is het aantal Europese illegalen in Nederland sindsdien afgenomen. Het WODC schat dat tussen 1 april 2005 en 1 april 2006 22.185 illegale Bulgaren en Roemenen in Nederland verbleven. Zij zijn door de toetreding van Bulgarije en Roemenie tot de Europese Unie in 2007 inmiddels legaal. Ook het generaal pardon uit 2007 heeft invloed gehad op de omvang van de populatie illegalen in Nederland.

In 2010 zal het WODC een nieuwe schatting uitvoeren.

“Ik heb altijd mijn belangrijkste spullen klaar liggen bij mijn koffers, zodat ze makkelijk ingepakt kunnen worden. Als ik dan gepakt word, kan ik nog iemand bellen om mij de spullen te laten brengen.” De Braziliaan heeft vrienden die hier niet op voorbereid waren. “Dan word je gewoon in de kleren die je op dat moment aan hebt het land uitgezet.”

Twee keer ging het bijna mis. “In de tram had ik per ongeluk een keer een zone te weinig gestempeld en toen kwam er controle. Ik dacht toen echt dat ik zou worden uitgezet, maar uiteindelijk bleek dat als ik de boete ter plekke zou betalen, ik niet aan de politie werd overgedragen. Dat heb ik natuurlijk meteen gedaan. En een andere keer fietste ik met een vriend over het Leidseplein. Daar mag je niet fietsen maar dat wist ik toen nog niet. Kwamen er opeens twee agenten op ons af. Ik dacht dat het voorbij zou zijn. Uiteindelijk zeiden ze alleen maar dat we daar niet mochten fietsen. Ze vroegen geen legitimatie.”

Zelf vindt Pimentel de angst voor uitzetting wel overkomelijk. Toch merken de vrijwilligers van Kruispost dat illegalen beduidend vaker stressgerelateerde klachten hebben dan reguliere patiënten. Cijfers heeft Kruispost niet.

Thuis

Inmiddels is Fernando Alves Pimentel veilig in Brazilië aangekomen. Bij thuiskomst wachtte hem een grote teil met bier. Hij wil zijn werk als autospuiter weer oppakken. Daarmee verdient hij genoeg om in zijn levensonderhoud te voorzien. Met het geld dat hij in Nederland heeft verdiend, kan hij het huis van zijn moeder opknappen en een auto kopen.

Hij bewaart goede herinneringen aan Nederland. Trots denkt hij terug aan het schoonmaakadres waar de mensen hem dusdanig vertrouwden dat hij hun huissleutel kreeg. “Dat is een belangrijke verantwoordelijkheid.” Toch zal hij geen van zijn vrienden aanraden om als illegaal naar Nederland te gaan. En niet alleen omdat de Braziliaanse economie steeds beter draait.

“Het leven van een illegaal is lastig. Ik had in Nederland gelukkig een goede vriend – ook een illegale Braziliaan – die mijn familie zou waarschuwen als mij iets zou overkomen. Want dat is het ergste aan illegaal zijn. Je kunt zomaar doodgaan zonder dat je familie thuis dat ooit te horen krijgt.”

Anonimiteit geen oplossing voor privacyprobleem

Posted By Robert Buzink On oktober 23, 2009 @ 17:07 In Algemeen, Onderzoek | No Comments

facebook [21]
Image by sitmonkeysupreme [21] via Flickr

De burger plaatst zijn hele hebben en houden op internet en ondervindt daar steeds vaker de nare consequenties van. De overheid heeft de oplossing: blijf anoniem. Maar dat is compleet onrealistisch.

AMSTERDAM - Vroeger dacht je twee keer na voordat je iets vastlegde op papier. Helemaal als je je handtekening er onder zette. Alles wat je schreef was voor eeuwig. Het kon altijd tegen je gebruikt worden. Als je iets gevoeligs wilde communiceren, kon je dat beter gewoon zeggen. Gesproken woorden vervliegen in de wind. Hoe je iets precies hebt gezegd weet niemand meer.

Tegenwoordig denken mensen een stuk minder na voordat ze iets vastleggen. Daarom is de overheid een campagne begonnen om burgers te wijzen op de gevaren van internet. Het bijbehorende tv-spotje toont een vrouw op straat, omringd door vreemden. Haar evenbeeld zit boven op het dak van een gebouw en roept allerlei privégegevens van haar om. Haar e-mailadres, telefoonnummer en wachtwoord. Op de muur wordt een vakantievideo van haar geprojecteerd. De vrouw raakt een beetje in paniek. Ze heeft spijt dat ze zomaar al haar gegevens op het internet heeft gezet. Ze zal het nooit meer doen.

Achteraf gezien viel dat wel mee, met die eeuwigheid van het schrift. Papier vergaat, archieven worden vernietigd of zo onoverzichtelijk groot dat de kans klein is dat je naam er ooit in teruggevonden wordt. Echt interessant worden gegevens sowieso pas als je verschillende soorten informatie elkaar in verband brengt. 

Sinds er in de Westerse wereld miljarden meters glasvezelkabel in de grond zijn gestopt is die situatie radicaal veranderd. Informatie heeft zich definitief losgeweekt van zijn papieren substraat en tiert nu welig binnen een netwerk van miljarden computers verspreid over de hele wereld. Het gedraagt zich steeds minder als een boek dat je kunt raadplegen wanneer je dat wilt en steeds meer als een levend organisme dat je confronteert op het moment dat het dat wil. Het dupliceert zichzelf, plant zich voort, gaat nieuwe en onverwachte combinaties aan, muteert. 

Voedselgevecht

De campagne van de overheid doelt vooral op het gevaar van informatie achterlaten op sociale netwerksites. Maar sinds de Volkskrant zijn archief heeft opengegooid zou de campagne net zo goed over het meewerken aan een interview kunnen gaan. De krant is terug te lezen tot 1994. Alle artikelen die sindsdien in de krant zijn verschenen, zijn terug te vinden in het ‘Dagelijks Archief’. Dit archief verandert het karakter van de krant radicaal. Van oudsher was de krant een momentopname, een stil uit een film van voortschrijdend inzicht. Wat de ene dag als waarheid in de krant stond, kon de volgende dag in dezelfde krant een leugen zijn. Alleen professionele onderzoekers zoals geschiedkundigen legden in de Koninklijke Bibliotheek de kranten van twee opeenvolgende dagen naast elkaar.

Nu kan ook een amateur het krantenarchief in duiken met heel andere belangen dan wetenschappelijke. Die amateur zou een werkgever kunnen zijn, die wil weten wat voor persoon schuilgaat achter een cv. Dat zou de cv van ene Thibault kunnen zijn, een naam die niet veel voorkomt. In het cv van Thibault ziet de werkgever dat hij in Leiden heeft gestudeerd. Hij heeft hard zijn best gedaan en was lid van een studentenvereniging. Even googelen. De tweede hit is het artikel ‘Doe mij maar een lekkere skileraar’, verschenen in de Volkskrant. Uit de reportage blijkt dat Thibault zich erg goed vermaakt heeft tijdens een skivakantie in zijn studietijd. In het stuk staat hoe Thibault wakker wordt na een avond flink drinken. Waarna hij zich door “een half stokbrood, een knakworst, een bananenschil, een afgekloven klokhuis en een ui” baant, de overblijfselen van een voedselgevecht van de afgelopen nacht. 

Sinds de krant het archief tot 1994 heeft geopend, stromen er mailtjes binnen van mensen die graag hun naam verwijderd zien uit een artikel, zegt het hoofd van Volkskrant online, Bas Timmers. Elke maand komen er wel weer een paar binnen. “Het gaat altijd om persoonlijke of zakelijke belangen, nooit om politiek. Mensen hebben vaak spijt van ingezonden brieven. Ze schamen zich dan voor hun mening, of willen niet meer met die uitspraken geconfronteerd worden. Omdat ze bijvoorbeeld gaan solliciteren.” 

De spijtoptanten van ingezonden brieven beseften misschien niet helemaal dat ze met hun naam in de krant zouden komen, maar ook veel mensen die bewust meewerkten aan interviews zien het resultaat liever niet terug op Google. Eén van de verzoeken die bij de Volkskrant binnenkwam was echt van een man die als student onhandige dingen had gezegd in de krant, zegt adjunct-hoofdredacteur Arie Elshout. “En onze advocaat is nu toevallig met een zaak bezig die precies hier over gaat.”

Die advocaat is Jens van den Brink. Over de zaak kan hij niets zeggen, maar in het algemeen wil hij wel wat kwijt. Binnenkort verschijnt er een stuk van hem over deze materie in Mediaforum, een tijdschrift voor media- en communicatierecht. “Ik krijg steeds vaker zaken van mensen die eisen dat hun naam wordt geschrapt uit een artikel van de Volkskrant. Ik adviseer de krant dan altijd om die mensen te vertellen dat we daar niet aan gaan beginnen.” Tot een rechtszaak komt het zelden, daarom is er geen jurisprudentie. “Er is wel één zaak voor de Raad van de Journalistiek (RvdJ) gekomen.”

Ublad

In die zaak uit 2007 waren artikelen uit het archief van Ublad, het nieuwsblad van de Universiteit van Utrecht, onderwerp van discussie. De aanklager studeerde aan de universiteit en was twee keer door Ublad geïnterviewd, in november 1999 en juli 2001. In 2007 concludeerde hij dat hij de stukken uit het archief van het blad wilde hebben.. De raad vroeg advies aan internetspecialist Herbert Blankestijn. Hij merkte op dat de stukken zo makkelijk in Google te vinden waren, “dat het lijkt of de artikelen elke dag opnieuw worden geplaatst zonder de afweging of de privacy van klager in het geding is.” 

‘Wat is de journalistiek waard als iedereen achteraf zomaar artikelen kan verwijderen?’

Maar wat is de journalistiek waard als iedereen achteraf zomaar artikelen kan verwijderen? Ook dat is een belangrijke afweging volgens Blankestijn. Het was de afweging waar de raad naar oordeelde: “In navolging van het deskundigenrapport meent de raad dat de samenleving is gebaat bij goed functionerende, zo volledig mogelijke en dus betrouwbare archieven, waarvan de inhoud niet kan worden gewijzigd.” Pech voor de aanklager. 

Maar als de aanklager wel zijn gelijk had gehaald en was geanonimiseerd in de stukken, was het geen goede oplossing geweest voor de krantenarchieven. Wanneer achteraf anonimiseren de archieven onbetrouwbaar maakt, doet vooraf anonimiseren dat zeker. Als mensen alleen zonder of met een gefingeerde naam in de krant willen, kan niemand achteraf meer controleren of zij überhaupt wel echt hebben bestaan. 

Rondzingen

Tegenwoordig moeten burgers er rekening mee houden dat krantenartikelen, redelijk makkelijk en voor eeuwig  te vinden zijn. Maar ook als zij met een interview instemden lang voordat het voor de hand lag dat het eeuwig in het web zou resoneren, hebben ze pech als het aan de RvdJ en de Volkskrant-advocaat Van den Brink ligt. Toch is de Volkskrant niet zo streng als de advocaat aanbeveelt. “Vanwege het grote historische en journalistieke belang, veranderen we zo min mogelijk aan ons archief, ” zegt Timmers. “Desondanks kunnen we ons voorstellen dat mensen zich ten tijde van publicatie niet realiseerden dat het artikel tot in lengte van dagen via internet te vinden zou zijn. Als ze dan ook nog eens aantoonbaar overlast hebben van de publicatie, hebben ze met een verzoek tot Wijziging Archief kans van slagen.”

Timmers kan zich een geval herinneren van een jongen die in 2001 meewerkte aan een artikel over psychische ziekten. “Hij benaderde destijds weliswaar actief de krant met zijn eigen verhaal, maar was destijds minderjarig en kon gezien zijn gesteldheid wellicht de gevolgen van de publicatie niet overzien.” Dus heeft Timmers zijn naam weggehaald en de wijzigingen ook laten doorvoeren in de archieven die de bibliotheken gebruiken. “In het interne krantenarchief blijven wel de originele artikelen te zien.”

‘Informatie op internet zingt nu eenmaal rond’

Maar zelfs al haalt de krant een naam weg, dan nog is de privacy van de burger niet gewaarborgd. De kans is groot dat het artikel uit de krant overgenomen is op andere websites, zegt Blankestijn in zijn advies aan de RvdJ. Informatie op internet zingt nu eenmaal rond. Dat merkte ook Maarten Corpeleijn, de man die zogenaamd anoniem het Ublad aanklaagde. Blogger Peter van Olsthoorn van Leugens.nl ging eens spitten in de Ublad-archieven met de twee publicatiedata die genoemd werden in het rapport van de RvdJ en kwam erachter dat de aanklager niemand anders kon zijn dan Corpeleijn. Van Olsthoorn wijdde er een artikel aan op zijn website en strooide nog eens extra zou in de wonde door Corpeleijns Hyves-profiel door te spitten. Corpeleijn zelf kan er wel om lachen. “Mooi stuk, haha,” schrijft hij onder het artikel van Van Olsthoorn. 

Dûh

Of het nu gaat om artikelen in het Volkskrantarchief of om profielen op netwerksites als Facebook, LinkedIn en Hyves: als informatie eenmaal op het net staat, is de controle zoek. Zelfs al haal je informatie achteraf weg van je profiel, dan nog zwerft het ergens rond. In de cache van Google bijvoorbeeld. Of anders wel in het Internet Archive. Het is precies het gevaar waar de campagne van de overheid voor waarschuwt.

Voor jongeren heeft de campagne van de overheid een hoog ‘dûh’-gehalte. Ze weten wel dat profielen niet altijd handig zijn, maar hebben geen keus. Als ze een normaal sociaal leven willen hebben moeten ze wel een uitgebreid Hyves-profiel hebben. Anders bestaan ze niet. De gevolgen van hun exhibitionistische gedrag blijven schijnbaar beperkt tot wat moeilijke vragen bij sollicitaties. Corpeleijns aanvulling op het artikel van Van Olsthoorn over zijn persoon geeft goed aan hoe jongeren over privacy denken “Ik vond het een beetje flauw van de UU, daarom heb ik die klacht ingediend. Dat de RvdJ er zo’n halszaak van heeft gemaakt vond ik wel vermakelijk.”

Het is moeilijk voor te stellen dat jongeren uiteindelijk minder informatie over zichzelf gaan prijsgeven. Informatie delen heeft allerlei voordelen. Zo is het bijvoorbeeld handig als een applicatie betere uittips kan geven. Ook de voordelen van een centraal beheerde en voor alle artsen toegankelijke ziektegeschiedenis zijn evident. Niet voor niks uploaden Amerikaanse consumenten zelf hun medische dossiers naar hun Micrososft Healt Vault, Google Medical en Patients like me. Tienduizenden mensen over de wereld delen zelfs hun genetische samenstelling via het sociale netwerk 23andme.

De tips van de overheid zijn dan ook volledig achterhaald. “Gebruik online een nickname.” Maar hoe kan dat verlegen meisje dat jou zo leuk vindt, je dan vinden op Hyves? “Denk na voordat u iets online zet!” is net zoiets als zeggen ‘laat geen sporen achter als je door de sneeuw loopt”. Jongeren “zetten” niks online, ze leven deels op het net en laten dus sporen achter. 

Urban Tribes

Maar gebrek aan anonimiteit is niet het echte probleem. Er is iets veel ergers aan de hand. Het makke informatieschaap verandert pas echt in een veelkoppig monster door de profielen die commerciële bedrijven opstellen. De profielen die zij maken kunnen inspelen op het consumentegedrag en daarmee van grote waarde zijn voor het bedrijf. Om die profielen te maken hebben deze bedrijven heel grote hoeveelheden gegevens nodig. Of die gegevens anoniem zijn of niet, is onbelangrijk. Zij maken namelijk geen profielen van individuele klanten, maar van soorten klanten. Hokjes dus.

Een van de meest vooruitstrevende bedrijven op dit gebied is het New Yorkse bedrijf Sense Networks. Op de sociale mediaconferentie Picnic 2009 laat directeur Greg Skibiski zien wat zijn bedrijf doet. Op het scherm zijn tienduizenden puntjes te zien op een kaart van de stad San Francisco. De puntjes zijn mobiele telefoons en dus de eigenaren van die telefoons. De data koopt hij van mobiele telefoonaanbieders, uiteraard geanonimiseerd. “Een groot probleem van data is dat het niet op een uniforme manier is opgeslagen. Mobiele telefoondata is over de hele wereld hetzelfde. De helft van de wereldbevolking heeft een mobiele telefoon. Ik geloof daarom dat de mobiele telefoon dataset de grooste en meest uniforme dataset over menselijk gedrag is die op dit moment bestaat.”

Sense Networks gebruikt de data om urban tribes te definiëren. Het gaat daarbij verrassend simpel te werk. Het bedrijf volgt de mobiele telefoons en kijkt op welke plekken de mobiele gebruiker zich iedere een zaterdagavond bevindt. Vervolgens laat het een statistische analyse op de data los. Daar komen dan clusters van plekken uit. Als iemand in café A komt is de kans groot dat hij ook in club B komt, of in supermarkt C. Zo worden er vijf profielen van locatiegedrag gedefinieerd, de zogenaamde urban tribes.

Tot zo ver vooral heel leuk. Maar Sense Networks is een bedrijf, geen antropologische faculteit. Dus gebruikt het de data om een mobiele telefoonapplicatie te bouwen die uitgaantips geeft. Als je de applicatie installeert registreert het je locatie. Aan de hand van de locaties die je bezoekt kijkt het programma tot welke tribe je behoort en doet vervolgens suggesties van plekken die je misschien ook leuk zult vinden, aangezien de rest van je tribe er ook naartoe gaat. Het verdienmodel bestaat uit de verkoop van advertenties. Als je weet tot welke tribe mensen behoren weet je ook wat voor producten ze interessant zullen vinden en zo kan reclame veel efficiënter worden.

Middels dergelijke profielen kunnen er allerlei aannames gedaan worden over de persoonlijkheid en het gedrag van mensen. Consumenten kunnen nog meer verleid worden tot het kopen van allerlei producten en diensten. Maar het kan ook veel ernstigere gevolgen hebben. Wat gebeurt er als data uit grote hoeveelheden ziektegeschiedenissen gekoppeld wordt aan de persoonlijke details die klanten invullen op het aanmeldingsformulier van hun zorgverzekeraar?

 Elektronisch Patientendossier

Tot nu hadden zorgverzekeraars nog een beperkte dataset tot hun beschikking, namelijk de gegevens van hun eigen klanten. Maar als het aan het kabinet ligt worden ook de gegevens uit het Elektronisch PatiëntenDossier (EPD) beschikbaar gesteld aan de zorgverzekeraars. Daarmee beschikken zij ineens over een uniforme en zeer betrouwbare dataset van alle Nederlanders. Dat de data geanonimiseerd zijn maakt niks uit, het gaat er om risicoprofielen te maken en daar heb je geen namen bij nodig.

Niets staat de verzekeraar in de weg om op basis van risicoprofielen klanten waar niets aan te verdienen valt aanvullende verzekeringen te weigeren. De verzekeraars zijn sinds de hervorming van het zorgstelsel in 2006 vrij om aanvullende verzekeringen te weigeren en kunnen zelf de tarieven bepalen van deze verzekeringen. Terwijl de Nederlandse overheid zijn burgers waarschuwt voor hun Hyves-profiel, werpt ze verzekeraars gegevens in de schoot waar ze pas echt iets mee kunnen. 

‘Als je in de Randstad op de snelweg rijdt wordt met camera’s je kenteken gelezen’

Onder druk van de Nederlandse overheid slaan telefoonmaatschappijen en internetproviders langer op met wie je wanneer hebt gebeld dan eigenlijk volgens de Europese regelgeving moet. Je vingerafdrukken die gemaakt worden bij het aanmaken van een paspoort worden opgeslagen in een centrale database. Vervoersbedrijven slaan gedetailleerde locatie-informatie van je op. Als je in de Randstad op de snelweg rijdt wordt met camera’s je kenteken gelezen. Elk aspect van je leven wordt vastgelegd en in de gaten gehouden. Maar zet vooral niet je telefoonnummer op je Hyves.

 Controle

Als anonimiteit geen oplossing biedt tegen de werkelijke gevaren van het informatiemonster, wat is dan de oplossing? Publicist over de digitale stad Adam Greenfield heeft een radicale oplossing. “Maak alle informatie die je als bedrijf of overheid over burgers verzamelt openbaar, zodat iedereen de informatie kan gebruiken.” 

Burgers hebben dan dezelfde tools in handen als grote organisaties en kunnen daarmee terugslaan. In zijn manifest Urban Computing and Its Discontents noemt hij als voorbeeld iSee Manhattan. iSee is een routeplanner die de kortste route van A naar B plant zonder dat je gezien wordt door surveillance camera’s. Volgens Greenfield gaat een groot deel van het openbare stadsleven zich in de nabije toekomst op internet afspelen. De privacy van burger komt daarbij onder druk te staan. Openbaarheid van informatie kan de burger in staat stellen zich te weren, alleen al omdat hij dan weet welke informatie er over hem rondzingt in databases.

Een woordvoerder van de Consumentenbond verwoordt het wat minder radicaal, maar is het met Greenfield eens. “Veel mensen weten niet dat er overal allerlei gegevens over hen zijn opgeslagen. Transparantie en openheid is belangrijk om mensen wat bewuster te maken. Daarnaast willen we dat mensen zelf de controle krijgen over hun eigen gegevens.” De bond heeft begin dit jaar tien privacy eisen in een manifest vastgelegd, waaronder zeggenschap voor de burger, informatie en toestemming. 

Wat betekent dat in de praktijk? Burgers moeten zelf kunnen bepalen welke delen van het EDP door wie gezien kunnen worden. Ook moeten ze onderdelen kunnen verwijderen als ze dat willen. De reisgegevens van de OV-chipkaart moeten klanten niet alleen via het web kunnen inzien, maar ook kunnen verwijderen. Als het aan Greenfield ligt worden de gegevens die door het EPD en de OV-chipkaart verzameld worden, bovendien geanonimiseerd teruggegeven aan het publiek. Hetzelfde geldt voor mobiele telefoniegegevens. Met een beetje geluk kunnen burgers het beest dat hen dreigt te verslinden dan uiteindelijk toch nog temmen.

Reblog this post [with Zemanta] [22]

Amsterdam bereikt haar digibeten niet

Posted By Paula van Rooij On oktober 23, 2009 @ 17:03 In Onderzoek | 1 Comment

computercursus 1Veel Amsterdamse bejaarde Turken en Marokkanen hebben geen internet. Hoe kunnen zij de weg nog vinden in een steeds meer gedigitaliseerde samenleving. Doet Amsterdam wel genoeg voor haar digibeten?

AMSTERDAM - “Heeft iedereen internet? Nog niet, hè?”, lacht computerleraar Jerry Augustin van de christelijke vrijwilligersorganisatie House of Charity, tegen de vijf senioren die braaf achter hun beeldscherm zitten. De computers staan in de kelder van de Kolenkitkerk. Aan de muur hangt een vaandel met de tekst “Jesus risen exalted one”.

“Hij doet het niet en ik heb toch op Internet Explorer gedrukt”, zegt de een.

“Je moet ook twee keer klikken”, adviseert de ander.

De ouderen – van Surinaamse, Antilliaanse, Indische en Nederlandse komaf – hebben de grootste moeite om internet op te starten tijdens hun vierde computerles. De meesten hebben voordat deze cursus van start ging nog nooit achter een pc gezeten.

De ouderen in de Kolenkitkerk zijn niet de enige bejaarden zonder internet. Uit het jaarlijkse onderzoek van de gemeente, de Burgermonitor 2009, blijkt dat 45 procent van de Amsterdamse 65-plussers geen internet heeft. En dat terwijl de computer met internetaansluiting in toenemende mate een voorwaarde is om mee te doen aan de maatschappij. Veel bejaarden voelen zich dan ook gedwongen om met internet te gaan werken. Maar uit een inventarisatie door de vrijwilligers van House of Charity bleek dat er nogal wat ouderen waren die zich geen raad wisten met een computer, als ze die al hadden.

Meedoen

“Het kan mensen uit een maatschappelijk isolement halen”, denkt communicatiedeskundige van de Universiteit Twente Jan van Dijk. Maar dan moeten ze er wel mee kunnen omgaan en dat is vaak een probleem, zegt hij. Bijna alle Amsterdammers hebben tegenwoordig internet, maar toch kent slechts 44 procent de website van de gemeente. En daar staan toch erg relevante zaken op. Zo zijn alle gemeentelijke besluiten online [23] te vinden en kun je via www.loket.amsterdam.nl [24] allerlei diensten aanvragen. Van bouwvergunning tot het doorgeven van een verhuizing.

De voorlichtingsloketten op het stadhuis en in de verschillende stadsdelen bestaan nog wel, maar het is een stuk rustiger dan pak ‘m beet tien jaar geleden, vertelt de dame die op maandagmiddag achter het loket zit. De loketten worden vooral door bejaarden, maar ook door allochtonen die moeilijk met internet om kunnen gaan. internet hebben ze niet en bellen naar het gemeentelijke nummer vinden ze eng, vanwege hun gebrekkige Nederlands.

Allochtonen

Willem Bosveld van de Dienst Onderzoek en Statistiek zegt dat het vooral de eerste generatie Turken en Marokkaanse allochtonen zijn die nog naar het voorlichtingsloket komen. “Zij die thuis of op het werk geen internet hebben. Het is een groep die sowieso moeite heeft om mee te doen met de maatschappij. Bosveld denkt dat 7 procent van de Amsterdammers systematisch niet of nauwelijks deelneemt aan de maatschappij.

Jos de Haan van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) ziet ook dat vooral de eerste generatie allochtonen vaak geen internet heeft. Uit onderzoek naar digitale vaardigheden in 2007 bleek dat ondanks dat zo’n 90 procent van de Nederlanders internet heeft, ongeveer een derde er niet mee kan omgaan. Dat zijn vaak ouderen, allochtonen en lageropgeleiden. Die groepen overlappen elkaar regelmatig. Een 70-jarige Turk is nu eenmaal vaak slecht opgeleid.

En er is nòg een probleem: de oudere Turkse en Marokkaanse Nederlanders hebben vaak moeite met lezen en schrijven. Als je de reclamefolders van de supermarkt al niet kunt lezen, begrijp je al helemaal niks van de website van de gemeente. Digibeten hebben dus vaak moeite met lezen en schrijven. In Nederland zijn er anderhalf miljoen van die ‘functioneel ongeletterden’. Van hen is ongeveer eenderde allochtoon.

De Haan denkt dat het taalprobleem in een grote stad als Amsterdam “misschien wel groter” is dan elders. Als allochtonen zich concentreren in stedelijke wijken, dan wonen daar dus meer allochtonen en dat is niet erg goed voor de taalvaardigheid.

Behalve taal zijn er nog andere barrières. Mensen hebben geen goede pc, kunnen hem niet bedienen, of een computer is simpelweg te duur, blijkt uit SCP-onderzoek uit 2007. Daarnaast zeggen veel ondervraagden internet niet te willen omdat ze het niet interessant of zinvol vinden. De Haan wijst erop dat dit soort redenen vaak schaamte verhullen.

Die gêne proef je ook een bij de pc-les in de Kolenkitkerk. Ter illustratie van dit artikel maakte ik een filmpje van de heren Raoul Nauman (77) en Hans Suijker (68), die elkaar helpen met het sturen van e-mails. Het duurt een tijd voor ze erin slagen om het mailadres goed in te vullen. “Mag ik het filmpje op de site van Nieuw Amsterdams Peil zetten?”, vraag ik ze achteraf. “Nee, nee”, schrikken ze. “We voelen ons nog te veel een kruk met de computer.”

Het probleem van de digitale kloof is overigens niet uniek voor Nederland. Ook in andere Europese landen en de Verenigde Staten blijven migranten vaak achter als het gaat om ict-vaardigheden. In Amerika hebben aanmerkelijk minder jeugdige latino’s toegang tot het wereldwijde web. In Duitsland probeert de overheid migranten aan het internet te krijgen, zodat ze actiever deelnemen aan de maatschappij.

Oplossingen

Het aantal bejaarde Amsterdammers zonder internet is de afgelopen tien jaar enorm afgenomen. “De 55-plussers van nu zijn immers de 65-plussers van straks”, zegt Bosveld. En ook het probleem van de eerste generatie allochtonen lost zich op den duur wel op. De generatie maakt namelijk vanzelf plaats voor de volgende. De kinderen van de eerste generatie allochtonen zijn vaak beter opgeleid en ze hebben bovendien op school met computers leren werken. Vermoedelijk komen sommige van hun kinderen in aanmerking voor een gratis computer van de Dienst Werk en Inkomen (zie kader). Deze gemeentelijke dienst stelt sinds 2003 computers met internetverbinding ter beschikking aan gezinnen met weinig geld en kinderen op de middelbare school.

PC-REGELING

Sinds 2003 geeft de Dienst Werk en Inkomen (DWI) gratis computers aan gezinnen met een laag inkomen met kinderen in het voortgezet onderwijs. De gemeente wil dat iedereen op de middelbare school thuis kan computeren en internetten. Daarom zijn de computers voorzien van internetaansluiting en printer. Omdat kinderen wel met zo’n computer moeten kunnen werken, moeten ze verplicht een pc-workshop volgen.

De gezinnen kunnen drie jaar lang aanspraak maken op een gratis computer. Na vier jaar kunnen zij deze opnieuw aanvragen. Tot 12 september van dit jaar hebben 770 Amsterdammers gebruik gemaakt van de pc-regeling. In 2008 vroegen 1344 personen een gratis computer aan.

De ‘probleemgroep’ sterft dus langzaam uit, maar tot die tijd zitten we met veel digibeten. Via internet gaat het dus niet lukken om die groep te bereiken, denkt ook Bosveld. Hoe bereikt de gemeente intussen de eerste generatie allochtonen en ouderen? De Haan: “Tja. Dat zou kunnen via televisiespotjes, maar daar moet je wel weer de Nederlandse taal voor beheersen. Of misschien via vertaalde folders, die je via buurthuizen verspreidt. Dan heb je alleen weer te maken met een ander taalprobleem. Via Turkse folders kan je nog wel mensen bereiken, maar veel Marokkanen lezen geen Arabisch en spreken alleen maar Berbers.”

Website gemeente

De gemeente doet onderzoek naar de gebruikersvriendelijkheid van de eigen website. Onderzoeker Thomas Marteijn liet vorig jaar in de Stopera zes proefpersonen dingen opzoeken op de website van de gemeente: drie mannen en drie vrouwen. Onder hen bevonden zich twee personen van allochtone afkomst. Uit het rapport blijkt dat de meeste respondenten redelijk tevreden waren over de website. In de conclusies worden aanbevelingen gedaan van het genre “onder het hoofdmenu ‘Verkeer en Vervoer’ een submenu toevoegen”.

Saillant detail: veel internetters weten niet dat ze via het Loket Amsterdam vergunningen aan moeten vragen. Eigen gebruik leert dat het niet zo makkelijk is om in het digitale loket je weg te vinden. Zo kom je alleen via de zoekfunctie uit bij het aanvraagformulier van een bouwvergunning. Ze belanden op de goede plek via google of de zoekfunctie van de website.

En dan nog iets. Er worden wel uitspraken gedaan over de kwaliteit van de website op basis van een erg kleine groep respondenten, van wie de meeste “ervaren internetgebruikers” zijn. Volgens Marteijn is zo’n laag aantal respondenten normaal bij gebruikersonderzoek naar websites. “Ze lopen toch allemaal tegen dezelfde problemen aan.”

Ook zaten er wel erg veel ervaren internetgebruikers tussen de proefpersonen. “Als we alleen onervaren internetgebruikers ondervragen, dan wordt een website weer onnodig simplistisch. Dan zadel je het gros van de gebruikers op met onnodige barrières. Zo kun je de knoppen waarmee je navigeert wel heel groot maken, maar dat gaat weer ten koste van het overzicht van de website.” Bovendien, vult Marteijn aan, ook mensen die slecht met internet kunnen omgaan, profiteren van verbeteringen op basis van tips van ervaren internetgebruikers. Dat wil niet zeggen dat ze dan meteen hun weg kunnen vinden, maar het wordt ze toch iets makkelijker gemaakt.

Communicatiedeskundige Van Dijk vindt dat de overheid er toch te gemakkelijk van uit gaat dat burgers hun weg wel kunnen vinden op het net. In het rapport Digitale vaardigheden van Nederlandse burgers [25] uit 2008 bestrijdt hij met een collega dat digibeten uitsterven. Zo hebben “aanzienlijke aantallen burgers” moeite met het invullen van elektronische belastingformulieren. De (lokale) overheid heeft volgens hem een taak bij het aanleren van digitale vaardigheden aan burgers. Gemeenten zouden ernaar moeten streven om hun website zo gemakkelijk mogelijk te maken. Ook is het wenselijk om computercursussen aan te bieden.

Cursussen in Amsterdam

Dat laatste gebeurt in ieder geval in Amsterdam, zegt woordvoerder van de gemeente. Stadsdelen organiseren computercursussen en daarnaast maken nieuwe Amsterdammers tijdens het inburgeringtraject kennis met de pc. Dit past in het streven om alle Amsterdammers te laten meedoen aan de maatschappij. Inwoners krijgen ook hulp met het spreken van de taal en het zoeken naar werk. De zegsman wijst eveneens op de neveneffecten van de al genoemde pc-regeling van de Dienst Werk en Inkomen. Niet alleen schoolgaande kinderen leren daardoor omgaan met de computer, maar zij helpen ook hun ouders om te werken met pc’s. Ondanks de inspanningen heeft  7 procent van de Amsterdammers moeite om mee te komen. De woordvoerder: “Dat is wel iets waar je nooit mee klaar bent, want als je de ene groep op weg hebt geholpen, komen er weer nieuwe Amsterdammers bij.” Daarom werkt de gemeente met een ‘en-en-en-beleid’. “Als we inwoners niet digitaal kunnen bereiken, dan bellen we ze op of schrijven we ze een brief. Desnoods gaan we bij ze thuis langs”

Bosveld: “Het klinkt misschien cynisch, als het om belangrijke zaken gaat als inkomen of huisvesting, komen mensen via-via wel aan de informatie die ze nodig hebben.”

BURGERMONITOR 2009

De afgelopen tien jaar zoeken Amsterdammers steeds vaker informatie over de gemeente via de website van de stad. In 2000 gaf 1 procent van de Amsterdammers aan via de gemeentewebsite naar informatie te zoeken; in 2008 was dat 10 procent. De lokale televisiezender AT5 is al die jaren de belangrijkste informatiebron gebleven voor hoofdstedelingen.

Ondertussen hebben veel meer Amsterdammers toegang tot internet dan in 1999. In dat jaar hadden nog geen vier van de tien Amsterdammers thuis de beschikking over het wereldwijde web (37 procent). Nu hebben bijna negen op de tien Amsterdammers dat (85 procent). De 65-plussers blijven achter, maar toch heeft ruim de helft inmiddels wel een internetaansluiting (55 procent).

Rijke stinkerds houden goedkope huurwoningen bezet

Posted By Frank Beijen On oktober 23, 2009 @ 17:00 In Algemeen, Onderzoek | 1 Comment

303331304_b7dcf14ad4_oTerwijl tienduizenden mensen jarenlang moeten wachten op een sociale huurwoning, blijven welvarende yuppen in hun goedkope woningen plakken. Het kabinet probeert hier korte metten mee te maken, maar in Amsterdam wil het nog niet zo vlotten.

AMSTERDAM – Anouk (26) en haar vriend mogen in hun handen knijpen met hun woning in Amsterdam-Oost. Toen ze nog niet zoveel geld verdienden, wisten ze via Woningnet voor een prikkie aan een mooie huurwoning te komen op de hoek bij de Dappermarkt. Inmiddels hebben ze allebei een goede baan, maar hun voordelige woning verruilen voor een duurdere willen ze niet.  “350 euro was toen al goed te betalen voor mij. En nu mijn inkomen is gestegen is het nog gemakkelijker te betalen.”

Anouk en haar vriend hebben geluk. Wie weinig verdient op het moment dat hij een huurwoning krijgt, maar zich in de tussentijd bijvoorbeeld opwerkt tot directeur of succesvol zakenman, blijft tot in lengte van dagen vrijwel dezelfde lage huurprijs betalen.

Scheefwonen

Dat is misschien fijn voor de geluksvogels die een goedkope sociale huurwoning hebben bemachtigd, maar voor stadgenoten die te weinig verdienen om in de vrije sector aan een huis te komen, is het minder fijn. En dat terwijl de sociale huurwoningen nu juist zijn bedoeld voor mensen die niet rijk zijn en dat waarschijnlijk ook nooit zullen worden. Een rampzalige ontwikkeling voor de toch al chronisch verstopte Amsterdamse woningmarkt.

“Scheefwonen” heet het fenomeen: het huren van een woning die veel te goedkoop of te duur is in vergelijking met je inkomen. Het ministerie van Volkshuisvesting (VROM) probeert er iets tegen te doen. Het ministerie experimenteert sinds vorig jaar met huurprijzen die gekoppeld zijn aan het inkomen van de bewoners. Wie in de loop der jaren veel meer gaat verdienen, moet ook meer huur betalen. Naarmate de huurprijs oploopt, wordt het aantrekkelijker voor huurders om uit te kijken naar een grotere woning.

Experiment

Door het hele land zijn al dertien woningcorporaties bezig op kleine schaal te experimenteren met Huren op Maat, zoals het project heet. De Belastingdienst meldt de corporaties jaarlijks het inkomen van de huurder.  Op basis daarvan kan de huurprijs tot ongeveer honderd euro hoger of lager uitvallen dan het jaar ervoor.

Voorstanders zien in ‘huren op maat’ misschien wel de meest effectieve methode om de woningmarkt te ontstoppen. In Amsterdam bijvoorbeeld is een sociale huurwoning ongeveer zo schaars als een banaan in de DDR. Het leeuwendeel van de Amsterdamse woningen wordt toegewezen aan mensen met ‘urgentie’, bijvoorbeeld een zieke of gehandicapte woningzoekende. Slechts een klein gedeelte van de woningen komt in handen van mensen zonder urgentie. Zij wachten vaak al sinds de jaren negentig op hun kans. Hun gemiddelde inschrijftijd is twaalf jaar.

Traagste jongetje van de klas

Maar toch is het nog maar de vraag of Amsterdam wel gaat meedoen aan het experiment. Amsterdam loopt achter de kudde aan. De gemeenteraad besloot eind vorig jaar dat een experiment hier de moeite waard kan zijn. Op hetzelfde moment waren de projecten in een select aantal wijkjes in kleinere steden met een gemakkelijkere woningmarkt als Zutphen en Deventer al van start gegaan. In Amsterdam zijn de verschillende partijen nog steeds aan het bakkeleien over de precieze aard van het experiment.

Het Amsterdamse raadslid Sonja Hauet (PvdA) diende een plan in dat moet leiden tot met het inkomen meeverende huurprijzen. Ze vindt het niet verstandig om de woningmarkt in een klap op zijn kop te zetten. Ze wil eerst eens rustig kijken naar de effecten van huren op maat op huurwoningen voor grote gezinnen. ‘Dat zijn de mensen die het moeilijkst aan een geschikt huis komen. Je kunt ze niet in een tweekamerappartement stoppen’, zegt Hauet.

Onhoudbaar systeem

In Nederland worden huurders van sociale woningen gesubsidieerd voor ongeveer 15 miljard euro in de vorm van huursubsidie. Grofweg evenveel geld steekt de overheid in de hypotheekrenteaftrek, die ervoor moet zorgen dat het aantrekkelijker wordt om een duur eigen huis te kopen.

Twee Amsterdamse vertegenwoordigende organisaties,  de Huurdersvereniging Amsterdam en de koepel van corporaties AFWC, geloven beide dat het huidige stelsel van huursubsidie en hypotheekrenteaftrek niet houdbaar is. ‘De huurders aan de onderkant worden gesubsidieerd en de kopers aan de bovenkant ook. Het gat dat daar tussenin zit, is veel te groot. Juist voor middengroepen is het moeilijk om door te stromen. Dat verklaart voor een deel de opstopping in de sociale woningen’, zegt Sebastiaan van Perlo van de Huurdersvereniging Amsterdam.

De Huurdersvereniging zou graag zien dat er een grotere categorie woningen huurbescherming zou genieten. Nu is het nog zo dat alleen woningen tot een zekere kwaliteit meedoen aan het huurstelsel en huurbescherming genieten. Het gaat nu om woningen tot en met 43 punten in het puntenstelsel, dat de kwaliteit van huurwoningen in kaart brengt en zorgt voor een maximale huurprijs waar huurders hun huisbazen aan kunnen houden.

De Huurdersvereniging pleit ervoor om meer woningen in het stelsel onder te brengen. Hier hebben de woningcorporaties geen zin in. Zij klagen dat hun kas steeds leger raakt. Ze moeten bijdragen bij de Vogelaar-wijkaanpak en de Parkstaddeal, en de nieuwbouw van woningen is steeds duurder. Waar de corporaties op hopen, is om de huurprijs op termijn te liberaliseren in populaire buurten in Amsterdam.

Het kabinet-Balkenende IV heeft afgesproken dat het niet gaat rommelen aan de hypotheekrenteaftrek. Zolang die overeind blijft, verandert er ook niets wezenlijks in het huurbeleid. ‘De CDA wil de hypotheekrenteaftrek handhaven, terwijl de PvdA heeft afgedwongen dat huurprijzen niet sneller dan de inflatie mogen stijgen’, zegt Bastiaan van Perlo van de Huurdersvereniging Amsterdam. Zo verandert er niets en zolang corporaties niet sneller bijbouwen, worden de wachtlijsten alleen langer.

Redding

Er zijn nu gesprekken gaande dat het Amsterdamse experiment moet redden. Het is hoog tijd om niet de woningen te subsidiëren, maar de mensen die erin wonen, vinden beide organisaties. De vraag is alleen op welke manier dat gebeurt. De Huurdersvereniging en corporatiekoepel AFWC staan lijnrecht tegenover elkaar. De kans dat ze eruit komen is niet groot, zegt Bastiaan van Perlo van de Huurdersvereniging. Ondertussen gaan de gesprekken door.

Wat de effecten van Huren op Maat zijn, wordt binnen de periode van de proef slechts beperkt duidelijk. Het project is na drie jaar voorbij. ‘Of er een verhuisgolf op gang komt, kan ik niet vertellen. Misschien kunnen we wat subtielere resultaten zien.’, zegt Minke Kolstein van de AFWC.

Bewoners van straten waar Huren op Maat is toegepast vinden het in elk geval niet gek als de buurman een aantal tientjes meer of minder betaalt dan zijzelf. Een overweldigend aantal van 98 procent vindt het stelsel rechtvaardig, blijkt uit onderzoek van de woningcorporaties.

350 euro voor een ruim appartement in een van de leukste delen van Amsterdam-Oost is ook niet realistisch. De maandlasten van straatgenoten die een woning hebben gekocht liggen vele malen hoger. Er zit een enorm gat tussen de prijzen die worden betaald voor sociale huurwoningen en woningen in de vrije sector. ‘Zeker binnen de ring’, zegt Minke Kolstein van de Amsterdamse koepel van woningcorporaties AFWC. De corporaties willen in de populaire gebieden extra geld kunnen vragen, want de huurprijzen van sociale woningen moeten beter in verhouding komen. De Huurdersvereniging is bang dat de corporaties de hogere huren alleen gebruiken om meer geld binnen te halen.

Impasse

Of de proef ook in Amsterdam komt, is dus nog verre van duidelijk. De wethouder heeft het plan officieel van de agenda gehaald. De corporaties staan achter het plan, maar de Huurdersvereniging Amsterdam blijft voorlopig nog dwarsliggen. Misschien dat de partijen dichter bij elkaar komen. Als dat niet zo is, moet de gemeenteraad eerst toestemming geven voor een ander soort proef waar de Huurdersvereniging niet bij betrokken is. ‘Onbespreekbaar’, zegt Sonja Hauet van de PvdA. ‘De Huurdersvereniging is een belangrijk orgaan, daar gaan we niet omheen werken.’

Als het ervan komt in Amsterdam, moet de Tweede Kamer eerst nog toestemming geven om de stad te laten meedoen aan de proef. Elly van Sluijs zegt dat de gemeente wil dat het project doorloopt tot langer dan eind 2011. Omdat de hoofdstad achterloopt op het project heeft ze ook meer tijd nodig om te zien wat de effecten zijn.

Juist omdat zittende bewoners nog niets van de maatregel gaan voelen, kan Huren op Maat binnen tien jaar niet leiden tot een enorme doorstroming in de sociale huursector.

Ook al is de proef straks een succes en voeren corporaties in het hele land Huren op Maat in, lopende contracten worden ontzien. Juist omdat zittende bewoners nog niets van de maatregel gaan voelen, kan Huren op Maat binnen tien jaar niet leiden tot een enorme doorstroming in de sociale huursector. Anouk en haar vriend zitten dus voorlopig veilig in de Dapperbuurt.

De aarde koelt af, het debat laait op

Posted By Joel Broekaert On oktober 23, 2009 @ 13:35 In Onderzoek | 1 Comment

75px-Aarde_met_nieuwe_maanThe science is settled. Volgens het internationale klimaatpanel IPCC is het zo goed als zeker dat de menselijke uitstoot van broeikasgassen verantwoordelijk is voor opwarming van de aarde. Alleen, de aarde is al elf jaar niet meer warmer geworden. Wat zeiden de sceptici ook al weer?

“Een ding is zeker”, schrijft de BBC twee weken geleden op haar website. “Het debat over de oorzaak van de opwarming van de aarde is verre van beslecht.” De aanleiding voor het artikel [26] in kwestie is het feit dat de wereldtemperatuur de afgelopen elf jaar niet meer is gestegen. De kop luidt daarom: ‘What happened to global warming?’ (Waar is de opwarming van de aarde gebleven?).

Dat die opwarming het afgelopen decennium is gestagneerd, terwijl de uitstoot van broeikasgassen onverminderd toeneemt, was aanleiding voor auteur Paul Hudson om toch weer eens te rade te gaan bij enkele klimaatsceptische wetenschappers. Die vinden het aannemelijker om de temperatuurschommelingen op de aarde te verklaren aan de hand van de activiteit van de zon of de cyclische opwarming en afkoeling van de oceanen.

Het artikel werd met veel gejuich ontvangen op diverse klimaatkritische websites en weblogs. De BBC liet er voorheen namelijk weinig twijfel over bestaan dat de menselijke uitstoot van broeikasgassen dé oorzaak was van de opwarming van de aarde die de afgelopen eeuw onmiskenbaar heeft plaatsgevonden.

Ook in Nederland zijn de media in het algemeen stellig over de toedracht van global warming. Daar zijn goede argumenten voor. Het Internationale Klimaatpanel van de VN, het IPCC, stelde in haar laatste rapport (2007) dat de ruimte voor twijfel minder dan 10 procent is. De menselijke uitstoot van koolzuurgassen is de drijvende kracht achter de opwarming van de aarde.

Bij het IPCC zijn duizenden wetenschappers aangesloten. Ook de klimaatonderzoekers van het KNMI onderschrijven de bevindingen van het IPCC. Reden genoeg om te spreken van consensus binnen de wetenschap. Daarmee verklaarden de media en de politiek de standpunten van de sceptici grotendeels irrelevant. The science was settled.

Maar de klimaatmodellen van het IPCC hebben niet voorspeld dat de opwarming zou stoppen na het piekjaar 1998. Zie je wel, zeggen de sceptici nu, de wetenschap is er nog lang niet uit.

Zonneactiviteit

Blijkbaar is het aardse klimaat hypergevoelig voor kleine variaties in de activiteit van de zon

Volgens Bas van Geel gaan we echter binnen een paar jaar vanzelf meer zekerheid krijgen. Van Geel is paleo-ecoloog aan de Universiteit van Amsterdam. Dat betekent dat hij aan de hand van fossiele plantenresten veranderingen in het klimaat onderzoekt in het verleden. Wanneer het klimaat verandert, verandert ook de samenstelling van plaatselijke flora. Sommige planten doen het beter als het warm en droog is, anderen gedijen beter in een natte omgeving. Zo kunnen die klimaatveranderingen behoorlijk nauwkeurig vastgelegd worden.

Die veranderingen hebben, volgens Van Geel, alles te maken met de activiteit van de zon. Ook de geschiedenis van de zonneactiviteit is namelijk vastgelegd in planten. Die geschiedenis wordt opgetekend in de jaarringen van bomen. Het magnetisch veld rond de aarde beschermt ons tegen teveel kosmische straling. Als de zon actief is, wordt het magnetisch veld om de aarde sterker. Dat betekent dat er minder kosmische straling door het magnetisch veld heen komt. De kosmische straling is weer verantwoordelijk voor de vorming van zogeheten kosmogene isotopen op aarde, die worden vastgelegd in de jaarringen van bomen. Dus, weinig kosmogene isotopen, veel zonneactiviteit. En wat blijkt, volgens Van Geel: de klimaatveranderingen uit het verleden komen in de meeste gevallen nauwkeurig overeen met schommelingen in de activiteit van de zon. “Blijkbaar is het aardse klimaat hypergevoelig voor kleine variaties in de activiteit van de zon”, zegt Van Geel.

De activiteit van de zon valt ook af te lezen aan de hoeveelheid zonnevlekken. Die zijn gewoon te tellen, en dat is de afgelopen vierhonderd jaar ook gebeurd. “De afgelopen decennia hebben we een uitzonderlijk hoge zonneactiviteit gehad. Maar de laatste jaren is die activiteit sterk afgenomen en hebben we opeens ook geen temperatuurstijging meer op aarde”, aldus Van Geel. Zo zou ook de wereldwijde temperatuurdaling tussen 1940 en 1970 verklaard kunnen worden. De menselijke uitstoot van broeikasgassen ging ook toen onverminderd door.

Ergens tussen 2012 en 2015 verwacht ik dat we kunnen zien hoe groot het aandeel van de mens is

Waarom de activiteit van de zon een dergelijke impact op het klimaat zou hebben, is echter nog niet duidelijk. Er moeten bepaalde versterkingssmechanismen bestaan waarvan we nog maar weinig afweten. Het IPCC geeft dat toe, zegt Van Geel. “Maar omdat ze die versterkende mechanismen niet kunnen kwantificeren, nemen ze die niet mee in hun modellen. Daarmee kleineren ze de rol van de zon van meet af aan.”

Het is zeer waarschijnlijk dat de zonneactiviteit laag blijft, zegt Van Geel. Als de temperatuur ook daalt, dan heeft de opwarming van de aarde in de vorige eeuw minder te maken gehad met de uitstoot van broeikasgassen dan aangenomen. Vanwege de vertragende werking van de oceanen, die veel warmte vasthouden, duurt dat nog een aantal jaren. “Maar ergens tussen 2012 en 2015 verwacht ik dat we kunnen zien hoe groot het aandeel van de mens is.”

Rob van Dorland, klimaatonderzoeker bij het KNMI, denkt ook dat het niet lang zal duren voordat er meer duidelijkheid is over de rol van de mens. Maar niet vanwege de zonneactiviteit. Volgens Van Dorland zijn er weinig aanwijzingen om aan te nemen dat de zon een dergelijk grote invloed heeft op het klimaat. Toegegeven over eventuele versterkende mechanismen is weinig bekend, maar dat wil niet zeggen dat daar geen rekening mee wordt gehouden. “Het effect hiervan lijkt marginaal als je het verloop van de mondiale temperatuur vergelijkt met dat van de zonneactiviteit”, aldus Van Dorland.

“Van Geel kijkt heel lokaal naar veengebieden. Lokaal is de invloed van de zon veel sterker dan mondiaal”, zegt Van Dorland. “Dat mag je niet zomaar extrapoleren.” Natuurlijk zijn er meer onzekerheden naarmate je verder terug kijkt in het verleden, maar daar wordt volgens hem voldoende rekening gehouden in de modellen. Wat de bevindingen van het IPCC betreft is de “science settled” voor Van Dorland.

Consensus

Aan het eind van de rit is er weinig wetenschappelijks meer aan

Maar er is wel meer aan te merken op de werkwijze van het IPCC zeggen andere sceptici. “De aangesloten wetenschappers zijn natuurlijk geen gekken, er wordt echt wel nuttig werk verricht”, zegt emeritus hoogleraar geologie Harry Priem. “Die rapporten van het IPCC bevatten serieuze wetenschappelijke artikelen.” Maar de samenvattingen aan het eind van die rapporten worden niet geschreven door wetenschappers, maar door politici. En daar gaat het fout, zeggen de sceptici. “Daar wordt over onderhandeld, een soort handjeklap”, zegt Priem.

“De politiek heeft een wetenschappelijk monopolie toegekend aan het IPCC”, zegt econoom Hans Labohm. “Om daaraan deel te nemen, moet je al bij voorbaat gelovige zijn.” Labohm is in de voorbereiding van het laatste rapport, dat uitkwam in 2007, uitgenodigd om als ‘expert reviewer’ zijn commentaar te leveren. Hij stelt het gebaar op prijs, maar heeft wel sterk het gevoel dat hij er als “excuus-truus” is bijgehaald. “Politici maken uiteindelijk de samenvatting. De woordvoerders versimpelen dat nog een keer. En de kranten maken daar weer pakkende koppen bij. Aan het eind van de rit is er weinig wetenschappelijks meer aan”, aldus Labohm.

“Vervolgens zeggen de politici ‘er is consensus’”, zegt Priem. “Maar in de wetenschap bestaat consensus niet. Er zijn altijd enkelingen die tegen de stroom ingaan.” Meer dan eens hebben die enkelingen achteraf gelijk gekregen. Priem wil zich op geen enkele manier vergelijken met Darwin of Galileo. Maar het geeft wel aan dat het belangrijk is dat er altijd wetenschappers zijn die zich kritisch blijven opstellen en de gangbare opvattingen binnen de wetenschap blijven falsifiëren. Zo komt de wetenschap vooruit.

Des te kwalijker is het daarom dat deze wetenschappers genegeerd worden, zeggen ze. De sceptische wetenschappers zijn bijna allemaal oude, gepensioneerde professors. Ze worden vaak afgeschilderd als een allegaartje van verongelijkte wetenschappers die liever gelijk willen krijgen dan gelijk hebben.

Toch zijn het niet de minste (zie inzet). Van Geel denkt ook dat er veel meer sceptische wetenschappers zijn, dan diegene die zich nu durven uit te spreken. “Als ik midden in mijn carrière had gezeten en wellicht nog had moeten solliciteren, had ik mijn argumenten misschien ook wel anders naar voren gebracht”, zegt Van Geel.

De sceptici

-        Dr. Bas van Geel – hoofddocent paleo-ecologie, Universiteit van Amsterdam. “Ik wordt niet warm of koud van wat journalisten vinden, om in termen te blijven. Ik krijg hier aan de universiteit alle ruimte om mijn  mening te verkondigen.”

-       Dr. Harry Priem – em. hoogleraar planetaire- en isotopengeologie, oud-directeur ZWO/NWO Instituut voor Isotopen-Geofysisch Onderzoek, oud-voorzitter Koninklijk Nederlands Geologisch en Mijnbouwkundig Genootschap. “Consensus is een vloek voor de wetenschap, zolang die niet 100 procent is.”

-       Hans Labohm – econoom, expert reviewer van het IPCC en met Dick Thoenes en Simon Rozendaal auteur van Man-Made Global Warming: Unravelling a Dogma. “Op talloze gebieden zijn journalisten altijd als eerste kritisch, maar waar het gaat om global warming gedragen ze zich als ‘cheerleaders’ voor de klimaatconferenties.”

-       Prof. Dr. Salomon Kroonenberg – hoogleraar toegepaste geologie aan de Technische Universiteit van Delft en auteur van De menselijke maat: de aarde over tienduizend jaar. “Ik reken mezelf niet tot de sceptici. Ik sta aan de zijlijn en wie wil luisteren, die doet dat maar. Maar ik ben het wel gewend om op één hoop gegooid te worden met anderen.”

Mediahype?

Rampscenario’s doen het nu eenmaal goed in de media

Volgens Labohm kun je als scepticus je verhaal ook nergens kwijt in de media. In het verleden schreef Labohm columns in het Financieel Dagblad, maar toen hij zich kritisch begon uit te laten over de klimaatcrisis, werden zijn stukken geweigerd. “Ook de stukken over andere onderwerpen. Ik kwam al gauw nergens meer aan de bak”, zegt hij.

Priem publiceerde in de jaren negentig van de vorige eeuw met enige regelmaat een kritisch stuk in NRC Handelsblad. Maar de afgelopen tien jaar krijgt hij zijn stukken vriendelijk teruggestuurd.

Er is consensus in de wetenschap en dus hoeft er niet meer geluisterd te worden naar de sceptici, was de trend. “De politiek en de media zijn veel te gevoelig voor alarmistische geluiden van de milieubewegingen”, zegt Priem. “Rampscenario’s doen het nu eenmaal goed in de media. Het is net als met de hype rond de Mexicaanse griep.”

Alles wordt er aan toegeschreven, veel regen, weinig regen

In opinietijdschrift Elsevier wordt over het algemeen veel aandacht besteedt aan de mening van de ‘klimaatsceptici’. Eerder dit jaar publiceerde Elsevier een klimaatspecial waarin de onzekerheid over de invloed van menselijk handelen op het klimaat centraal stond. De toonzetting van redacteur Simon Rozendaal verhult weinig: “…hierna acht portretten van alarmisten (pardon, van types die oprecht verontrust zijn over het klimaat).”

Maar in de rest van de media is er eigenlijk geen discussie meer, zegt ook universitair docent Journalistiek Peter Vasterman. “Sinds het laatste rapport van het IPCC uit 2007 lijkt het debat voorbij.” De berichtgeving wordt ook sterk clichématig neergezet, zegt de mediahype-deskundige van de Universiteit van Amsterdam. “Het onderwerp is te groot om te zeggen dat het in z’n totaliteit een mediahype is. Maar alles wat er zijdelings mee te maken heeft, wordt in dat ‘frame’ gepresenteerd. Alles wordt er aan toegeschreven, veel regen, weinig regen. Dat de politieke partijen aanhaken bij de eenzijdige berichtgeving, versterkt dat proces. Vervolgens worden er op grond daarvan politieke maatregelen genomen, waar weer over bericht wordt. Het is geen collectieve dwaasheid”, zegt Vasterman, “maar het schept wel een dwingend klimaat. Als scepticus ben je direct een ketter.”

Hij onderschrijft dat de media een voorkeur hebben voor alarmerende boodschappen. “De Mexicaanse griep is een goed voorbeeld. Bij het uitbreken van die griep werd door gezondheidsorganisaties direct het pandemieschema opgeroepen. Dat wordt opgepikt en uitvergroot en daarmee ontstaat een kader om nieuws te maken. Opeens was de eerste vlucht uit Mexico nieuwswaardig geworden, alsof die mensen terugkeerden uit een rampgebied.”

Het is een belangrijke taak van de journalistiek om af te wijken van de consensus, vindt Vasterman. Een ander voorbeeld: de Trafigura-zaak. Afgelopen zaterdag bleek uit een stuk van Karel Knip, wetenschapsredacteur bij NRC Handelsblad, dat er misschien wel helemaal geen giframp heeft plaatsgevonden. “Maar wij zijn zo gewend aan de combinatie oliemaatschappijen en giframpen, dat we direct aannemen dat het wel het geval is”, zegt Vasterman.

Salomon Kroonenberg, hoogleraar toegepaste geologie aan de TU in Delft vindt niet dat het sceptische standpunt doodgeschreven wordt. “De discussie is nog wel degelijk aanwezig”, zegt Kroonenberg. Maar hij onderschrijft wel dat het overheersende beeld vrij eenzijdig is.

Mensen ontdekken nu opnieuw dat de natuur verandert

Dat heeft alles te maken met ‘de menselijke maat’, zegt Kroonenberg. In 2006 publiceerde hij een boek onder diezelfde titel waarin hij duidelijk maakt dat “mensen slecht met de lange termijn om kunnen gaan. Als ze gewend zijn dat dingen een bepaalde kant opgaan”, zegt Kroonenberg, “denken ze dat het zo blijft. Dat is met de temperatuur van de aarde zo, maar bijvoorbeeld ook met de beurskoersen.”

Het klimaat is nooit stabiel geweest en de aarde heeft alle rampen al eens meegemaakt. “Geen mens heeft recht op een constante zeespiegel”, zegt Kroonenberg. Wat hij bedoelt is dat de mensheid al eerder een zeespiegelstijging heeft meegemaakt, aan het eind van de vorige ijstijd. Dat ging toen 20 keer sneller dan nu, maar het is uit ons collectieve geheugen verdwenen. “Mensen ontdekken nu opnieuw dat de natuur verandert.” Maar wanneer je de veranderingen in een groter perspectief plaatst, op een grotere geologische tijdlijn, dan wordt de curve van de opwarming minder steil. “Daarmee neemt ook het alarmgevoel af.”

Klimaatbeleid vs. Energiebeleid

Wij kunnen helemaal niet aan de thermostaat van de aarde draaien

Maar wat willen de sceptici dan? Met de armen over elkaar afwachten?

“Ik ben het eens met alles wat Al Gore wil bereiken”, zegt Kroonenberg, “maar hij misbruikt de wetenschap.”

Alle sceptici die eerder aan het woord kwamen zijn nadrukkelijk vóór een zuiniger energiebeleid en investeringen in alternatieve energie bronnen. Er zijn talloze argumenten om zo snel mogelijk een alternatief te vinden voor fossiele brandstoffen: ze raken op, en dus worden we steeds afhankelijker van dubieuze regimes als Rusland en Saoedi-Arabië; ze verontreinigen de lucht; en ze zijn kunnen veel nuttiger gebruikt worden als basis voor kunststoffen dan als brandstof.

Het klimaat is een enorm complex systeem, waar vele aardse en buitenaardse krachten op inwerken, die lang niet allemaal volledig begrepen worden door de wetenschap. “We weten veel te weinig om het beleid alleen op basis van de invloed van koolzuurgas te laten bepalen”, zegt Kroonenberg. Hij pleit daarom voor een scheiding tussen energiebeleid en klimaatbeleid. Dat laatste bestaat niet, zegt hij. “Wij kunnen helemaal niet aan de thermostaat van de aarde draaien.”

Ze willen de politiek behoeden voor verkeerde beslissingen, zoals het investeren in technologieën om koolzuurgas af te vangen en onder de grond te pompen. “Dat is duur en het kost enorm veel extra energie, terwijl we geen flauw idee hebben of het iets uit gaat maken op de lange termijn”, zegt Labohm. Beter is het om al dat geld in de ontwikkeling van alternatieve brandstoffen te steken, vinden de sceptici.

Maar het ministerie van VROM wil niets weten van de onzekerheid over de invloed van de mens op global warming. “Voor ons is het een uitgemaakte zaak”, zegt woordvoerder Jan Jaap Eikelboom. VROM is stellig van mening dat ze een klimaatcrisis aan het bestrijden zijn en dus is er haast bij geboden. “Natuurlijk zetten wij ook in op duurzame energie en energiebesparing. Maar we hebben niet de luxe daarop te wachten.”

Van Geel maakt zich vooral zorgen om het maatschappelijke draagvlak voor wenselijke veranderingen in onze omgang met energie. Het hele energiebeleid is gebaseerd op het idee dat we het klimaat aan het veranderen zijn. “Als dat straks blijkt mee te vallen dan brokkelt het maatschappelijke draagvlak voor dat beleid snel af.” De enige partijen die in hun communicatie naar de kiezer rekening houden met de mogelijkheid dat het meevalt met de invloed van de mens, bevinden zich ver rechts op het politieke spectrum. Van Geel is bang dat het een triomf wordt voor deze partijen als hij straks gelijk krijgt. “En daar zit ik helemaal niet op te wachten.”

Reblog this post [with Zemanta] [27]

Wat nou wachtlijst, een sociale huurwoning koop je gewoon

Posted By Emma Boelhouwer On oktober 16, 2009 @ 18:15 In Algemeen, Onderzoek | No Comments

2080752422_e016dd43f3_mVoor een paar duizend euro fiks je zo een sociale huurwoning in Amsterdam. Geen instantie die daar op toeziet. Het zijn “boevenpraktijken”, maar pandjesbazen kunnen doen wat ze willen want de woningnood is hoog. “Het was betalen of terug naar mijn ouders.”

AMSTERDAM - Peter stond elf jaar ingeschreven op WoningNet, hij reageerde actief, maar zonder succes. Niet dat hij veeleisend was: hij zocht naar een fatsoenlijke twee kamerwoning in de Baarsjes, Bos en Lommer of Westerpark. Hij mocht welgeteld twee keer kijken, maar de huizen gingen aan zijn neus voorbij.

Peter hoefde daarom niet lang na te denken, toen hij twee jaar geleden via via hoorde dat iemand hem wel aan een sociale huurwoning van een makelaar kon helpen [zie kader 1]. Het zou Peter vierduizend euro ‘sleutelgeld’ kosten, maar dan had hij wel een woning van zeventig vierkante meter voor 450 euro per maand.

De wachttijd voor een sociale huurwoning is de laatste decennia flink opgelopen. Het aantal Amsterdammers groeit, de huishoudens worden kleiner en de doorstroming naar koopwoningen stagneert door stijgende prijzen. Voor een tweekamerwoning is de wachttijd nu gemiddeld twaalf jaar bij WoningNet, de organisatie die voor een groot aantal woningbouwcorporaties woningen toewijst. Zelfs als je bereidt bent buiten de ring te wonen, in Slotervaart of Osdorp bijvoorbeeld, dan wacht je alsnog negen tot zestien jaar.

Sociale huurwoningen in Amsterdam

In Amsterdam wordt 75 procent van de sociale huurwoningen aangeboden via de wachtlijst van woningnet. De overige 25 procent worden door huisbazen en makelaars verdeeld. Zij zijn niet verplicht tot het aanleggen van een wachtlijst. Ze mogen zelf bepalen aan wie ze de woning verhuren, zolang de huurder voldoet aan bepaalde criteria. Zijn inkomen mag bijvoorbeeld niet boven een bepaalde grens liggen en hij moet economisch gebonden zijn aan Amsterdam.

Tot een paar jaar geleden mocht Dienst Wonen van de gemeente Amsterdam de helft van de particuliere sociale huurwoningen verdelen. Martin Janssen van Dienst Wonen: “Wij koppelden een huurder aan een woning van een particulier en vertelden waar ze de sleutel op konden halen. Als een verhuurder vreemde eisen stelde, hoorden wij dat altijd.” Sinds de zogenaamde claimregeling is wegbezuinigd, mogen particulieren alle huurders zelf voordragen. Janssen: “Wij hebben er nu geen zicht meer op.”

Van de bij WoningNet ingeschreven woningzoekenden in de Stadsregio Amsterdam hebben er in 2007 84.416 eenmaal of vaker gereageerd op een woning. Ook het gemiddelde aantal reacties op vrijkomende corporatiewoningen in Amsterdam steeg van 110 in 2006 naar 139 in 2007. Dit tegenover 81.653 in 2006. Intussen nam het aantal corporatiewoningen door sloop en verkoop af van 10.514 in 2006 naar 9657 in 2007. Getallen over 2008 zijn nog niet bekend.

De lange wachttijden voor huurwoningen zorgen voor florerende illegale praktijken, van onderhuur tot onwettige bemiddelingskosten, zoals het zogenoemde sleutelgeld dat Peter betaalde. Sleutelgeld is geld dat de verhuurder aan de nieuwe huurder vraagt, voordat deze de woning mag betrekken. Sleutelgeld vragen voor een huurwoning mag niet, of het nou gaat om een woning in de vrije sector of om een sociale huurwoning.

In dat laatste geval zijn dit soort praktijken extra schrijnend. Sociale huurwoningen met lage huren, waar een huisvestigingsvergunning van de gemeente voor nodig is, zijn juist bedoeld om personen of gezinnen met een laag inkomen aan een betaalbare woning te helpen. Niet de mensen die zo even een paar duizend euro uit hun mouw kunnen schudden.

Wildgroei aan boevenpraktijken

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was het vragen van sleutelgeld volgens huurrechtadvocaat Frans Panholzer de normaalste zaak van de wereld. “Er was grote woningnood en in de krant stonden advertenties waarin exorbitant hoge bedragen als sleutelgeld werden gevraagd.” In 1940 kwam er een wet die het vragen van sleutelgeld strafbaar stelde, omdat men prijsopdrijving in de schaarse oorlogsjaren niet wenselijk achtte. Vanaf 1951 werd het versoepeld: je kon er niet meer voor in de gevangenis belanden, maar openlijk adverteren in de krant liet je wel uit je hoofd. Dan had je mogelijk een civiele procedure aan je broek. “Sleutelgeld is de laatste vijf jaar weer in opkomst”, zegt Panholzer.

Ook Ron Nieuwendijk van Hoffmann Bedrijfsrecherche, ziet een toename. Het particuliere recherchebedrijf onderzocht in 2008 vijf zaken van eenzelfde soort fraude bij Nederlandse woningbouwcorporaties. De sleutelgeldfraude vindt dus niet alleen plaats bij particuliere verhuurders. “Dit jaar zijn er al vijf zaken voorbijgekomen en dat gaan er waarschijnlijk nog meer worden.” Volgens Nieuwenhuizen wordt de ‘wildgroei’ van dit soort praktijken, vooral veroorzaakt door de krapte op de woningmarkt.

Het was betalen of terug naar mijn ouders

Willem, “zwaar op zoek naar een woning” vanwege gezinsuitbreiding, noemt het boevenpraktijken. Zelf betaalde hij twee maanden geleden ook sleutelgeld aan een tussenpersoon. “Hij kwam in een auto langsrijden en ik moest instappen. Daar heb ik het geld overhandigd.” Er werd hem nog wel even op het hart gedrukt dat hij niks tegen de makelaar mocht zeggen over de achtduizend euro die hij had betaald. “Ik weet vrij zeker dat de makelaar er niet van op de hoogte was. Het geld is verdeeld tussen de stroman en een werknemer op het makelaarskantoor.”

Studente Maria kreeg haar sleutelgeld niet gepresenteerd als omkoopgeld, maar als opknapgeld. De huurwoning waar ze vier jaar geleden 3500 euro voor betaalde, verkeerde in een onbewoonbare staat. Het makelaarskantoor kon de opknapkosten zelf zogenaamd niet betalen en zou het sleutelgeld voor de verbouwing gebruiken. “Ik moest uit mijn andere huis. Het was betalen of terug naar mijn ouders.”

Voor het betaalde sleutelgeld kregen Peter, Willem en Maria natuurlijk geen kwitantie. “In het ideale geval dat de huurder het zwart op wit zou hebben, kan hij via een civiele procedure het bedrag terugvorderen”, zegt advocaat Panholzer. Volgens hem wordt er door gebrek aan bewijs nauwelijks geprocedeerd.

Topje van de IJsberg

Zo komt de verhuurder er mee weg. “Mensen die eenmaal in hun woning zitten, denken er niet meer over om het betalen van sleutelgeld te melden”, zegt Ramón Donicie van het Meldpunt Ongewenst Verhuurgedrag. En als mensen het niet melden, ontrekt het probleem zich aan onze waarneming, aldus Pim de Ruiter van Dienst Wonen. De gemeente krijgt geen signalen en houdt zich er daarom niet mee bezig. De Ruiter: “Het is iets tussen privépersonen.”

We wisten natuurlijk dat we iets illegaals deden

Geen enkele instantie durft het aan een schatting te geven hoe vaak er om sleutelgeld wordt gevraagd. Zowel bij het Meldpunt Ongewenst Verhuurgedrag als bij de Woonbond komt ongeveer eens per maand een klacht binnen. “Maar dat is vermoedelijk het topje van de ijsberg”, zegt Donicie van het Meldpunt.

Studente Kiki betaalde samen met haar huisgenootje Katja in 2005 vijftienduizend euro voor een woning van dertig vierkante meter met een huur van 250 euro. En nee, ze hebben er niet over nagedacht dat ergens te melden. “We wisten natuurlijk dat we iets illegaals deden”, zegt Kiki. De vader van Katja had een advertentie in de krant zien staan: iemand bood een officiële woning aan. Toen hij belde kwam de aap uit de mouw. Een stroman kon hen aan een kleine woning helpen met contract, maar dan moesten ze daar wel geld voor over hebben.

De regeling was zo: een deel van de vijftienduizend euro zouden ze terugkrijgen als ze weer verhuisden, maar elk jaar zou de stroman wat rente van het bedrag afnemen. Toen Katja en Kiki vier jaar later verhuisden was de vogel gevlogen. Het telefoonnummer bestond niet meer. Drie jaar lang was hij bereikbaar geweest. De meiden hadden zelfs nog vrienden aan een woning geholpen en dan kregen ze een paar honderd euro in een envelopje toegestopt.

Er zijn genoeg woningzoekenden bereid om sleutelgeld te betalen, weten Peter en Willem. Als ze aan vrienden vertellen hoe ze aan de woning komen, krijgen ze vaak de vraag of ze het nummer mogen hebben. Peter: “Zo werkt dat bij mijn contactpersoon niet. Hij zei dat hij zelf al genoeg mensen kent.”

De macht van de huisbaas

Dat geeft huisbazen, contactpersonen of makelaars de macht. “Als de een niet wil, zijn er genoeg die wel willen”, zegt Gerard Oosterwijk, voorzitter van de Landelijke Studenten Vakbond (LSVb). Het probleem zou opgelost zijn zodra er genoeg woningen beschikbaar zijn. De overheid zou die verantwoordelijkheid moeten nemen, vindt Oosterwijk. “Maar studenten en huurders kunnen zelf ook verantwoordelijkheid nemen door voor een te hoge huur, bemiddelingskosten of borg naar een huurcommissie te gaan.”

Veel mensen vinden het moeilijk om met voorbedachten rade een woning te accepteren en om vervolgens na een maand naar de huurcommissie te stappen, aldus Oosterwijk. “Toch is dat de enige oplossing. Maar dan wel collectief, zodat de huisjesmelkers eraan gewend raken en weten wat ze kunnen verwachten als ze de regels overtreden.”

De huurcommissie doet echter geen uitspraken over sleutelgeld. Dat gaat via de rechter, mits er voldoende bewijs is. “De huurder moet zelf mans genoeg zijn om een kwitantie te vragen”, zegt Hans Roseboom van de Woonbond. Volgens hem zijn er genoeg huisbazen die dat gewoon geven of het prima vinden als je het geld via de giro betaalt en dat telt ook als bewijs.

Mocht dat niet lukken dan heeft advocaat Panholzer nog een tip: “Neem het gesprek op als je het sleutelgeld gaat overhandigen. Vroeger verraadde je jezelf door de klik van het opnameapparaatje als het bandje afliep. Tegenwoordig heeft iedereen een MP3-speler.”

De namen van de geïnterviewden zijn op hun verzoek gefingeerd.

Reblog this post [with Zemanta] [28]

Islamitisch bankieren: nog lange weg te gaan

Posted By Merel Straathof On oktober 16, 2009 @ 18:10 In Onderzoek | No Comments

LONDON - JUNE 14:  (FILE PHOTO)  A sign is att... [29]
Image by Getty Images [30] via Daylife [31]

Islamitisch bankieren is internationaal sterk in opkomst, zegt het Institute of International Finance. Toch komt het in Nederland maar niet van de grond. Zelfs Turkse en Marokkaanse banken in Amsterdam branden zich er liever niet aan. Waarom niet?

 

AMSTERDAM - Op de ene kantoordeur staat Ipotek, op de andere Kredi. Het is wel zo overzichtelijk voor de overwegend Turkse klanten van de Demir Halk Bank in Amsterdam. Ook het bankpersoneel is ingesteld op de doelgroep: moeiteloos schakelen zij over van Nederlands naar Turks. Specialisme? Hypotheken verstrekken voor klanten die een (tweede) huis in Turkije willen aanschaffen. Maar verder is de bank vooral erg Nederlands.

Een paar straten verderop staat de in augustus geopende Banque Chaabi du Maroc, aan de De Clercqstraat. Op tafel liggen folders met de tekst: Banque Chaabi wenst u een gezegende Ramadan, daarnaast zoetigheid ter ere van het suikerfeest. Maar veel islamitischer dan dat, wordt het ook hier niet.

Islamitisch bankieren in Nederland

Er bestaan in Nederland wel islamitische investeringsfondsen, zij het op zeer kleine schaal. Zo heeft de Britse bank Barclays in januari 2008 een drietal islamitische beleggingsproducten gelanceerd op de Amsterdamse beurs. Advocaat en leider van de Islamic Finance Group Kees Hooft van juridisch en fiscaal dienstverlener Loyens & Loeff zegt zelfs dat een winkelcentrum in Utrecht Lunetten gefinancierd is met kapitaal uit het Midden-Oosten.

Hooft is het niet eens met hoogleraar Visser dat Nederland de slag om islamitische investeringen heeft verloren. Hooft: “Londen is absoluut hoofdrolspeler op het gebied van islamitisch bankieren. De stad is zelfs het financieel centrum van de wereld. Maar dat betekent niet dat er voor Nederland dan niets meer voor ons overblijft.”

Verder bestrijdt Hooft het beeld dat islamitisch bankieren in Nederland ten dode is opgeschreven. “Het is een veilige manier van bankieren, dat blijkt wel uit deze economische crisis. Het zou gewoon moeten kunnen in Nederland, omdat er zoiets als keuzevrijheid bestaat. Er zijn ook twintig soorten wc-papier in de supermarkt. Dus waarom niet meer keuze bij bankieren?”

Uit economische motieven is Loyens & Loeff een aantal jaar geleden begonnen met het onderzoeken van de mogelijkheden van islamitisch bankieren.  Hooft: “Naar ons idee zit er wel degelijk een groot potentiële in deze markt. Ik ken moslims die vermogend zijn, maar toch in een huurhuis wonen omdat kopen met rente tegen hun principes ingaat.”

Dat islamitisch bankieren in Nederland maar niet van de grond komt is volgens Hooft te wijten aan de apathie van de overheid. “Iedereen wijst naar elkaar. De banken wachten op actie van de overheid, en de overheid wacht op voorstellen van banken. Maar de staat zou hierin juist een stimulerende rol moeten spelen.” Het ministerie van Financiën kon niet reageren voor de deadline van deze online-krant.

Volgens Hooft zou de Nederlandse overheid een voorbeeld kunnen nemen aan Frankrijk, waar momenteel islamic finance gestimuleerd wordt. “Ter promotie spreekt de Franse minister van Financiën over het onderwerp op congressen en de overheid heeft een aantal wetswijzigingen doorgevoerd.” Wat in Frankrijk kan, moet in Nederland ook kunnen, vindt Hooft. “Het lijkt alsof het niet kan, maar het zijn gewoon simpele financieringen. Daar zijn constructies voor te bedenken, maar dan moet de overheid dat wel willen.”

Minister Bos van Financiën zag het in juli 2007 nog voor zich: Nederland als financieel centrum voor islamitisch bankieren. In navolging van Londen zou het allemaal in Amsterdam gaan gebeuren. Maar sinds die uitspraak is het erg stil gebleven. Er kwam een kredietcrisis tussendoor waar Bos zijn handen vol aan had. In plaats van nieuwe markten aanboren, lag de prioriteit van de minister bij het behouden van de huidige.

Niet lang na het uitbreken van de crisis, verschenen de eerste berichten over ‘de relatieve rust’ op de islamitische financiële markten. Door de fundamenteel andere manier van bankieren, bleken islamitische financiële instellingen beter bestand tegen de kredietcrisis. Maar wat is islamitisch bankieren eigenlijk?

Islamitisch bankieren

Volgens de Koran is handel toegestaan, maar is het berekenen van rente of riba verboden. Sommige moslims interpreteren riba zelfs als woeker. Speculatie is ook niet toegestaan, omdat dat gelijk staat aan gokken of maisir. Een belangrijke regel is dat financiële transacties altijd in relatie moeten staan met goederen of diensten in de reële economie. Zo moet er dus tegenover geleend geld altijd activa staan. Daar uit voortvloeiend zijn veel van deze banken weggebleven van gevaarlijke financiële producten als (naked) short selling, derivaten of hedgefondsen.

Omdat een moslim geen rente mag betalen of ontvangen, is een hypotheek met rente voor veel moslims uit den boze. Het alternatief zou de financieringsvorm murabaha zijn: de bank schaft het huis aan voor de moslim en verkoopt het vervolgens met een winstopslag aan hem door. In de praktijk is de winstopslag ongeveer gelijk aan de hypotheekrente berekend over dertig jaar en wordt dus ook wel ‘rente in vermomming’ genoemd.

In Nederland is deze halal-hypotheek nog niet levensvatbaar, bleek midden 2008 uit een oordeel van de belastingdienst. De Leidse hypotheekverstrekker Bilaa-Riba diende tot twee keer toe een voorstel voor een speciale halal-hypotheek in, maar werd beide keren teleurgesteld. De reden: winstopslag is iets anders dan rente en dus niet aftrekbaar.

Naast het mislopen van de hypotheekrenteaftrek, zit een koper van een murabaha-hypotheek ook vast aan dubbele kosten. Omdat de bank eerst eigenaar wordt van het huis en daarna pas de ‘echte’ koper, moet er twee keer notariskosten worden betaald. En vervelender nog: deze constructie kost ook twee keer overdrachtsbelasting, zo blijkt uit onderzoek van de Nederlandsche Bank uit 2008.

“Uiteindelijk kiest iedereen toch voor de goedkoopste hypotheek”,zegt emeritus hoogleraar Internationale en Monetaire Economie Hans Visser (VU). Hij wijdde meerdere artikelen en boeken aan islamitisch bankieren en kent de obstakels. “Zolang je bij een halal-hypotheek de renteaftrek misloopt, is de aanschaf erg nadelig.”

Volgens Visser is de hypotheekrenteaftrek zoals wij die in Nederland kennen dan ook de absolute  bottleneck voor het tot stand komen van islamitisch bankieren. In een land als Engeland is de hypotheekrente niet aftrekbaar en daar komt islamitisch bankieren wel van de grond. Zo hebben de Londense banken Lloyds TSB en HSBC een aantal financiële afdelingen voor islamitisch bankieren –  islamic windows – ontwikkeld, waar ook speciale halal-hypotheken in zijn opgenomen.

Ingewikkeld

Het voorbeeld van Bilaa-Riba bewijst hoe ingewikkeld het is om rentevrije hypotheken mogelijk te maken in een land waar zowat het hele financiële stelsel gebaseerd is op rente. Want het probleem beperkt zich niet tot hypotheken.

Veel traditionele moslims zien verzekeren als een vorm van gokken, waardoor een simpele reisverzekering al ongewenst is. Alternatief is de islamitische verzekering, takaful. Dit werkt als een soort middeleeuws gilde: een groep moslims legt gezamenlijk een spaarpot aan voor onderlinge bijstand bij nood. Volgens Visser bestaat er in Nederland geen vorm van takaful.

Ook investeren in een onderneming blijkt een kunst op zich. Mohamed Bouker, directeur business development van Banque Chaabi du Maroc, legt uit wat daar de moeilijkheden van zijn. “Het principe achter islamic finance, is dat iedereen er op vooruit moet gaan en dat het risico verdeeld wordt.” In een ideale situatie draagt de geldgever ook het ondernemersrisico, dus hij wordt eigenlijk aandeelhouder. Op die manier deelt de investeerder in zowel de winst als het verlies van een bedrijf.

Om islamitisch bankieren te realiseren zou een bank een speciale tak moeten opzetten. Daarvoor moet deskundig personeel op het gebied van islamitisch bankieren worden aangetrokken. Bovendien kost het tijd –en dus geld– om goede constructies te bedenken binnen de Nederlandse wetgeving, zegt hoogleraar Visser. En dan moet nog maar blijken of de fiscus de constructies goedkeurt. Voor Nederlandse banken een weinig aantrekkelijk vooruitzicht, zeker in deze economisch moeilijke tijd. “De Rabobank heeft er de afgelopen jaren wel onderzoek naar gedaan, maar dat ligt nu ook stil,” weet Visser. “De beste optie is dat de Engelse HSBC een filiaal opent in Nederland. Zij hebben immers al de expertise.”

Mocht een Nederlandse bank de sprong wagen en een speciale tak voor islamitisch bankieren opzetten, dan is het nog maar afwachten hoeveel mensen zich melden voor de producten. De Rabobank hield in 2005 een interessepeiling waaruit bleek dat ongeveer 200 duizend Nederlandse moslims geïnteresseerd zouden zijn in een halal-hypotheek. “Dat is toch een aardige markt,” vindt Bouker van de Banque Chaabi du Maroc. “Maar als je dat aantal verdeelt over het aantal banken in Nederland, dan valt het weer erg tegen.”

De Leidse Bilaa-Riba beschouwde destijds alle ongeveer een miljoen Nederlandse moslims als potentiële doelgroep. Maar als alle plannen van Bilaa-Riba doorgang hadden gekregen, had nog maar moeten blijken of er inderdaad zoveel geïnteresseerden zouden zijn, denkt hoogleraar Visser. “Net als bij de halal-hypotheek lijkt mij het percentage moslims dat bereid is meer tijd, geld en moeite in financiële halal-producten te stoppen, betrekkelijk gering.”

De Rabobank denkt er net zo over. “Na de peiling hebben we ook nog intern de mogelijkheden verkend van een hypotheekproduct gericht op deze doelgroep,” zegt een woordvoerder van de Rabobank. “Maar uiteindelijk liep het stuk op de renteaftrek en het onzekere marktpotentieel.” De bank heeft momenteel dan ook geen plannen om speciale producten voor moslims op de markt te brengen.

Seks en wapens

Toch is er ook goed nieuws voor bedrijven die geïnteresseerd zijn in islamitisch bankieren. Een vrij eenvoudige manier om islamic finance te realiseren is het samenstellen van een beleggingsfonds bestaande uit bedrijven die niets produceren dat in strijd is met de islam. Dat zijn bijvoorbeeld bedrijven die niets te maken hebben met de verwerking van varkensvlees, wapenindustrie of de entertainmentindustrie (seks, alcohol, etc.) en dergelijke.

Bilaa-riba was een van de aanbieders van deze beleggingsproducten. In de fondsen namen ze onder meer bedrijven op als Akzo-Nobel, Philips, Randstad, Nokia en TomTom. Maar na de mislukking van de halal-hypotheek, heeft het bedrijf de stekker uit deze fondsen getrokken.

Jammer, vindt Bouker van Banque Chaabi du Maroc dat. Hij is van mening dat islamitische investeringsfondsen nog steeds interessant kunnen zijn voor Nederland. “Grote investeerders uit het Midden-Oosten willen hun miljoenen ergens in investeren. Nederland wil altijd voorop lopen, maar laat hier mogelijkheden liggen.” Bouker denkt wel te weten hoe dat komt. “Alles rondom de Islam is nu impopulair.” Toch wordt het volgens Bouker voor Nederland steeds moeilijker om Arabisch geld aan te trekken. “Investeerders in het Midden-Oosten kijken ook naar CNN. Als ze dan zo’n clown als Wilders in de Tweede Kamer zien, denken ze ook: wat heb ik daar te zoeken?”

Volgens hoogleraar Visser is het duidelijk. Nederland heeft de slag om het grote islamitische geld al een aantal jaar geleden verloren. “Londen is dé plek voor islamic finance, die investeerders gaan naar een bank als HSBC met hun geld.”

Reblog this post [with Zemanta] [32]

Hopi-boys in Bijlmer inmiddels stukje ouder en wijzer

Posted By Laura van der Wal On oktober 9, 2009 @ 19:08 In Onderzoek | No Comments

Foto uit 2006

Foto uit 2006

Met tweeëntwintig schietpartijen is er dit jaar uitbarsting van geweld en wapens in Amsterdam Zuidoost. Politiek en media wijzen in de richting van ‘de jongens van de straat’. Tv-programma’s blijven oude beelden vertonen van de Hopi-boys, een criminele groep die het tegenwoordig een stuk rustiger aan doet.

AMSTERDAM - Een ambulance met zwaailichten aan schiet over het viaduct voorbij. Beneden op het speelpleintje in de H-buurt in Amsterdam Zuidoost staat een groepje jongens. Ze noemen zich de Hopi-boys, jongens van de nabijgelegen Hoptille-flat. Lange tijd zijn ze een van de bekendste criminele jeugdgroepen uit de Bijlmer.

Een van hen houdt een Blackberry tegen zijn oor. Hij praat met een neef over een jongen die zojuist is neergeschoten verderop in de K-buurt. Later zal blijken dat het de 19-jarige Ishmael Gumbs is, het derde dodelijke slachtoffer van de tweeëntwintig schietpartijen die dit jaar plaatsvonden in de buurt. “Jullie zijn ons alibi”, zegt Rinaldo, een man van 28 met een grote bos zwarte rastavlechten, gouden tanden en tatoeage van een klein hartje onder zijn oog. Volgens de politie is hij een van de leiders van de Hopi-boys. “Wij zijn hier. Wij hebben het niet gedaan.”

Imago

De Amsterdamse korpschef Bernard Welten koppelde het toenemende aantal schietpartijen aan “die knapen uit de Caribische regio” die het stoer vinden om in Zuidoost met grote revolvers rond te lopen. Als voorbeeld van deze criminele jeugdgroepen duikt keer op keer de naam van de Hopi-boys op.

Een paar van deze jongens uit de H-buurt vertelden in 2007 voor de camera van AT5 over hun criminele activiteiten. Hoe ze met ‘hosselen’ snel veel geld verdienen en ‘drugkilo’s afpakken van Afrikanen in de Bijlmer’. Achteraf zeggen de jongens dat ze hebben overdreven. “Die journalist vroeg of we tasjes roofden. Ik wilde niet afgaan tegenover andere jongens”, zegt Rinaldo nu over het filmpje. De jongens showden hun mooie auto’s en dure gouden kettingen. “Mijn grootste fout”, noemt Rinaldo zijn optreden voor de camera. In de discussie over de geweldsgolf in de Bijlmer wordt gewezen naar ‘de jongens van de straat’. Bij gebrek aan ander voorbeeldmateriaal blijft het filmpje van de Hopi-boys opduiken.

Zowel burgemeester Cohen als stadsdeelvoorzitter Sweet zegt van mening dat de groep nog maar uit drie leden bestaat. “De Hopi-boys zijn verslagen, de leden zitten vast of zijn uit Zuidoost vertrokken”, aldus Sweet in Metro. Toch zijn er nog genoeg jongens over. De Hopi-boys zijn echter niet meer die jongens van twee jaar geleden. De groep jongens op het speelplaatsje is boos over hoe ze worden afgeschilderd in de media. Ze hebben een hekel gekregen aan journalisten. De groep voornamelijk Antilliaanse en Surinaamse jongens zegt het rustiger aan te doen.

Veiligheid H-buurt

Begin dit jaar liet stadsdeelvoorzitter Elvira Sweet nog weten dat in Zuidoost ‘de overlast op straat is afgenomen.’ De H-buurt is al geruime tijd afgesloten als aandachtwijk. “Er is geen overlast meer”, zegt ook Raoul White van welzijnsorganisatie Spirit. Daar is een buurtbewoonster het niet mee eens. “Ik hoor schieten ’s nachts. Meerdere malen per week.” Het dealen op straat is enorm toegenomen. “Drie jaar geleden had ik hier totaal geen last van want dat speelde zich verderop af. Nu gebeurt het gewoon onder mijn ogen.”

Huismeester Peter van Houten (59) werkte 25 jaar in de flat Hofgeest in de H-buurt. Hij heeft veel zien gebeuren in ‘zijn’ flat. Vrienden die overnachten in de trappenhuizen, mannen die in de hoekjes en liften plassen en dealtjes die gesloten worden. “Die jongens hebben hun wapentjes; messen, pistolen. Dat laatste is volgens mij niet minder geworden.”

Volgens Ali Jebbar, die gaat over het sociaal beheer van Rochdale, draagt de hoogbouw in de H-buurt bij aan de overlast. “Er is nauwelijks sociale controle. In een hoge flat weet je niet wie onder of boven je woont. Mensen durven geen aangifte te doen, weet oud-huismeester Van Houten. “Veel bewoners van Hofgeest zijn bang, ze durven ’s avonds hun huis niet meer uit.”

Woningcorporatie Rochdale zet beveiliging in rond en in de flats. De geüniformeerde beveiligers lopen rond met honden. Soms worden ze vanuit de ramen van de flats bekogeld.

Fuck the police

“Het filmpje gaf de jongens aanzien, beroemdheid, daar genoten ze van”, vertelt Jack Jonkman. Sinds 2006 is hij buurtregisseur in de H-buurt, die pal tegen het winkelcentrum de Amsterdamse Poort en het Arenagebied aanligt. “Maar het filmpje achtervolgt de Hopi-boys ook, het zette ze negatief op de kaart.”

De politie trad enige tijd na het AT5-filmpje op tegen de groep. De groep zou twee jaar geleden bestaan uit ongeveer zeventig jongens. De politie merkte er twintig aan als harde kern, de criminele groep. Dertig Hopi-boys werden bestempeld als overlastgevende groep. De anderen hingen er slechts bij.

Hun vaste hangplek was de portiek van de Hoptille-flat. De muren hadden de jongens volgeklad met tekeningen van wapens, de afkorting HB en de spreuk Fuck the police, vertelt Jonkman. “Het was een nauw gangetje, donker omdat de jongens het licht steeds sloopten. De bewoners van Hoptille durfden geen bezoek meer te ontvangen. We kregen klachten van vrouwen die zich in de nauwe gangetjes tussen de jongeren moesten wurmen om de voordeur te bereiken.”

De politie probeerde de groep op te breken door de harde kern vast te zetten. De politie spreekt van minder overlast. Volgens de Hopi-boys is dat niet te danken aan het optreden van de autoriteiten. “We zijn nu ouder en daarmee rustiger.” Ze hebben een baan kunnen vinden, of zijn vader geworden. “Als je vanaf je twaalfde hebt vastgezeten, weet je het wel”, zegt de 24-jarige Hopi-boy Mitchell.

Hoewel ze ouder en rustiger zijn, bestaan de Hopi-boys als groep nog wel degelijk. Er zijn nog zo’n 25 Hopi-boys over, zeggen de jongens. ‘De jongens van de straat’ noemen ze zichzelf. “Wij zijn de Hopi-boys; de jongens die hier wonen. We hangen bij elkaar van jongs af aan”, legt Mitchell uit. Hij rookt een jointje om rustig te worden na een lange werkdag in de catering. De eerste stak hij vanmorgen voor het werk op. Een deel van Hopi-boys zit vast, een deel is verhuisd. De oudste is in de dertig, de meesten zijn ouder dan twintig. Jonge kinderen sluiten zich niet aan.

Greengang

De Greengang is een rapmuzieklabel uit de Bijlmer. De rappers komen vooral uit de H-buurt, sommigen van hen zijn Hopi-boys. Niet verrassend identificeren leden en fans van de Greengang zich met de kleur groen. Veel jongens hebben groene details in hun kleding. Groen is daarmee verbonden aan de H-buurt, terwijl in Kraaiennest steeds meer jongens een paars T-shirt aantrekken en andere groepen zich identificeren me het rood van de bende Bloods.

De Greengang is zeer populair in de H-buurt en omringende wijken. Het anders zo lege buurthuis stroomde vol toen de Greengang begin september optrad bij een buurtfeest.

Volgens PvdA-raadslid Jesse Bos geeft de Greengang muzieklabel een legitimering van crimineel gedrag. ”Dit duidt op vermenging van boven- en onderwereld.” Hoewel in de teksten veel criminaliteit doorklinkt, denkt Raoul White van welzijnsorganisatie Spirit niet dat Greengang hiphoppers zich ook echt met criminele activiteiten bezighouden. De jongens bevestigen dat. “De Greengang is gewoon muziek, that’s it.”

Criminele groep

Stadsdeelvoorzitter Elvira Sweet (PvdA) bestempelt de Hopi-boys nog altijd als een criminele groep. Maar volgens zowel de politie als de Hopi-boys zelf zijn hun hossels een individuele aangelegenheid. Mitchell: “Ik ben gepakt met opium en een vuurwapen. Maar die dingen deed ik zelf, los van de groep.” Dat sluit aan op een belangrijke conclusie van Frank van Gemert, specialist van de VU op het gebied van jeugdbendes : “Leden van jeugdgroepen betreden wel vaak het criminele pad maar als regel niet met de groep, eerder vanuit de groep.”

Niet iedere Hopi-boy heeft de criminaliteit afgezworen. “Ik ben net terug van een lange vakantie. Negen maanden, begrijp je wat ik bedoel?” Jason (23) is een kleine maand vrij. Hij zat vast voor drugshandel. Hoe vaak hij heeft gezeten weet hij zo snel niet. “Een keer of zes.” Jason houdt van dure spullen en dat is aan hem te zien. Zelfs zijn lange rastavlecht – “zes jaar laten groeien” – ziet er piekfijn uit. “Alles moet merk zijn, Armani bijvoorbeeld.” Zijn uitkering is niet toereikend. “Toen ik vrij kwam boden ze me een studie aan. Een of twee dagen naar school, daarnaast werk. Ik heb het niet gedaan: als ik ga studeren stopt m’n uitkering.” Als de jongens geld kunnen verdienen, dan doen ze het, weet ook Jonkman.

Veel van zijn vrienden hebben ondertussen wel voor werk of school gekozen. Mitchells baan in de catering bevalt hem, maar hij is niet met hosselen gestopt. “Af en toe ga ik dingen prikkelen. Ik probeer hier en daar er een procentje bij te maken. Ik heb het m’n hele leven gedaan, dat kan er niet in een keer uit.” Toch wil hij van zijn criminele bijverdiensten af. “Stap voor stap voor stap. Die werkroutine heb ik nooit gehad.” Het eerste slokje van zijn biertje gooit hij over de tegels. “Een offer voor de dode.”

Volgens Mitchell is er altijd wel een reden om te schieten

Wapen op zak

Na de golf aan schietincidenten probeert de politie het wapenbezit in Zuidoost terug te dringen. Veel jongeren die een wapen hebben, kennen het effect niet, zegt buurtregisseur Jonkman. “Als je de verklaringen van de jongens leest, zie je dat ze niet beseffen dat er inzittenden gewond kunnen raken als ze op een auto schieten.” Veel jongens in de Bijlmer dragen een wapen, weet Hopi-boy Mitchell. In hun buurt voelen ze zich veilig, maar als ze naar een ander deel van de Bijlmer gaan, gaat er een pistool mee. Een paar vrienden knikken instemmend. Mitchell kan zich niet herinneren wanneer hij besloot een wapen op zak te dragen. “Je weet wat er gebeurt, toch. Al die schietpartijen. Dat wapen heb ik niet om iemand te vermoorden, maar puur om m’n eigen veiligheid.”

Alle partijen zoeken druk naar een verklaring voor de toename van schietpartijen in Zuidoost. Het wapengeweld lijkt vooral te bestaan uit losse incidenten. De enige overeenkomst is dat bij de meeste incidenten jong volwassenen zijn betrokken, vertelt buurtregisseur Jack Jonkman.

Werd er in de media eerst gesproken over bendegeweld, inmiddels is duidelijk dat er geen sprake is van verschillende bendes die hun territorium verdedigen. “Groep tegen groep of bende tegen bende, dat kennen we niet”, vult een van de jongens aan.

Er zijn verschillende redenen waarom de jongens een wapen trekken, zegt de politie. De schietincidenten waren drugsgerelateerd of omdat iemand een ‘verkeerde opmerking’ maakte. Volgens Mitchell is er altijd wel een reden om te schieten. Ruzie om een meisje, zaken die misgaan. Maar dat zijn persoonlijke vetes. Mitchell legt uit dat als hij vandaag ruzie krijgt en slaat, hij morgen voorbereid is. “Ik weet wat ik gedaan heb. Vanaf die dag heb ik mijn vuurwapen bij me als ik de metro instap. Er kan altijd wat gebeuren. We gaan er niet vanuit, maar we hebben het bij ons.”

Dat geldt niet voor alle jongens. Jason vindt die ruzies maar gedoe. “Ik blijf beleefd. Ruzie kost me te veel tijd en geld. En met een wapen heb je sneller problemen.” Terwijl hij praat speelt hij met wat andere jongens het snelle kaartspelletje patta patta, zijn favoriet. Onder het vlugge verdelen van de kaarten kijken ze om zich heen. De politie rijdt om de vijf minuten langs. Stapvoets over het fietspad, zodat ook het grijze autootje van de agent in burger onmiskenbaar is. Spelen voor geld mag niet. De spelers staken het spel en stoppen de flinke stapeltjes briefgeld snel terug in de binnenzak.

De fijne kneepjes

Het hangen op straat hoort bij de Hopi-boys. “Er is geen andere plek waar we heen kunnen.” Volgens het stadsdeel zijn het in de H-buurt deze jongerengroepen, vooral mannen, die overlast veroorzaken. De H-buurt kent opvallend veel jonge bewoners. Van de 7.000 mensen is maar liefst één derde (31%) jonger dan 19 jaar, terwijl slechts 3% van de bewoners 65 jaar of ouder is. Van de tien flats in de H-buurt scoort Hoptille het hoogst op jongerenoverlast, blijkt uit onderzoek van de politie Amsterdam over 2006. Bijna zestig procent van de meldingen kwam daar vandaan.

Het leven van deze jongeren en jong volwassenen in de Bijlmer is niet makkelijk. De buurt kampt met hardnekkige armoede en overlast als vervuiling, vandalisme en geluidsoverlast. In Bijlmer Centrum bestaat 21% van de gezinnen uit één ouder. Vaak moet de moeder met meerdere kinderen van een uitkering rondkomen. “Als buurtregisseur kom je gezinnen tegen waarbij de moeder in de gevangenis zit en haar vijf kinderen aan hun lot worden overgelaten; de achtergebleven familie moet er dan voor zorgen”, vertelt Jonkman. Er zijn gezinnen met hoge schulden en kinderen die tijdens de zomervakantie de hele dag op straat hangen, omdat hun alleenstaande moeders moeten doorwerken. “Het is de voorgeschiedenis van deze jongens, het draagt bij aan hoe ze nu in het leven staan.”

Mitchell groeide op met drie broertjes en zusjes. Er was vaak niet genoeg geld voor eten. Als jongen van twaalf wilde hij zijn moeder helpen. “Je begint met kleine boevige dingetjes.” Zoals bij de Intertoys knikkertjes en daarna Nintendo’s stelen en die doorverkopen. “Dan had ik geld op zak. Naar mate ik ouder werd hoorde ik hoe ik sneller aan veel geld kon komen. Dat ben ik gaan doen. Ik ging in de opium.” Al op vroege leeftijd leerden de jongens de fijne kneepjes van het vak. Mitchell zag als kleine jongen hoe zijn vader het deed. Hoe die de straat op ging met een wapen en terugkwam met het grote geld. “Ik sloot me als kleine jongen al aan bij de grote jongens. Anders had je niets”, zegt ook Rinaldo. Al vanaf jongs af kwamen ze in contact met de politie. Dan weer in de gevangenis, dan weer vrij. Ze zijn verwikkeld in een jarenlange strijd met de politie.

De politie dacht: we gaan de grote jongens van Hoptille pakken

Strijd met de politie

“We komen voor elkaar op, wanneer de politie het ons lastig maakt. Het is dan wij tegen de politie”, vertelt Mitchell. Dat wordt twee dagen later duidelijk. De jongens op het speelveldje zijn onrustig. Ze staan bij hun vaste plek rond de tafeltennistafel. Het friettentje ter plekke trekt veel mensen. Iets verderop spelen kinderen.

“Niet normaal zeg, hoeveel de politie ons vandaag in de gaten houdt”, zegt Mitchell. Op dat moment rijden twee politieauto’s het speelveld op. Een van de drie meisjes springt op en rent weg. Onder het rennen trekt ze haar zwarte, hooggehakte laarsjes uit en gooit ze naar achteren. Iets verderop laat ze haar telefoon vallen, kapot. Een politieman rent vlak achter haar en probeert haar jas te pakken. Hij grijpt steeds mis. Zo’n vijf meter achter hem rent een vrouwelijke agente. Het meisje kan net een *ruime achtbocht* maken, voordat de agent haar te pakken heeft.

Samen smakken ze op de grond, vlak voor de voeten voor de jongens. Het meisje gilt: “Ik heb net twee jaar vastgezeten. Jullie kunnen me niet weer meenemen.” De grijze wagen met de agent in burger komt met te hoge snelheid het plein oprijden. De remmen piepen als hij vlak voor het drietal tot stilstand komt. De stem van het meisje op de grond slaat over. “Ik heb een baby in m’n buik.” De politieman heeft zijn knie op haar nek. De agente houdt haar benen in bedwang. “Word nou rustig, je doet jezelf alleen maar pijn zo.” Inmiddels zijn er nog een politiewagen, een busje en twee agenten op scooter aangekomen.

Stil staan de jongens naar het spektakel te kijken. De spanning staat op de gezichten. Hier en daar een grijns. Melvin draait zich van het tafereel af. “Zie je nou wat ze doen. Ze gooien haar zo neer. De politie gaat niet normaal met ons om.” Een oudere, donkere man blijft staan en valt uit tegen de politie over het geweld dat ze gebruiken. “Je moet nu weggaan, jij hoort hier niet”, zegt Rinaldo tegen hem. Dan keert hij zich tegen de politieman die in discussie was gegaan met de man. “Jullie hebben je werk gedaan, ga dan nu ook gewoon weg.” Hij wil niet nog meer gedoe op hun hangplek, laat Rinaldo later weten.

De jongens zijn moe van strijd met politie. Mitchell: “Als de politie nu komt provoceren, dan kijken we ze niets eens aan. Ze fouilleren ons vaak, maar wij zeggen niks.” Dat was in 2006 wel anders. Toen kwam de botsing tussen de Bijlmerse jongens en de politie tot een hoogtepunt.

Leiders

De jongens herinneren het voorval nog goed. Mitchell: “Ik zeg je het was gewoon chaos. Wij tegen hen. Alle mensen keken uit de ramen naar buiten. Er kwam politieversterking, en toen werd het slaan, duwen, schoppen, bambambam. Een paar van ons werden gepakt. Niet eens degene die wat gedaan hadden. Dat maakt de politie niet uit. Die dacht: we gaan de grote jongens van Hoptille pakken.”

Tijdens de actie pakte de politie de vermoedelijke leiders van de Hopi-boys op. Een actie als deze kwam niet uit de lucht vallen, vertelt Jonkman: er werd een steen gegooid naar de politie ter paard. De Hopi-boys waren een jaar lang door de politie 24 uur per dag in de gaten gehouden. De politie bracht de jongens zo in kaart: wie zich bezighield met straatroof, ripdeals en openlijke geweldpleging. Rinaldo kwam zes maanden vast te zitten. Twee anderen komen nu pas vrij. Maar volgens de jongens kennen de Hopi-boys geen leiders. Mitchell: “De politie kiest die leiders uit. Maar niemand is hier de baas van niemand. We zijn met z’n allen een team.”

Het stadsdeel, politie en welzijn noemde de gerichte aanpak tegen de Hopi-boys een succes. Daar denken de jongens zelf anders over. “De politie heeft ons niet uit elkaar gehaald. Een paar zaten vast, maar niet voor levenslang toch. Ze zijn weer vrij.” De autoriteiten hebben de Hopi-boys niet verslagen, vinden de jongens.

Het goede pad

Stadsdeel, welzijn en woningbouwcorporaties; een heel bataljon aan organisaties houdt zich bezig met overlastgevende jongerengroepen in Zuidoost. Deze groepen worden sinds 2006 aangepakt door een team van jeugdzorgorganisatie Spirit samen met een aantal partners, zoals stadsdeel, politie en justitie. Ze proberen de jongeren op het goede pad te krijgen door huisbezoeken, buurtactiviteiten en leer- werktrajecten.

De Hopi-boys hebben er weinig van gemerkt, zeggen ze zelf. “We zien hier nooit iemand. Er is niks voor de jeugd, dus organiseren we het zelf maar. We hebben geen overdekte plek om rustig samen te komen.” De jongens wijzen naar de halfpipe waar ze voorheen schuilden voor de regen. Nu staan er hekken om het afdakje. Jonkman vertelt later dat die omheining is geplaatst nadat duidelijk werd dat mensen die zich daar ’s nachts ophielden anderen beroofden. Hun illegale slachtoffers durfden geen aangifte te doen.

Volgens Raoul White van Spirit heeft het jongerenwerk wel degelijk effect in Zuidoost. In 2006 waren er vijftien jongerengroepen aangewezen als overlastgevend. Op dit moment zijn daar nog zeven van over. “We weten dat we van de 134 van de 196 probleemjongeren bereikt hebben. En dat het goed met ze gaat”, zegt White. Wat er met andere groep is gebeurd, weet hij niet.

De meeste Hopi-boys zijn nu te oud om door welzijnswerk gevolgd te worden. De politie houdt ze wel dagelijks in de gaten, maar ziet ze slechts op straat hangen, de meesten van hen pas na werktijd. De hossels spelen zich buiten beeld af. Volgens White van Spirit zijn de Hopi-boys verdwenen. “Als je de kop eraf haalt, is het lijf niet meer sterk. Op dat moment heb je meer kans op invloed uit te oefenen en dat is gebeurd.” De politie heeft de Hopi-boys als criminele groep uit haar systeem gehaald.

Nieuwe groep

Maar de jongens die zich ’s middag vanaf een uurtje of vijf verzamelen op het speelpleintje bij de flat Hoptille noemen zichzelf nog steeds Hopi-boys. De zogenaamde harde kern is weer vrij. “Die wonen nog steeds in de H-buurt,” vertelt Jonkman. Dat de Hopi-boys weer de criminele reputatie krijgen als een paar jaar geleden is onwaarschijnlijk. De jongens zijn gekalmeerd. “We hebben geleerd van de justitiedingen, omdat we zo vaak hebben vastgezeten. We weten wat onze rechten zijn.”

De Hopi-boys zijn niet meer de criminele groep die we op de beelden terug zien. Maar het aantal wapens in de buurt wordt er niet minder op. Ondanks de talloze projecten en actieplannen blijven de sociaaleconomische omstandigheden even slecht. Individueel geweld blijft voorkomen en nieuwe groepen komen op.

Zo werkt het hiphoplabel Greengang als een magneet op de jongeren uit de buurt. Greengang is aan de Hopi-boys gelieerd. In de clips en op foto’s wordt de gangstercultuur verheerlijkt, met stapels geld en vuurwapens, maar de jongens rappen ook over hun realiteit in Zuidoost. Raoul White van welzijnsorganisatie Spirit vindt de Greengang een positieve ontwikkeling. “Ik zie de Greengang als de muzikale afdeling en creatieve tak van de Hopi-boys.”

De politie trof tijdens een standaard controle bij een van de jongens van de Greengang een vuurwapen aan. Hij was per auto onderweg naar het H-buurtfeest waar hij zou gaan optreden, vertelt Jonkman. Het optreden was een succes maar om het met grote regelmaat te organiseren raadt de politie af. “Dat zou die jongens een vaste verzamelplek en dus meer status geven. Dan gaat het geheid een keer fout.”

Maar de opkomst van de Greengang betekent niet het einde van de Hopi-boys. “We blijven altijd in the hood. Ik wil hier oud worden. We hebben hier alles. Wij zijn Hoptille.”

De namen van Hopi-boys Melvin, Mitchell en Rinaldo zijn gefingeerd.

‘Privacy opgeofferd aan aanpak faillissementsfraude’

Posted By Nelleke Koops On oktober 9, 2009 @ 17:34 In Onderzoek | No Comments

Sonnnni

Sonnnni

Een nieuwe wet om faillissementsfraude te bestrijden is in aantocht. Die maakt het mogelijk om allerlei databanken aan elkaar te koppelen. Daardoor zijn straks zelfs kleinkinderen verdacht. “Privacy is een mythe geworden.”

AMSTERDAM - Een 42-jarige man richt een ICT-bedrijf op. Zijn vorige bedrijf ging in 2001, met het uiteenspatten van de internetbubble, failliet. Nu doet hij een nieuwe poging. Alles lijkt goed te gaan, totdat zijn gezondheid ernstig achteruit gaat en hij niet meer kan functioneren als directeur. Hij draagt zijn functie en een deel van zijn aandelen over aan zijn vader, die op zijn 67ste nog wel zin heeft in een nieuwe carrière. Ook heeft de man twee minderjarige zoons, die de rest van de aandelen krijgen. Om fiscale redenen brengt hij die onder in een nieuwe BV. Het bedrijf verhuist naar de woonplaats van zijn vader. De man verhuist naar Zwitserland in de hoop dat de berglucht hem goed doet.

Wat de man niet weet, is dat hij zich hiermee uiterst verdacht heeft gemaakt bij de dienst Justis van het ministerie van Justitie. Dat niet alleen hij, maar ook zijn vader en zijn kinderen zijn gescreend, en dat er een risicoprofiel op hen is geplakt waar zij de komende tijd niet meer van afkomen. Met een beetje pech zijn zelfs het Openbaar Ministerie (OM), de belastingdienst en de fiscale opsporingsdienst FIOD gewaarschuwd.

Als de nieuwe ‘Wet controle op rechtspersonen’, die nu ter goedkeuring voorligt aan de Tweede Kamer, per 1 januari 2010 van kracht wordt is dit geen ondenkbaar scenario. Met dit nieuwe systeem wil de overheid gegevens uit bestaande databanken, zoals het handelsregister, de gemeentelijke basisadministratie (GBA), het centraal insolventieregister, het kadaster, de belastingdienst, het UWV en politieregisters aan elkaar koppelen. Zo hoopt de overheid faillissementsfraude en misbruik van rechtspersonen eerder te signaleren. “Veiligheid begint bij voorkomen” en “Op weg naar een elektronische overheid”, in de woorden van het kabinet. Dat is geen overbodige luxe. In Nederland wordt bij ruim een kwart van de faillissementen gefraudeerd. De Duitse en Engelse overheid pakken fraudeurs al veel harder aan dan hier.

Rinkelende alarmbellen

Zo werkt het straks in Nederland: Een computerprogramma registreert iedere wijziging in de levensloop van een rechtspersoon. Verhuist de bestuurder of het bedrijf? Draagt hij de aandelen over? Wordt er een nieuwe BV opgericht? Heeft de bestuurder al eerder een bedrijf failliet laten gaan? Deze wijzigingen worden automatisch getoetst aan vaste risicoprofielen, waarna de computer het risico op misbruik analyseert. Ook gegevens van familieleden, zoals grootouders of kleinkinderen, worden bekeken. Gebeurtenissen die op zichzelf alleen een rood lampje zouden krijgen, kunnen bij elkaar alle alarmbellen doen rinkelen.

Ambtenaren van de dienst Justis, die eerder verantwoordelijk was voor het BIBOB-beleid – waarmee de overheid de integriteit van bedrijven beoordeelt voordat vergunningen worden verstrekt – bekijken vervolgens of het nodig is om het verhoogde risico te melden. Dit kan bij het OM, de belastingdienst, De Nederlandsche Bank (DNB), de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en de politie. Deze instanties besluiten of een bestuurder strafrechtelijk wordt vervolgd of scherpen controles aan om misbruik eerder te signaleren. Een strafrechtelijk bestuursverbod, waarbij bestuurders die eerder fraude hebben gepleegd op een zwarte lijst komen, kan daar nog bijkomen. De Tweede Kamer stemde daar onlangs mee in.

Het wetsvoorstel geldt in tegenstelling tot de oude regeling niet alleen voor NV’s en BV’s, maar ook voor verenigingen, stichtingen, coöperaties en buitenlandse vennootschappen met een vestiging in Nederland. Juist in deze laatste categorie is het risico op misbruik groot volgens het ministerie, bijvoorbeeld door het witwassen van crimineel geld. De gegevens komen in principe uit de Nederlandse databanken, maar als het moet kan ook uit buitenlandse bronnen informatie worden gehaald. De eenmanszaak, maatschap en vennootschap onder firma (v.o.f.) vallen niet onder de nieuwe vorm van toezicht, omdat de bestuurder daar toch al direct aansprakelijk is voor de schulden van het bedrijf.

Grootschalige faillissementsfraude

Het is een hele verandering ten opzichte van het huidige systeem, waarin vennootschappen bij de oprichting alleen een ‘verklaring van geen bezwaar’ moeten aanvragen. Het ministerie van Justitie bekijkt dan of het bedrijf niet gebruikt zal worden voor ‘ongeoorloofde doeleinden’ aan de hand van het formulier dat door de bestuurders is ingevuld. Als de verklaring eenmaal is afgegeven, houdt het toezicht op. En dat weet ook iedereen die daar misbruik van wil maken.

In een poging een einde te maken aan de grootschalige faillissementsfraude broedt het ministerie daarom al jaren op een nieuw systeem. Talloze actieplannen werden al opgesteld, werkgroepen werden opgericht, knelpunten gesignaleerd en ondertussen riepen curatoren en officieren van justitie steeds harder dat de overheid de beschikbare gegevens gewoon aan elkaar moest koppelen. Zij krijgen met dit nieuwe wetsvoorstel hun zin. Volgens de Haagse advocaat en ervaren curator Marc Udink kunen zo eindelijk zo’n 2000 hardnekkige fraudeurs “die al jaren hun gang kunnen gaan” worden aangepakt. “Het is baanbrekend, we gaan van een foto moment naar een filmopname. De hele levenscyclus van een onderneming wordt gevolgd. Als alle seinen tegelijkertijd op rood staan, kunnen alle instanties tegelijkertijd ingrijpen”, juicht hij.

Koppeling van databestanden

Maar waar het geheugen van de overheid groeit, groeit ook de argwaan van privacyspecialisten. Corien Prins, hoogleraar recht en informatisering aan de Universiteit van Tilburg, ziet vooral de gevaren van het systeem. “Er wordt een profiel op mensen geplakt. Mensen worden getypeerd, gestereotypeerd en misschien zelfs gediscrimineerd, zonder dat ze inzage hebben in het profiel dat op hen van toepassing is verklaard.”

Ook de Gecombineerde Commissie Vennootschapsrecht, bestaande uit de Nederlandse Orde van Advocaten en de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, maakt zich zorgen over de automatische opbouw van risicoprofielen. In haar advies aan de Tweede Kamer schrijft zij: “Uit ervaring met de dienst Justis is gebleken dat het niet eenvoudig is uit ‘het systeem’ te verdwijnen, als blijkt dat er geen enkele aanleiding is voor een verhoogd risicoprofiel.” Volgens de commissie is niet duidelijk op welke basis de gegevens automatisch weer door het systeem worden verwijderd.

Steeds moeilijker te achterhalen waar gegevens vandaan komen

Dit wordt slechts deels opgehelderd in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Als de gegevens van de 42-jarige man uit het voorbeeld voldoen aan een risicoprofiel, maar na analyse door de ambtenaren van Justis blijkt dat hij niets op zijn kerfstok heeft, worden de gegevens uit het systeem verwijderd. Dit moet handmatig gebeuren, maar over een termijn wordt niets gezegd. Als Justis het toch verdacht vindt dat hij naar Zwitserland verhuist en een BV opricht voor de aandelen van zijn zoons, volgt er een risicomelding aan bijvoorbeeld de belastingdienst en het OM. Daar mag de melding maximaal twee jaar blijven rondzweven. Wanneer daarna nog steeds niets met de informatie is gedaan, moet deze worden verwijderd. Verder moeten de ambtenaren jaarlijks bekijken of het nog nodig is de geregistreerde gegevens te bewaren. Maar welke criteria daarvoor gelden is niet duidelijk.

Een ander gevaar schuilt volgens Prins in de koppeling van databanken, waarvoor allerlei verschillende partijen informatie aanleveren. In deze keten wordt het steeds moeilijker te achterhalen waar gegevens vandaan komen. “Stel dat ergens fouten zitten, dan wordt op basis van verkeerde gegevens een besluit genomen. De GBA is vervuild, dat weet iedereen, maar dat geldt voor meer databanken”, zegt Prins. De burger moet dan bewijzen dat het niet klopt, terwijl hij nauwelijks kan achterhalen waar het mis is gegaan. Dit wordt wel de “onzichtbare zichtbaarheid” genoemd: burgers zijn steeds zichtbaarder voor de overheid, terwijl de informatie waarover de overheid beschikt voor burgers steeds onzichtbaarder wordt.

Van een nationaal meldpunt, waar burgers terecht kunnen met klachten of om uit te zoeken waar een fout is gemaakt, wil het kabinet tot nu toe niets weten. Prins: “Kenmerkend voor dit soort systemen van aan elkaar gekoppelde ketens is dat niemand de eindverantwoordelijkheid wil nemen. Als er iets niet blijkt te kloppen, zal Justis vast altijd weer verwijzen naar de verschillende databanken.”

Faillissementsfraude

Jaarlijks worden er in Nederland zo’n 65 duizend verklaringen van geen bezwaar aangevraagd. In de meeste gevallen kunnen vennootschappen zonder problemen worden opgericht. In negenduizend gevallen leidt dat tot een nader onderzoek. Driehonderd aanvragen worden uiteindelijk geweigerd.

In het eerste halfjaar van 2009 gingen 3.351 bedrijven failliet, bijna evenveel als in heel 2008. In hoeveel gevallen daarbij sprake was van faillissementsfraude is niet duidelijk. Maar uit onderzoek in opdracht van het ministerie van Justitie uit 2004 blijkt dat in een kwart van het aantal faillissementen wordt gefraudeerd. Nog geen tiende wordt vervolgd en in slechts drie procent van de gevallen volgt een veroordeling. Volgens curatoren en opsporingsambtenaren is het aantal fraudegevallen de afgelopen vijf jaar alleen maar toegenomen.

Verdachte kleinkinderen

Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) vindt het opmerkelijk dat ook familieleden zonder hun toestemming gescreend kunnen worden. In het huidige systeem kunnen zij op het formulier, waarmee een bestuurder de verklaring van geen bezwaar aanvraagt, expliciet toestemming geven voor het verstrekken van hun gegevens. Volgens het ministerie wordt er zo vaak gebruik gemaakt van familieleden die klusjes opknappen voor frauduleuze bestuurders, dat het terecht is dat deze gegevens straks ook zonder toestemming van de persoon in kwestie beschikbaar zijn.

Dat moge zo zijn, het CBP wil dat betrokkenen dan in ieder geval daarover worden geïnformeerd. Maar dat is de minister niet van plan. Informatie over de screening bij de inschrijving in het handelsregister is genoeg. Al bestaande bedrijven worden op de hoogte gebracht met een informatiecampagne.

Het ministerie wil bovendien af van het oude systeem omdat Nederland vergeleken met andere Europese landen uit de pas loopt. Landen als Duitsland en Engeland kennen al vormen van doorlopende screening op frauderisico’s. In Engeland bestaan zelfs levenslange bestuursverboden en zwarte lijsten van bestuurders die op internet worden gepubliceerd. Advocaat Udink: “Daar worden ze publiekelijk aan de schandpaal genageld. Hetzelfde gebeurt met stromannen. Dus in Nederland zijn we zelfs met deze nieuwe wetgeving nog mild.” Hij vindt het goed dat er mensen zijn die de privacy bewaken, “maar zij moeten zich wel realiseren dat het Europees verdrag voor de rechten van de mens, niet hetzelfde is als de rechten van de rechtspersoon. Daar is dat handvest niet voor geschreven.”

Hoogleraar Prins denkt daar anders over. Het screenen van grootouders en kleinkinderen gaat volgens haar veel te ver. Het algemeen belang dat ermee zou zijn gediend, staat niet in verhouding tot de inbreuk op de privacy. “Het ministerie zegt dat het misbruik niet op een andere, minder vergaande manier kan worden aangepakt. De nieuwe wet zou daarom niet in strijd zijn met de wet en de privacybeginselen. Maar op die manier zijn het loze begrippen. Privacy is een mythe geworden.”


Article printed from Nieuw Amsterdams Peil: http://napnieuws.nl

URL to article: http://napnieuws.nl/2009/10/09/privacy-opgeofferd-aan-aanpak-faillissementsfraude/

URLs in this post:

[1] emancipatiemachine: http://www.amsterdam.nl/gemeente/college/individuele_pagina%27s/maarten_van/cv_maarten_van/cv_maarten_van/?

[2] Image: http://napnieuws.nl/wp-content/uploads/2011/10/PlaatjeGentrification1Groot.jpg

[3] Image: http://napnieuws.nl/wp-content/uploads/2011/10/PlaatjeGentrification2Groot.jpg

[4] publicaties : http://www.flexmens.org/drupal/?q=merijn_oudenampsen?

[5] sociologisch onderzoek: http://napnieuws.nlwww.justusuitermark.nl/files/uitermark-duyvendak+scheffer.pdf

[6] Image: http://www.zemanta.com/

[7] Hiding and Seeking: http://www.lampion.info/uploads/_site_1/Pdf/Documenten/Lampion/Proefschrift_HidingAndSeeking.pdf

[8] bijna 100 duizend illegalen: http://wodc.nl/images/1929_volledige_tekst_tcm44-367437.pdf

[9] voorkomen dat de regeling een ‘aanzuigende werking’ heeft: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31249-3.html

[10] : http://www.google.nl/url?sa=t&rct=j&q=geinteresseerd&source=web&cd=1&ved=0CCsQFjAA&url=http%3A%2F%2Fwww.start78.nl%2Fstart78%2Fframes%2Finterest.htm&ei=zpehTte3Noef-waRvomPBQ&usg=AFQjCNFhjOMuyhhERJtZ790aOBmCqXxHgw&sig2=EQTnProCi6Lh2zI44lVfDA&cad=rja

[11] Besluit Risico’s Zware Ongevallen: http://wetten.overheid.nl/BWBR0010475/geldigheidsdatum_02-02-2011

[12] Risicokaart: http://www.risicokaart.nl/

[13] ‘Te grote kans op doden door Amsterdamse benzinereus’: http://napnieuws.nl/2011/02/02/te-grote-kans-op-doden-door-amsterdamse-benzinereus

[14] Image: http://www.flickr.com/photos/45768934@N04/4768691415

[15] Image: http://www.flickr.com/photos/13088710@N02/4894993903

[16] Image: http://www.flickr.com/photos/80438900@N00/2354885411

[17] Image: http://www.flickr.com/photos/62579590@N00/3417153647

[18] Image: http://commons.wikipedia.org/wiki/File:Agentenauto3a.jpg

[19] Image: http://en.wikipedia.org/wiki/Image:IslamicGalleryBritishMuseum3.jpg

[20] Image: http://reblog.zemanta.com/zemified/3bb13511-9a83-4c51-9865-f220a7cd683b/

[21] Image: http://www.flickr.com/photos/11762101@N00/2251266697

[22] Image: http://reblog.zemanta.com/zemified/af15ebfe-818d-459c-af03-30fc489d78fc/

[23] online: http://www.bestuursinformatie.amsterdam.nl/

[24] www.loket.amsterdam.nl: http://www.loket.amsterdam.nl/

[25] Digitale vaardigheden van Nederlandse burgers: http://www.gw.utwente.nl/mco/bestanden/digitalevaardigheden.pdf

[26] artikel: http://news.bbc.co.uk/2/hi/science/nature/8299079.stm

[27] Image: http://reblog.zemanta.com/zemified/914fcd1c-f971-4b26-8492-e937de65e36b/

[28] Image: http://reblog.zemanta.com/zemified/7f600023-7df9-40fd-8daf-bd8e21b0ae23/

[29] Image: http://www.daylife.com/image/08Zj6S80gG4k0?utm_source=zemanta&utm_medium=p&utm_content=08Zj6S80gG4k0&utm_campaign=z1

[30] Getty Images: http://www.daylife.com/source/Getty_Images

[31] Daylife: http://www.daylife.com

[32] Image: http://reblog.zemanta.com/zemified/ea41c66a-b7ee-4d25-b8bb-64f300f93019/

Copyright © 2009 Nieuw Amsterdams Peil. All rights reserved.