- Nieuw Amsterdams Peil - http://napnieuws.nl -
Een stem armer, een vriendschap rijker
Posted By Gidi Heesakkers On februari 14, 2012 @ 16:56 In Algemeen, Interview, Leven, Reportage | No Comments

Poster van Samen in Amsterdam. Foto: Rode Kruis
De Diemense Ada van Emrik (62) voelde zich vaak alleen. Via een ‘maatjesproject’ van het Rode Kruis Amsterdam vond ze in Manuela Dieventhaal (31) een vriendin om leuke dingen mee te doen. Er ontstond een warme vriendschap. Van Emrik: “De band die wij hebben, is goud waard.”
AMSTERDAM, 14 februari – Ada van Emrik (62) plaatste begin 2011 een advertentie in een Diemens huis-aan-huisblad. ‘Zoek leuk maatje om gezellig mee te fietsen, te wandelen. Terrasje, musea, bioscoopje, theater.’ Er kwamen reacties, maar het bleef meestal bij een keertje koffie drinken. Van Emrik drukt het spraakknopje op haar keel in, de stem klinkt raspend en rokerig: “Ze vonden mijn stemprothese een bezwaar.”
Na een reeks zware operaties om haar slokdarmkanker te behandelen was ze haar stem verloren. Ook veel vrienden raakte ze kwijt. Vanwege het “pruttelketeltje”, zoals Van Emrik haar stem nu noemt. Ze vonden het moeilijk om met het afwijkende stemgeluid om te gaan, gokt ze. Wat volgde was een depressieve periode. Ze pakt een tissue uit het doosje naast haar op de bank .“Sorry, ik word altijd emotioneel als ik eraan terugdenk”, zegt de in een grijs joggingpak gestoken Van Emrik.
Opbeurende woorden komen er van de goedlachse Surinaamse vrouw naast haar. Manuela Dieventhaal (31) is sinds november vorig jaar het ‘maatje’ naar wie Van Emrik op zoek was. Ze vonden elkaar via het Samen in Amsterdam-project van het Rode Kruis, dat eenzame mensen uit hun isolement probeert te halen door ze te koppelen aan vrijwilligers. Van Emrik wilde geen “dooie vogel”. De reuring die ze naar eigen zeggen wel kon gebruiken, heeft ze in Dieventhaal gevonden.
Samen in Amsterdam
Het Rode Kruis Amsterdam startte in 2009 met het project Samen in Amsterdam. Doel is eenzame Amsterdammers uit hun isolement halen door ze te koppelen aan een vrijwilliger, ook wel ‘maatje’ genoemd. Die biedt een luisterend oor en zorgt voor persoonlijk contact, maar denkt ook mee om sociale contacten en andere activiteiten uit te breiden. Elke vrijwilliger wordt na een intakegesprek gekoppeld aan een deelnemer. Bij het maken van een match houdt het Rode Kruis rekening met zaken als hobby’s, achtergrond en wensen van deelnemer en vrijwilliger. Zij worden voor een jaar aan elkaar gekoppeld en hebben twee keer per maand een afspraak. De invulling van de afspraken staat vrij en kan bijvoorbeeld bestaan uit een kopje koffie drinken, wandelen, winkelen of een museum bezoeken.
“Ze mag me geen maatje noemen, hoor”, zegt Dieventhaal. Dat klinkt haar te veel alsof ze maatschappelijk werkster is. “Ada is gewoon mijn vriendin. Het is alsof ik mijn tweelingzusje heb gevonden. Wit van buiten, zwart van binnen. Ze heeft ook Surinaamse billen.” Van Emrik staat op van de leren bank in haar woonkamer en schudt haar achterste.
Haar partner Joop komt uit de keuken met thee en cake, terwijl zij geanimeerd een minitoneelstukje improviseert over de eerste keer ontmoeting met haar nieuwe vriendin. Het was de bedoeling dat de twee vier uur met elkaar zouden doorbrengen. Dieventhaal vond dit onzin. “Zondag is mijn vrije dag, dan heb ik geen tijdslimiet. Als het gezellig is ga ik niet na vier uur al naar huis.” Van Emrik nam haar mee naar haar volkstuintje. Daarna dronken ze een wijntje en aten ze een bitterbal. Het was de eerste keer dat Van Emrik weer vast voedsel mocht eten.
Feiten en cijfers
- Sinds 2009 hebben zich ruim 250 vrijwilligers en 260 deelnemers aangemeld
- Vrijwilligers zijn meestal tussen de 20 en 40 jaar of 65+, deelnemers zijn vaak ouderen of jongere mensen met een chronische ziekte of lichte handicap
- Tot nu toe zijn er 230 koppels gevormd: 30 tijdens de pilot in 2009, 85 in 2010, 100 in 2011 en 15 in dit jaar
- Op dit moment zijn er ongeveer 120 koppels actief
- 40 eenzame Amsterdammers staan op de wachtlijst
- Van 20 vrijwilligers wacht het Rode Kruis nog op de vereiste Verklaring Omtrent Goed Gedrag
- Vrijwilligers moeten ook een door het Rode Kruis aangeboden cursus ‘Omgaan met eenzaamheid’ volgen
- Geïnteresseerden kunnen voor informatie kijken op www.rodekruis.nl/amsterdam [1]
Sindsdien maken ze elke twee weken een uitstapje met elkaar. Zo gingen ze een keer nieuwe kleren kopen bij de Bijenkorf. En zondag bezoeken ze samen de Zaanse Schans. “Ik kijk geregeld op Vakantieveilingen.nl of er iets gezelligs te doen is waar we naartoe kunnen”, vertelt Dieventhaal. Met Joop kan Van Emrik niet meer op pad. “Hij is hartpatiënt en heeft longemfyseem. Als hij de trap af loopt is hij al kapot. Net een goudvis die naar lucht hapt.” Joop is aan huis gekluisterd, maar zegt daar vrede mee te hebben. Niets voor Van Emrik: “Dan zou het pitje bij mij heel gauw uit zijn.”
De plak cake op haar bord blijft tijdens het gesprek vrijwel onberoerd. Ze praat aan één stuk door. Andere mensen met een stemprothese krijgen soms al na vier zinnen hoofdpijn, weet ze. Zelf neemt ze amper pauze. Ze is altijd al praatgraag geweest. De vlotte babbel kwam goed van pas in haar horecaverleden. 23 jaar werkte ze in een café aan de Middenweg.
Dieventhaal biedt vandaag vooral een luisterend oor. Maar, zo verzekert Van Emrik, “Manuela kan bij mij ook alles kwijt. Vorige week overleed een goede vriendin van haar. Toen zij op de begrafenis was, heb ik aan haar gedacht.”
Naast ‘maatje’ is Dieventhaal ook elke maandag vrijwillig gastvrouw in het VU medisch centrum. Daarnaast werkt ze als doktersassistent in het Slotervaartziekenhuis. Ze herkent zich vaak in de gevoelens van Van Emrik. Mensen in haar omgeving hebben haar ook weleens laten vallen, vertelt ze. “In de Surinaamse cultuur is ziek zijn best een taboe. De meeste Surinamers en Antillianen begrijpen niet waarom ik dit doe, tenzij ze in de zorg werken.” Volgens Dieventhaal heeft het alles met schaamte te maken. “Veel mensen zien geholpen worden als een teken van zwakte.”
De nare gebeurtenissen tijdens en na haar ziekte hebben Van Emrik geleerd dat ze niet altijd op mensen kan rekenen. “Ik merk steeds meer dat mensen alleen maar met zichzelf bezig zijn. Ik heb bijvoorbeeld het gevoel dat niemand zijn buurman meer kent.” Dieventhaal knikt. “Mensen doen veel te weinig voor elkaar. Als je tijd hebt om acht uur voor de televisie te zitten, kun je ook de tijd nemen om even met iemand te praten.”
Mede dankzij Dieventhaal gaat het weer goed met Van Emrik. “Maar ik weet niet of ik er, mocht ik weer ziek worden, weer de kracht voor kan opbrengen”, zegt ze. Dieventhaal schrikt op van haar stoel, even is de lach verdwenen. “Dat meen je toch niet, hè?” Ze herhaalt het nog eens en haar stem gaat omhoog. “Ach”, zegt Van Emrik, “Dat zeg ik nu. Maar als het me gebeurt denk ik er natuurlijk vast anders over.” Ze staat op om een tijdschrift te pakken. De Tweede Stem heet het, voor mensen die net als zij een stemprothese hebben. “Tweede stem, tweede leven, zo zie ik het.”
De stadsreizen van H.J.A. Hofland
Posted By Haro Kraak On februari 14, 2012 @ 16:52 In Algemeen, Interview, Mooi | No Comments
H.J.A. Hofland (1927) is geboren in Rotterdam, groeide op tussen het puin van de bombardementen en vertrok daarna naar Amsterdam. Hij begon in 1953 op de Nieuwezijds Voorburgwal bij het Algemeen Handelsblad, dat later het NRC Handelsblad werd, na een fusie met de Nieuwe Rotterdamse Courant. Bijna zestig jaar later verschijnen nog elke week drie columns van zijn hand. Hofland, door vakgenoten uitgeroepen tot “journalist van de eeuw”, woont nog altijd in Amsterdam en gaat graag met de tram.

H.J.A. Hofland Foto: Paul Levitton
AMSTERDAM, 14 februari – “Ik maak in Amsterdam tramreizen. Ik zal u een mooi traject geven. Lijn 3. Ik stap hier in bij mij op de hoek. De Ceintuurbaan af, langs het Sarphatipark, de Amstel over. Bij het Oosterpark stap ik uit. Daar neem ik lijn 9, langs het Tropenmuseum, door de Plantage Middenlaan, langs het Meester Visserplein, zoals de omroeper zegt. Dan linksaf bij het Waterlooplein, weer de Amstel over. Op het Rembrandtplein hebben ze Rembrandt met z’n neus de andere kant op hebben gezet. Vervolgens de Munt, daar stap ik uit en loop ik naar het Spui.
“Na een kopje koffie loop ik verder door de Spuistraat of de Nieuwezijds Voorburgwal en dan denk ik aan oude tijden. Waar ik mijn werk begonnen ben. Vroeger had je daar het Handelsblad en De Waarheid zat daar nog. Aan de overkant de Volkskrant, dan de Telegraaf. In dat gebouw logeerde ook Trouw en Het Parool. Tegenover het Handelsblad had je het Algemeen Dagblad. Verderop had je De Tijd. Dan loop ik langs Café Scheltema, waar iedereen samenkwam in die tijd. De Nieuwezijds Voorburgwal werd de Fleet Street van Amsterdam genoemd. En ik heb altijd gedacht: dat is verkeerd! Fleet Street is de Nieuwezijds Voorburgwal van Londen. Net als: Harry Mulisch is de Homerus van Amsterdam. Nee, Homerus is de Harry Mulisch van Athene! Zo werkt het. Niet zo schijterig. Een beetje trots, kom zeg.
Wie zijn al die mensen?
Café Scheltema, dat sinds 1908 bestaat, zit op de Nieuwezijds Voorburgwal, waar vanaf het eind van de Tweede Wereldoorlog tot de jaren zeventig grote landelijke kranten gevestigd waren. Van de dagbladen die Hofland bespreekt bestaat de communistische krant De Waarheid niet meer. De Tijd werd in 1974 een weekblad en fuseerde in 1990 met de Haagse Posttot HP/De Tijd.
In het café kwamen de intellectuelen en creatievelingen uit die tijd samen. Scheltema had de grootste bieromzet van het land. Naast de namen die Hofland noemt staat het bekend om stamgasten als Rijk de Gooyer, Simon Vinkenoog, Remco Campert, Simon Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt, majoor Bosshardt, Gerard van het Reve en Hans van Mierlo.
Hofland vertelt over enkele cafégangers die hem nog vers in het geheugen liggen. Zoals Wim T. Schippers, de kunstenaar, radio-, theater- en televisiemaker die beroemd werd met zijn absurdistische en humoristische werk. Robert Jasper Grootveld organiseerde manifestaties, zogenaamde happenings, op het Spui. In vreemde kledij danste hij rondjes om het standbeeld Het Lieverdje. Hij overleed in 2009 toen hij 76 jaar oud was. Hans Koetsier was een conceptuele kunstenaar die tot de Fluxus-beweging gerekend wordt. Hij werd aanvankelijk bekend in de reclame. Hij stierf in 1991 op 61-jarige leeftijd. Koen Wessing was een fotograaf die wereldwijd conflicten en opstanden vastlegde. Hij reisde onder andere naar Chili, Nicaragua, China en Kosovo. In 2011 overleed hij. Hij werd 69 jaar.
De Nieuwezijds Voorburgwal werd de Fleet Street van Amsterdam genoemd, vernoemd naar de Londense straat waar alle Britse dagbladen hun oorsprong vonden. De Britse pers wordt nog steeds de Fleet Street genoemd, hoewel de kranten inmiddels allemaal verhuisd zijn.
In 2008 werd Café Scheltema honderd jaar oud. Het werd echter niet gevierd omdat de uitbaters het jubileum over het hoofd gezien hadden.
“Na de herinneringen neem ik lijn 17, dan rij ik langs de Raadhuistraat, waar ik in de bocht gewoond heb en waar die rookbom is ontploft bij het huwelijk van Beatrix en Claus. Bij de Marnixstraat gaat de tram linksaf, dan kom ik weer langs een huis waar ik gewoond heb. Ik stap over op de Bilderdijkstraat en neem weer lijn 3. En dan heb ik mijn blokje om gemaakt. God, wat heerlijk zeg. Duurt maar een uur. Tenzij ik bij het Spui blijf hangen.
“Café Scheltema ga ik niet meer heen. Dat is vergane glorie. Dat is anders geworden. Scheltema was niet echt een journalistencafé maar was het centrum van de bohème. Je had er dronkenlappen, je had er journalisten, je had er schrijvers, je had er een enkele dakloze, kunstenaars, ook veel schilders. En dat begon ’s middags om een uur of vier en dat eindigde om een uur of acht. Dan gingen de meest laveloze mensen op pad naar huis.
“In die tijd was het een en al vrolijkheid. Wim T. Schippers heeft er zijn eerste shows bedacht. Robert Jasper Grootveld kwam aan je tafel zitten en hield magnifieke monologen. De schilder Jantje Peters kwam met zijn wandelstok op je tafel slaan om een rijksdaalder te lenen. Hans Koetsier bedacht er zijn prachtige advertenties die in Vrij Nederland hebben gestaan. Jaapie Metz raakte er beschonken, toen nog verslaggever van de Telegraaf, voordat hij de Tweede Kamer in ging.
“Je had Scheltema, verderop de Koningshut, weer verder Harry’s Bar, dan Café de Zwart en Hoppe. En dan – als je dat nog wist te bereiken – De Kring. Dat duurde nog wel tot een uur of één à twee, voordat je je daaruit los kon maken. En toch stond dat onze carrière niet in de weg. De volgende ochtend weer op, aspirientje van 500 mg, hartstikke opgeknapt. Nu loop ik nog wel eens die trajecten. En wat krijg je dan: A la recherche du temps perdu. Melancholie.
“Ik weet niet of er nog zo’n cultuurtje is tegenwoordig. Ik ben te oud om dat te ervaren. Ik ga niet meer naar cafés. Overdag zie ik leeftijdgenoten, maar het worden er steeds minder. Een goede vriend van mij, Koen Wessing, een uitstekende fotograaf die alle opstanden ter wereld heeft gefotografeerd in zijn tijd, kreeg opeens kanker. Je zag hem verdwijnen en toen was hij dood. En dan denk ik: “Hé Koen, waar zit je godverdomme?” Dat krijg je. Als ik met lijn 5 ga, dan kom ik door de Hobbemastraat, rechts P.C. Hooftstraat, daar woonde Hans Koetsier, dan zeg ik: “Dag Hans.” En de laatste keer dat ik Theo van Gogh heb gezien was op de hoek van de Hobbemastraat. “Ha Theo.” Dan de Leidsekade waar Harry Mulisch woonde: “Harry.” Je groet de doden. Maar ik ben er nog.”
“Voor Amsterdam ontstond was hier geen Asterix en Obelixachtig dorpje”
Posted By Martine Huijbregts On februari 14, 2012 @ 16:48 In Interview, Mooi | 1 Comment
Het Allard Pierson Museum opende afgelopen vrijdag een fototentoonstelling over de zevenhonderdduizend opgravingen die archeologen vonden in bouwputten van de Noord/Zuidlijn. Voor het eerst zijn daarbij voorwerpen uit de prehistorie gevonden. Archeoloog Jerzy Gawronski, werkzaam bij het Bureau Monumenten & Archeologie: “Er is nog nooit eerder zo diep gegraven in Amsterdam.”
AMSTERDAM, 14 februari – Archeoloog Jerzy Gawronski (56) heeft het druk. Ruim een maand na de publicatie in Ons Amsterdam over zijn archeologische vondsten in bouwputten van de Noord/Zuidlijn opent hij tentoonstellingen, geeft hij interviews en overhandigt hij vandaag het dikke boek Amsterdam Ceramics aan de burgemeester van Amsterdam. En dat alles na de eerste vondst van prehistorische voorwerpen in de hoofdstad. Amsterdam is ouder dan gedacht, kopten de media in januari. “Maar dat klopt dus niet helemaal.”

Jerzy Gawronski. Foto: Stefano Vigni via Bureau Monumenten & Archeologie, Amsterdam.
Nog nooit eerder hebben archeologen zo diep gegraven in Amsterdam. Zo’n 25 meter onder NAP, in de bouwputten van de Noord/Zuidlijn, groeven ze allerlei voorwerpen op. “Iedereen denkt altijd dat wij maar achter die tunnelboor aanrenden”, zegt Gawronski. “Maar die zit zo diep, daar vind je niks terug van oud Amsterdam. Daar zit de ijstijd.” Bovendien is er aan het oppervlak van de zachte, veel bewerkte grond van Amsterdam niets bewaard gebleven van de voorgeschiedenis van de stad. “We dachten: als er iets te vinden is, dan moeten we de stationsputten in. Die gaan namelijk dwars door de bovenste lagen grond van het Rokin en het Damrak, waar ooit de rivier de Amstel stroomde.”
Gawronski’s voorspelling kwam uit. In de oude bedding van de Amstel vonden hij en zijn team voorwerpen die teruggingen tot de Steentijd (“zo rond 2600 voor Christus”). “Maar we vonden ook voorwerpen, zoals aardewerk, uit de Bronstijd en de IJzertijd.” Ook groeven de archeologen resten op uit de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen. Gawronski: “Dan kun je dus zeggen dat dit gebied al zo’n vierduizend jaar een cultuurgeschiedenis kent.”
Maar, zegt de archeoloog hoofdschuddend, dat wil niet zeggen dat Amsterdam ook vierduizend jaar oud is. “De vroegste bouwsporen die in Amsterdam zijn gevonden, in de Warmoesstraat en de Nieuwendijk, stammen van na 1175. Deze nieuwe vondsten laten zien dat er al wel eerder mensen woonden in het gebied dat nu Amsterdam heet. Maar dat was nooit in grote hoeveelheden.” Pas toen de Amstel, het IJ en de verbinding met de Zuiderzee ontstonden, werd Amsterdam een aantrekkelijke handelsplaats om te gaan wonen en werken. “Er was hier dus geen Asterix en Obelixachtig dorpje te vinden.”
Amsterdam is niet de eerste Noord-Hollandse stad waar prehistorische resten worden gevonden. “Er is gewoon nog nooit eerder zo diep een metrolijn aangelegd”, zegt Gawronski. “Kijk, natuurlijk wordt er wel vaker dieper gebouwd, zoals parkeergarages. Maar voorheen werd altijd op vast land gegraven, nooit in een oude rivierbedding.” De kans dat de gevonden voorwerpen door de Amstel vanuit een ander deel van het land zijn meegevoerd, is niet aanwezig, volgens Gawronski. “Het aardewerk is heel broos. Dat zou dan zeker slijtsporen vertonen, en dat doet het niet.”
Van de ruim zevenhonderdduizend vondsten uit de Noord/Zuidlijn is nu een tentoonstelling [2] te zien in het Allard Pierson Museum. En vandaag overhandigt hij zijn nieuwe boek, Amsterdam Ceramics, aan de burgemeester. Het boek beschrijft de ontwikkeling van Amsterdam in negen periodes, op grond van de archeologische ontdekkingen. Gawronski: “De nieuwere voorwerpen hebben we gedeeltelijk opgegraven, en gedeeltelijk opgevraagd.” Zo staan er bij de negende periode afbeeldingen van opgegraven vazen, maar ook van gedoneerde schalen uit bijvoorbeeld Chinese restaurants.
“Door de invoering van het riool en afvaldumps buiten de stad, is het goed mogelijk dat we over honderd jaar nauwelijks nog iets in de grond tegenkomen van deze tijd”, zegt Gawronski. In Amerika doen ze bijvoorbeeld al aan garbage archeology: het doorspitten van de enorme afvaldumps. “Ze hebben daar waanzinnige typologieën gemaakt van hamburgerverpakkingen. Helemaal onderin vonden ze zelfs een intacte hamburger uit 1920.” Een andere toekomstige vorm van archeologie is digitale bestanden uitpluizen. Gawronski kijkt even naar de kast met aardewerk, die in zijn kantoor op het Bureau Monumenten & Archeologie staat. Dan zegt hij: “Maar ik ben een ouderwetse.”
De Oud-Amsterdammer: een fout jaartal is geen ‘big deal’
Posted By Kick Hommes On februari 14, 2012 @ 16:44 In Achtergrond, Interview, Leven, Nieuwsverhaal, Profiel | No Comments
De Oud-Amsterdammer is een gratis krant met nostalgische en sentimentele verhalen uit het Amsterdam van het verleden. “Het gaat goed, ver boven verwachting”, zegt Hans Peijs (53), hoofdredacteur van het blad en getogen in Amsterdam Oost. “We wilden het eerst zien en dan pas geloven, maar er zijn heel veel positieve reacties. En er zijn al ruim tweehonderd inzendingen voor de puzzel.”

De Oud-Amsterdammer. Sinds 27 november 2011 in Amsterdam. Foto:deoudamsterdammer.nl
AMSTERDAM, 14 februari – Sinds november 2011 is De Oud-Amsterdammer verkrijgbaar. De krant is de Amsterdamse versie van De Oud-Rotterdammer, de eerste gratis krant die zich richtte op 50-plussers in een grote stad. Na De Oud-Utrechter en De Oud-Hagenaar is het de vierde krant die deze formule gaat hanteren. “We zagen het succes in Rotterdam en vroegen ons af waarom het in Amsterdam eigenlijk niet gedaan werd”, zegt Peijs. “En na wat overleg was het eigenlijk zo geregeld.”
De kracht van de krant is volgens Peijs de goede formule van De Oud-Amsterdammer: “We maken artikelen over onderwerpen van bewoners en door bewoners die niet verder teruggaan dan ongeveer 1950. Mensen die ons blad lezen moeten het gevoel krijgen dat ze erbij waren, dat ze zich het konden herinneren.” Voor Peijs zelf geldt dit in ieder geval wel. “Ik ben 53, ik pas in de doelgroep van onze artikelen.”
Dat de krant leeft, blijkt uit het artikel over de brand bij C&A in 1963 in het nummer van 7 februari. Peijs: “we hadden zelf ook goed onderzoek gedaan naar de brand, maar hebben liefst 52 extra foto’s uit privéarchieven van lezers gekregen. Dat is nu allemaal op internet gepubliceerd. ”
Groot historisch onderzoek ligt niet aan de artikelen ten grondslag. Peijs: “Een jaartal kan weleens verkeerd zijn. Dat willen we natuurlijk liever niet, maar het is ook geen big deal. En het is ook alleen maar leuk als we dan weer reacties van lezers krijgen die zeggen dat het toch echt 1964 was in plaats van 1963.”
Voorbeelden van onderwerpen voor De Oud-Amsterdammer heeft Peijs genoeg. Zo gaat hij schrijven over de kroningsrellen in 1980, waarbij krakers met de leus ‘geen woning, geen kroning’ het volksfeest rond de kroning van Beatrix verstoorden. Maar ook schrijft hij over de verloving van Beatrix en Claus en komt in het volgende nummer een artikel over het Casa 400, het huidige studentenhotel bij Amsterdam Amstel. “Dat gaat binnenkort gesloopt worden en we willen er een mooi verhaal over maken”, zegt Peijs.
Op dit moment schrijft Peijs veel stukken zelf, maar er is ook ruimte voor eigen initiatief. Peijs: “we stimuleren eigen inbreng en daar is op dit moment geen gebrek aan. We kunnen moeiteloos twee pagina’s vullen met stukken van lezers.” Mensen die goed schrijven worden volgens Peijs wel gevraagd of ze meer willen bijdragen aan de krant. “We willen naar een vaste redactie. Laatst meldde iemand zich spontaan aan, maar die wilde alleen maar over de Pijp van voor 1940 schrijven. Dat kan dus net niet.”
De oplage van de krant is 120.000 en gratis af te halen op vierhonderd verspreidingspunten in Amsterdam, Almere, Diemen, Weesp, Lelystad, Muiden en Purmerend. Inkomsten haalt de krant vooral uit advertenties, maar inmiddels zijn er volgens Peijs al ongeveer honderd abonnementen van vijftig euro per jaar verkocht aan mensen die niet naar een verspreidingspunt willen of kunnen.
Voorlopig wil Peijs nog niet denken aan uitbreiding van de krant. “We willen eerst settelen. Het gaat goed maar er moeten nog meer advertenties bij voor we van de zestien pagina’s nu naar 24 en meer willen.” Wel heeft Peijs goede hoop dat er uitgebreid kan worden: “ik hoorde laatst dat een ‘Jonge Amsterdammer’ van 35 zei dat het eigenlijk een krant voor iedere Amsterdammer is. Zo hadden we er nog niet over nagedacht, maar het is een welkome meevaller!”
De volgende editie van De Oud-Amsterdammer ligt op 21 februari in de schappen. Dan wordt ook duidelijk wie van de tweehonderd inzendingen de winnaars van de Intratuin-cadeaubonnen worden.

(G)een centje pijn: PvdA-fractievoorzitter Frank de Wolf
Posted By Teri Van Der Heijden On februari 14, 2012 @ 16:40 In Algemeen, Interview, Stad, serie | No Comments

Frank de Wolf. Foto: amsterdam.nl
NAP maakt een rondgang langs de Amsterdamse fractievoorzitters. Vandaag Frank de Wolf, fractieleider van de Partij van de Arbeid (PvdA).
AMSTERDAM, 14 februari – Barre tijden in de Stopera. Amsterdam moest al ruim tweehonderd miljoen besparen, maar het was niet genoeg. In maart stemt de gemeenteraad over een extra bezuinigingspakket van honderdvijftig miljoen euro. Waar valt nog wat te halen? Wat kiest het college? Waarvoor strijdt de oppositie?
De PvdA is altijd de grootste geweest in Amsterdam. Een echte bestuurderspartij, met partijleider Lodewijk Asscher aan het roer. Met vijftien zetels bezetten de Sociaaldemocraten éénderde van de gemeenteraad. Fractievoorzitter Frank de Wolf (1952) benandert de bezuinigingsklus met pragmatische blik. “Ik kan me er ontzettend over opwinden en daar mijn bloeddruk mee omhoog jagen, maar dat helpt natuurlijk niets.”
Leden van de oppositie wilden donderdag niet in debat met het college over de invulling van het pakket aan bezuinigingsmaatregelen. Kunt u zich daar iets bij voorstellen?
“Dat ze liever gingen schaatsen?”
Los van het schaatsen.
“Dat ze wilden gaan schaatsen snap ik, maar niet dat ze deze kans voorbij laten gaan. De vraag aan de raad was: wat zijn de mogelijkheden om oplossingen te vinden voor deze bezuinigingen? Hoe moeten het college dat aanpakken?”
De oppositie heeft het gevoel dat er niet naar geluisterd wordt.
“Dat kan natuurlijk, dat ze dat gevoel hebben Maar ze hebben zelf om deze mogelijkheid gevraagd.”
De oppositie heeft zich buitenspel gezet?
“Ja. Het is nogal wat, om geen ideeën te hebben over hoe je deze bezuinigingsoperatie zou willen aanpakken. Het verwijt dat het college geen rekening houdt met de oppositie, gaat nu ook niet meer op.”
Waarop wordt wat de PvdA betreft nog verder bezuinigd?
“Waarop kan je nog bezuinigen? We moeten nog een keer kijken of de eigen organisatie efficiënter kan en met minder mensen. Waarschijnlijk lopen we daar ook tegen grens aan.
In het programakkoord stond al opgenomen dat al 91 miljoen op de eigen organisatie zou worden bezuinigd. Volgens de oppositieleiders is daar nog weinig van terecht gekomen.
“Dat is niet waar. Het kan zijn dat er nog wat achterstanden zijn, maar het is een langlopend project. Volgens mij is een groot deel van die 91 miljoen nu binnen. Maar we moeten ook geen overdreven verwachtingen hebben van wat we verder nog via efficiëntieverbetering kunnen bereiken. Misschien dat we de helft van die honderd miljoen daar vandaan kunnen halen, maar dat is al een enorm bedrag. Daarna moeten we gaan kijken of we bepaalde subsidies niet meer willen verstrekken.
Op veel subsidies is al enorm gekort.
“Ja, het wordt nu steeds pijnlijker. Dus je kan proberen dat waar mogelijk te vermijden, maar misschien lukt dat niet. Het enige wat ik kan zeggen is: onze prioriteiten liggen bij essentiële onderdelen als sociale cohesie. Je moet proberen om iedereen erbij te houden. Dat betekent dat je voorkomt dat mensen weer in groten getale op straat moeten slapen, zoals je in andere grote steden in Europa wel ziet. Armoedebestrijding blijft een belangrijk punt voor de gemeente.”
Mag daar van de PvdA niets meer vanaf?
“Ik zeg niet dat er helemaal niets meer vanaf gaat. In dit stadium ga ik nog niet zeggen dat er blokkades liggen. Dat vind ik niet zo’n verstandige gedachte. Er moet nog over gesproken worden.”
Het rijk stoot taken af naar de gemeenten, zoals jeugdzorg en de sociale werkvoorziening. Hebt u het gevoel dat de regering problemen over de schutting gooit?
“Wat ik flauw vind, is dat het kabinet wel gemeenten verantwoordelijk maakt voor bepaalde programma’s en eist dat ze die uitvoeren, maar het geld er niet bij levert. Dat gaat wel ver.”
Is er een punt waarop u zegt: nou is het genoeg, we doen het niet.
“Je zit als gemeente niet in de positie om dat te kunnen zeggen. Wij krijgen de opdracht om de maatregelen uit te voeren. Dan kan je in de protestmodus schieten, maar het is zoals het is.
Wordt u wel eens boos?
“Natuurlijk word ik wel eens boos, maar dat heeft geen zin. Ik kan me er ontzettend over opwinden en daar mijn bloeddruk mee omhoog jagen, maar dat helpt natuurlijk niets.”
Misschien is er een andere manier om nieuwe bezuinigingen enigszins te omzeilen. Is lastenverzwaring een optie?
“Dat is niet wat we het liefste doen. Maar we zouden bijvoorbeeld de onroerendezaakbelasting (ozb) kunnen verhogen. Nu zitten we onder het landelijk gemiddelde. In de verrekening van het gemeentefonds krijgen wij minder geld, omdat wij een lage ozb heffen. Een verhoging van de ozb zou Amsterdam directe inkomsten opleveren, maar ook nog extra bedrag omdat we niet meer gekort worden door het gemeentefonds.”
Zit coalitiepartner VVD te wachten op een lastenverhoging?
“Volgens mij probeert de VVD ook alle opties open te houden. En wordt er op een aantal onderwerpen krachtiger taal gebruikt dan op andere onderwerpen. Dat doen wij voor een deel natuurlijk ook.”
PvdA-wethouder Lodewijk Asscher profileert zich de laatste tijd. Hij treedt veel op zin de media. Dat zou wrevel opleveren bij de VVD.
“Asscher is gewoon politiek leider van de PvdA Amsterdam en doet wat hij doen moet als politiek leider van de PvdA Amsterdam.”
VVD-leider Eric Van der Burg was bijvoorbeeld niet blij met het interview dat Asscher in de Volkskrant gaf over stapelingseffeten van bezuinigingen.
“Dat is net zoiets als mensen verwijten dat ze hard werken. Dan moet hij beter zijn best doen. Ik begrijp niet dat de VVD daar zo ontzettend opgewonden over raakt.”
Maar Asscher is natuurlijk ook gewoon wethouder. Moet het college niet met één mond spreken?
“Het college hoeft alleen maar met één mond te spreken over de uitvoering van het programakkoord.”
Veertig jaar bejaardengymnastiek
Posted By Thomas Rueb On februari 14, 2012 @ 16:34 In Algemeen, Interview, Leven | No Comments

De 81-jarige Jannie Smit toont haar Ereteken van Verdienste. Foto: Thomas Rueb
Deze week ontving Jannie Smit (81) het Ereteken van Verdienste van de stad Amsterdam. Ze kreeg de onderscheiding voor haar inzet voor de stichting Bewegen voor Ouderen, waarvoor ze al veertig jaar gymnastiekles geeft aan ouderen in Amsterdam.
AMSTERDAM, 14 februari – Op de achtergrond klinkt oude jazz, traag en met veel koper. De muziek kabbelt uit een gettoblaster. Die neemt Jannie Smit (81) elke dag mee. “Maak je lang! Strek je benen”, roept ze over de muziek heen. Een zestal oudere dames volgt elke beweging die Smit voordoet. Ze liggen op blauwe yogamatjes. “En fietsen! Alsof je in een ligfiets zit.” De benen schieten gehoorzaam de lucht in en duwen denkbeeldige trappers. “Zo, ja!”, roept Smit tevreden. “Juist. En wissel.”
De aerobicsles van vandaag is één van de zeven gymnastieklessen die Jannie Smit per week geeft aan ouderen in Amsterdam, op vrijdag zelfs vier uur achter elkaar. Die lessen zijn vooral bedoeld voor tachtigers. “Een enkeling is wat jonger”, lacht ze. “Maar mijn oudste is 95.”
Smit geeft de lessen al veertig jaar lang. “Ik ben in 1972 bij Meer Bewegen voor Ouderen gekomen. En dat doe ik sindsdien. Maar ik ben er tussendoor wel heel even uit geweest.” Ze kijkt bijna schuldbewust. “Een paar jaar geleden brak ik mijn heup. Dat duurde even. Maar ik ben gewoon weer terug gekomen.”
Ereteken van Verdienste
Het Ereteken van Verdienste wordt toegekend door de stad Amsterdam aan diegenen die zich 25 jaar of meer heeft ingezet voor een Amsterdamse vereniging, stichting of instelling.
Foto: Thomas Rueb
De les vandaag vindt plaats in de boksruimte van sportcentrum De Pijp. Aan het plafond bungelen kettingen waar normaal gesproken bokszakken aan hangen. De groep krijgt pas sinds een jaar les in deze ruimte, noodgedwongen. “Door de bezuinigingen zijn vorig jaar bijna alle buurthuizen dichtgegooid”, vertelt Smit. “Daar zaten de gymnastiekclubjes voor ouderen. Om Meer Bewegen voor Ouderen überhaupt door te kunnen zetten, hebben we meer dan veertig nieuwe locaties moeten zoeken. Dit is er één van.” Ideaal is het niet. Ze kijkt om zich heen. “Het is een kale boel; we gebruikten altijd rekstokken, maar die hebben we nu niet. De mensen worden mét mij oud, en die vinden het niet meer lekker op de grond.”
Vorige week werd ze onderscheiden met het Ereteken van Verdienste van Amsterdam. De wethouder en haar familieleden verrasten haar tijdens één van de gymnastieklessen. “Ik had het nooit verwacht”, vertelt ze. Trots laat ze de speld zien. “14 karaats goud. Ik neem hem overal mee naartoe.”
De onderscheiding is de kroon op haar werk, zegt ze, maar aan stoppen denkt ze voorlopig nog niet. “Ze willen hier dat ik nog tien, vijftien jaar doorga.” De andere dames mompelen instemmend. “Nou ja, zolang ik het kan blijven doen, waarom niet?” Ze is er duidelijk fit genoeg voor. “Houdt u er wel rekening mee dat ik al drie weken niet meegedaan heb?”, hijgt één van de deelneemsters vermoeid tegen het einde van de les, zichtbaar jonger dan Smit. “Sodeju.”

Jannie Smit (derde van links) met haar aerobicsklas. Foto: Thomas Rueb
Pantserwagens over de Nieuwmarkt
Posted By Annemarie van de Vijsel On februari 14, 2012 @ 16:32 In Interview, Reportage | No Comments
AMSTERDAM, 14 februari – Vanuit café “’t Loosje” aan de Nieuwmarkt blikt Jan van Goor (63) terug op de roerige jaren ’70 in de Nieuwmarktbuurt. De buurt, die zoveel veranderde door de aanleg van het metronetwerk. Honderden huizen moesten wijken voor de metrolijn. De Actiegroep Nieuwmarkt pikte het niet. Van Goor was een van de leden van “de beweging”. “We vormden de sterkste protestbeweging die Nederland ooit gehad heeft. Het ontstaan van zo’n massale beweging als de Actiegroep Nieuwmarkt uit de jaren ’70 zie ik niet meer gebeuren. Ondanks de verschillen die er waren in die tijd, was er veel saamhorigheid.”

Herinnering aan de metrorellen op station Nieuwmarkt. Bron: Daniel Sparing via flickr.com
In 1968 besloot de gemeente Amsterdam tot de aanleg van een metronetwerk en het doortrekken van de vierbaansweg van de Wibautstraat naar het Centraal Station. De weg zou via de Nieuwmarkt moeten lopen, en onder de weg moest de metro aangelegd worden. De zuidoostlijn van het metronetwerk moest vanaf het Amstelstation ondergronds lopen. “De aanleg van de metro gebeurde in die tijd niet via een boortunnel, zoals nu bij de Noord/Zuidlijn, maar via bouwwerkplaatsen boven de grond,” vertelt Van Goor. “Daarom moesten er zo veel huizen gesloopt worden.” Vanaf het begin was daar tegen veel verzet door de Actiegroep Nieuwmarkt.
Van Goor kwam met de actiegroep in aanraking toen hij in 1972 in Amsterdam ging studeren. “De voorbereidingen van wat er gesloopt zou worden, waren toen in volle gang. Daarom stonden veel huizen leeg. Ik kon moeilijk aan een studentenkamer komen, en was het eens met de ideeën van de actiegroep dat de woningen niet gesloopt mochten worden. De beweging kraakte huizen die leegstonden tot ze gesloopt zouden worden, en ik deed mee. Mensen met gelijke ideeën kwamen binnen een kleine omgeving bij elkaar wonen en dat versterkte de kracht van de Actiegroep Nieuwmarkt.”
In het voorjaar van 1975 braken de Nieuwmarktrellen uit, ook wel de ‘metrorellen’ genoemd. De actiegroep was hiervan de voortrekker. “Het was toen soms onrustig op straat. Ik vond het beangstigend. Er werd met traangas- en rookbommen gegooid. Bij de ontruimingen van de kraakpanden reden de pantserwagens van de marechaussee door de straten. Zij moesten de politie beschermen tegen wat door de lucht vloog. Maar wat de krakers nog meer zouden gaan doen, wist ik ook niet. Van beide zijden was het geweld onvoorspelbaar. Dat ging mij soms te ver.”
“De gekraakte panden waren duidelijk zichtbaar in het straatbeeld in de jaren ’70. Ze waren in felle kleuren geverfd en krakers hadden barricades voor de ingang van hun huizen geplaatst tegen invallen. Op spandoeken en borden stonden leuzen van de kraakbeweging: ‘Weg met de speculanten’ bijvoorbeeld, tegen de speculatie van de grond.” De beweging wilde voorkomen dat de grond na de aanleg van de metro in erfpacht met winst verkocht zou worden, voor de bouw van bedrijven en luxe hotels. Dat zou ten koste gaan van huisvesting, terwijl de woningnood groot was. “Nog hoger dan nu,” volgens Van Goor. “De angst voor de komst van dure, exclusieve panden op de Nieuwmarkt was een belangrijke reden om te gaan protesteren.”
Van Goor is positief over het resultaat van de Actiegroep Nieuwmarkt. “Het doortrekken van de vierbaansweg naar het station en de aanleg van op- en afritten ging niet door. Er is uiteindelijk minder gesloopt dan werd aangekondigd, en er is meer herbouwd. Doordat wij protesteerden. Ook heeft de gemeente uiteindelijk meer sociale woningbouw neergezet dan eerst gepland was, hier in het centrum.” Hij wijst uit het raam van het café naar de overkant. “Het gele gebouw naast de ingang van de metro is bijvoorbeeld een verzorgingshuis.”
“Van de beweging is niet zo veel overgebleven. Heel veel mensen uit de kraakbeweging van toen wonen nog in Amsterdam, maar wonen inmiddels ‘braaf’. Nu zijn er vooral koopwoningen op de Nieuwmarkt. Het is een heel duur deel van Amsterdam en heeft een bevolkingssamenstelling waarvan we toentertijd dachten: dat willen we nooit. Yuppen, of hoe je ze ook noemen moet. Er zijn in de buurt nog wel huizen waar voormalig krakers wonen. Om de hele kraakbeweging te beheersen en uiteindelijk te verdelen en te elimineren, kocht de gemeente de panden van de krakers aan. En de krakers gingen die dan weer huren van de gemeente.”
Van Goor neemt een slok van zijn koffie verkeerd. “In dit café komen veel mensen van toen. Als ik op straat mensen tegenkom, zijn dat vooral mensen die ik uit die tijd ken.” Hij kijkt even nadenkend uit het raam. “Die mensen zijn allemaal in hun opleiding of werk maatschappelijk betrokken gebleven.” Zo ook hij. Van Goor was tot twee jaar geleden directeur van verschillende welzijnsorganisaties. Nu heeft hij een fotogalerie aan de Nieuwezijds Voorburgwal. In de sociale beweging is hij niet meer actief.
De metro ligt er, de kraakpanden zijn omgebouwd, de actiegroep bestaat niet meer. De gevoelens van weerstand tegen de metro ebben langzaam weg. “Toen de metro net was aangelegd, waren er duizenden mensen die er uit protest geen gebruik van maakten. Na een paar jaar waren dat er honderden. Nu zijn het er nog maar drie of vier.”
In metrostation Nieuwmarkt is het protest van de jaren ’70 nog zichtbaar. Als je de verhalen erachter kent, tenminste. Tegen de wand naast de rails hangt een van de sloperskogels die woningen afbrak. Op het perron vormen letters in zwarte vierkante tegels de tekst ‘Wonen is geen gunst maar een recht’. Na de bouw van de metro drong de Actiegroep Nieuwmarkt bij de gemeente aan op het plaatsen van herinneringstekens. “Maar ze zijn gedateerd,” zegt Van Goor. “Van mij mogen ze nu wel weg.”
(G)een centje pijn: GroenLinks-fractievoorzitter Marieke van Doorninck
Posted By Gidi Heesakkers On februari 8, 2012 @ 16:54 In Algemeen, Interview, Stad, serie | No Comments

Marieke van Doorninck
NAP maakt een rondgang langs de Amsterdamse fractievoorzitters. Vandaag: Marieke van Doorninck, fractieleider van GroenLinks.
AMSTERDAM, 8 februari – Barre tijden in de Stopera. Amsterdam moest al ruim tweehonderd miljoen besparen, maar het was niet genoeg. In maart stemt de gemeenteraad over een extra bezuinigingspakket van honderdvijftig miljoen euro. Waar valt nog wat te halen? Wat kiest het college? Waarvoor strijdt de oppositie?
GroenLinks is in Amsterdam de derde grootste speler. Samen met de PvdA en de VVD vormt de partij het huidige college. Marieke van Doorninck (1966) is sinds 2009 fractieleider van GroenLinks. De gemeentelijke bezuinigingen maken haar niet gelukkig. “Het is allemaal ontzettend zuur.”
Het motto van GroenLinks is ‘zin in de toekomst’. Is er wel reden om optimistisch vooruit te kijken nu alles met minder moet?
Marieke van Doorninck: “Je moet altijd zin in de toekomst blijven houden. Maar het zijn zware tijden waar we voor staan. De bezuinigingen die we nu al realiseren kwamen hard aan in Amsterdam, net als de bezuinigingen van het Rijk. En dan moet er nog meer. De tijd van het ‘kaasschaven’ is echt wel voorbij. Een verandering van denken en doen is nodig.”
Waar kan de gemeente Amsterdam de te bezuinigen honderd miljoen euro vandaan halen?
“Door efficiënter te werken, kan de gemeente volgens mij wel vijftig of zestig miljoen bezuinigen. Ik denk dat we niet bij elke bezuiniging moeten denken: wat levert dit morgen op? Daarom heeft GroenLinks het standaard over hervormingen.”
Maar is daar wel tijd voor? Hervormingen zijn belangrijk en goed, maar harde cash is wat er nu moet komen.
“Sommige hervormingen moet je inzetten om ze ook op de lange termijn effect te laten hebben. Want als de gemeente nu ergens in snijdt zonder rekening te houden met de consequenties, dan zit Amsterdam straks met veel duurdere gevolgen. Bovendien hoeven we niet al in 2012 honderd miljoen euro bespaard te hebben.”
Welke hervormingen moet Amsterdam doorvoeren?
“Amsterdam moet in ieder geval naar het gemeentelijke apparaat kijken. De gemeente heeft nu grote diensten, zoals de Dienst Maatschappelijke Ondersteuning, waar een heleboel mensen werken, vaak zonder dat er direct een opdracht vanuit de politiek ligt. Door meer vanuit het opdrachtgeverschap te werken, zullen sommige ambtenaren niet meer nodig zijn.”
Dus daar zullen ontslagen vallen?
“Dat zou kunnen, maar dan gebeurt dat vanuit de inhoud en niet omdat er een taakstelling ligt om een x aantal ambtenaren te ontslaan.”
Wethouder Eric van der Burg (Personeel en Organisatie, VVD) probeerde tijdens deze collegeperiode al in het ambtenarenapparaat te snijden. Dat is nog niet echt van de grond gekomen.
“Het gaat GroenLinks niet om een kleinere overheid. Er is een slimmere overheid nodig die sneller reageert op wat er in de maatschappij nodig is en effectiever werkt. Onze partij denkt ook dat de gemeente moet onderzoeken of er niet meer kan worden samengewerkt met burgerinitiatieven. De gemeente zou kunnen kijken op welke plekken burgers zichzelf organiseren en daar ondersteuning bieden.”
U gaat uit van een actieve, zelfredzame burger die van alles zelf organiseert.
“Lang niet alle initiatieven die ik heb gezien komen van grachtengordeltypes die een leuk buurttuintje aanleggen. Door de hele stad zie je dat bewoners actief meedenken en zich inzetten voor de buurt, zoals bewoners in Noord die meehelpen om hun eigen wijk veiliger te maken. Maar ook als dit soort netwerken er zijn, zullen er mensen buiten de boot vallen. En voor hen moet de overheid er gewoon altijd zijn.”
Welke basisfuncties moeten sowieso vanuit de gemeente geregeld blijven?
“Alles rondom zorg. En Amsterdam moet zorgen dat er plekken zijn waar mensen die eenzaam zijn terecht kunnen. De overheid moet zich niet terugtrekken, integendeel. De overheid moest juist betrokken blijven, maar niet meer alles zelf willen uitvoeren.”
Waar mag geen geld vanaf?
“Ik denk dat we van armoedegelden af moeten blijven. De mensen aan de onderkant van de samenleving, daar moet je als overheid pal voor staan.”
In 2010 [3] noemde GroenLinks Amsterdam het ‘niet sociaal’ om in tijden van crisis te korten op mensen met een minimum. Maar er wordt nu wel gekort op regelingen die voorzien in een computer voor kinderen en de plusvoorziening voor arme ouderen.
“Zulke dingen gaan met pijn in het hart. Op een gegeven moment moet je binnen een groep die het zwaar heeft kiezen wie het het allerzwaarst heeft.”
Is het lastig dat u in zo’n brede coalitie zit, waarin GroenLinks samen met VVD en PvdA dit soort beslissingen moet nemen?
“Dat zou lastig kunnen zijn. Maar als deze drie partijen zich ergens in kunnen vinden, dan is er dus kennelijk van links tot rechts draagvlak voor. In de gemeenteraad, maar daardoor ook in de samenleving.”
Maar het is vast moeilijk om uw partijprofiel naar voren te laten komen.
“Alsof het één grijze worst is geworden! Ik neem aan dat mensen investeren in windmolens en zonnecollectoren wel herkennen als GroenLinks.”
Uw collega’s Laurens Ivens (SP) [4] en Jan Paternotte (D66) [5] vinden dat echte politieke keuzes door de brede coalitie uitblijven.
“Dat kunnen ze zeggen, maar we zullen straks gewoon met elkaar onze handtekening moeten zetten onder tenminste honderd miljoen extra bezuinigen. Nou, noem dat maar eens geen politiek besluit.”
(G)een centje pijn: VVD-fractievoorzitter Robert Flos
Posted By Kick Hommes On februari 8, 2012 @ 16:46 In Algemeen, Interview, Stad | No Comments
NAP maakt een rondgang langs de Amsterdamse fractievoorzitters. Vandaag: Robert Flos, fractievoorzitter van de VVD.
AMSTERDAM, 8 februari – Barre tijden in de Stopera. Amsterdam moest al ruim tweehonderd miljoen besparen, maar het was niet genoeg. In maart stemt de gemeenteraad over een extra bezuinigingspakket van honderdvijftig miljoen. Waar valt nog wat te halen? Welke keuzes maakt het college?
Robert Flos (1968) is sinds 2010 fractievoorzitter van de VVD. De bezuinigingen die de gemeente moet doorvoeren, moeten volgens Flos vooral uit eigen zak komen: “Amsterdam moet slimmer gaan begroten.”

Robert Flos foto: gemeente Amsterdam
In maart wordt een bezuinigingspakket voorgesteld van 150 miljoen. Waar kan volgens de VVD niets meer vanaf?
Robert Flos: “Ik denk dat je in principe bereid moet zijn om overal naar te kijken.”
Een van de kernpunten van de VVD is het parkeerbeleid. De VVD houdt nu nog vast aan het eigen standpunt inzake het bevriezen van de parkeergelden. Maar als straks dat extra bezuinigingspakket er ligt, kunt u dan beloven dat de tarieven niet omhoog gaan?
“Nou, ik kan niets beloven, maar er is een duidelijke afspraak gemaakt in het bestuursakkoord dat de parkeertarieven aan de meter bevroren blijven. Wij zien ook geen aanleiding om de parkeertarieven te verhogen omdat wij denken dat die verhoging zal leiden tot minder inkomsten. Er zal veel minder geparkeerd worden vanwege de hoogte van de tarieven.”
Een aanleiding zou kunnen zijn dat de VVD nu in een college zit met GroenLinks en de PvdA.
“Ja, maar als het financieel niets oplevert… Het is ook een verkeerd signaal naar de bevolking toe als je puur om een gat in de begroting te dichten de tarieven gaat verhogen.”
De VVD moet ook concessies doen. U heeft nooit gezegd dat de tarieven niet verhoogd zullen worden.
“Concessies? Wij hebben gezegd: ik ga nu niet een deur absoluut dichtslaan. Voor iedereen zal er zoet en zuur inzitten.”
Er wordt flink gesneden in de gemeentelijke organisatie, in het programakkoord staat 90 miljoen. De oppositie zegt dat het college achterloopt met de bezuinigingen op de eigen organisatie.
“Dat kunnen zij vinden, maar dat vind ik zeker niet gezegd. Bepaalde bezuinigingen op personeel zijn nog niet ingeboekt, maar dat komt ook omdat de onderhandelingen op bijvoorbeeld de cao voor gemeenteambtenaren nog steeds lopen. En omdat er bij sommige onderhandelingen nog geen resultaat bereikt is, kan het resultaat van de bezuinigingsactie daarop nog niet worden gekwantificeerd.”
Dus u zegt: het komt nog?
“Ja, en bovendien hebben wij als het goed is gewoon aan het einde van deze periode vijfhonderd minder ambtenaren werken dan er in het begin van de bestuursperiode werkten. En wij willen hier veel verder in gaan dan andere partijen, we sluiten ook gedwongen ontslagen niet uit.”
Maar kunt u dat garanderen?
“Ja eh, kun je dat garanderen… Dat is een kwestie van doen. In 2017 willen wij 1.350 minder ambtenaren dan de bijna 15.000 die er nu zijn. Door natuurlijk verloop verlaten al jaarlijks vijf à tien procent van de ambtenaren de gemeenten.
“Bij de 12.500 tot 13.000 ambtenaren die dan overblijven, moet je gaan kijken wat je verder kunt optimaliseren. Het is nu zo’n tienduizend euro dat je per ambtenaar kwijt bent aan huisvesting, ICT-voorzieningen, pennen, potloden en lampjes. Als je daar ook een taakstelling op legt kan dat ook tien à vijftien miljoen opleveren.”
Dan hebben we het over hetzelfde onderwerp, alleen niet over personeel maar over pennen. Gaat u daar 80 tot 100 miljoen vandaan halen?
“Nee, niet bij potloden en pennen natuurlijk. Maar wij willen ook de deelraden volledig opheffen, dat betekent ook ruim tien miljoen minder aan kosten voor politici. Gecombineerd kom je bij de optelling al bij de 70 à 75 miljoen die je enkel uit het ambtenarenapparaat en de politiek kunt halen.”
Dus als de VVD haar zin krijgt hoeven de bezuinigingen verder nergens vandaan te komen.
“Nou nee dat niet, want we willen in totaal voor 150 miljoen aan ombuigingen inventariseren.”
Niet van cultuur, niet van sociaal beleid?
“Ja wij vinden wel dat er heel kritisch naar alle subsidieregelingen gekeken moet worden. Dat kunnen milieu- en kunstsubsidies zijn, maar ook zijn er in de stadsdelen een heleboel integratie en sociale subsidies gegeven waarvan wij ons afvragen wat nu de effectiviteit en het rendement is van deze subsidie. Daar is naar ons idee nog veel te weinig in gesneden.”
De gemeentes krijgen meer taken van de rijksoverheid. Er wordt wel gezegd dat de overheid de problemen over de schutting gooit.
“We zijn blij dat er juist meer zaken naar Amsterdam toekomen die we lokaal kunnen beslissen, zoals de Wet werk en Bijstand (Wwb), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet werken naar vermogen (Wwnv). Dat biedt onze wethouder Eric van der Burg (Zorg en Welzijn, VVD) de mogelijkheid om een eigen persoonsgebonden budget (pgb) te ontwikkelen. Dat het rijk daar minder geld voor inboekt door efficiencyvoordelen vind ik niet meer dan terecht.”
Zijn er ook onderwerpen waar te weinig geld voor overblijft?
“We hebben bij de Wet werken naar vermogen gezegd dat we dat wel heel gortig vonden. Hierbij komen wel heel veel risico’s bij de gemeentes te liggen. Het risico is dan dat het ons veel meer kost aan uitkeringen en participatiekosten dan dat we van het rijk krijgen.”
Dan wordt het dus gedumpt.
“Nou ja, dat is dan wel het enige punt waar we als VVD in de gemeenteraad hebben gezegd: daar schatten wij de risico’s te hoog in. Maar dat hebben we op een hele hoop andere dingen niet gezegd.”
Het moet wel allemaal met minder geld.
“Er is een noodzaak dit te doen, er zijn enorme overheidstekorten. Een deel komt voort uit de extra uitgaven die in de vorige regeringsperiode tijdens de toenmalige crisis gedaan zijn. De staatsschuld is flink toegenomen, dat zal je moeten oplossen. En naar ons idee heeft dat geleid tot terechte bezuinigingen. Sommigen in Amsterdam denken wel eens ‘dit is de Republiek Amsterdam, wij horen niet bij Nederland, wat denken jullie wel’, maar zo werkt het natuurlijk niet. Daarom gaan we 150 miljoen extra inventariseren.”
Wethouder Van der Burg heeft ook gezegd: we zitten niet vast aan de coalitieafspraken van het Rijk, met het pgb bijvoorbeeld.
“Nee, we hebben over verschillende onderdelen gezegd dat we er wat minder over te spreken zijn. Het pgb en ook kunstsubsidies slaan soms wel heel fors op Amsterdam neer, maar over het algemeen steunen we het kabinet.”
“Je moet geen rare dingen doen met een museum”
Posted By Annemarie van de Vijsel On februari 3, 2012 @ 16:54 In Interview, Mooi | No Comments
Het Joods Historisch Museum krijgt per 15 maart een nieuwe zakelijk directeur. Liesbeth Bijvoet heeft naar eigen zeggen gevoel voor organisatie. De Amsterdamse blikt vooruit op haar nieuwe functie in de museumwereld.

Liesbeth Bijvoet, de nieuwe zakelijk directeur van het JHM. Foto: Jansje Klazinga
AMSTERDAM, 3 februari – In het restaurant op de Zuidas dat één keer per jaar zijn eigen varkens slacht en dat zijn eigen aardperen kweekt, bestelt Liesbeth Bijvoet (48) een flesje Badoit. Ze kent de ober. “Een bijzondere plek is dit hè”, zegt ze. Het restaurant ligt pal naast Premsela, Nederlands Instituut voor Design en Mode. Daar is Bijvoet nu nog manager bedrijfsvoering. In maart verhuist ze naar het Waterlooplein, waar ze begint als de nieuwe zakelijk directeur van het Joods Historisch Museum.
U werkt nu in de mode- en designsector, een hippe en snelle sector. Is het Joods Historisch Museum niet te stoffig voor u?
“Erfgoed is hartstikke hip op het moment, het ligt aan de basis van het heden. Maar het Joods Historisch Museum is natuurlijk meer dan alleen erfgoed. We organiseren ook tentoonstellingen over actuele onderwerpen.”
Maar bent u niet te zakelijk of te economisch ingesteld voor een traditioneel museum?
“Nee, daar lig ik geen moment wakker van.”
Heeft u naar deze functie gesolliciteerd?
“Niet actief. Ik werd gevraagd om te solliciteren. Toen ik van de functie hoorde dacht ik: ja, dat is eigenlijk wel een prachtige plek. En een promotie ten aanzien van het werk dat ik nu doe. Dan ben ik eigenlijk wel stom als ik daar niet op reageer.”
Wat is uw binding met de joodse cultuur?
“Ik zie de joodse cultuur als onderdeel van de Nederlandse en de Amsterdamse cultuur. Ik ben opgegroeid in Amsterdam Zuid, boven een orthodox-joodse familie. En ik heb op de Anne Frankschool gezeten.”
Wat zijn uw doelstellingen voor het museum?
“Het zou een beetje misplaatst zijn als ik een doelstelling voor het museum zou hebben. Alle musea en culturele instellingen in Nederland hebben dinsdag, as you will know, de beleidsplannen voor de periode 2013-2016 ingeleverd.”
Heeft u meegeschreven aan het beleidsplan?
“Nee, maar als ik het lees, krijg ik er zin in. In het realiseren van de inhoudelijke ambities van het museum. Financieel gebeurt er natuurlijk ook veel. Musea moeten van het kabinet steeds meer eigen inkomsten generen en verdienmodellen bedenken, het zogenaamde cultureel ondernemen. Dat is echt een politiek toverwoord. Het Joods Historisch Museum is daar voorstander van. De manier waarop ze er invulling aan geven spreekt me heel erg aan. Je moet geen rare dingen gaan doen als museum. Want dan denk ik: ja, daar ben je niet voor op de wereld gezet. Een museum moet doen waar het goed in is vanuit zijn eigen specialiteit.”
Wat moet zou een museum dan niet moeten doen?
“Je kunt natuurlijk feesten en partijen organiseren. Bruiloften, dat doen sommige musea. Dan loop ik door een museum en dan staat daar voor een schilderij een bruidspaar dat wordt gefotografeerd. Je moet ook geen discoavonden gaan organiseren omdat het lekker verdient. Dat is wel ondernemerschap, maar dat is geen cultureel ondernemerschap.”

De Hollandsche Schouwburg. Foto: Annemarie vd Vijsel
“Het is de ambitie om van de Hollandsche Schouwburg een nationaal Sjoa Museum en herinneringscentrum voor de Holocaust te maken. Er ligt een haalbaarheidsonderzoek dat nog moeten worden besproken. Nieuwe ideeën over interactiviteit zullen daar vast ook in terugkomen. Het mooie van het Joods Historisch Museum vind ik zelf overigens dat je door vier synagogen loopt en dat voel je ook. Dat draagt echt bij aan de ervaring die je als bezoeker hebt.”
Hoe voelt dat dan?
“Ik kan niet nauwkeurig omschrijven hoe dat voelt. Maar eerlijk gezegd ga ik ook niet naar een museum zoals naar een kermisattractie. Dat je in een karretje stapt en dat je een ervaring hebt. Ik loop graag heel bewust door een museum. Je moet er zelf heel erg bij zijn.”
Denkt u dat jonge mensen zich genoeg aangetrokken voelen tot het Joods Historisch Museum?
“Ja, bijvoorbeeld met het JHM Kindermuseum. En er is een uitgebreid educatief programma opgericht. Het is de bedoeling om de hele trits van basis onderwijs tot wetenschappelijk onderwijs te bedienen.”
Loopt het Joods Historisch Museum niet het risico dat het publiek op een gegeven moment vergrijst?
“Ik weet niet of dat voor het Joods Historisch Museum meer een issue zal zijn dan voor andere musea. Het museum gaat over cultuur, hè. De gedachte is misschien dat de oorlog steeds verder naar de achtergrond verdwijnt. Maar dat is slechts één deel van het museum. Daarmee is natuurlijk niet het hele verhaal van de joodse cultuur verteld.”
Het Joods Historisch Museum had in 2010 ruim 130 duizend bezoekers, dat is minder dan de meeste musea in Amsterdam.
“Door de integratie met de Portugese Synagoge en de Hollandsche Schouwburg hopen we dat het bezoekersaantal groter wordt. In 2010 hadden we 230 duizend bezoekers voor de Hollandsche Schouwburg, de Portugese Synagoge en het Joods Historisch Museum samen. Daarvan waren er 45 duizend onderwijsbezoeken. Ik vind dat best veel hoor. Het is natuurlijk geen Anne Frank Huis.”
Het kabinet verhoogt de eigen inkomenseis voor musea van 17,5 naar 21,5 procent in 2016. Haalt het Joods Historisch Museum dit?
“Ja.”
Dus de bezuinigingen in de cultuursector leveren niet zoveel problemen op?
“Er komt misschien nog een extra bezuinigingsronde aan, want het kabinet gaat weer meer bezuinigen.”
Het museum wordt 10 procent gekort op de rijkssubsidies, net als de andere Rijksmusea. Als ik dat zo hoor, heeft het Joods Historisch Museum wel een luxepositie ten opzichte van andere Amsterdamse musea. Jullie zitten nog steeds in het langlopend subsidiestelsel.
“Als het goed is wel, maar je weet niet wat het advies van de Raad voor Cultuur zal zijn en wat daar de consequenties van zijn. De beleidsaanvraag is net verstuurd, daar moeten we nog ‘ja’ op krijgen. Een luxepositie zou ik nooit zeggen. Er wordt hard gewerkt en er staat een solide organisatie, maar je moet het wel steeds waarmaken.”
“Ik mis een erotische nachtclub waar ik ook met mijn vrouw heen kan”
Posted By Lisa Van Der Velden On februari 3, 2012 @ 16:46 In Algemeen, Interview, Leven | No Comments
Het bestemmingsplan moet nog worden gewijzigd, maar hij heeft er alle vertrouwen in: deze zomer opent hij het eerste rooftoprestaurant in Amsterdam Centrum. Daarna zou horecaondernemer Bert van der Leden (o.a. Supperclub, Nevy, Nomads) graag een burlesque nachtclub neerzetten. “Ik vind het leuk om een van de eersten te zijn.”

Horecaondernemer Bert van der Leden. Foto: IQ Creative
Van der Leden (62) zit achterovergeleund op een stoel in zijn kantoor aan het Rokin, zijn handen achter zijn hoofd. Voor hem liggen twee telefoons op tafel. Aan de muur hangt een schilderij van een toiletrol. Gucci, staat er op het toiletpapier. Allereerst moet hem iets van het hart. “Ik vind het vervelend dat de horeca altijd negatief in de media komt. Dan wordt de euro gewisseld en hebben wij het verkeerd gedaan, dan schenken we weer water uit de kraan. Er is altijd wat. Maar er wordt nooit gezegd dat de gezamenlijke horeca de grootste werkgever van Nederland is, of de grootste werkgever in Amsterdam.”
Dan, ineens vrolijk: “Maar oké, waar gaan we het over hebben?”
Wat zijn precies uw plannen met het rooftoprestaurant?
“Bij Hoogland kun je straks over de hele stad heen kijken. Boven op het Rokin 75, dat is een mooi plekkie. Hoogland is eigenlijk alleen de werknaam, maar het begint te wennen. Onder het logo staat straks waarschijnlijk Terroir des Pays Bas. Van eigen bodem. We willen met producten uit Nederland gaan werken. Er zijn heel veel mooie Nederlandse producten, veel daarvan gaan naar de markt in Parijs. Mensen vergeten dat wel eens. De oesters, de mosselen, de kreeft uit Zeeland, maar ook mooie groentes. Er zitten rond Amsterdam veel biologische boeren. Daar willen we mee samenwerken. Ik heb er met mijn koks over gesproken en die vinden het allemaal heel spannend.”
Canvas zit ook op de bovenste verdieping. Wat maakt Hoogland uniek?
“In San Francisco en Berlijn zijn tientallen, misschien wel honderden rooftoprestaurants. In Amsterdam staat het concept nog in de kinderschoenen. Ik vind het leuk om één van de eersten te zijn.
“De gemeente is ook heel enthousiast over Hoogland. Het past in hun plannen met de zogeheten Rode Loper, waarmee Amsterdam de verslonsde entree vanaf het Centraal Station wil opknappen. De gemeente heeft zelfs Het Parool op mijn spoor gezet. Ik vroeg hen nog: ‘Vinden jullie het niet een beetje vroeg om met de media te praten, het bestemmingsplan is nog niet gewijzigd. Daar moeten jullie nog toestemming voor geven.’ Ze zeiden: ‘Nee hoor, we denken dat het wel goed komt.’”
Worden uw plannen altijd zo goed ontvangen of liep het ook wel eens minder soepel?
“Nee, eigenlijk nooit. Als ik het vergelijk met het buitenland dan denk ik dat wij niet mogen mokken over de overheid. Als je een redelijke vraag hebt, krijg je een redelijk antwoord. Ik heb het in het buitenland waanzinnig lastig gehad. In Rome pestte de overheid de Supperclub gewoon weg.”
Bij Nevy en Nomads wordt veel gebruik gemaakt van acties van kortingssite Groupon. Is dat een symptoom van de financiële crisis?
“Als je gebruik maakt van Groupon, dan denkt iedereen: ‘Het zal wel slecht gaan.’ Een collega noemde het ‘een economisch probleem in de etalage zetten’. Maar voor de crisis sprak niemand er zo over. Terwijl Groupon toen ook al bestond, en we aan dingen als de Restaurantweek en Dining City meededen. Ik vind Groupon een fenomeen. Wat anderen er ook van zeggen, ik vind het fantastisch.
“Kijk, ik zeg niet dat het heel goed gaat. Ik kan niet zeggen dat de crisis ongemerkt aan ons voorbij gaat, dat zou onzin zijn. Maar we zitten niet in de rode cijfers. Ik vind dat wij nog steeds mooie cijfers hebben, ook al zijn die naar beneden bijgesteld. Daar moet je in deze tijd wel bij glimlachen, want het gaat bij een hoop anderen natuurlijk niet goed. Maar ik hoor hier in Amsterdam eigenlijk weinig collega’s heel erg klagen. Ik denk dat het komt door het grootstedelijke.”
Wat mist Amsterdam nog?
Lange stilte. “Ik mis een nachtclub met een erotisch tintje. Dat zou ik willen neerzetten, maar wel iets waar ik ook met mijn vrouw heen kan. Dat bijvoorbeeld Erwin Olaf de wallpapers maakt. Erotiek gemaakt door een mooie kunstenaar. En dames in de bediening in een burlesque sfeer. Dat heb je in Londen en Parijs op hoog niveau. Daar schaamt niemand zich ervoor. Als ik daar met jullie naartoe ga wil ik dat jullie denken: ‘Wat is dit? Dit is goed!’ En niet: ‘Wat een vieze oude man.’”
“Lesbiennes hebben geen hoog aaibaarheidsgehalte”
Posted By Frank Huiskamp On februari 3, 2012 @ 16:38 In Algemeen, Interview, Leven | No Comments

Van Oosten (rechts) met de zondag uitgereikte Bob Angelo-penning. Foto: COC Nederland, Geert van Tol
Twintig jaar lang leidde Maria van Oosten het door haar opgerichte blad voor de lesbische en biseksuele vrouw Zij aan Zij. In december vond ze het tijd het stokje over te dragen. Afgelopen zondag kreeg zij erkenning voor haar inzet voor de lesbische gemeenschap in de vorm van de jaarlijkse Bob Angelo-penning van het COC. NAP sprak met haar over de lesbische gemeenschap, die minder zichtbaar is dan die van de homomannen. “Lesbiennes willen vooral niet in een underdogpositie komen.”
AMSTERDAM, 3 februari – Ze had een keer serieus overwogen een foto toe te voegen aan een persbericht. Bang dat er sprake was van stereotypering. “Zouden ze denken dat ik ook zo’n kort koppie ben?” Maria van Oosten zocht naar eigen zeggen vaak de media op om extra aandacht te vragen voor de lesbische en biseksuele vrouw, maar haar pogingen slaagden maar niet. “Erg eigenlijk, zo denken”, zegt de Amsterdamse lachend bij een kop thee in een café in de Jordaan over haar gedachte. “Maar goed, hè, je probeert wat.” Twintig jaar geleden richtte Van Oosten het blad Zij Aan Zij op. “Zowel voor radicale potten als de lipsticklesbo.” In december nam zij afscheid als hoofdredacteur, maar ze praat nog steeds in de wij-vorm als ze het over het blad heeft, dat inmiddels ZZ/This=Us heet.
Zondag ontving Van Oosten op de nieuwjaarsreceptie van de COC, de Nederlandse vereniging voor de integratie van homoseksualiteit, de Bob Angelo-penning voor haar inzet voor lesbiennes en biseksuele vrouwen. Toch een beetje erkenning, vindt ze. Erkenning voor het werk voor een gemeenschap die lang niet zo zichtbaar is als die van de homoman. Een gemeenschap die ook lijdt onder stereotypering en een onderschatting van geweld, zo bleek uit onderzoek eind vorig jaar. “Ik denk dat heel veel lesbiennes niet zo graag in het zielige hoekje zitten.”
Wordt er een probleem gebagatelliseerd?
“Ik denk dat de lesbiennes soms zelf een houding hebben van ‘we redden ons wel, wij kunnen heus ons mannetje wel staan’. En dat is natuurlijk vaak ook wel zo. Daarmee vegen ‘ze’, ik generaliseer even vreselijk, veel dingen die niet goed gaan onder de tafel.”
Er zijn toch ook lesbiennes die wél moeite hebben met hun seksualiteit?
“Het grappige is dat je die vrouwen niet veel hoort. Zij zoeken niet echt hulp bij anderen. Dat is iets aparts van deze doelgroep, iets waarover ik me al twintig jaar verbaas. Er wordt niet snel moord en brand geschreeuwd en hulp ingeschakeld.”
Heeft u in die twintig jaar niet kunnen doorgronden waaraan dat ligt?
“Ik denk dat het te maken heeft met die houding van ‘wij zijn niet zielig’. Ze willen vooral niet in de underdogpositie komen.”
Maar is dat goed of slecht? Een deel van hen zal toch ook worstelen met problemen.
“Er is ook een deel dat er niet goed mee omgaat. Zo is uit onderzoek gebleken dat er relatief meer depressiviteit en eenzaamheid onder lesbische vrouwen is in vergelijking met heterovrouwen. Dat krijg je als je geen steun zoekt bij anderen.”
Homomannen en homogeweld domineren het nieuws. De lesbiennes lijken dusdanig doodgezwegen te worden dat je bijna denkt: oh, die hebben het veel makkelijker.
“Dat is niet zo. Ik vind het dus gek dat er bij een programma als Uit de Kast van Arie Boomsma geen enkel meisje zit. Dat is toch opmerkelijk. Ik denk dat heel veel meiden het nog steeds enorm lastig vinden om zichzelf te laten zien, om ervoor uit te komen. Dat heeft veel meer nog met onzekerheid en hulp durven vragen te maken.”
Er zijn vrouwen die bewust geen steun zoeken en vrouwen die dat wel willen, maar niet doen. Waarom doen zij dit niet?
“Dit is een heel subjectief antwoord hoor: ik denk dat de meesten zullen verwachten dat wanneer ze hulp inschakelen, er niet veel zal zijn.”
Er wordt vaak geen melding van geweld gedaan bij de politie om die reden en omdat de vrouwen denken niet serieus genomen te zullen worden. Zorgt de politie zelf voor dit beeld?
“Dat zou kunnen. Het is vast en zeker een keer gebeurd dat agenten die meldingen niet serieus hebben genomen. Ik heb ook weleens telefonisch aangifte gedaan van een aanranding. Dan niet als lesbienne of biseksuele vrouw, maar daarop werd ook heel laconiek gereageerd. Ik had serieus het idee dat ik stoorde tijdens een potje poker of zo. Dat geeft je niet zo veel vertrouwen. Misschien hebben die vrouwen ook wel zoiets. Lesbiennes doen het bijvoorbeeld ook niet lekker in de media. Die hebben geen hoge aaibaarheidsfactor, zoals veel homomannen dat wel hebben. Zij hebben een hoog knuffelgehalte.”
Hoe probeerde u in Zij Aan Zij iets aan het beeld van lesbiennes te veranderen?
“Je kunt proberen daarop enige invloed uit te oefenen. Door de schrijfstijl, door de manier waarop je lesbiennes presenteert. Leuke kop erboven, vrolijke zelfbewuste vrouwen in de artikelen en op de foto’s.”
Een beetje pr voor de lesbische gemeenschap dus? Maar daar wil je toch ook niet te veel nadruk op leggen?
“Je probeert te schipperen. Aan de ene kant willen we het lesbisch-zijn niet problematiseren. We willen ook geen niets-aan-de-handblaadje maken, want er is wel iets aan de hand. Maar het is een beetje op eieren lopen, de sterke en minder sterke kanten benadrukken. Daarover moet je het ook hebben. Je moet dingen die niet goed gaan niet onder het tafelkleed wegmoffelen. Maar dat is lastig.”
“Mijn museum is een rariteitenkabinet”
Posted By Martine Huijbregts On februari 1, 2012 @ 16:52 In Interview, Mooi, Profiel | No Comments
Van een zolderkamertje vol parafernalia tot een tatoeagemuseum: Henk Schiffmacher heeft eindelijk een thuis voor zijn curieuze verzamelobjecten. Vorig jaar november opende hij het Amsterdam Tattoo Museum. Maar het is nog niet af. “Ik zit nu te azen op een Koptische tattooshop.”

Henk Schiffmacher. Foto: Jesaja Hutubessy via Amsterdam Tattoo Museum.
AMSTERDAM, 1 februari - Vanuit de naastgelegen ruimte klinkt luid gehamer en geboor. Het moge duidelijk zijn: het tattoomuseum van Henk Schiffmacher is nog onder constructie. En dat terwijl er al zo veel in het museum staat. De kunstenaar en tattookoning, die dit jaar zestig wordt, heeft in de loop der jaren heel wat tatoeageobjecten verzameld. “Dat zat allemaal in dozen. Het werd tijd dat de verhalen die erbij horen werden verteld”, zegt Schiffmacher. Wie denkt dat het alleen gaat om naalden en verschillende kleuren inkt, vergist zich. “Ik heb zo’n vies oud kussentje, waarop de Engelse koning George V nog is getatoeëerd.”
Dus ging Schiffmacher op zoek naar een museum dat zijn stukken wilde overnemen. “Maar alle geïnteresseerde musea kwamen tot dezelfde conclusie: ze wilden één stuk opnemen in hun collectie. De rest zou dan worden afgestoten.” En dat zou jammer zijn, want “dan zou je het karakter van de collectie geweld aandoen”, volgens Schiffmacher. “Ze zeiden: eigenlijk zou je zelf een museumpje moeten opzetten.” De vraag was: hoe dan?
De oplossing diende zich aan in de vorm van “mevrouw Jeannette.” Zij – Jeannette Seret, directeur van Partners aan het Werk – stelde voor om mensen via haar herintredingsbureau in Schiffmachers museum aan het werk te zetten.
Hoe bevalt het, om samen te werken met mensen die moeten leren opnieuw in de maatschappij te functioneren?
Schiffmacher: “Het is niet altijd makkelijk, zeker als je het niet gewend bent. De een doet het beter dan de ander. Van de week zat er iemand, die was apathisch. Je kon gewoon voor hem langslopen zonder dat hij met zijn ogen knipperde. Jeannette pikt die figuren dan uit. Ik zou het af en toe wat strenger willen doen.”
Terwijl hij vertelt, zit Schiffmacher wat te schetsen in zijn boek. Een kaars. “Mijn vader was slager en marinier, die gaf je op een gegeven moment wel een schop onder je reet. Maar goed, dat is niet aan mij, ik heb daar niet voor gestudeerd. Dat is een eigen beroepsgroep, die staat toch al op de tocht. Allemaal weg bezuinigd, samen met de cultuur en de kunst.”
Zijn tatoeages kunst dan?
“Het was al kunst voordat er kunst was, het is de moeder van de kunst. De eerste kunst die de mens maakte, maakte hij waarschijnlijk op zijn eigen lichaam. Vanwege de behoefte om zichzelf te onderscheiden van een dier, en van elkaar, van andere stammen. Tatoeages waren ook geheugensteuntjes bij het vertellen van verhalen. Maar tattoos pasten niet in de christelijke norm. Dus de dames en heren geloofsverspreiders hebben dat te vuur en te zwaard bestreden.”
Maar tegenwoordig zijn tatoeages toch vooral moderne fratsen van de jeugd?
“Welnee. De halve kunstwereld zit nu te borduren en wandkleedjes in elkaar te stikken, dat zijn ook naaldkunstenaars. En tegenwoordig is de performance, de daad van de kunst, heel belangrijk. Zelf houd ik nog wel van het resultaat van kunst. Als ik iemand zie die heel mooi is getatoeëerd, vind ik het wel leuk om zijn vel hier tentoon te stellen.”
Mag dat zomaar?
“Als iemand een been aanbiedt, gilt de chirurg het hele ziekenhuis bij elkaar dat hij daar niet aan meewerkt. Daarom zijn we momenteel bezig een soort donorcodicil voor tatoeages op te stellen. We hebben wel stukken huid in het museum. Vooral uit een periode waarin stukken mens buiten de kist werden gehouden om zo iemand later nog te kunnen identificeren.”
U schildert ook. Wat is het grootste verschil tussen een schilderij maken en een tatoeage zetten?
“Canvas beweegt niet, het lult niet tegen je, het geeft niet over. Huid zweet, huid moet helen, huid heeft last van zwaartekracht. Net zoals die fietstas waarin je twee jaar lang De Telegraaf bezorgt, de letters die erop staan worden dan ook uit elkaar gerukt.”
Schilderijen worden vaak als hogere kunst gezien, de tatoeage niet.
“Ik vind dat het precies omgekeerd is. De allerlaagste vorm van kunst, dan praat ik over de trench of jail art (kunst gemaakt door soldaten of gevangenen, red.), is voor mij het absolute summum in de menselijke uiting. Het heeft geen enkele commerciële drijfveer, is compleet gebaseerd op emoties. Dat wat iemand vol verdriet met zijn eigen tranen, eigen bloed, eigen sperma, eigen urine, eigen stront heeft gemaakt, om te communiceren, of om zijn liefde tentoon te spreiden, daar gaat helemaal niets boven. En het predicaat low brow dat daaraan hangt is dus bijna standrechtelijk strafbaar en verdient de kogel.”
Uw museum staat in een buurt met veel high brow musea, zoals de Hermitage. Heeft u dat expres uitgezocht?
“Een gebouw als dit is erg geschikt om lagere kunst te presenteren. Om het overdreven te zeggen, de museale wereld begint op de kermis, met rare collecties. Artis, dat hier tegenover zit, had vroeger een open tuin, de Blauw Jan. Daarin waren vreemde dieren te zien, zoals gordeldieren en struisvogels. Er werden ook geregeld mensen tentoongesteld: parasitaire tweelingen, hermafrodieten, the bird man, the mule head, the lobster lady. Een soort rariteitenkabinet. Mijn museum is dat ook.”
Schiffmacher weet veel van deze buurt. De geschiedenis van Artis, de verdwenen instituten, beroemde wetenschappers en kunstenaars die hier hebben gewoond: uren kan hij daarover praten. Voeg daar zijn kennis over de tatoeage aan toe, en hij zit een hele dag te vertellen. Maar daar heeft hij geen tijd voor, want er moet nog veel gebeuren aan het museum.
Ik las ergens dat u het rustiger aan wilde doen.
“Ja, dat lukt me natuurlijk voor geen fuck. Ik zou me het liefst bezig houden met publicaties over tatoeages. Het voordeel van schrijven is dat je met je pennetje en je papiertje in een ver land in het zonnetje kan zitten, met een cocktail.”
Maar voorlopig is Schiffmacher nog wel even bezig met zijn museum. “Ik mis nog zoveel. Ik wil nu graag een Koptische tattooshop hebben, een reizende Egyptische shop. Ik weet niet wat er met die traditie gaat gebeuren, met alle huidige verschuivingen en veranderingen in dat land. Voor sommige tatoeages is het ernstig tijd om op de Werelderfgoedlijst te belanden, want die staan onder druk.”
Artistieke zzp’ers: wie zijn het?
Posted By Annemarie van de Vijsel On februari 1, 2012 @ 16:46 In Interview, Mooi | No Comments

Een artistieke zzp'er aan het werk. Bron: Chapendra via flickr.com
AMSTERDAM, 1 februari – Het aantal artistieke zzp’ers in Amsterdam is in tien jaar tijd sterk gegroeid, zo berichtte [7]NAP Nieuws vorige week. Wie zijn deze kunstzinnige zelfstandigen zonder personeel? NAP Nieuws portretteert vier ondernemende Amsterdamse creatievelingen.
| Pieter Jan Glerum (25), Anoniem Anno Nu
Anoniem Anno Nu is een website waar kunstenaars hun werken kunnen laten liken via Facebook, zonder dat de naam van de kunstenaar bij het werk staat. “Sommige Facebookers komen vaak op de pagina om kunstwerken te beoordelen, anderen doen dat af en toe. Er staan ook een paar werken van mij op de site. Sommige worden helaas niet vaak geliked…” Waarom ben je deze onderneming begonnen? “Ik wilde naar de kunstacademie, maar ik wist niet of ik goed genoeg was. Ik was op zoek naar een toegankelijke plaats op internet waar ik feedback op mijn werk kon krijgen. Tot mijn verbazing bestond zoiets nog niet, dus heb ik zelf een onderneming opgericht. Tijdens mijn studie Kunst, Cultuur en Media in Groningen leerde ik bijna niets over ondernemen, maar in mijn familie en omgeving hebben veel mensen een eigen bedrijf.” Hoe is het om zzp´er te zijn? “De administratieve kant was in het begin lastig, ik moest er even aan wennen. Het hoort bij het artistiek ondernemerschap, het zou mensen niet moeten belemmeren om zzp’er te worden.” Wil je in de toekomst als zzp’er blijven werken? “Ik wil zeker verder in de ondernemerswereld. Als ik op straat loop, zie ik veel mogelijkheden om op een creatieve manier geld te verdienen. Door het bedenken van app’s bijvoorbeeld. Anoniem Anno Nu doe ik buiten de kantooruren, het levert financieel nog niets op. In de toekomst wil dat wel. Ik wil kunstkopers en kunstenaars direct met elkaar in contact gaan brengen. Daar kan ik op een gegeven moment aan gaan verdienen.” |
Linda Koene (27), Stichting Creatief Initiatief
Stichting Creatief Initiatief organiseert kunstprojecten en maakt tentoonstellingen in de openbare ruimte of op een bijzondere locatie in Amsterdam. Momenteel is in de gangen van de Hermitage het werk van acht jonge Vlaamse kunstenaars te bewonderen, geïnspireerd op de tentoonstelling ‘Rubens, Van Dyck & Jordaens’. Het is een van de projecten van de stichting Creatief Initiatief. “Het is een spannend project. Zij zijn beginnende kunstenaars en samen kunnen we onderzoeken hoe je een interessante tentoonstelling opbouwt.” Waarom ben je deze onderneming begonnen? “In 2008 wilden twee oud-studiegenoten en ik een kunstproject doen in samenwerking met stadsdelen. Daarvoor moesten we een officiële onderneming oprichten. We werken nu alle drie als zzp’er voor de stichting. Ook wilde ik na mijn opleiding Visual Art and Design Management in Utrecht een portfolio opbouwen. Dat doe ik met projecten voor de stichting. In die opleiding leer je tentoonstellingen maken, maar ook de administratieve kanten van het kunstenaarschap. De artistieke zzp’ers waarmee we samenwerken in onze stichting kan ik daarom ook helpen met de administratie.” Wil je in de toekomst als zzp’er blijven werken? “Ik kan nog niet leven van het werk voor de stichting alleen. Daarnaast zal ik moeten blijven werken als galerieassistent, zeker gezien de bezuinigingen in 2013. Waarschijnlijk zal de stichting minder opdrachten krijgen van bijvoorbeeld de stadsdelen. Hun budgetten worden immers ook kleiner. De bezuinigingen zullen zelfstandige beeldende kunstenaars hard treffen. Zij kunnen moeilijker in dienst van een bedrijf werken dan bijvoorbeeld grafisch vormgevers. Het wordt moeilijk om als beginnend beeldend kunstenaar rond te komen wanneer de WWIK vervalt. Hoe meer je naast het kunstenaarschap moet werken, hoe minder tijd je hebt om je verder te ontwikkelen om uiteindelijk helemaal van de kunst te kunnen leven.” |
|
| Won Tuinema (30), World of Won
“Ik fotografeer en maak films in opdracht. Voor grote filmklussen stel ik een crew samen van andere freelancers. Fotografieklussen doe ik veelal alleen.” Waarom ben je deze onderneming begonnen? “De reden van oprichting van World of Won is de Handelsregisterwet uit 2008 waardoor je verplicht werd een onderneming te gaan voeren. Overigens vind ik ‘onderneming’ een te groot verzamelwoord voor een specifiek beroep. Het is nu, mede door de technologische minirevolutie, voor iedereen mogelijk om creatieve werkzaamheden naast een betaalde baan te hebben. Iedereen met een digitale spiegelreflex is opeens fotograaf, de wildgroei is enorm. Men verliest oog voor vakmanschap en inhoudelijk werk. Hoe weet men tussen al die zzp’ers de vakman te onderscheiden van de hobbyfotograaf die af en toe bijverdient?” Wil je in de toekomst als zzp’er blijven werken? “Ik blijf zeker zelfstandig bezig met film en fotografie. Al bekijk ik nu alles wel meer met een ondernemende blik dan vroeger. Als freelancer bouw je bijvoorbeeld geen pensioen op en als fotograaf heb je geen eigen bedrijf met verkoopwaarde, dus moet ik toch op een andere manier mijn oudedagsvoorziening regelen. Mijn uiteindelijke doel is een onderneming beginnen op het gebied van film en fotografie met een verkoopwaarde voor later en voldoende inkomsten voor nu. Dan kan ik eindelijk vrij werk gaan maken.” |
Kathelijn Voets (25), Generation YOU
Generation YOU brengt creatieve zzp’ers in contact met bedrijven. Zo’n zestig tot tachtig zzp’ers staan er ingeschreven, voornamelijk grafisch ontwerpers en webdesigners. Waarom ben je deze onderneming begonnen? “Ik heb Generation YOU opgericht omdat ik zag dat kunstenaars vaak moeite hebben zichzelf te verkopen. Daarnaast willen kopers vaak relatief weinig neerleggen voor een kunstwerk. En zzp’ers doen vaak opdrachten die goed zouden zijn voor hun portfolio, maar waar ze niet altijd voor betaald worden. Als bemiddelingsbureau kunnen we ons harder opstellen om een eerlijke prijs voor hun werk te krijgen. Tijdens mijn studie Business Administration met de richting Ondernemerschap aan de VU werd ik al enigszins voorbereid op het starten van een eigen bedrijf. Hoe is het om te werken met zzp’ers? “Artistieke zzp’ers komen in aanraking met veel facetten van het ondernemerschap, maar ze zijn liever vooral met de kunst bezig. Ik hoor vaak van studenten van de kunstacademie dat ze niet worden opgeleid als ondernemer. Sommigen zien de zakelijke kant in het begin als belemmering. Daar speel ik nu op in door hen te helpen bij onder meer het administratieve werk en bij de promotie.” |
(G)een centje pijn: D66-fractievoorzitter Jan Paternotte
Posted By Kick Hommes On januari 27, 2012 @ 16:54 In Algemeen, Interview, Stad | 2 Comments
NAP maakt een rondgang langs de Amsterdamse fractievoorzitters. Vandaag: Jan Paternotte (27), sinds oktober 2011 fractievoorzitter van D66 en daarnaast masterstudent Europees Recht.
AMSTERDAM, 27 januari – Barre tijden in de Stopera. Amsterdam moest al ruim tweehonderd miljoen besparen, maar het was niet genoeg. In maart stemt de gemeenteraad over een extra bezuinigingspakket van honderdvijftig miljoen. Waar valt nog wat te halen? Wat kiest het college? Waarvoor strijdt de oppositie?
Waarop kan wat D66 betreft nog bezuinigd worden in Amsterdam?
Jan Paternotte: “De Rode Loper moeten we versoberen. Dat is een project voor het opknappen van de straat tussen Centraal Station en het Weteringcircuit, waar dertig miljoen heen gaat. De gemeente moet het gebied wel opknappen tot een mooie boulevard met bankjes en bomen, maar niet met heel dure materialen en grote frutsels die mensen niet in eerste instantie op zullen vallen. En er staan allemaal fonteintjes ingepland langs de route.”

Jan Paternotte. Foto: Jean-Pierre Jans
Moet er worden bezuinigd op de Olympische ambitie?
“Natuurlijk. Ik denk dat we in Nederland taken moeten verdelen. Toen Amsterdam in 2010 de Giro d’Italia organiseerde had Rotterdam de Tour de France, waar toch wat meer mensen naar kijken. Rotterdam is de stad die zich profileert als sportstad, Amsterdam als cultuurstad. Dat is op zich een heel goede verdeling. Het probleem is dat Amsterdam nu meer geld uitgeeft aan de Olympische ambitie dan het Rijk nu doet. En als Nederland er niet achter staat, is de kans zeer klein dat de Olympische Spelen naar ons land komen.”
Dat geld is ook bedoeld voor ontwikkeling van sport in Amsterdam.
“Ja, dat is de draai die wethouder Van der Burg (sport, VVD) probeert te maken. Er gaat nu anderhalf miljoen naar de verbouwing van het Olympisch Stadion om dat klaar te maken voor het EK atletiek in 2016. En in 2016 gaan er in het kader van het ‘breedtesportprogramma’ heel veel jongeren in de VIP-lounge zitten kijken naar sport. Dat is eigenlijk helemaal niet zo goed want dat doen ze natuurlijk met popcorn. Ik geloof niet dat er minder jongeren zouden gaan sporten als wij het EK atletiek niet zouden organiseren.”
Wat vindt u van de bezuinigingen die de gemeente het afgelopen jaar heeft doorgevoerd?
“De gemeente bezuinigt op kunst en cultuur, een sector die juist geld oplevert. De cultuursector levert jaarlijks 500 miljoen euro welvaartswinst voor Amsterdam op. En misschien wordt op musea niet zo veel bezuinigd, maar wel op het grote aanbod van theaters, het Concertgebouw, het Nationaal Ballet, de Opera. Die bezuinigingen gaan uiteindelijk ten koste van de positie van Amsterdam als hoogwaardige cultuurstad.
“Veel andere landen stoppen juist in deze tijd van crisis meer geld in kunst en cultuur. Engeland is een goed voorbeeld, dat heeft de kunstbegroting opgevoerd als enige van alle begrotingen, omdat kunst en cultuur een goed promotiemiddel zijn.”
Amsterdam bezuinigt acht miljoen extra op de grote cultuurinstellingen.
“Ja, dat is erg. Het is vooral erg dat vorige week burgemeester Van der Laan zei dat Amsterdam vanuit het rijk een ‘grimmige wind’ voelt, maar dat Amsterdam tegelijkertijd net zo hard bezuinigt. Naar verhouding bezuinigt het Rijk met zeventig miljoen euro bezuinigingen maar ietsje meer dan Amsterdam. Wie is er dan grimmig bezig?”
Achter welke bezuinigingen die het college heeft doorgevoerd staat D66 wel?
“Wij staan volledig achter de bezuinigingen op personeel en organisatie. Alleen de gemeente slaagt er niet in om die door te voeren.”
Waarom niet?
“Dat is niet helemaal duidelijk, maar in 2011 hoefde de gemeente slechts 14 miljoen euro te bezuinigen op het eigen personeel. In september 2011 was daarvan nul gerealiseerd, nul miljoen. De VVD was in hun campagne voor het snijden in eigen vlees, maar wethouder Van der Burg (Personeel en Organisatie, VVD) zei in november in Metro nog dat hij er alles aan zou doen om niemand te ontslaan. Oftewel: de tegenstelling tussen de campagne en wat hij doet als wethouder, is gigantisch.
“Het probleem is misschien dat hij niet mag van zijn collegepartners, maar daarom zit het personeelsbeleid helemaal vast. De PvdA is natuurlijk bang om maatregelen te nemen die de SP asociaal zal noemen, zoals mensen ontslaan.”
Kan D66 invloed uitoefenen op voorstellen van het college?
“Ja, af en toe. Maar over het algemeen houden de collegepartijen elkaar in een soort houdgreep.
“Wat Amsterdam trouwens wel goed doet, is investeren in het basisonderwijs. Daar wordt niet op bezuinigd. Dat is ook heel verstandig, maar misschien zou er zelfs meer geld naartoe moeten. De Amsterdamse arbeidsmarkt is namelijk verdeeld in twee delen. Er is veel vraag naar hoogopgeleiden en weinig vraag naar laagopgeleiden, omdat er weinig productiearbeid is. Dat kan opgelost worden met meer beroepsopleidingen voor de onderkant van de arbeidsmarkt. Er is al een Schiphol College, maar zoiets willen wij voor meer sectoren. Horeca is daarvan een goed voorbeeld. De haven ook, er is geen Haven College bijvoorbeeld. De gemeente investeert daar niet in.”
Er was tot januari een Haven College, maar dat is dichtgegaan, omdat er geen vraag naar was vanuit het bedrijfsleven.
“Omdat er geen vraag naar was vanuit de haven? Serieus?” Paternotte pakt zijn iPhone en maakt een notitie. “Dat ga ik eens even met mijn woordvoerder bespreken.”
‘Liever geen dronken bezoekers. Heroïnegebruikers zijn veel relaxter’
Posted By Frank Huiskamp On januari 27, 2012 @ 16:50 In Achtergrond, Algemeen, Column, Interview, Leven | No Comments

Kuijl voor het standbeeld dat vorige week gelijktijdig met zijn uitverkiezing werd onthuld als eerbetoon aan alle Amsterdammers die zich inzetten voor kwetsbare mensen. Foto: Frank Huiskamp
Herman Kuijl (48) werd een week geleden in het bijzijn van burgemeester Eberhard van der Laan onderscheiden als de eerste ‘Aardige Amsterdammer’. Initiatiefnemer was de Stichting De Regenboog Groep, die zich met name inzet voor verslaafden en dak- en thuislozen. Nu, een week vol aandacht later, zoekt NAP hem op. Wie is de man achter de titel?
AMSTERDAM, 27 januari – Hij roert lachend met een havermoutkoekje dat nog in de verpakking zit de suiker door zijn koffie. Herman Kuijl kon even geen lepeltje vinden. “Zo kan het ook.” Onderweg naar de kleine vergaderruimte werd hij nog afgeleid door twee luid joelende vrouwelijke collega’s. “Ik wil wel een foto met de celebrity”, riep de een. De andere was naar eigen zeggen helemaal van haar a propos. “Ik had heel veel mensen nog niet gezien, want ik werk alleen op donderdag hier. Vandaar.” Precies een week geleden werd Kuijl benoemd tot de eerste ‘Aardige Amsterdammer’, voor zijn vrijwilligerswerk met verslaafden, dak- en thuislozen. Hij is al tien jaar werkzaam voor inloophuis Blaka Watra van Stichting De Regenboog Groep. Streng zijn zit er niet echt meer in. Hij lacht. “Ik ben wel dé Aardige Amsterdammer natuurlijk.”
Persoonlijk leed had hem naar zijn huidige werk gebracht. Jarenlang had de Beverwijker op booreilanden gewerkt als lasinspecteur, toen hij een keer thuiskwam met een enorme pijn in zijn darmen. Drie maanden lag hij in het ziekenhuis met colitis ulcerosa, een ontsteking van de dikke darm. “Dood- en doodziek was ik. Ik woog nog maar 45 kilo, kon mijn armen niet eens meer optillen. Ik heb echt bijna op sterven gelegen.” Enorm dankbaar was hij voor de verzorging die hij in het ziekenhuis had gekregen van vrijwilligers. Een baan kon hij daarna niet meer krijgen. Nog steeds niet, want hij ondervindt nog steeds hinder van de aandoening.
Wegkwijnen op de bank was voor Kuijl geen optie Hij wilde iets doen voor een “heel kwetsbare groep”. Als symbolische dank voor de vrijwilligers die hem hadden geholpen. Dak- en thuislozen hadden hem altijd al gefascineerd. “Ik had ook voor bejaarden kunnen kiezen, ook heel dankbaar werk hoor, maar dat zag ik niet voor me.” Niet problematisch genoeg, erkent hij lachend. “Nee, en ik wilde een levendige groep.” Bij Blaka Watra kreeg hij een “doorstuurfunctie”: hij is een vraagbaak voor bezoekers en brengt hen in contact met andere instanties.
Kuijl lacht al hard voordat de vraag over zijn eerste dag bij Blaka Watra geheel is gesteld. “Het was net alsof ik een film beland was. Wel een heel leuke. Een beetje One Flew Over the Cuckoo’s Nest. In een kleine gebruikersruimte liep vijftig man door elkaar, schreeuwend en rokend. Het was één chaos in het begin. Ik heb me kapot gelachen, maar het vergde veel energie in het begin, al die nieuwe indrukken.”
Er is veel veranderd in tien jaar, zegt hij. Niet zomaar iedereen kan het inloophuis binnen komen wandelen. Mensen die een intakegesprek hebben gehad, komen meteen binnen. In essentie kan iedereen zo’n gesprek krijgen en binnenwandelen. “Alleen heb ik liever geen dronken bezoekers. Liever drugsgebruikers, die zijn veel beter te hanteren. De effecten van drugs zijn veel beter te voorspellen. Heroïnegebruikers zijn veel relaxter. Tot dronken mensen kun je maar moeilijk doordringen. Maar we hebben een goede portier.”
Inlevingsgevoel en geduld zijn onmisbaar bij dergelijk vrijwilligerswerk. Het blijkt uit Kuijls anekdotes. Hij herinnert zich een zeker moment met een nieuwe vrijwilliger van een paar jaar geleden. “Het was een heel lieve vrouw die te maken kreeg met een bezoeker die begon te schelden en tieren. Die had iets meegemaakt op straat met de hulpverlening. De tranen stonden bij de vrouw in de ogen. Na een half uur is ze weggegaan en ik heb haar nooit meer gezien.” Hij onderdrukt zijn lach. “Je moet boze mensen laten uitrazen, je weet nooit wat er is gebeurd. Een beetje inlevingsgevoel hebben, mensen worden niet zomaar kwaad. Op een gegeven moment bouw je zo’n band op met mensen dat ze makkelijker te benaderen worden.”
Een dergelijke band is soms heel sterk en persoonlijk. Kuijl vertelt over zijn tijd als ‘buddy’, waarin hij ex-verslaafden of –daklozen hielp re-integreren in de maatschappij. Sommigen haalde hij uit een sociaal isolement. Met een vrouw die voor achtereenvolgens een drugs- en een alcoholverslaving werd geholpen in de Amsterdamse Jellinek-kliniek doorliep hij vier jaar een heel proces. “Ze kon eerst heel moeilijk weer de routine vinden in haar leven. Ze was onzeker. Dan is het prettig als er iemand is die ze helpt met problemen als schuldsaneringen en die ook leuke dingen met ze doet.”
Kuijl zag haar opbloeien. “Maar zij was een zeldzaam geval. Met de meeste mensen loopt het niet zo goed af. Helaas.” Zo maakte hij kort geleden, niet voor de eerste keer, mee dat een man voor wie hij ‘buddy’ was kwam te overlijden. “Hij was al zo ver heen. Hiv, longontsteking om de haverklap. En dat allemaal op straat. Dat doet je natuurlijk wel iets, maar je kunt niet alle problemen meenemen. Hoe sneu dat ook is.”
Kuijl slaapt naar eigen zeggen slecht vanwege zijn darmaandoening. “Het is een beetje het grootste euvel in mijn leven.” Maar hij houdt het prima vol, energie kost het werk hem niet meer. Hij praat al over “de volgende tien jaar”, aan stoppen moet hij niet denken. Ook niet na een slechte nacht. “Nee, het is helemaal niet moeilijk om aardig te zijn. Als je altijd onaardig en chagrijnig bent, heeft dat zijn weerslag op je eigen leven. Ik wil écht voorkomen dat ik naast mijn ziekte ook nog in een negatieve spiraal terechtkom.”
Worstelen met clichés
Posted By Haro Kraak On januari 27, 2012 @ 16:48 In Algemeen, Interview, Mooi | No Comments
Hij is dwars zonder het bewust te doen. Het is simpelweg zo. Daan Heerma van Voss voerde in januari campagne tegen Twitter en bracht een ‘anti-coming-of-ageroman’ uit. Een vraaggesprek met de 25-jarige auteur.

Daan Heerma van Voss, foto: Merlijn Doomernik
AMSTERDAM, 27 januari – Eigenlijk wil hij er niet meer over praten. Zijn oorlogsverklaring aan Twitter was juist bedoeld om nooit meer een antwoord op die ene vraag te hoeven geven: waarom zit je niet op Twitter? Nu heeft schrijver Daan Heerma van Voss (1986) het er voortdurend over. Hij publiceerde een betoog tegen Twitter in nrc.next en zette een filmpje van dezelfde strekking op YouTube. Hij wilde Twitter vanuit literair opzicht “stuk maken”. Als protest knipte hij zijn nieuwe roman, Zonder tijd te verliezen, in fragmenten van 140 tekens en plaatst ze één voor één op het medium. Een vernieling van zijn eigen werk, om zijn punt te maken. Een monnikenwerkje zou je denken, maar hij doet het niet zelf. “Ik weet eigenlijk niet hoe het werkt. De linksback van mijn voetbalteam is er handig mee. Hij heeft er een app voor gemaakt.”
Het jaar begon hectisch voor de in Amsterdam wonende en opgegroeide Heerma van Voss. Een nieuw boek, een offensief, veel pers. Hij ziet er wat vermoeid uit, of misschien is dat zijn normale verschijning. Als ik de broodjeszaak op de Vijzelgracht binnenkom zit hij achterin met een grote koptelefoon op. Hij praat langzaam en tuurt over mijn schouder de verte in om de juiste woorden te vinden. Dat lukt hem. Zijn zinnen zijn lang en vol komma’s, afgewisseld met korte, soms wonderlijke, observaties.
Hij praat zoals hij schrijft. Zijn stijl wordt gevormd door zijn eigen ergernis. Eerst zwierig en lyrisch en dan – als hij er genoeg van heeft – kort en puntig. Zijn boek is stijlvast in de afwisseling. Daarmee lijkt hij tussen twee tijden in te leven. Hij is in veel dingen ouderwets, erkent hij. En de laatste vijftien jaar Nederlandse literatuur kunnen hem niet echt bekoren. “Ik ben helemaal geen kind van mijn generatie. Mijn generatie heeft vooralsnog geen kinderen voortgebracht, alleen maar bastaarden. En bovendien: geldt dat niet voor iedereen die de moeite waard is? Die staan los van hun tijd.”
Zijn eerste roman, Een zondagsman (2010), was geschreven uit het perspectief van een oude man. Heerma van Voss wilde afwijken van het gangbare. “Niets zo erg als een slecht geschreven coming-of-ageroman.” Zijn nieuwe boek valt wel in het genre coming of age. Samen met vriend Xander trekt hoofdpersoon Daniel na een zorgeloze jeugd in Amsterdam Oud-Zuid naar Perugia, Italië. Daar komt hij tot het besef dat de banden met zijn naasten anders in elkaar steken dan hij dacht.
Was het een groot struikelblok om toch aan zo’n boek te beginnen?
Heerma van Voss: “Het moest gewoon heel goed geschreven zijn. Je moet er een zekere stijlvastheid voor hebben, en genoeg afstand tot je eigen herinneringen. Eerder kon ik dat niet. Waardoor het proza dat ik daarover schreef niet goed genoeg was. Ik had dat eerste boek nodig om me te verplaatsen in iemand die maximaal van me af staat. En ik wilde inderdaad liever niet debuteren met een coming-of-ageroman.”
Dat vond je cliché?
“Daar komt het wel op neer. Dat doen de meeste twintigers die schrijven, die komen dan met zo’n ironisch Grunbergachtig boek over de leegte van het huidige jongerenbestaan, van mensen die alleen maar feesten, snuiven en Facebooken. Ik heb daar gewoon een godsgruwelijke hekel aan. Je moet steeds iets doen wat anderen niet verwachten, en vooral: wat je zelf niet verwacht.”
Zonder tijd te verliezen is dan ook geen typisch jongensverhaal geworden. Een recensent noemde het een anti-coming-of-ageroman, tot genoegen van Heerma van Voss. “Al die beelden waaruit coming-of-ageromans over het algemeen zijn opgebouwd worden juist omgekeerd en afgebroken. Zoals het losbreken van je ouders, dat zit er wel in, maar uiteindelijk blijkt die band tussen vader en zoon de sterkste van allemaal te zijn. Een coming-of-ageboek ontaardt meestal in een hele grote vurige liefde, maar dat vuur blijkt koudvuur te zijn. Alle mythes worden omgedraaid. Natuurlijk zit er ook wel Nescio-achtige vriendschap in, maar ook dat wordt omgedraaid. Het loopt niet goed af met die vriendschap. Je weet uiteindelijk minder dan je na de eerste twintig pagina’s denkt te weten. Er komt geen grote catharsis van de hoofdpersoon. Het is eerder een implosie dan een explosie.”
Zou je het een belediging vinden als mensen zeggen: weer zo’n coming-of-ageboek?
“Dat ís een belediging. Maar het gaat niet om anderen. Ik zou het erg vinden als ik met een boek kom waarvan ik denk: dit lijkt heel erg op het vorige. Het is niet alsof je het publiek steeds moet verrassen, dat is mooi meegenomen, maar je moet in eerste instantie iets doen waarvan je zelf denkt: dit kan ik niet.”
Zet je je af tegen de huidige tijdsgeest?
“Nee, dat klinkt alsof het bewust is. Het komt erop neer dat ik daar niet zo inpas. Dat is verder niet dramatisch. En ik doe het niet om mezelf te verkopen, dat ik niet bij de anderen hoor, want dat hoor ik gedeeltelijk wel. Ik ben geen anachronisme. Aan de andere kant vind ik betrekkelijk veel dingen modieus gelul. Ik vind sowieso wel dat er wat meer leven in de jonge Nederlandse letteren mag.”
Meer leven?
“Er zijn heel veel twintigers die wel kunnen schrijven op een hippe, vlotte manier. En die vooral een boek willen schrijven, of geschreven willen hebben, maar niet op de hoogte zijn van de clichés of de valkuilen van de literatuur. Als je schrijft moet het zijn uit liefde. En iedere liefde vraagt om ideeën, obsessies en offers. Die moeten mensen wel durven maken. Er hangt een walm – ik gebruik het woord walm en niet zweem, want het riekt – van roem rond schrijven. Als je niet weet wat je wilt doen kun je altijd een boek schrijven. Dan kun je zeggen dat je een boek schrijft en dat kun je als Facebook-status doen en je kunt foto’s maken van je manuscript en bier gaan drinken met half-bekende Nederlanders.”
Het literaire wereldje heeft jou nooit getrokken?
“Nee eigenlijk niet. Ik heb ervoor gekozen, dus ik plooi me. Maar de literaire wereld is behoorlijk klote en vals. Mensen doen alsof het om gedeelde liefde voor boeken gaat, maar het gaat natuurlijk om geld. Het enige wat wel prettig is aan dat hele schrijversgebeuren is dat mensen verwachten dat je je een beetje misdraagt. Na de Jonge Schrijvers Avond in de Stadschouwburg besloten we om niet weg te gaan en te slapen op het podium. Er was drank ontvreemd, het was een goede puinhoop. Achteraf zeiden mensen: wat had je dan verwacht, het zijn jonge schrijvers.
Dan kun je eindelijk met een schoon geweten een cliché waarmaken?
“Precies, dat is eigenlijk het enige cliché dat ik mezelf toesta. Hoewel het een argument van niks is natuurlijk. Het is de kunst om er vandoor te gaan voordat mensen doorhebben dat het nergens op slaat.”
“Het gaat niet om het beschuldigende vingertje”
Posted By Anne Hammers On januari 27, 2012 @ 16:40 In Interview, Mooi | No Comments
De bezuinigingen in de cultuursector maken de toekomst van het Nationaal instituut voor Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee) onzeker. Directeur Artwell Cain wil de herinnering aan het Nederlands slavernijverleden levendig houden.
AMSTERDAM, 27 januari – “Ik weet niet of jij het ooit hebt gehad? In jouw tijd op school?”, vraagt dr. Artwell Cain, directeur van het NiNsee, het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis. De geschiedenis lessen op de middelbare school. Diep nadenken. Meneer Van der Steen, sandalen met sokken, baard, de Holocaust, VOC, de Gouden Eeuw. Het slavernijverleden? Enkele bladzijdes in een lesboek en Van der Steen die iets mompelt.
“Het NiNsee bestaat tien jaar. Daarvoor was het slavernijverleden een soort voetnoot in de geschiedenisboeken.”

De afschaffing van de slavernij wordt ieder jaar herdacht in het Oosterpark. Foto: CharlesFred via Flickr
Het NiNsee organiseert tentoonstellingen en voorlichtingen voor schoolklassen. Daarnaast verricht het wetenschappelijk onderzoek naar het slavernijverleden. Samen met scholen schreef het instituut twee hoofdstukken voor de historische canon. “Hopelijk kunnen scholen dat ook daadwerkelijk uitvoeren, straks, dat is noodzakelijk. Dit gedeelte van de geschiedenis werd tot de laatste vijftien jaar onder het tapijt geschoven.”
En dreigt dat straks weer te gebeuren, als het NiNsee zijn subsidies verliest?
“Het grootste gedeelte van de subsidiëring krijgen we van het Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschap. Van de gemeente Amsterdam krijgen we een ander gedeelte. Die gaat gewoon door met ons. Wat het Rijk betreft, is gezegd dat de subsidie op 1 januari 2013 wordt stopgezet. Alles. Maar goed, wij zijn weer in contact met het ministerie. Er is een opening.”
Wat zegt u dan tijdens die onderhandelingen?
“Dat wij het enige instituut zijn in Nederland dat onderzoek doet naar het slavernijverleden. We bestaan tien jaar en wij hebben het niet slecht gedaan. Vanuit het ministerie kan niet worden gezegd dat we niet productief genoeg zijn, dat we niet maatschappelijk relevant zijn of dat we onze werkplannen en jaarverslagen niet op tijd opsturen.”
Maar het NiNsee heeft te weinig bezoekers?
“Nee, nee! Bovendien zijn we meer dan alleen een museum. Sinds 2008 zit het NiNsee in een jaarlijks subsidiestelsel. Elk jaar krijgen we geld. Dat ging goed, tot dit kabinet kwam en de staatsecretaris 200 miljoen moest bezuinigen op de cultuursector. Met onze wetenschappelijke en maatschappelijke rol heeft dat niets te maken.”
Precies, tot dit, rechtse, kabinet kwam. Is het NiNsee extra getroffen omdat het instituut zich vooral richt op culturele en etnische minderheden?
“Nee, de witte organisaties zijn ook getroffen. Er moet gewoon 200 miljoen bezuinigd worden. Wij zitten in een hoek waar de klappen vallen. Het gaat niet over ras, kleur en etniciteit.”
U wilt de herinnering aan het slavernijverleden levendig houden. Hoe gaat u dat doen, nu de toekomst van het NiNsee onzeker is?
“Op 1 juli 2013 is het 150 jaar geleden dat de slavernij werd afgeschaft in de westelijke koloniën waar de Nederlandse vlag destijds wapperde. De gemeente Amsterdam heeft geld uitgetrokken voor de vieringen en de herdenking. Het NiNsee moet daar ook bij zijn. Het kan niet zo zijn dat juist in 2013, bij 150 jaar afschaffing van de slavernij, het cadeau aan de Antilliaanse en Surinaamse Nederlanders is dat het NiNsee niet meer bestaat. Ik denk dat niemand dat zou willen.”
Is het vooral voor de Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders belangrijk dat het slavernijverleden herdacht wordt?
“Zonder meer. Maar je ziet dat meer en meer Nederlanders gaan beseffen dat het slavernijverleden van ons allemaal is. Zonder hen hadden we de slavernij niet gehad.”
Is de herdenking van belang voor het onderlinge begrip in de samenleving?
“Het is van belang dat je weet hoe het in elkaar steekt. Of je nu wit of zwart bent. Waarom heb ik een Antilliaanse buurman, of een Surinaamse buurvrouw? Waarom klagen mensen over racisme en discriminatie? Waar komt dat racisme vandaan? Als je een idee hebt van het ontstaan van deze dingen, dan weet je: het kan anders.”
Hebben jongeren veel interesse in dit gedeelte van de geschiedenis?
“Wij merken dat meer en meer jongeren willen weten over hun verleden. Ze hebben wortels nodig. De jongeren die ons bezoeken hebben wortels vanuit de Surinaamse, Antilliaanse en de Nederlandse cultuur en geschiedenis. Het NiNsee vertelt over deze gezamenlijke geschiedenis. We delen kennis en we willen dat mensen zich bewust worden van het verleden. Voor ons is het geen issue om de beschuldigende vinger op te houden.”
Merkt u dat het beschuldigende vingertje er nog steeds is?
“Ja dat speelt natuurlijk. Een instelling als het NiNsee kan hierbij een dialoog op gang brengen. Er zijn mensen en organisaties die roepen dat jullie Nederlanders een schadevergoeding moeten betalen en excuses moeten maken voor van alles en nog wat. Mensen die het slavernijverleden gebruiken als excuus. Dat is de pijn die veel mensen nog steeds voelen. Dat zal altijd spelen.”
Afslanken voor kinderobesitas
Posted By Teri Van Der Heijden On januari 25, 2012 @ 16:50 In Interview, Stad | No Comments
Geen bier en bitterballen meer voor gemeenteraadslid Maarten Poorter (PvdA). In ieder geval komend half jaar niet. Hij wil aandacht vragen voor kinderobesitas door zelf tien kilo af te vallen in zes maanden. Het is niet zijn eerste afvalpoging: “Ik jojo”, bekent Poorter, die 110 kilo weegt. Hij is nu een week bezig. “Eén keer had ik ’s nachts heel erg honger. Toen heb ik een banaan gegeten.”

Foto: Maarten Poorter
Poorter (33) heeft een Body Mass Index (BMI) van 31. Iemand met een BMI, de index die aangeeft of iemand een gezond gewicht heeft, tot 25 zit goed. Vanaf 30 is er sprake van obesitas. Poorter heeft dus officieel overgewicht. Net als ruim vijfentwintig procent van de kinderen in Amsterdam. “Bij kinderen uit migrantengezinnen is dat zelfs meer dan dertig procent”, vertelt hij. Dat staat in een GGD-rapport over de Amsterdamse jeugd uit 2011. Landelijk is zeventien procent van de kinderen te zwaar. Kinderobesitas komt in grote steden meer voor en het probleem neemt nog steeds toe. Poorter: “Dus dan moeten we uit onze raadszetel komen en de buurten in gaan.”
En de sportschool dus.
U gaat tien kilo afvallen. Waarom zo veel?
Poorter: “Sommige mensen vinden het nog te weinig, die vinden dat ik met mijn lengte 77 kilo moet wegen. Ik ben 1.88 meter. Tien kilo is volgens mij te doen. Ik wil gezinnen graag een voorbeeld geven dat haalbaar is.”
Wat zijn uw zonden?
“Lunches. Dat is mijn beroepsprobleem. Het ligt niet aan hoe het bij ons thuis gaat. We eten niet veel chips ofzo. Ik ben een Bourgondiër, ik houd van lekker eten en van wijn. Ik maak graag van die grote stoofpotten met vlees. Maar ik ben verrast door hoe lekker vegetarisch eten kan zijn. Ik heb gisteren pompoen gemaakt uit de oven met allemaal groenten. Dat was heerlijk.”
Uw actie trekt veel aandacht. Er wordt veel over getweet en u stond in verschillende kranten. Maar bereik je daarmee een Turks gezin in Nieuw-West?
“Die groepen lezen natuurlijk niet massaal Het Parool, of Twitter. Maar dit is de eerste stap, het staat nu op de kaart. Ik ga in de raad vragen stellen over de rol van consultatiebureaus, daar zouden we heel veel kunnen doen. Maar ook via sportprogramma’s en op scholen valt veel te bereiken. Onderdeel van de segregatieproblematiek is dat zwarte scholen weinig aan sport en gezondheid doen. Die zijn druk bezig met de kinderen normaal Nederlands te leren. Natuurlijk moet goed onderwijs de eerste prioriteit zijn, maar dit is ook belangrijk.”
Gemeenteraad 100 kilo lichter
Niet alleen Poorter moet aan het wortelsap, de hele gemeenteraad mag wel wat kilo’s kwijt, vindt gemeenteraadslid Marco de Goede (GroenLinks). Hij stelt voor dat de gemeenteraad gezamenlijk honderd kilo afvalt. Vandaag werd demonstratief een weegschaal in de raadszaal neergezet. Met gemengde gevoelens stapten de raadsleden één voor één op de weegschaal. Gezamenlijk gewicht: 3400 kilo. Zeven PvdA’ers hebben al toegezegd met Poorter mee te diëten. Behalve GroenLinkser De Goede hebben nog geen raadsleden uit andere fracties een afvalbelofte gedaan.
Zo trekt u het probleem naar de overheid toe. Maar het is primair de verantwoordelijk van de ouders. Hoe gaat u hen aanspreken?
“Ik denk dat migrantenorganisaties veel kunnen bereiken, die zijn in Amsterdam erg goed georganiseerd. Die gaan we aanspreken. Informeel heb ik al contacten gelegd. Het is goed als mensen vanuit de eigen kring worden aangesproken. Overgewicht is toch een pijnlijk onderwerp, en heel persoonlijk.”
Goede ideeën, maar in tijden van bezuinigingen misschien niet haalbaar.
“Betere voorlichting hoeft niet erg in de papieren te lopen. Waar de kosten in zitten is in het sportgebeuren.”
Het jeugdsportfonds [8], een potje waardoor kinderen uit minimagezinnen kunnen sporten, is bijvoorbeeld niet toereikend.
“Nee. We moeten bekijken waar de prioriteiten liggen wat sport betreft. Amsterdam zou meer moeten besteden aan sport, vind ik. Maar dat is lastig, omdat de gemeente dit jaar misschien wel honderd miljoen extra moet bezuinigen.”
Sport u zelf een beetje?
“Ik fiets alles in de stad. Als ik maar elke dag fiets, dan beweeg ik genoeg, dacht ik. Maar blijkbaar niet. In de Stopera hebben we een sportschool, daar ga ik denk ik wel beginnen. En we willen met de PvdA een voetbalteam oprichten en gaan spelen tegen schoolvoetbalteams.”
En daarna niet de kantine in met z’n allen?
“Wel de kantine in, maar alleen een gezonde kantine.”
Klinkt gezellig, een gezonde voetbalkantine, zonder bitterballen en bier.
“Dat is een kwestie van wennen.”
Tijdens het interview drinkt Poorter twee Spa Rood met limoen. Hij blijft maar met het stampertje in de weer. “Normaal gesproken had ik nu een biertje genomen”, bekent hij. Maar hij moet zo toch naar huis, om te koken. Wat hij gaat maken? “In ieder geval iets met weinig koolhydraten.”

Het BMI van Maarten Poorter (nog wel). Beeld: Hartstichting
“Ik vind mezelf helemaal niet ontwikkeld”
Posted By Arman Avsaroglu On januari 25, 2012 @ 16:44 In Algemeen, Interview, Mooi | No Comments

Yori Swart. Foto: Joost de Haas
In 2010 won ze de Amsterdam Popprijs. Het was de eerste keer dat het grote publiek kennismaakte met Yori Swart. De 21-jarige zangeres lijkt dit jaar definitief door te breken met optredens bij Giel Beelen en De Wereld Draait Door. In februari komt haar eerste album uit. “Misschien vinden mensen mijn muziek wel helemaal niets.”
AMSTERDAM, 25 januari – “Mijn eerste gitaarles kreeg ik van mijn vader. Hij is gitaarleraar en wilde dat ik een instrument leerde spelen. Ik was acht en kan me die eerste les nog goed herinneren, omdat mijn vader de gitaar kapot sloeg. Ik kon het niet goed en hij raakte gefrustreerd.”
“Ik vond de gitaar toen ook een vreselijk instrument. Ik begreep er niks van en wilde er niets mee te maken hebben. Pas toen ik op blokfluitles moest van mijn ouders, ging ik terug naar de gitaar. Met zo’n blokfluit kun je maar één noot produceren. Ik wilde harmonieën maken en er ook bij zingen. Toen kwam ik er achter hoeveel je kunt als je weet hoe je met een gitaar om moet gaan. Hoe je een eigen stijl kan ontwikkelen en zo veel verschillende kanten op kan muzikaal gezien. Dat is wat uit de hand gelopen.”
Sfeer
“Ik maak sferische popmuziek, met een alternatief randje. Het neigt een beetje naar blues. Het is dynamische muziek die je echt in een bepaalde vibe moet brengen. Ik vind het heel geschikt voor in de auto bijvoorbeeld. Dat betekent niet dat ik altijd dezelfde soort muziek wil blijven maken. Er wordt tegenwoordig al heel snel een stempel op je gedrukt. Als je ergens optreedt met een gitaar en een breekbaar liedje, sta je al snel bekend als Yori Swart, singer-songwriter. Mensen lijken tegenwoordig behoefte te hebben aan kleine, intieme liedjes die oprecht aanvoelen. Maar het kan heel goed zijn dat ik in de toekomst wil experimenteren met iets andere muziekstijlen. Ik denk wel dat je altijd zal horen dat ik het ben. Door mijn stemkleur en de sfeer die ik met mijn muziek probeer op te roepen.”
“Mijn eerste plaat is een afspiegeling van hoe ik nu ben, en wat ik tot nu toe in mijn leven heb meegemaakt. Ik ben enig kind en zocht vroeger de eenzaamheid altijd op. Dat doe ik nog steeds. Ik houd ervan op de achtergrond te blijven en de kat uit de boom te kijken. Ik observeer veel en dat hoor je ook terug in de plaat. Maar je maakt elke dag nieuwe dingen mee die je inspireren en veranderen. Je groeit als persoon en je teksten en muziek zullen daarmee ook veranderen. Ik vind mezelf ook helemaal niet ontwikkeld. Ik kom pas net kijken, ben nog jong. Ik wil nog veel reizen, veel van de wereld zien. Ik heb hoge doelen voor mezelf gesteld en wil echt iets bereiken in het leven. Dat zal zijn weerslag hebben in mijn muziek.”
Yori Swart (Alkmaar, 1989)
2010 Amsterdam Popprijs
2011 Grote Prijs van Nederland, categorie Pop
2012 Optreden Eurosonic Noorderslag
2012 Debuutalbum Yori Swart
Wedstrijd
“Het gaat nu opeens heel snel met mijn carrière, met optredens bij Giel en De Wereld Draait Door en mijn album dat volgende maand uitkomt, maar dat succes komt niet plotseling. Ik heb de afgelopen tweeënhalf jaar zo veel mogelijk proberen op te treden. Kroegen in mijn omgeving geschreven met de vraag of ik daar wat liedjes mocht spelen. Kijken of ik in de voorprogramma’s van grote Nederlandse artiesten mocht optreden. Als je jong en onervaren bent, moet je zo veel mogelijk podiumervaring opdoen om jezelf in de kijker te spelen.”
“Daarbij heb ik geluk gehad dat ik de Amsterdamse popprijs en de Grote Prijs van Nederland won. Muziek is geen wedstrijd en ik wil dat hele competitieve ook zo snel mogelijk achter me laten, maar zo’n prijs opent wel deuren. Mensen weten plots wie je bent, waardoor je nog meer speelervaring op kan doen en meer aanbiedingen krijgt. Alles komt nu heel mooi samen. Mijn album is af en steeds meer mensen komen in aanraking met mijn muziek. Perfecte timing.”
“Ik heb nooit gedacht dat het me niet zou lukken door te breken. Natuurlijk zijn er genoeg muzikanten die het niet lukt, maar dit is wat ik wilde. Van jongs af aan. Ik wilde een album in de winkel zien liggen met mijn naam erop, dat ik zelf kon kopen. Als je iets echt graag wil en je alles doet om je doel te bereiken, lukt het uiteindelijk ook, daar ben ik van overtuigd. Misschien zeggen mensen na dit eerste album wel dat ze mijn muziek helemaal niets vinden. Dat kan altijd, maar dit album ligt er nu en dat pakt niemand me meer af.”
(G)een centje pijn: Red Amsterdam-fractievoorzitter Roderic Evans-Knaup
Posted By Anna Vossers On januari 20, 2012 @ 16:54 In Algemeen, Interview, Stad | 1 Comment
NAP maakt een rondgang langs de Amsterdamse fractievoorzitters. Vandaag: Roderic Evans-Knaup, vanaf woensdag 25 januari de nieuwe fractieleider van Red Amsterdam.
AMSTERDAM, 20 januari – Barre tijden in de Stopera. Amsterdam moest al ruim tweehonderd miljoen besparen, maar het was niet genoeg. In maart stemt de gemeenteraad over een extra bezuinigingspakket van honderdvijftig miljoen. Waar valt nog wat te halen? Wat kiest het college? Waarvoor strijdt de oppositie?
Red Amsterdam bezet sinds de oprichting van de partij in 2010 één zetel in de Amsterdamse gemeenteraad. Op die stoel zit vanaf woensdag 25 januari Roderic Evans-Knaup (1971), nu nog duoraadslid. Hij volgt Pitt Treumann op als fractievoorzitter van de partij. Evans-Knaup heeft er zin in. “Er valt nog genoeg te redden aan Amsterdam.”

Roderic Evans-Knaup
Red Amsterdam wordt wel eens neergezet als een one-issuepartij die alleen strijdt voor de Noord/Zuidlijn.
“Dat zijn we wat mij betreft absoluut niet. De Noord/Zuidlijn staat symbool voor een groter probleem, namelijk dat de gemeente Amsterdam niet goed omgaat met gemeenschapsgeld. Overigens zeggen we op dit moment ook niet meer dat de bouw van de Noord/Zuidlijn moet stoppen. Stoppen is in dit stadium niet langer goedkoper voor de stad. We zeggen wel dat het een slecht besluit is geweest. Doorbouwen moet op de meest efficiënte manier gebeuren. Maak de metrostations bijvoorbeeld niet duurder dan nodig.”
Heeft Red Amsterdam al een nieuw speerpunt?
“Ons centrale thema is nu de menselijke maat van Amsterdam. Amsterdam is een stad met 780 duizend inwoners. Die moet je ook besturen als een stad met 780 duizend inwoners. Dus niet zoals metropolen als New York of Londen, maar ook niet als Heerhugowaard. Om die reden zijn wij voor het afschaffen van de stadsdeelraden. Met een indeling in stadsdelen maak je van Amsterdam zeven Heerhugowaardjes.”
In uw partijprogramma staat dat Amsterdam de crisis op een realistische manier onder ogen moet komen. Getuigen de grote gemeentelijke bezuinigingen van realiteitszin?
“Van mij had het wel iets minder mogen zijn, maar de hoogte van de bezuiniging vind ik realistisch. Wat dat betreft heeft het college het goed gedaan. Dat de bezuinigingen Amsterdam hard raken, vind ik wél een probleem.”
Waarop had niet bezuinigd mogen worden?
“De Rijksbezuinigingen zorgen ervoor dat Amsterdam bijna 120 miljoen per jaar moet besparen op de kunsten, en dan doen we daar als stad nog eens 10 miljoen bovenop. Dat is te veel. Ik vind juist dat we een signaal moeten geven aan het Rijk: stop daarmee.”
Een ander programmapunt van Red Amsterdam is dat een wethouder van Financiën niet twee portefeuilles mag beheren.
“Op dit moment hebben we een wethouder van onderwijs (Lodewijk Asscher, PvdA) die de portefeuille Financiën erbij doet. Maar de gemeente Amsterdam telt 15 duizend personeelsleden en heeft een omzet van 5 miljard euro. In het bedrijfsleven zou de gemeente een grote beursgenoteerde onderneming zijn. Er is geen enkele grote onderneming waarbij de financieel-bestuurder nog allerlei andere taken heeft. Waarom zou Financiën in een politieke organisatie wel een ondergeschoven kindje mogen zijn?”
Waar valt volgens Red Amsterdam nog geld te halen?
“Wij denken dat er geld zit in de rente-inkomsten van Amsterdam. De stad leent geld tegen een rente van zo’n anderhalf procent. We lenen dat uit aan stadsdelen en andere partijen waar de gemeente mee te maken heeft, tegen een rekenrente van 4.5 procent. Dat verschil van ongeveer 3 procent is aan het einde van het jaar over, en dat kunnen we herverdelen. Het college ziet dat elk jaar weer als een meevaller. Ik vind dat we dat zo veel mogelijk moeten gebruiken om de bezuinigingen te verzachten. In 2011 gaat dat om ongeveer 35 miljoen euro.”
Maar waar moeten de honderd miljoen euro extra bezuinigingen precies vandaan komen?
“Uit megalomane projecten. De olympische ambitie is compleet onzinnig. De kans dat Amsterdam de Olympische Spelen binnenhaalt, is al erg klein, maar als ze worden binnengehaald vind ik dat onwenselijk. Dat gooit de stad voor een feestje van drie weken tien jaar lang op de schop.”
Stoppen met het project om de Spelen binnen te halen, brengt op korte termijn geen honderd miljoen in het laatje.
“Ik denk niet dat je bij een post honderd miljoen kunt vinden. Als je niets extra’s van de structurele jaarlijkse uitgaven afhaalt, maar juist bij grote, eenmalige projecten een paar miljoen wegplukt, dan komt Amsterdam een heel eind. Dat stadsdeel Oost 28 miljoen euro uitgeeft om MuzyQ te kopen, is een absurde gedachte.
“Daarnaast het afschaffen van de stadsdeelraden. Het centrale bestuur zou alleen de grote lijnen kunnen uitzetten en dan doen ambtenaren de rest.”
De stad mag zich van Red Amsterdam niet groter voordoen dan ze is.
“Amsterdam mag best een grootstedelijke moraal hebben. We willen een vrije, tolerante stad zijn, bijvoorbeeld voor homoseksuelen, en we mogen ons wat dat betreft best meten met bijvoorbeeld Berlijn. Maar de stad moet geen kostbare evenementen of projecten plannen die veel groter zijn dan nodig.”
Waar zou het College beslist van moeten afblijven?
“Er wordt nu te veel bezuinigd op zaken die de zwaksten raken. Het versneld afschaffen van de gesubsidieerde ID-banen, bedoeld om mensen te laten (her)integreren in de reguliere arbeidsmarkt, vind ik wanstaltig. Mensen een zinvolle invulling van hun leven afnemen en zo de bijstand in duwen, daar had ik graag een andere oplossing voor gevonden.”
Red Amsterdam voert oppositie, terwijl de huidige gemeenteraad instemt met bijna alles wat het College voorstelt. Hoe probeert u als eenmansfractie toch iets te bereiken?
“Als eenmansfractie heb je geen stemkracht. Er valt op geen enkele manier macht uit te oefenen. Je hoopt dat je het College met gezond verstand kunt overtuigen van jouw standpunten. Het mooiste recht dat oppositiepartijen hebben, is het initiatiefrecht. Met GroenLinks hebben we bijvoorbeeld het initiatiefvoorstel ‘Amsterdam, kernenergievrije gemeente’ ingediend. Dat instrument wil Red Amsterdam vaker gebruiken.”
Walter Süskind: vergeten oorlogsheld
Posted By Arman Avsaroglu On januari 20, 2012 @ 16:48 In Interview, Mooi | No Comments

Mark Schellekens. Foto: Lona Aalders
Volgens sommigen een held en volgens anderen een verrader. De meningen lopen uiteen over de Joodse verzetstrijder Walter Süskind. Historicus Mark Schellekens schreef een boek over Süskind, de man die tijdens de bezetting honderden Joden wist te redden door met de Duitsers samen te werken.
AMSTERDAM, 20 januari – Er is een brug naar hem vernoemd. De Walter Süskindbrug op de kruising tussen de nieuwe Herengracht en de Amstel. Het is een van de weinige verwijzingen in Amsterdam naar de Joodse verzetsheld Walter Süskind, die tijdens de bezetting honderden Joodse Amsterdammers van een wisse dood redde. Süskind was de directeur van de Hollandsche Schouwburg op de Plantage Middenlaan, de plek waar Joden uit Amsterdam moesten verzamelen voor ze op transport naar concentratiekampen Westerbork en Vught werden gezet.
Süskind is de laatste weken volop in het nieuws, met name door de nieuwe speelfilm van regisseur Rudolf van den Bergh die vanaf deze week in de Nederlandse bioscopen te zien is. Gelijktijdig met de film verschijnt het boek Walter Süskind van historicus Mark Schellekens. In een café in zijn woonplaats Delft legt Schellekens uit waarom Süskind alle aandacht meer dan verdient.
Hoe komt het dat het verhaal van Süskind zo lang onopgemerkt is gebleven?
Dat heeft een paar oorzaken. Na het einde van de oorlog was er een groep Joden die wel wist door wie ze gered waren, maar dat niet van de daken wilden schreeuwen. Ze wilden verder met hun leven en de oorlog achter zich laten. Maar daarnaast was er ook een grote groep die niet eens wist dat ze hun leven aan Süskind te danken hadden. Jonge kinderen die door Süskind zijn gered, hadden geen besef van de rol die hij in hun leven heeft gespeeld. Na de oorlog zijn er in een aantal media, bijvoorbeeld in dagblad De Waarheid, wel artikelen verschenen over Süskind. Toch bleef hij lang relatief onbekend.
Speelt het ook een rol dat hij moest samenwerken met de Duitsers?
Dat denk ik wel. Na de oorlog werd zijn familie lang met de nek aangekeken. Hij werkte voor de Joodse Raad. Die raad hielp de Duitsers het vervoer naar Westerbork zo ordelijk mogelijk te laten verlopen. Iedereen die met de raad samenwerkte werd gezien als verrader. Süskind was het uithangbord van die raad in de Hollandse Schouwburg. Iedereen zag hem lachen met de Duitse commandanten. Hij sprak natuurlijk ook Duits en deed zich voor als een van hen. De reden daarvoor was dat hij op die manier veel meer voor elkaar kon krijgen voor de duizenden Joden die daar vastzaten.
In de film wordt Süskind meer neergezet als een opportunist dan in uw boek. Was hij een verzetstrijder tegen wil en dank?
In de film is het verhaal versimpeld. Het is zo dat hij in het begin misschien vanuit opportunistische overwegingen bij de Raad is gekomen. Hij wilde zichzelf en zijn gezin beschermen. Maar vanaf dat moment nam hij het voortouw bij de reddingsacties. Süskind had ook de keuze om alleen zijn werk te doen voor de raad of om zelf onder te duiken. Dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft met zijn leven gespeeld om al die mensen vrij te krijgen. Dan ben je wat mij betreft een held.
De titel van uw boek is Walter Süskind, maar het is geen echte biografie. Daarvoor ligt de nadruk te veel op het Joodse verzet.
Klopt, dat was ook het uitgangspunt toen ik het boek schreef. Over het leven van Süskind is in documenten bijzonder weinig te vinden. Over zijn jeugd in Duitsland (Süskind was geboren in Duitsland uit Nederlandse ouders, red.) is helemaal niets geschreven en daarvoor heb ik me volledig moeten baseren op verhalen van zijn halfbroer. Ook in zijn latere leven ontbreken grote stukken. Nadat hij bijvoorbeeld met zijn gezin op transport naar Westerbork werd gezet, is het onduidelijk wat er verder met hem gebeurde. Daarnaast zijn er maar weinig mensen die Süskind privé kenden, waardoor het moeilijk is een traditionele biografie te schrijven.
Het boek staat vol details en verhalen van mensen die met Süskind hebben samengewerkt.
Ik vond het belangrijk om voldoende context te geven. Süskind was niet de enige die betrokken was bij de reddingsacties. Veel andere verzetstrijders, zoals Sam de Hond of Henriette Pimentel, mogen niet ontbreken in een verhaal over Walter Süskind. Ik ben blij dat ik al die mensen nu een stem heb kunnen geven. Die nadruk op het Joodse verzet is nog niet veel aan bod gekomen in de Nederlandse oorlogsliteratuur en dat hoop ik met dit boek toe te voegen.
SGP-jongeren ‘flirten’ met Asscher
Posted By Steffi Weber On januari 18, 2012 @ 17:00 In Achtergrond, Algemeen, Column, Genre, Interview, Nieuwsverhaal, Stad, film, serie | No Comments

Lodewijk Asscher Foto: Jan Arkesteijn via Wikimedia
AMSTERDAM, 18 januari – Lodewijk Asscher (PvdA, Financiën) is kandidaat voor de SGP-jongerenprijs. De Amsterdamse wethouder komt daarvoor in aanmerking omdat hij zegt open te staan voor de strafbaarstelling van prostitutie. Dat bevestigt zijn woordvoerster.
De zogeheten Oranje Boven-prijs wordt sinds 2007 jaarlijks uitgereikt aan iemand die zich inzet voor waarden die de orthodox-christelijke partij aanspreken. Asscher opperde afgelopen oktober de invoering van het ‘Zweedse model’, mocht de Nederlandse aanpak van gedwongen prostitutie en vrouwenhanden in de seksbranche falen. In Zweden is het strafbaar om seksuele diensten te kopen, de prostituee zelf is niet strafbaar.
SGP-jongerenvoorzitter Jacques Rozendaal vindt Asschers uitspraken “dapper voor een sociaaldemocraat” en ziet de prijs als aanmoediging. De PvdA’er is tot nu toe de enige kandidaat voor de Oranje Boven-prijs 2012. Deze zou tijdens de SGP-jongerendag op 10 maart worden uitgereikt. Volgens zijn woordvoerster is Asscher die dag verhinderd. De SGP overweegt nu om de datum van de uitreiking te verplaatsen, aldus Rozendaal.
Het is nog niet zeker of Asscher de prijs van de orthodox-christelijke partij zal accepteren. Zijn woordvoerster wil geen uitspraak doen over Asschers reactie op de nominatie. Zij kan ook niet zeggen of hij de prijs op een andere dag wel in ontvangst wil nemen. “We hebben de situatie nog niet inhoudelijk beoordeeld.” Mocht Asscher de prijs aannemen, dan volgt hij onder anderen Bas van der Vlies (2007), Maxime Verhagen (2008) en Ayaan Hirsi Ali (2010) op.
Asscher deed de uitspraak over het ‘Zweedse model’ naar aanleiding van een wetsvoorstel over de regulering van prostitutie, dat momenteel in de Eerste Kamer ligt. Mocht de wet worden ingevoerd dan moeten prostituees zich verplicht registreren. Bovendien wordt de minimumleeftijd voor prostituees verhoogd van 18 naar 21 jaar. Asscher noemt deze wet de “laatste kans” voor het Nederlandse prostitutiebeleid.
De opvatting van de Amsterdamse wethouder wordt binnen de PvdA niet breed gedragen. Dat werd opnieuw duidelijk tijdens een PvdA-debat afgelopen maandag in de Engelenbak in Amsterdam. Verschillende partijleden uit het publiek noemden Asscher naïef. Volgens hen is het praktisch onmogelijk om prostitutie te verbieden en kunnen alleen de arbeidsomstandigheden worden verbeterd en de vrouwenhandel bestreden. Ook over de vraag of de voorgestelde wet hiervoor zal zorgen is de PvdA het oneens.
Fusie met alleen maar winnaars
Posted By Arman Avsaroglu On januari 18, 2012 @ 16:54 In Algemeen, Interview, Mooi | No Comments

Stijn Schoonderwoerd, directeur Nationale Ballet. Foto: Nationale Ballet
Het Nationale Ballet, de Nederlandse Opera en het Amsterdamse Muziektheater fuseren vanaf 1 januari 2013 tot één organisatie. Stijn Schoonderwoerd, algemeen directeur van het Nationale Ballet, is tevreden met de fusie. “Het ballet en de opera zijn ijzersterke merken, maar samen staan we nog veel sterker.”
AMSTERDAM, 18 januari – Het klinkt bijna te mooi om waar te zijn. Stijn Schoonderwoerd, algemeen directeur van het Nationale Ballet, ziet alleen maar voordelen in de fusie die vanaf 1 januari volgend jaar van het de Nederlandse Opera (DNO), het Nationale Ballet (HNB) en het Muziektheater een organisatie maakt. “Het ballet en de opera zijn ijzersterke merken, maar samen zijn we veel meer dan de som der delen.”
De fusie komt niet helemaal als een verrassing. De samenwerking tussen de drie betrokken organisaties begon in 1986 toen de bouw van het Muziektheater aan het Amsterdamse Waterlooplein werd afgerond. Het Nationale Ballet en de Nederlandse Opera opereerden vanaf dat moment onder een dak. Zo veel zal er volgens directeur van HNB Stijn Schoonderwoerd niet veranderen met de fusie, omdat de drie organisaties in de afgelopen 25 jaar steeds intensiever met elkaar leerden samenwerken.
De samenwerking tussen de drie betrokken partijen verloopt al lange tijd tot ieders tevredenheid. Waarom dan nu de fusie?
Omdat we naar de toekomst moeten kijken. Het gaat nu goed met alle partijen, maar wij denken dat het nog beter kan gaan als we samen verder gaan. Dat heeft vooral te maken met commerciële slagkracht?. Het zal makkelijker worden om sponsors te vinden en je publiek te bereiken. Cultureel ondernemerschap wordt eenvoudiger als we de krachten bundelen. Daar komt bij dat we streven naar een eenvoudiger bestuursmodel dat sneller en beter functioneert.
Wat merkt de bezoeker van de fusie?
In eerste instantie niet veel. Het Nationaal Ballet en de Nederlandse Opera blijven onafhankelijk van elkaar voorstellingen produceren die de toeschouwer het hoogwaardige amusement bieden dat hij gewend is. Wel maken we plannen om het Muziektheater in de toekomst te verbouwen. Dat zal de toeschouwer wel merken.
Is er geld voor die verbouwing in tijden dat er fors wordt bezuinigd op de podiumkunsten?
We hebben ervoor gespaard. In de zomer van volgend jaar moet de verbouwing beginnen. De werkzaamheden zullen waarschijnlijk gedurende een paar jaar in de zomer plaatsvinden, zodat het publiek daarvan zo min mogelijk hinder ondervindt.
In hoeverre spelen de bezuinigingen van dit kabinet een rol bij de fusieplannen?
Geen. De fusie is niet tot stand gekomen doordat we minder subsidie krijgen in de toekomst, maar omdat we er zelf denken beter van te worden. De afgelopen jaren hebben we al fors kosten bespaard door meer met elkaar samen te werken en met deze stap ronden we dat proces af.
Hebben jullie een internationaal voorbeeld voor ogen met de nieuwe organisatie?
The Royal Opera House in Londen is vergelijkbaar met wat wij willen. Dat is ook een theater waar ballet en opera samen gebruik van maken. Het is uitgegroeid tot een sterk merk dat iedereen kent. Een verschil is wel dat zij een ander bestuursmodel hebben, waar één persoon de baas is. Voor ons was het belangrijk om opera en ballet in het nieuwe bestuur evenredig te vertegenwoordigen. Daarom nemen de artistiek directeuren van DNO en HNB beiden zitting in het nieuwe bestuur.
Wat gebeurt er na de fusie volgend jaar met de merknamen HNB en DNO? Verdwijnen die?
Nee, die namen blijven bestaan. We zouden wel gek zijn om zulke sterke merknamen op te heffen. Net zoals de subsidiestromen voor opera en ballet gescheiden zullen blijven. De bezoeker moet er op kunnen vertrouwen dat elke euro die rijk of gemeente in ballet investeert, ook daadwerkelijk naar ballet gaat.
(G)een centje pijn: CDA-fractievoorzitter Marijke Shahsavari-Jansen
Posted By Teri Van Der Heijden On januari 13, 2012 @ 16:52 In Achtergrond, Algemeen, Interview, Nieuwsverhaal, Stad | 1 Comment
NAP maakt een rondgang langs de Amsterdamse fractievoorzitters. Vandaag: Marijke Shahsavari-Jansen, fractieleider van het CDA.

Foto: Marijke Shahsavari-Jansen
Het CDA is in Amsterdam traditioneel een kleine speler. De partij heeft op dit moment twee zetels in de gemeenteraad, tegenover vijftien van de PvdA. Haar partij is medeverantwoordelijk voor de bezuinigingen van rijkswege. Noodzakelijk, volgens Marijke Shahsavari-Jansen. “Maar ik ben hier niet om het kabinet te verdedigen, ik zit hier voor Amsterdammers.”
Waarop kan wat het CDA betreft nog bezuinigd worden in Amsterdam?
Marijke Shahsavari-Jansen: “Er zijn een aantal dingen. Wij vinden dat er verder op kunst moet worden bezuinigd. Iedereen roept: het is verschrikkelijk wat er nu allemaal gebeurt in de kunstsector, maar als ik mag kiezen tussen bezuinigen op kunst of minima, dan weet ik het wel. Kunst is hartstikke leuk, maar…”
Kunst is leuk?
“Ja, leuk. En belangrijk, natuurlijk.”
Maar het Rijk bezuinigt ook al fors op kunst. Moet je daar dan als gemeente ook nog in snijden?
“Iedereen roept ‘kaalslag, kaalslag’, maar dat is onzin. Bezuinigingen zouden een afname zijn ten opzichte van het huidige budget, maar dat wil niet zeggen dat er niks overblijft. We geven ontzettend veel uit aan kunst in Amsterdam. Dat is hartstikke mooi als het goed gaat, maar de vorige periode klutste het geld bijna tegen de plinten op en nu is dat niet meer zo.
“Daarnaast hoop ik dat het College nu ook echt werk maakt van bezuinigen op het aantal ambtenaren. Ik vind dat je in tijden van bezuinigingen ook je eigen apparaat aan moet durven aanpakken. In andere gemeenten heb je gemiddeld per duizend inwoners acht ambtenaren, in Amsterdam zijn dat er twintig.”
In het coalitieakkoord heeft het College wel degelijk de ambitie geuit om op de eigen organisatie te bezuinigen. 91 van de 208 miljoen aan bezuinigingen moest daarvandaan komen.
“Mooie woorden, maar daarvan is nog bijna niets gerealiseerd.”
Het is voor dit College moeilijk om politieke keuzes te maken, want de coalitie gaat van GroenLinks tot en met de VVD. Is dat een probleem?
“Ik denk dat er niet meer aan te ontkomen valt om politieke keuzes te maken. Want hoe je het ook wendt of keert, links of rechts, we moeten bezuinigen. Het CDA zegt: het probleem is niet dat de gemeente weinig geld heeft, het probleem is dat de gemeente te veel uitgeeft. We willen geen lastenverhoging. De VVD houdt een slag om de arm en wil misschien toch wel akkoord gaan met lastenverhoging. Dat vind ik ontzettend zwak.”
Dat is de consequentie van regeren met twee linkse partijen.
“Nou, dat weet ik niet. Je kunt ook je poot stijf houden en zeggen: daar doen we niet aan mee. Kijk bijvoorbeeld naar de parkeeropbrengsten. Er is altijd gezegd: de auto is geen melkkoe en de parkeeropbrengsten worden niet gebruikt om andere dingen te financieren. Die zijn alleen voor de mobiliteit in de stad. En nu heeft de VVD toch ingestemd met een graai uit het parkeerfonds dat niet gebruikt wordt voor mobiliteit, maar voor allerlei andere dingen.”
Kabinetsbeleid is een belangrijke reden dat de gemeenten zoveel moeten bezuinigen. Stijgende uitkeringslasten, decentralisatie van rijkstaken en een korting van het gemeentefonds. Gooit het kabinet de problemen over de schutting?
“Dat vind ik niet. Je moet keuzes maken.”
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) was niet blij met de maatregelen. Afzonderlijk zijn ze misschien te begrijpen, maar alles bij elkaar moeten de gemeenten een te zware slag leveren.
“Het grootste probleem voor de VNG is dat het aantal mensen in de bijstand toeneemt, maar er tegelijk veel minder geld voor reïntegratie beschikbaar komt. En daar heb ik ook zorgen over. Ik vind: iedereen heeft een verantwoordelijkheid om mee te doen in de maatschappij, maar dat betekent ook dat je de kans moet krijgen.
“Ik zie dat er heel veel bezuinigingen op ons afkomen en dat doet pijn. Maar aan de andere kant, als het geld in je portemonnee op is kun je het ook niet uitgeven. Datzelfde geldt voor de overheid. We kunnen niet doen alsof de overheid een onuitputtelijke stroom geld heeft. ”
Maar wat betreft die reïntegratie had het kabinet volgens u dus een andere keuze moeten maken?
“Ja. Ik zou graag gezien hebben dat in ieder geval geluisterd was naar de bezwaren. De VNG en de vier grootste gemeenten hebben een poging gewaagd met een alternatief te komen. Ik vind het jammer dat het niet is gelukt.”
U pleit ervoor dat mensen die een bijstandsuitkering ontvangen verplicht worden een maatschappelijke tegenprestatie leveren. Bijvoorbeeld door de stoep sneeuwvrij te maken, als het ooit nog gaat sneeuwen.
“Dat stomme sneeuwschuiven wordt steeds maar als voorbeeld genoemd. Je kunt ook bij sportverenigingen de lijnen kalken. Er zijn honderdduizend dingen te verzinnen.
“Sinds deze maand bestaat door een aanpassing van de wet de mogelijkheid om die tegenprestatie te vragen van bijstandsgerechtigden. Helaas heeft het College ervoor gekozen om de mogelijkheid niet op te nemen in de verordening. Iedereen heeft de taak om je maatschappelijk op te stellen en je plichten te vervullen. Als je een bijstandsuitkering krijgt is je primaire taak: heel hard werken om aan het werk te komen. Maar daarnaast heb je misschien nog wel wat meer tijd over dan iemand die vijf dagen per week werkt.”
Hoe moet je dat dan opleggen? Bijstandscops?
“Hoe je dat dan moet organiseren dat weet ik nog niet.” Ze lacht. “Bijstandscops zie ik niet helemaal zitten.”
Wat zou zo’n maatregel kosten?
“Ik zou het niet weten. Maar het levert een heleboel op, maatschappelijk. Iedereen gaat er gelijk vanuit dat het geld kost. Maar je kunt gewoon vragen: wie heeft er behoefte aan hulp deze maand? Nou dan zet je daar een ambtenaar op, die alles online regelt. Ik geloof niet dat het zoveel geld kost. Als je het een beetje slim organiseert.”
Slim organiseren. Heeft de gemeente daar veel kaas gegeten?
Ze lacht. “Daar heb je een punt.”
Islamofobie als ideologie
Posted By Alexander Leeuw On januari 13, 2012 @ 16:50 In Algemeen, Interview, Leven | No Comments

Bron: Amsterdam University Press
AMSTERDAM, 13 januari – Gisteren kwam Islamofobie en discriminatie uit, een onderzoek naar onder andere 117 gevallen van vandalisme bij moskeeën. Schrijver en onderzoeker Ineke van der Valk vertelt NAP over haar bevindingen.
Sinds 11 september 2001 en de moord op Theo van Gogh is het vandalisme bij moskeeën toegenomen. Opvallend is dat er relatief veel meer incidenten in dorpen en kleine gemeenten zijn, in vergelijking met grote steden. Dr. Ineke van der Valk doet al meer dan dertig jaar onderzoek naar racisme en discriminatie. Ze beschrijft haar bevindingen in het boek Islamofobie en discriminatie en zoekt mogelijke verklaringen.
Om welk soort vandalisme gaat het?
Van der Valk: “Geweldsincidenten zijn bijvoorbeeld: ruiten ingooien, materiaalvernieling, bekladding met racistische leuzen. Ook brandstichting is een belangrijke categorie. Tussen 2007 en 2010 werden er vijf keer ingewanden van dode schapen en varkens bij moskeeën gedeponeerd. In Roosendaal werd een schapenvel opgehangen met een leus erop.”
De moord op Theo van Gogh in 2004 voert u op als belangrijke aanleiding voor de groeiende islamofobie.
“Je ziet sinds 2002 een soort verheviging. In de geweldscijfers tegen moskeeën zie je dat er soms bepaalde gebeurtenissen zijn waardoor het geweld toeneemt. Dat was zo na de Golfoorlog in de jaren ’90, na de 11 september-aanslagen in de Verenigde Staten, en na de moord op Van Gogh.”
Die moord werd in Amsterdam gepleegd, maar volgens uw onderzoek is er in grote steden relatief weinig geweld.
“Ik heb gekeken naar waar de incidenten plaatsvinden, en dat gebeurt veel meer in kleine gemeenten en dorpen, dan in de grotere steden. Terwijl er in grote steden 25 tot 40 moskeeën zijn, en in kleine plaatsen vaak één, hooguit twee.”

Vandalisme bij moskeeën per gemeente, uit Islamofobie en discriminatie
Hoe verklaart u dat verschil?
“In grote steden zie je een bepaalde gewenning aan diversiteit in de samenleving. Vooral bij jongeren in kleinere gemeenten is die gewenning er minder, omdat zij zijn opgegroeid in een vrij witte omgeving. De basisscholen zijn vaak heel wit nog. Jongeren krijgen via de media en hun ouders wel iets mee over diversiteit, maar in hun boodschap zitten vaak vooroordelen. Die ideeën vestigen zich dan bij de kinderen en pas op de middelbare school worden ze geconfronteerd met mensen van een andere afkomst. Dan hebben die vooroordelen al postgevat. Zo analyseer ik dat gegeven.”
Heeft het verschil te maken met wat u in uw boek “heimweemoskeeën”, “schuilmoskeeën” en “poldermoskeeën” noemt?
“Ik zat te denken: hoe komt het nou dat sommige moskeeën eerder het mikpunt zijn dan andere? Turkse moskeeën hebben bijvoorbeeld meer te maken gehad met geweldsdaden dan Marokkaanse moskeeën. Daar heb ik een uitleg voor proberen te vinden. Die is heel hypothetisch: sommige moskeeën zijn beter zichtbaar. Dat zijn de traditionele “heimweemoskeeën”, die zou je zo in Marokko of Turkije tegen kunnen komen. Dit komt uit een onderzoek dat ik in het boek aanhaal. Een “schuilmoskee” is onherkenbaar, die zit in een noodgebouwtje of iets dergelijks. De “poldermoskee” is nieuwbouw, dus modern qua vorm. Die laatste twee vallen minder op, dus dat zorgt ervoor dat het een minder snel het mikpunt van vandalisme wordt. Heel precies heb ik het niet onderzocht, maar mogelijk hebben Marokkanen vaker schuilmoskeeën en vallen Turkse moskeeën meer op.”
U definieert islamofobie als een ideologie?
“Ja. Belangrijk is dat niet alles wat binnen zo’n ideologie over de islam gezegd wordt onwaar is. Soms worden er ook feiten aangehaald die ontegenzeggelijk waar zijn. Het gaat erom hoe al die feiten, representaties en meningen ingezet worden om een structureel negatieve betekenis te verbinden aan moslims en de islam. Dat is ook het algemeen menselijke van de situatie. Er is geen mens dat kan ontsnappen aan de neiging tot stigmatisering en de neiging om te discrimineren. Dat zit in een soort evolutionaire regels die we nou eenmaal hebben meegekregen. Je moet ermee leren omgaan.”
Wordt racisme specifiek meer islamofobisch of is er een toename van racisme in het algemeen?
“Ik denk een beetje van beiden. Dat er zowel meer geframed wordt in termen van die religie als dat er sprake is van een absolute toename. Mensen krijgen ook het gevoel van: als politici dat naar voren kunnen brengen dan kan ik dat ook wel doen.”
Is dat gezonder, dat het niet blijft sluimeren?
“Daar geloof ik niet zo in. Er zijn tegenwoordig zoveel scheldpartijen en haatdragende uitingen, op internet bijvoorbeeld, dat het volgens mij niet de positieve functie van een uitlaatklep heeft. Het is alleen maar narigheid. Daarnaast worden niet alle incidenten gemeld.”
U verwijst in uw boek naar een artikel uit Het Parool van 9 december 2010, ‘Moskeeën Amsterdam vrezen aanslagen’. Daar staat dat de aangiftebereidheid onder minderheden laag is.
“Dat is inderdaad een probleem. Het opsporingspercentage van misdaden tegen moskeeën is ook veel lager dan het opsporingspercentage in het algemeen. Wil je aangifte doen, dan moet je vertrouwen hebben dat er wat mee gebeurt en dat heeft men niet altijd. Wat ook speelt is de angst dat aangifte misschien meer problemen oproept dan het oplost. Men wil niet overdrijven. Daarom wordt er minder aangifte gedaan. Meldpunt Discriminatie Internet (MDI) en Meldpunt Discriminatie Regio-Amsterdam (MDRA) zijn ook niet bij iedereen bekend en ze doen zelf geen onderzoek, ze reageren alleen op meldingen. De cijfers zijn al hoog, maar in de praktijk zijn ze nog hoger.”

De Amsterdamse Fatih-moskee Foto:Iskander Smit (Flickr)
Zuidoost is ook Amsterdam
Posted By Gidi Heesakkers On januari 13, 2012 @ 16:47 In Algemeen, Interview, Stad | No Comments

Foto: borden.plaatsengids.nl (Harry Fluks)
Als het aan Eddy Meyer ligt, VVD-fractievoorzitter in Zuidoost, wordt de benaming Amsterdam Zuidoost als woonplaats afgeschaft. “Zie het als een manier om te benadrukken dat we erbij horen. Het wordt tijd dat Zuidoost ook formeel gezien op hetzelfde niveau mee kan doen als de andere stadsdelen.”
AMSTERDAM, 13 januari – Een armoedige, criminele achterstandsbuurt waar de gezelligheid ver te zoeken is. Dat is in één zin het niet al te beste imago van Amsterdam Zuidoost. Wie het stadsdeel door de ogen van Eddy Meyer (49) bekijkt, ziet iets heel anders. “Een bruisende, frisse en ambitieuze buurt die de afgelopen vijftien jaar erg is opgeknapt.”
Meyer hoopt met het opheffen van de plaatsnaam meer woningzoekenden van buiten de hoofdstad warm te krijgen voor wonen in Zuidoost. Nu missen mensen die op huizensites als Funda en Woningnet naar een huur- of koophuis in Amsterdam zoeken het aanbod in Zuidoost. Huizen in dit stadsdeel worden door de aparte aanduiding niet zichtbaar onder het kopje Amsterdam. “En dat terwijl de koopwoningen hier voor Amsterdamse begrippen vrij goedkoop zijn,” aldus Meyer, die zelf op het randje van de Bijlmer woont.
Tot op de dag van vandaag staan Amsterdam en Amsterdam Zuidoost officieel te boek als twee afzonderlijke woonplaatsen. Daartoe is in de jaren zeventig besloten in het kader van de postbezorging, die toen nog op woonplaats in plaats van op postcode geschiedde. Zuidoost ligt als enige stadsdeel door Diemen en Duivendrecht van de hoofdstad geïsoleerd.

Eddy Meyer. Foto: VVD Amsterdam Zuidoost
Volgens Meyer gaan er ook stemmen op dat Zuidoost na het afschaffen van de stadsdelen als aparte gemeente verder zou moeten gaan. Maar hij vindt dat “niet realistisch” en is van mening dat Zuidoost zich juist meer aan Amsterdam moet binden. “Als we de lokale economie en het vestigingsklimaat in de toekomst verder willen ontwikkelen, zullen we in het grotere geheel van Amsterdam moeten opereren.”
Over het prijskaartje dat aan de verandering hangt, hoeft niemand zich druk te maken, zegt de fractieleider. Wat het afschaffen van Zuidoost als woonplaats de gemeente Amsterdam precies zal gaan kosten, weet hij niet precies, “maar dat zal echt peanuts zijn.”
Dus wat nu? “Ik heb het bij de gemeenteraadsfractie van onze partij neergelegd. Die moeten er nu verder mee.” Hij heeft goede hoop dat zijn voorstel werkelijkheid wordt. “De reacties uit de fractie zijn positief. Ook partijleider en wethouder Eric van den Burg heeft zich er op Facebook positief over uitgelaten. In de loop van het voorjaar verwacht ik een voorstel in de gemeente te zien.”
‘Ik ben een product van mijn tijd’
Posted By Haro Kraak On januari 11, 2012 @ 16:49 In Algemeen, Interview, Mooi | No Comments

Foto: Norbert Voskens
Met zijn interactieve boeken-app heeft schrijver Sidney Vollmer een novum in Nederland. Een lovenswaardig project, maar is dit de toekomst van de roman? Een interview met de 28-jarige debutant.
AMSTERDAM, 11 januari – Sidney Vollmer (28) begeeft zich in de voorhoede en zo ziet hij het graag. Hij debuteerde eind vorig jaar met de roman Alles ruikt naar chocola [10] bij uitgeverij Podium. Niet veel later volgde een boeken-app. Een applicatie voor de iPad die een nieuwe leeservaring geeft. Als eerste in Nederland heeft hij een digitaal boek op zijn naam staan dat een keur aan mogelijkheden biedt. “Ik wil bij de mensen zijn die pionieren.”
De app heeft een interactieve boekenlegger, waarmee je direct kunt luisteren naar de liedjes waar de 19-jarige hoofdpersoon Tom, een muzikant die hard werkt aan een doorbraak, naar verwijst. Of je kunt Wikipediapagina’s lezen en filmfragmenten bekijken. Als je even te lui bent om door te lezen zet je het luisterboek aan. Hoe meer je leest, hoe meer je krijgt. Wie goed zijn best doet ziet zijn boek gesigneerd worden en hoe vaker je de pagina’s omslaat hoe geler ze worden.
Hoe is het idee tot stand gekomen?
Vollmer: “Ik ben er tijdens het schrijven achter gekomen dat ik als schrijver een product van mijn tijd ben. En dat ik me het meest kon vinden in auteurs die ook speelden met intertekstualiteit. Ik heb vrij brede interesses. Dat sijpelde al in mijn boek door. Ik kwam erachter dat mijn verhaal zich heel goed leent voor alles wat je met digitaal lezen kunt doen. Het tweede is: er gebeurt daar nu nog zo weinig in dat het misschien wel een hele mooie kans was om als debutant in een overvol café op te vallen. Dat was een mooie bijkomstigheid.”
Dat is aardig gelukt toch?
“Ik ben hartstikke blij met alle aandacht die we erdoor gekregen hebben, maar ik vind dat het nog ver achterblijft met wat het verdient. Eén van de mensen die de app heeft helpen ontwikkelen is baas van een reclamebureau en die is nu bezig met een wereldreis. Die heeft een iPad bij zich en die laat de app aan allerlei buitenlandse bedrijven, bureaus en journalisten zien. Die staan allemaal met hun mond open te kijken. Want zelfs op een wereldniveau kan dit zich meten met de top. Misschien dat er drie of vier boeken-apps zijn als die van ons. In het boekenvak is iedereen lyrisch enthousiast, maar nu nog mainstream.”
Dat deze innovatie nu pas plaatsvindt brengt de vraag op: draagt zo’n app wel echt iets bij?
“Het is waanzinnig duur om te maken, daarom heeft het ook lang geduurd. Maar het draagt een aantal dingen bij. Schrijven is voor mij puzzelen, maar dit is driedimensionaal puzzelen. Er zijn veel mensen die zeggen: een boek moet een boek zijn en daar moet niets je van afleiden. Maar als jongeren nou eerder afgeleid zijn, dan kun je twee dingen doen als schrijver. Je kunt denken: fuck dat, ze moeten maar gewoon mijn boeken lezen, alle 400 bladzijdes, niet zeiken. Of je zegt: misschien is dit een gegeven. Als dat zo is dan kan ik er op deze manier voor zorgen dat de verkorte aandachtsspanne gefaciliteerd wordt binnen de wereld van het boek.”
Dan kun je faciliteren. Ben je niet bang dat je dat concentratiegebrek erger maakt met zo’n app?
Boven die twee opties staat de derde. En dat is dat je een boek goed moet schrijven. Dat zorgt ervoor dat je altijd wilt doorlezen. Dat moet de principiële motivatie zijn om een boek te schrijven. Daarbij denk ik niet dat ik bij machte ben om het te verbeteren of te verergeren. Maar ik kan in ieder geval een hele gereedschapskist geven van speeltjes die je beleving verrijken.”
Lees je zelf graag van iPads?
“Ja en nee. Wat ik niet graag lees van iPads zijn boeken. Ha, dan heb je gelijk een titel voor je stuk! Die van mij heb ik immers al een keer of 26 gelezen en andere boeken hebben nog niet echt een toegevoegde waarde bij het digitale lezen. Dan blijft het gewoon een glasplaat met tekst waar ik verder niks mee kan. Maar ik lees heel graag artikelen. Ik ben geabonneerd op The New Yorker, Time en Newsweek. Dat lees ik allemaal op mijn iPad. Zodra de prijs lager wordt van digitale boeken en de content beter wordt, dan stap ik daar op over.”
Is dit het nieuwe lezen? Is dit de toekomst van de roman?
“Ik denk dat dit een vernieuwing is van de roman. Ik zou het niet de toekomst durven noemen. Ik denk dat het een volgende stap is. Of het de juiste is dat weet ik niet. Romans bestaan in principe pas vierhonderd jaar. En het is idioot om te denken dat het format vastgeroest zit. Ik denk dat we er nog lang niet zijn. Ik zie nog veel meer dingen voor me. Bijvoorbeeld het gevoel van het aantal pagina’s wat je nog te gaan hebt. Dat is nu weg in zo’n app. Voor dat soort tactiele dingen moeten we oplossingen verzinnen voordat we echt een stap verder zijn.
“Het papieren boek verdwijnt natuurlijk niet, maar met alle referenties die we hebben ingebakken kunnen we wel degelijk de beleving van het boek veranderen. Er was één recensent die dat goed opmerkte. Die zei: “het sluit aan bij het jagerige, het zoekende en die springerige blik van Tom, het hoofdpersonage.” Daarin is het een onderstreping van wat ik heb willen vertellen over Tom.”
Het zou bijna jammer zijn om het gewone boek te kopen in plaats van de app.
Lachend: “Dat zei Herman Koch laatst ook tegen me. Hij zei: “Ben je niet bang dat je minder boeken verkoopt?” Toen zei ik: “Kom op, ik ben debutant, ik verkoop al nauwelijks boeken.””
(camera: Basha de Bruijn [11], dank aan Buutvrij for Life [12])
(G)een centje pijn: SP-fractieleider Laurens Ivens
Posted By Teri Van Der Heijden On januari 6, 2012 @ 16:59 In Interview, Stad | 2 Comments

Foto: Jos van Zetten
NAP maakt een rondgang langs de Amsterdamse fractievoorzitters. Vandaag: Laurens Ivens, fractieleider van de Socialistische Partij (SP).
AMSTERDAM, 6 januari – Barre tijden in de Stopera. Amsterdam moest al ruim tweehonderd miljoen besparen, maar het was niet genoeg. In maart stemt de gemeenteraad over een extra bezuinigingspakket van honderdvijftig miljoen. Waar valt nog wat te halen? Wat kiest het college? Waarvoor strijdt de oppositie?
De SP van fractieleider Laurens Ivens is een opvallende speler in de oppositie, ondanks dat de fractie halveerde van zes naar drie zetels in 2010. Als het aan Ivens ligt, hoeft er helemaal niet zoveel bezuinigd worden als het college voorstelt. “Denk niet dat de stad zomaar failliet is.”
Hoe zal het bezuinigingspakket van honderdvijftig miljoen dat het college de raad gaat voorleggen eruit zien?
Laurens Ivens: “Asscher brengt honderdvijftig miljoen aan bezuinigingen in kaart, maar daarvan moet honderd miljoen daadwerkelijk uitgevoerd worden. Ik vrees dat ze met de kaasschaaf overal stukjes vanaf gaan halen. Dat is het grote probleem: we zitten met een college van GroenLinks tot en met de VVD, waardoor echte politieke keuzes tot nu toe uitgebleven zijn. Dat betekent dat elk stokpaardje blijft staan. Ze kunnen niet op milieubeleid bezuinigen, want dat kan GroenLinks niet accepteren. Ze kunnen de parkeertarieven niet verhogen, want dat zal de VVD niet accepteren. Ik verwacht dat ze verder zullen bezuinigen op de gemeentelijke organisatie. Ik ben daar niet op tegen, maar helaas is tot nu toe vooral bezuinigd op uitvoerend personeel, de loketmedewerkers, de portiers en de reinigingsdienst.”
Waar kan niets meer af, volgens de SP-fractie?
“Sectoren waarop al stevig is bezuinigd. Begeleiding bij re-integratie op de arbeidsmarkt, uitkeringen en de zorg. Bijvoorbeeld de thuiszorg. Die is dermate slecht, daar kan je niet in snoeien.”
Waarop zou de SP wel willen bezuinigen?
“Een aantal prestigieuze projecten kunnen wat ons betreft wel de ijskast in, zoals de ontwikkeling van de Zuidas en IJburg II. Bouw IJburg I eerst af.”
Maar voor IJburg II is in de begroting van 2012 geen geld gereserveerd.
“Er is nog steeds een projectbureau mee bezig dat kosten maakt. De gemeente zou ook moeten stoppen met stadspromotie. We geven geld uit aan de Olympische Spelen, we geven geld uit aan citymarketing in de vorm van een enorme I Amsterdam-campagne. Terwijl we onze eigen citymarketing, de kunstsector, doodbezuinigen. En in de gemeentelijke organisatie valt zeker verder te snijden, maar dan in de managementslagen. Op de hoger betaalde functies binnen de gemeente kan best wat bezuinigd worden. Vraag me niet om een bedrag, want ik ben geen wethouder.”
Gaan deze maatregelen honderd miljoen opleveren?
“Nou, ik denk dat we een heel eind zouden komen. Maar ik kan dit niet berekenen. Om te berekenen wat er bij de gemeentelijke organisatie wel of niet weg kan, moet je de hele organisatie kennen.
“We moeten Amsterdam niet armer maken dan ze is. De stad kent buitengewoon grote reserves, zoals het Amsterdams Investeringsfonds. Ik denk dat deze crisis van tijdelijke aard is. Dan kan je de kosten ook met tijdelijke gelden dekken. We kunnen de stad kapotbezuinigen, maar ik denk dat we dat moeten voorkomen. Voor mij is die honderd miljoen bezuinigen ook niet heilig.”
Wat de SP betreft zou er dus geen honderd miljoen bezuinigd te hoeven worden. Tegelijk heeft Amsterdam een gemeenteschuld van 2,5 miljard.
“Een schuld van 2,5 miljard voor de hele stad Amsterdam vind ik een schijntje. Kijk vooral naar wat we allemaal hebben. Iemand die een hypotheek aangaat heeft ook een schuld, maar heeft wel een huis. De stad kan gewoon uitgeven, want we hebben een forse reserve.”
Loopt Amsterdam het risico een artikel-12 gemeente te worden, een gemeente onder curatele van het rijk?
“Ik zie Amsterdam dat risico op dit moment niet lopen. En bovendien zou ik het niet heel erg vinden als Amsterdam wel een artikel-12 gemeente zou worden. We staan immers al onder curatele! Het rijk bepaalt toch al wat er gebeurt in de stad, door bezuinigingen op bijvoorbeeld uitkeringen en zorg.
Maar het zou niet goed zijn voor het gemeentelijk imago.
“Imago, daar heb ik niets mee. Denk je dat ze er in het buitenland van zullen horen? Denk je dat we minder toeristen zullen trekken? Politiek moet niet door angst worden ingegeven. Kijk naar de kracht van Amsterdam. Denk niet dat de stad zomaar failliet is.
“Het rijk zou ook haar verantwoordelijkheid moeten erkennen. Het klusje waar Asscher en de zijnen voor staan, is geen leuk klusje. Asscher zou best tegen Rutte mogen zeggen: dit gaan we niet doen. We moeten er een keer mee ophouden dat we constant het rijk verder willen helpen. Dit is het meest asociale kabinet ooit. Dat betekent niet dat wij de meest asociale gemeente ooit moeten zijn.”
Deze gemeenteraad wordt door critici afgeschilderd als tam en volgzaam.
“Terecht. Tweederde van de raadsleden zijn min of meer jaknikkers, lid van de coalitiepartijen PvdA, VVD en GroenLinks, en controleurs op detailniveau. Op maandagavond als de collegefracties vergaderen wordt alles afgetikt. Bijna elk voorstel dat een wethouder indient, haalt het. De oppositie bestaat uit maar vijftien zetels, een derde van de raad. Maar de SP blijft dingen aankaarten. Wij doen in elk debat mee, in elk debat is een SP-standpunt te horen. We krijgen alleen iets minder spreektijd, nu de SP drie zetels heeft.”
‘Wij willen vooral de feiten in het migratiedebat’
Posted By Emiel van Dongen On oktober 21, 2011 @ 16:45 In Interview | No Comments

Jan Lucassen
PvdA-Tweede Kamerlid Martijn van Dam stelt dat de vermeende massa-immigratie de ‘schuld’ van rechts is en pleit voor terughoudendheid met de immigratie van Oost-Europeanen. De immigratie is juist onontkoombaar en hard nodig, stelt hoogleraar sociale geschiedenis Jan Lucassen.
“Ik vind het merkwaardig dat juist een PvdA’er haast populistische conclusies trekt”, zegt Jan Lucassen (64), hoogleraar sociale geschiedenis aan de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam. Hij reageert hiermee op een opiniestuk vorige week in de Volkskrant waarin zijn boek Winnaars en verliezers werd aangehaald. Tweede Kamerlid voor de PvdA Martijn van Dam schreef dat niet de ‘linkse kerk’ verantwoordelijk is voor de massa-immigratie, maar ‘de rechtse elites’.
Van Dam schreef het artikel omdat hij vindt dat deze beweringen, voornamelijk van de PVV, eindelijk maar eens weersproken moeten worden voordat ze gaan beklijven en mensen de mythe voor waar aan nemen. Maar hij schreef het vooral omdat er volgens Van Dam een nieuwe massa-immigratie dreigt met bijbehorende integratieproblemen, ditmaal van Oost-Europeanen. En die worden nu met open armen ontvangen door rechts. “Het is schokkend hoe de geschiedenis zich herhaalt”, schrijft Van Dam.
“De linkse of rechtse kerk die schuldig zou zijn aan de massa-immigratie: het is eigenlijk allemaal een manier van complotdenken. Daar houden mijn broer Leo en ik niet van. Voor ons hoeft het niet zo nodig iemands schuld te zijn. Wij willen vooral de feiten in het politieke debat”, zegt Lucassen.
Lucassen is naast hoogleraar aan de VU ook senior onderzoeker bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam. Samen met zijn broer Leo Lucassen, hoogleraar Sociale Geschiedenis te Leiden, publiceerde hij eerder dit jaar het boek Winnaars en verliezers. Een nuchtere balans van vijfhonderd jaar immigratie. In dit boek toetsen ze beweringen van wat ze noemen ‘integratiepessimisten’ aan feiten en constateren vervolgens dat die grotendeels op drijfzand en halve waarheden berusten.
De rechtse kerk
De gebroeders Lucassen – ‘in de verste verte’ geen familie van het brievenbusplassende Tweede Kamerlid van de PVV – beschrijven in hun boek hoe gastarbeiders in de jaren zestig en zeventig door werkgevers naar Nederland werden gehaald. De VVD, die van oudsher grote populariteit geniet onder ondernemers, steunde de werkgevers om de gastarbeiders langere tijd hier te houden. De christendemocratische partijen die het gezin hoog in het vaandel dragen en die toen regeerden dwongen af dat de gastarbeiders recht kregen op gezinshereniging. Het uit elkaar halen van gezinnen vonden ze onmenselijk.
Lucassen: “Wij zeggen dus niet dat de immigratie de schuld van rechts is. We stellen wel vast dat veel kritische geluiden van links kwamen.” Van een complot, van welke kant dan ook, is geen sprake volgens hem. “Wij hebben ons er dan ook over verbaasd dat de PvdA, of eigenlijk: links in het algemeen, zich zo lang een onwaarheid heeft laten aanpraten, dat ze daar in gingen geloven en zelfs hun verontschuldigingen aanboden. Het getuigt van een groot retorisch en politiek talent van populisten als Fortuyn en Wilders om je tegenstander iets te laten geloven dat helemaal niet waar is.”
Daarnaast constateren de hoogleraren dat er van ‘massa-immigratie’ geen sprake (meer) kan zijn. In 1975 waren er nog zo’n 65.000 meer immigranten dan emigranten. Tegenwoordig ligt het migratiesaldo rond de nul, terwijl het in de jaren 2002-2007 zelfs negatief was. Totaal zijn er in de jaren 2001-2009 zo’n 35.000 personen uit als problematisch beschouwde groepen (Turken, Marokkanen, Antillianen en Somaliërs) in Nederland komen wonen, minder dan 0,025 procent per inwoner.
Ook de vermeende islamisering is een fabeltje, zo schrijven ze, aangezien veruit de meeste immigranten niet-moslim zijn. Bovendien zit het geboortecijfer bij (tweede generatie) moslima’s tegenwoordig dicht tegen dat van Nederlandse vrouwen aan. In 2006 bijvoorbeeld kregen 30-jarige autochtone vrouwen gemiddeld 0,8 kind, terwijl even oude Marokkaanse vrouwen er 1 kregen. En het percentage moslims in Europa zal tussen 2010 en 2030 van 6 naar hooguit 8 procent stijgen, voorspelt het Amerikaanse Princeton University.
Pessimisten
Ondanks dat Van Dam volgens Lucassen rechts te makkelijk neerzet als verantwoordelijke voor de immigratie, deelt de historicus zijn de mening dat de scheiding tussen feiten en fictie in het debat strikter moet. “Het is heel lastig discussiëren met iemand die zich niet baseert op feiten”, zegt Lucassen.
Lucassen identificeert in zijn boek zeven ‘integratiepessimisten’: Frits Bolkestein, Hilda Verwey-Jonker, Pieter Lakeman, Pim Fortuyn, Paul Scheffer, Ayaan Hirsi Ali en Martin Bosma. “Eigenlijk discussiëren de integratiepessimisten helemaal niet”, constateert Lucassen, “Verwey-Jonker (PvdA-prominent, red.) en Fortuyn zijn dood. Van de vijf die over zijn heeft niemand op ons boek gereageerd. Niemand! Zo’n Martin Bosma (Tweede Kamerlid voor de PVV en rechterhand van Geert Wilders, red.), altijd zo’n grote mond: geen woord!”
Toch lijken voormalig VVD-partijleider Frits Bolkestein, die al in 1991 op de bedreiging van de islam wees, en publicist Paul Scheffer, die in 2000 met zijn Het multiculturele drama een stevige duit in de zak van het immigratiedebat deed, te zijn bijgedraaid. Lucassen: “Scheffer wil nu af van de termen allochtoon en multicultureel drama, die vindt hij uit een andere tijd. Bolkestein schijnt in zijn laatste publicaties ook gedeeltelijk te zijn bijgedraaid.”
Bolkestein en Scheffer zijn intellectuelen die veel boeken lezen. Die kunt u misschien overtuigen van uw integratiepositieve maatschappijvisie. Maar de PVV-stemmer die gelooft dat er sprake is van massa-immigratie en islamisering van Nederland en dat grotendeels baseert op een gevoel, die zult u moeilijk kunnen bereiken met uw boek. Laat staan overtuigen.
“Iedereen doet op zijn eigen manier zijn best. Kijk bijvoorbeeld naar Gouden Kalf-winnaar Nasrdin Dchar, die deed het met zijn speech. Mijn broer en ik positioneren ons nadrukkelijk als wetenschappers. Het geluid van wetenschappers doet ertoe, menen wij. En wij denken dat de maatschappij dat ook vindt, aangezien wij worden betaald met belastinggeld. Wetenschappers moeten wat betreft hun vakgebied hun mond open doen en zeggen waar het om gaat. Het is onze wetenschappelijke pretentie om met nuchtere feiten te komen. Die feiten kun je interpreteren, natuurlijk. Maar laten we de feiten tenminste wel op een rijtje zetten. Dan is het aan de politiek om daarnaar te luisteren.
“Misschien kun je meer bereiken door zelf de politiek in te gaan, maar ik ben geen lid van een politieke partij. Nooit geweest ook. Dat is niet omdat ik wetenschap en politiek wil scheiden, ik ben het gewoon nooit genoeg met een partij eens geweest.”
Vindt u dat politici in de immigratiediscussie genoeg aandacht hebben voor de feiten?
“Nee, helemaal niet. Kijk naar wat deskundigen als Kees Groenendijk en Thomas Spijkerboer (hoogleraren migratierecht, red.) zeggen over internationale verdragen. Het gros van wat de regering wil op migratiegebied kán helemaal niet. Maar de regering laat de wetenschap gewoon links liggen. Alsof die niet bestaat. Er is een volslagen gebrek aan serieuze aandacht voor de wetenschap bij deze regering.
“De politiek mag natuurlijk tegen de wetenschap in gaan, dat zijn de spelregels van onze democratie. Politici hebben hun eigen verantwoordelijkheid. Met dit boek hebben Leo en ik in ieder geval ons best gedaan. We hebben een uitgever met een groot bereik gezocht voor ons boek en gaan zoveel mogelijk in op interviews. We wilden niet dat onze kinderen en kleinkinderen achteraf zouden kunnen zeggen: ‘je wist het toch allemaal zo goed, waarom heb je je mond niet open gedaan?’”
Winnaars en verliezers is niet geheel onbevooroordeeld geschreven, terwijl de ondertitel luidt Een nuchtere balans van vijfhonderd jaar immigratie. Hoe nuchter is die balans?
“Natuurlijk, er zit een maatschappijvisie achter ons boek. Kom op. Er is geen enkele historicus zónder maatschappijvisie. Het is duidelijk hoe wij denken over migratie. Daarmee is het nog wel een nuchtere balans. Als nuchterheid zou veronderstellen dat je geen maatschappijvisie mag hebben, zou dat een filosofische onmogelijkheid zijn. Iedereen heeft een politieke overtuiging. In onze democratie wordt ook verwacht dat we dat hebben.”
De ‘rectificatie’ over de linkse kerk gebruikt Van Dam in zijn opiniestuk als opstapje om de volgens hem op handen zijnde nieuwe massa-immigratie aan de kaak te stellen. History repeats, stelt hij. In vijf jaar tijd zijn er nu zo’n 200 tot 300 duizend Oost-Europeanen naar Nederland gekomen. CDA, VVD en D66 ‘pleiten opnieuw voor open grenzen en ruimhartige verlening van werkvergunningen voor Bulgaren en Roemenen’. Voorstellen om Oost-Europeanen Nederlands te laten leren en integratie te stimuleren, stuiten volgens hem ‘op een muur van coalitiepartijen’. ‘Het is schokkend hoe de geschiedenis zich herhaalt’, schrijft Van Dam.
Vindt u dat Van Dam verstandige dingen zegt als hij de vergelijking trekt tussen de immigratie in de jaren zestig en zeventig en die van nu?
“Allereerst moet je jezelf de vraag stellen: is er een structureel of een tijdelijk gebrek aan arbeidskrachten? Dan moet je een onderscheid maken tussen de verschillende groepen en de rechten die ze hebben. In 1974 werd de regel ingesteld dat als je als gastarbeider vertrok, je niet meer terug mocht komen. Dit had een averechts effect: veel Marokkanen en Turken besloten toen maar definitief hier te blijven. Terwijl de Italianen en Spanjaarden als EU-burgers niet onder die regel vielen en er veel teruggingen naar hun thuisland.
“We zitten nu door de vergrijzing met een structureel tekort aan arbeidskrachten, neig ik te zeggen. De effecten van vergrijzing kunnen op de lange duur niet te niet worden gedaan door immigratie. Dan zouden miljoenen mensen nodig zijn. Wel zeg ik dat er nu al structurele tekorten op onze arbeidsmarkt bestaan waar buitenlanders een oplossing voor zijn: er zijn per slot van rekening werkgevers die hen een baan bieden. De Oost-Europeanen lopen hier niet te lanterfanten.
“De Polen die hier werken – en in de toekomst de Roemenen en Bulgaren – zijn EU-burgers die bepaalde rechten hebben en je niet zomaar kunt weigeren. Dan kun je als PvdA wel hoog en laag springen en heel stoer gaan doen om die arbeidsmigranten tegen te houden, maar dat is allemaal symboolpolitiek. Ik denk dan bovendien: tegenhouden? Ze zijn hier al lang. Het hele Westland drijft op buitenlandse arbeidskrachten.”
“Je kunt beter zorgen dat die arbeiders die hier zijn het fatsoenlijk hebben en beschermd worden door de cao. Niet alleen is dat rechtvaardig voor hen en leef je daarmee onze wetten na, het is ook in het belang van Nederlandse werknemers. Het massaal ontduiken is een ondergraving voor de cao en daarmee voor onze welvaart in het algemeen.
“Al dat geroep om de overlast die Oost-Europeanen veroorzaken: dat geloof ik best. Maar als PvdA, Partij van de Arbeid, zou je beter in kunnen zetten op nakoming van de cao’s in plaats van immigratiebeperking. Een handjevol werkgevers komt de cao niet na. Zo krijg je overlast van bijvoorbeeld te veel Polen in een te klein huis. Ga als PvdA liever achter de vakbond staan, help ze. Dat is de basis van onze welvaartsstaat. En daar zou de focus van de politiek moeten liggen.”
Article printed from Nieuw Amsterdams Peil: http://napnieuws.nl
URL to article: http://napnieuws.nl/2011/10/21/pvda-zou-beter-kunnen-inzetten-op-nakoming-caos/
URLs in this post:
[1] www.rodekruis.nl/amsterdam: http://www.rodekruis.nl/amsterdam
[2] tentoonstelling: http://napnieuws.nl/2012/02/14/met-de-roltrap-langs-100-000-jaar-rokin/
[3] 2010: http://amsterdam.groenlinks.nl/bezuinigingen
[4] Laurens Ivens (SP): http://napnieuws.nl/2012/01/06/geen-centje-pijn-sp-fractieleider-laurens-ivens/
[5] Jan Paternotte (D66): http://napnieuws.nl/2012/01/27/geen-centje-pijn-d66-fractievoorzitter-jan-paternotte/
[6] Image: http://www.zemanta.com/
[7] berichtte : http://napnieuws.nl../2012/01/25/%E2%80%9Cexplosieve-groei%E2%80%9D-aantal-artistieke-zzp%E2%80%99ers/
[8] jeugdsportfonds: http://napnieuws.nl/2012/01/25/jeugdsportfonds-wil-meer-geld-voor-sportminnende-minima/
[9] http://www.os.amsterdam.nl/grafiek/5185/: http://www.os.amsterdam.nl/grafiek/5185/
[10] Alles ruikt naar chocola: http://www.allesruiktnaarchocola.nl
[11] Basha de Bruijn: http://www.bashadebruijn.nl/
[12] Buutvrij for Life: http://www.buutvrij.com/
Click here to print.
Copyright © 2009 Nieuw Amsterdams Peil. All rights reserved.