- Nieuw Amsterdams Peil - http://napnieuws.nl -

De klok slaat…eerder dan gedacht

Posted By Anne Hammers On februari 14, 2012 @ 16:28 In Algemeen, Column | No Comments

In iedere editie van NAP schrijft een van onze redacteuren een column over Amsterdam naar aanleiding van een tijdstip. Vandaag slaat de klok…eerder dan gedacht

“Je kunt er langs de grachten lopen, dat zou je eigenlijk wel eens moeten doen.” Het waren de bewegende beelden van het oude Amsterdam met de zoete stem van Kris de Bruyne op de achtergrond, die mij een half jaar geleden naar de hoofdstad deden verhuizen. De televisiereclame [1] verbeeldt de romantiek van de stad. Een vrachtwagen geladen met Old Amsterdam kaas rijdt langzaam over de grachten. Lachende kinderen met kniekousen rennen er achter aan en Kris de Bruyne zingt door. “Daar vind je Amsterdam.”

Old Amsterdam foto: Flickr

Old Amsterdam foto: Flickr

Als je de reclame ziet wens je dat je honderd jaar geleden geboren was. Net als wanneer je een retrolamp aanschaft of een stomme film kijkt. Een romanticus die in een eeuwig onvrede leeft met het hier en nu, zoekt liever zijn toevlucht in geschiedenisboeken, oude films en rommelmarkten. Of in kaas.

Hoe oud Amsterdam ook mag zijn, de historie van de stad is vakkundig samengevat in dat 29 seconden durende reclamespotje van een kaasmerk dat de suggestie wekt dat het ware Amsterdam op je tong smelt, zodra je er een stukje van hebt geproefd. Onder de zwarte korst probeert de fijnproever de smaaksensatie van Amsterdam te ontdekken.
Dat probeerde ik zelf ook. Wie zich door de drukte van toeristen en coffeeshops heen heeft geworsteld, komt vanzelf in het echte Amsterdam terecht, dacht ik. In die mooie stad zoals die vroeger was.Sinds een half jaar ben ik daarom woonachtig aan een van de romantische grachten, weliswaar in een in de jaren zeventig opgetrokken betonnen flat van Woonstichting de Key (wat zou hier vroeger hebben gestaan?). Iedere keer als een vrachtwagen moeizaam de ronding van het bruggetje voor mijn huis oprijdt hoop ik dat er ‘Old Amsterdam’ op de zijkant staat. Kris de Bruyne zingt mee. “Daar vind je Amsterdam”. Waar dan Kris? Waar dan?

Aan korsten moet je echter blijven peuteren. Journalisten horen te weten dat er onder een harde laag plastic smeuïge geheimen schuilgaan. De zwarte korst van Old Amsterdam verbergt een smaakexplosie die de historie van de stad samenvat in een rijpingsproces van hooguit tien weken. Een echte oude kaas rijpt op zijn minst zes maanden voordat we hem ‘oud’ mogen noemen. Old Amsterdam werd bedacht in 1985 en is een kunstgreep, wist culinair journalist Gerrit Jan Groothedde mij deze week te vertellen. Door middel van mysterieuze rijpingsprocessen waar een echte kaasboer zich ver van houdt, bereikt de kaas in enkele weken een smaak die de niet-kaaskenner als ‘oud’ typeert. Gemaakt van Duitse melk wordt de ‘oude kaas’ vervolgens in een plastic jasje gegoten dat niets met Amsterdam te maken heeft.

Old Amsterdam is een marketingstunt, die bestaat uit handig aan elkaar geknipte en gemanipuleerde zwart-witbeelden die een aan Weltschmertz lijdende romanticus zoals ik het water in de mond doen lopen. Voor mij deed de ontdekking van de ware identiteit van de Amsterdamse kaas de historie van de stad harder op haar grondvesten trillen dan de boor van de Noord/Zuid lijn. Geen oud recept, geen grachtenpanden en ook geen romantiek. Old Amsterdam is niet oud noch Amsterdams, net als ikzelf en de studentenflat waarin ik mijn intrek heb genomen. “Een knap gemaakte kaas, omdat het kan”, zei Groothedde aan de telefoon. “Omdat er alles kan”, zong Kris de Bruyne over de stad. Ook daar vind je Amsterdam.

De klok slaat… 16:00

Posted By Alexander Leeuw On februari 8, 2012 @ 16:26 In Algemeen, Column, Leven | No Comments

Bron: Flickr, nsikander28

Bron: Flickr, nsikander28

In iedere editie van NAP schrijft een van onze redacteuren een column over Amsterdam naar aanleiding van een tijdstip. Vandaag slaat de klok… 16:00.

In het weekend voelde ik het weer. Ik was bij mijn ouders op bezoek en realiseerde me dat de laatste editie van NAP Nieuws eraan zit te komen. Het wegvallen van de deadlines in combinatie met mijn vader die vanwege zijn traditionele winterdip zijn agenda voor de komende vijf jaar volplant met reizen, ontdooide mijn drang om naar het buitenland te gaan. Precies uitleggen waarom is moeilijk. Misschien doen de problemen met het openbaar vervoer door het weer denken aan landen waar ik geweest ben, waar de dienstregeling nog veel slechter is.

Het is een prettig geworden ritme bij NAP, waarbij op woensdag en vrijdag nieuws wordt verwacht. Sinds begin januari hebben de redacties Mooi, Leven en Stad zich op Amsterdam gestort. Deze tiende editie is op een bepaalde manier al het laatste: nummer elf wordt een themanummer, ‘Oud Amsterdam’. Helaas wordt het nieuws nu door twee kwesties gedomineerd, iets met Ajax en Cruijff en iets met ijs. Van Gaal is door het ijs gezakt, laten we het daar op houden. Met kriebels in mijn benen, die nog enigszins onderkoeld zijn, dwaalt mijn internetbrowser van Amsterdam naar wereldnieuws en bij de sfeeromschrijvingen en foto-essays droom ik weg.

Protesten in Moskou, oorlog in het Midden-Oosten, een smerige voorverkiezingscampagne in de Verenigde Staten: zoveel om over te schrijven, zo veel plekken om te bezoeken, zo weinig tijd.

De drang om te reizen heerst in obsessieve vorm onder de mannelijke kant van mijn familie. Mijn opa groeide op in Nederlands-Indië omdat zijn vader daar als marinier gestationeerd was. Sinds hij als tiener naar Nederland kwam heeft hij de vrijheid die hij daar voelde altijd gemist. Hij reisde, misschien daarom, met zijn vrouw en kinderen Europa rond. Mijn vader wilde vervolgens met mijn moeder de hele wereld over, en ik was de gelukkige die mee mocht.

Maar mijn dagdroom over landen die ik heb bezocht en wil bezoeken, begint te haperen. De winter die ik drie jaar geleden voor mijn studie doorbracht in Italië is de koudste winter uit mijn herinnering. Omdat huizen in Bologna vaak met enkel glas zijn uitgerust en slechte geïsoleerd zijn, is het bijna onmogelijk om aan kou te ontsnappen. En het wordt daar koud. Dit jaar is er al een dik pak sneeuw gevallen en de lage temperaturen zorgen voor problemen met de gasleidingen. Ook daar ontkomen ze niet aan ijsperikelen.

In Moskou zal het wel niet veel beter zijn. En hoewel de politieke kwestie in Rusland veel interessanter en belangrijker is dan het eindeloze gezever bij Ajax, komt het in feite op hetzelfde neer: een schrijnende combinatie van ego’s, geld en bureaucratie die zich maar voort laat slepen.

De clash in de Verenigde Staten tussen Mitt Romney en Newt Gingrich in de Republikeinse kandidaatsverkiezingen laat zich gemakkelijk daarbij plaatsen. Normaal gesproken wordt er weinig aandacht aan de voorverkiezingen besteed, maar deze race om het presidentkandidaatschap  is dusdanig smerig dat die breed wordt uitgemeten in het nieuws.

Zelfs het nieuws uit het Midden-Oosten werd even gedomineerd door het voetbal. Bij grimmige rellen in Egypte tussen voetbalclubs Al Masry en Al Ahly vielen enkele tientallen doden en honderden gewonden.

Overal is hetzelfde patroon te vinden. Het nieuws in Amsterdam is een spiegel voor de rest van de wereld, of ligt in het verlengde ervan. Deze overweging brengt even de rust bij mij terug. Het doet me anders kijken naar NAP Nieuws. De deadline van deze voorlaatste editie staat op vier uur ‘s middags, als het acht uur ’s ochtends is in Colorado en zeven uur ’s avonds in Moskou. Eindelijk heb ik dan tijd om te gaan schaatsen. Maar het begint te dooien.

De klok slaat… onder nul

Posted By Teri Van Der Heijden On februari 3, 2012 @ 16:36 In Algemeen, Column, Stad | No Comments

In iedere editie van NAP schrijft een van onze redacteuren een column over Amsterdam naar aanleiding van een tijdstip. Vandaag slaat de klok… onder nul.

Oudhollandse wintertaferelen, door Hendrick Avercamp. Foto: Wikimedia Commons

Oudhollandse wintertaferelen, door Hendrick Avercamp. Foto: Wikimedia Commons

“Wie is wethouder IJs?” Het was een serieuze vraag tijdens de stadsdeelraadvergadering Centrum deze week. Na enige verwarring werd vastgesteld dat de portefeuille IJs moest vallen onder die van de stadsdeelwethouder Openbare Ruimte. Aanleiding waren de zorgen over ruwe verstoring van prille ijsvorming op de grachten. Verwoesting van de vroege ijsvloer moest koste wat kost vermeden worden, meende D66-deelraadslid Thijs Kleinpaste. “Zou het niet geweldig als we straks kunnen genieten van Avercampachtige taferelen.”, mijmerde het 22-jarige raadslid, refererend aan de Oudhollandse schilder Hendrick Avercamp. “Een scène op het ijs in 2012.”

Amsterdam zou Amsterdam niet zijn als de verantwoordelijke wethouder geen regels had om zich aan te houden. De Amsterdamse ijscodes zijn vastgelegd in de zogenoemde IJsnota uit 1979. Een gewaardeerd document dat niets aan het toeval overlaat. Bij “beginnende ijsvorming” en voorspelling van vijf nachten “minimaal nachtvorst” gaat er een vaarverbod gelden. Meting van ijsvorming is uitbesteed aan Waternet. Weersvoorspellingen aan het KNMI. “Aanhoudende dooi” is het criterium voor opheffing van het vaarverbod, zo valt te lezen in paragraaf 2.2.1. Glashelder.

Toch ging het twee winters geleden gruwelijk mis met de beginnende ijsvloer op de Keizersgracht. Een onwetende rondvaartboot boorde zich genadeloos een weg door de jonge ijskristallen. Er was nog niet genoeg nachtvorst voorspeld om een vaarverbod af te kondigen. Het leidde tot diepe verontwaardiging en schriftelijke vragen aan het stadsdeelbestuur. Was het niet mogelijk om de brandweer het geruïneerde ijs te laten herstellen? En kon de rondvaartrederij aansprakelijk worden gehouden voor de geleden schade?

Een dergelijk debacle zou Amsterdam dit jaar niet weer overkomen. Na de warmste januarimaand in driehonderd jaar, beloofde februari wel winter naar Nederland te brengen. Het kwik was nauwelijks onder nul gedaald of schaatsfanaten drongen erop aan de IJsnota van kracht te laten worden. Hoe eerder hoe liever. De frustratie was groot toen het Waterschap afgelopen dinsdag wel de gemalen stillegde en een vaarverbod afkondigde, maar in de Amsterdamse grachten nog altijd het gebruikelijke vaarverkeer navigeerde.

“We doen constant metingen om te kijken of er al ijsvorming is”, verontschuldigde een woordvoerster van Waternet zich. Dik ingepakte mannen balancerend op de kade, die onophoudelijk verifiëren of het bruine grachtenwater nog steeds waterig is. “Maar het duurt in Amsterdam gewoon altijd langer.” Een zweem van wanhoop klonk door in haar stem. Hoe graag ze ook goed nieuws wilde brengen, de meetinstrumenten van de Waternetwerkers liegen niet.  En de IJsnota is onverbiddelijk: pas bij ijsvorming worden de vaarverbodsborden gehesen.

Het verlossende woord kwam gisteren. Waternet gaf groen licht en het vaarverbod ging officieel van kracht. Wethouder IJs kon opgelucht ademhalen. Kritische vragen over ontnomen schaatsplezier waren voorlopig afgewend. Geen boot zou Thijs Kleinpaste en andere schaatsminnende Amsterdammers nog beletten straks de ijzers onder te binden en een rondje Jordaan te schaatsen.

Zij het niet op de gewenste spiegelgladde ijsvloer. De IJsnota voorziet niet in maatregelen tegen sneeuw.

De klok slaat… 22:22, alweer

Posted By Haro Kraak On februari 1, 2012 @ 16:34 In Algemeen, Column, Mooi | No Comments

In iedere editie van NAP schrijft een van onze redacteuren een column over Amsterdam naar aanleiding van een tijdstip. Vandaag slaat de klok – voor de zoveelste keer – 22:22.

Foto: Haro Kraak

Foto: Haro Kraak

Dat gebeurt mij weer. Het houdt nooit op. Overal en altijd zie ik diepere lagen. Patronen, verbanden, sjablonen, complotten. Toeval bestaat niet. Ik weiger te geloven dat alles zonder reden gebeurt. Ik voel dagelijks hoe van hoger hand met mijn lot gespeeld wordt. Vanochtend weer. Ik werd wakker. Mijn wekker had ik om 8:30 gezet. En wanneer ontwaakte ik? Precies, om 8:29. Zo gaat het dus altijd.

Na het ontbijt las ik de krant, waarin ik vijftien keer het woord “steevast” tegenkwam. Nog zoiets. In een opiniestuk stond het woord “rapaille”. Ik pakte mijn woordenboek erbij en zag dat het gepeupel betekent. Gedurende de dag zag ik het woord nog vier keer. Dat bestaat toch niet? Nog nooit van een woord gehoord hebben en het dan vijf keer op één dag tegenkomen. Ik zeg het je, ze spelen met me.

Toen de krant uit was en ik klaar was om naar mijn werk te gaan, keek ik nog een laatste maal op mijn telefoon. 11:11. Ik negeerde het idiote getal en stapte op de fiets. Op mijn werk dronk ik een kop koffie. Die deed al snel zijn werk. Iets te snel. Mijn hoofd raasde en mijn darmen gierden. Ik rende naar de WC, plofte neer op de bril en ontspande mijn spieren. Bijgekomen van de acute ontlading greep ik naar de wc-rol. Een leeg kartonnetje bungelde om de ijzeren houder. Niks aan de hand, rustig blijven, die dingen gebeuren.

Ik loste de papiernood op door met mijn broek half over mijn billen bij de dames te buurten. Met lichte tegenzin waste ik daarna mijn handen met water. Zeep is niet te vertrouwen. Wat je allemaal niet kunt doen met die kleverige melkachtige substantie, ik wil er niet eens aan denken. De mens is van nature slecht, dat wisten de oude Chinezen al. Het tegendeel is sindsdien nooit bewezen.

Achter mijn bureau vond ik wat rust. Hoewel het internet een bron van achterklap, samenscholing en complottheorieën is, maakt het mij altijd kalm. Al surfend dutte ik weg. Een vreemde beltoon die uit mijn zak kwam wekte mij. Ik greep naar mijn telefoon en kon niet anders dan concluderen dat iemand mijn telefoon van stil had gezet. Het was mijn huisgenoot die belde. Of hij mijn laptop even kon gebruiken. Dat mocht. Was het wachtwoord nog steeds “puffdaddy”? Was hij gek geworden? Dat soort dingen zeg je toch niet over de telefoon? Iedereen weet dat er geen enkel land is waar er zoveel wordt afgeluisterd als in Nederland.

Een paar uur later had ik eindelijk wat werk verzet. Ik moest nog wat geld overmaken en pakte mijn e.dentifier erbij. Ik drukte mijn pinnummer in op het apparaatje en er verscheen een nummer op het beeldscherm. 6667 7776. Even moest ik lachen. Ik ben niet goed met cijfers, maar ik zou zweren dat ik de codes van internet bankieren zou kunnen kraken. Er zit altijd een patroon in. 1404 1044. Zie je het?

Om acht uur was ik klaar met werk. Ik had de lunch overgeslagen dus ik moest snel even wat eten. De snelste en goedkoopste hap was de FEBO om de hoek. Ik liep langs de automatiek en bestelde bij de man achter de kassa een broodje kroket. Hij keek me vermoeid aan en wees naar de luikjes op de muur. Of ik daar niet een kroket uit kon trekken. Ik legde de man uit dat er tal van kwajongens zijn die daar twee euro ingooien, het luikje open doen, een ecstasypil tussen het broodje verkruimelen en het dan weer keurig terugleggen. En dan kijken wat er gebeurt. Om mijn punt kracht bij te zetten wees ik de man op het groepje pubers dat tegenover de snackbar om een scooter heen stond. Ze hadden het duidelijk op mij gemunt.

Met de eerste hap brandde ik mijn verhemelte aan de vers gebakken kroket. Die had ik aan kunnen zien komen. Thuis aangekomen liet ik me vallen op de bank en zette de tv aan. Een fijne verrassing: Jules Deelder was op De Wereld Draait Door. Het is altijd een kleine troost om andere getormenteerde zielen aan te horen. Maar het mocht niet baten. De aftiteling verscheen al in beeld en Matthijs van Nieuwkerk rondde het gesprek af. Ik zuchtte, ik gaapte en ik liet de irritatie van me afglijden. Vredig viel ik in een diepe slaap. Totdat ik wakker schrok uit een angstdroom. Ik keek op mijn telefoon. 22:22. Dat heb ik weer.

‘Liever geen dronken bezoekers. Heroïnegebruikers zijn veel relaxter’

Posted By Frank Huiskamp On januari 27, 2012 @ 16:50 In Achtergrond, Algemeen, Column, Interview, Leven | No Comments

'Aardige Amsterdammer' Herman Kuijl voor het standbeeld op de Droogbak. Foto: Frank Huiskamp

Kuijl voor het standbeeld dat vorige week gelijktijdig met zijn uitverkiezing werd onthuld als eerbetoon aan alle Amsterdammers die zich inzetten voor kwetsbare mensen. Foto: Frank Huiskamp

Herman Kuijl (48) werd een week geleden in het bijzijn van burgemeester Eberhard van der Laan onderscheiden als de eerste ‘Aardige Amsterdammer’. Initiatiefnemer was de Stichting De Regenboog Groep, die zich met name inzet voor verslaafden en dak- en thuislozen. Nu, een week vol aandacht later, zoekt NAP hem op. Wie is de man achter de titel?

AMSTERDAM, 27 januariHij roert lachend met een havermoutkoekje dat nog in de verpakking zit de suiker door zijn koffie. Herman Kuijl kon even geen lepeltje vinden. “Zo kan het ook.” Onderweg naar de kleine vergaderruimte werd hij nog afgeleid door twee luid joelende vrouwelijke collega’s. “Ik wil wel een foto met de celebrity”, riep de een. De andere was naar eigen zeggen helemaal van haar a propos. “Ik had heel veel mensen nog niet gezien, want ik werk alleen op donderdag hier. Vandaar.” Precies een week geleden werd Kuijl benoemd tot de eerste ‘Aardige Amsterdammer’, voor zijn vrijwilligerswerk met verslaafden, dak- en thuislozen. Hij is al tien jaar werkzaam voor inloophuis Blaka Watra van Stichting De Regenboog Groep. Streng zijn zit er niet echt meer in. Hij lacht. “Ik ben wel dé Aardige Amsterdammer natuurlijk.”

Persoonlijk leed had hem naar zijn huidige werk gebracht. Jarenlang had de Beverwijker op booreilanden gewerkt als lasinspecteur, toen hij een keer thuiskwam met een enorme pijn in zijn darmen. Drie maanden lag hij in het ziekenhuis met colitis ulcerosa, een ontsteking van de dikke darm. “Dood- en doodziek was ik. Ik woog nog maar 45 kilo, kon mijn armen niet eens meer optillen. Ik heb echt bijna op sterven gelegen.” Enorm dankbaar was hij voor de verzorging die hij in het ziekenhuis had gekregen van vrijwilligers. Een baan kon hij daarna niet meer krijgen. Nog steeds niet, want hij ondervindt nog steeds hinder van de aandoening.

Wegkwijnen op de bank was voor Kuijl geen optie Hij wilde iets doen voor een “heel kwetsbare groep”. Als symbolische dank voor de vrijwilligers die hem hadden geholpen. Dak- en thuislozen hadden hem altijd al gefascineerd. “Ik had ook voor bejaarden kunnen kiezen, ook heel dankbaar werk hoor, maar dat zag ik niet voor me.” Niet problematisch genoeg, erkent hij lachend. “Nee, en ik wilde een levendige groep.” Bij Blaka Watra kreeg hij een “doorstuurfunctie”: hij is een vraagbaak voor bezoekers en brengt hen in contact met andere instanties.

Kuijl lacht al hard voordat de vraag over zijn eerste dag bij Blaka Watra geheel is gesteld. “Het was net alsof ik een film beland was. Wel een heel leuke. Een beetje One Flew Over the Cuckoo’s Nest. In een kleine gebruikersruimte liep vijftig man door elkaar, schreeuwend en rokend. Het was één chaos in het begin. Ik heb me kapot gelachen, maar het vergde veel energie in het begin, al die nieuwe indrukken.”

Er is veel veranderd in tien jaar, zegt hij. Niet zomaar iedereen kan het inloophuis binnen komen wandelen. Mensen die een intakegesprek hebben gehad, komen meteen binnen. In essentie kan iedereen zo’n gesprek krijgen en binnenwandelen. “Alleen heb ik liever geen dronken bezoekers. Liever drugsgebruikers, die zijn veel beter te hanteren. De effecten van drugs zijn veel beter te voorspellen. Heroïnegebruikers zijn veel relaxter. Tot dronken mensen kun je maar moeilijk doordringen. Maar we hebben een goede portier.”

Inlevingsgevoel en geduld zijn onmisbaar bij dergelijk vrijwilligerswerk. Het blijkt uit Kuijls anekdotes. Hij herinnert zich een zeker moment met een nieuwe vrijwilliger van een paar jaar geleden. “Het was een heel lieve vrouw die te maken kreeg met een bezoeker die begon te schelden en tieren. Die had iets meegemaakt op straat met de hulpverlening. De tranen stonden bij de vrouw in de ogen. Na een half uur is ze weggegaan en ik heb haar nooit meer gezien.” Hij onderdrukt zijn lach. “Je moet boze mensen laten uitrazen, je weet nooit wat er is gebeurd. Een beetje inlevingsgevoel hebben, mensen worden niet zomaar kwaad. Op een gegeven moment bouw je zo’n band op met mensen dat ze makkelijker te benaderen worden.”

Een dergelijke band is soms heel sterk en persoonlijk. Kuijl vertelt over zijn tijd als ‘buddy’, waarin hij ex-verslaafden of –daklozen hielp re-integreren in de maatschappij. Sommigen haalde hij uit een sociaal isolement. Met een vrouw die voor achtereenvolgens een drugs- en een alcoholverslaving werd geholpen in de Amsterdamse Jellinek-kliniek doorliep hij vier jaar een heel proces. “Ze kon eerst heel moeilijk weer de routine vinden in haar leven. Ze was onzeker. Dan is het prettig als er iemand is die ze helpt met problemen als schuldsaneringen en die ook leuke dingen met ze doet.”

Kuijl zag haar opbloeien. “Maar zij was een zeldzaam geval. Met de meeste mensen loopt het niet zo goed af. Helaas.” Zo maakte hij kort geleden, niet voor de eerste keer, mee dat een man voor wie hij ‘buddy’ was kwam te overlijden. “Hij was al zo ver heen. Hiv, longontsteking om de haverklap. En dat allemaal op straat. Dat doet je natuurlijk wel iets, maar je kunt niet alle problemen meenemen. Hoe sneu dat ook is.”

Kuijl slaapt naar eigen zeggen slecht vanwege zijn darmaandoening. “Het is een beetje het grootste euvel in mijn leven.” Maar hij houdt het prima vol, energie kost het werk hem niet meer. Hij praat al over “de volgende tien jaar”, aan stoppen moet hij niet denken. Ook niet na een slechte nacht. “Nee, het is helemaal niet moeilijk om aardig te zijn. Als je altijd onaardig en chagrijnig bent, heeft dat zijn weerslag op je eigen leven. Ik wil écht voorkomen dat ik naast mijn ziekte ook nog in een negatieve spiraal terechtkom.”

Samenwerking UvA en VU: een academisch verstandshuwelijk

Posted By Teri Van Der Heijden On januari 27, 2012 @ 16:42 In Achtergrond, Algemeen, Column, Leven, Mooi, Reportage, Stad, film | No Comments

UvA. Foto: Wikimedia Commons

UvA. Foto: Wikimedia Commons

Als het aan Den Haag ligt, gaan Nederlandse universiteiten meer samenwerken. Ook de Universiteit van Amsterdam (UvA) en de Vrije Universiteit (VU) halen de banden aan. Wat levert samenwerking tussen de UvA en de VU eigenlijk op? En welke nadelen brengen een intieme verbintenis tussen de twee met zich mee?

AMSTERDAM, 27 januari – Samenwerking is de enige manier om genoeg geld voor onderzoek en onderwijs bij elkaar te harken, stellen voormannen Paul Doop (UvA) en René Smit (VU) tijdens een debat in Pakhuis de Zwijger afgelopen woensdag. “En samenwerking moet natuurlijk ook bijdragen aan de kwaliteit van onderwijs en onderzoek”, laten ze niet na te vermelden. Maar veelvuldige herhaling van dit mantra kan de bottom line niet verhullen: samenwerking gaat over euro’s.

De VU. Foto: Wikimedia Commons

De VU. Foto: Wikimedia Commons

Nederlandse universiteiten moeten zich scherper profileren en meer samenwerken, vindt staatssecretaris Halbe Zijlstra (Hoger Onderwijs, VVD). Door samenwerking kunnen kleine onderzoeksgebieden overeind gehouden worden, en generen universiteiten meer geld. “Strategische allianties aangaan”, heet dat in Den Haag. Een verstandshuwelijk, heet dat in de volksmond. De twee Amsterdamse universiteiten verkennen de mogelijkheden.

Op de UvA ontstond vorige week een kleine rel toen bekend werd dat docenten klassieke talen David Rijser en Piet Gerbrandy geen vaste aanstelling krijgen. De twee hadden een tijdelijk contract, maar was een vaste aanstelling beloofd, schrijft Folia Magzine. De samenwerking tussen de UvA en de VU zou één van de redenen zijn dat de twee het veld moeten ruimen. Frank van Vree, decaan van de Faculteit der Geesteswetenschappen, zegt dat vanwege onduidelijkheid over samenwerking tussen de UvA en de VU geen besluit genomen kon worden over een vaste aanstelling voor Rijser en Gerbrandy. Nu samenwerking vaststaat, wordt duidelijk welke vacatures worden vrijgegeven. “Dan komt uiteraard ook de positie van de twee docenten weer ter bespreking”, zegt Van Vree. De twee docenten hadden ondertussen al bezwaar aangetekend. Dinsdag vond een hoorzitting plaats. De betrokkenen willen niet inhoudelijk op de zaak ingaan.

De innigste verstrengeling tot nu toe tussen de twee is de gemeenschappelijke tandheelkundefaculteit, Acta. Eén opleiding in één gebouw, gerund door zowel UvA- als VU-personeel. Daarnaast bieden de universiteiten gezamenlijke bèta-masters aan, onderbracht in de gemeenschappelijke Amsterdam Graduate School of Science (AGSS). Er wordt bekeken of samenwerking op bachelorniveau op dit vlak ook mogelijk is. Maar samenwerking is niet voorbehouden aan de bèta’s. De alfafaculteiten van de UvA en de VU gaan hun krachten bundelen op het gebied van oudheidsstudies en archeologie, in het nog op te richten Amsterdam Centre for Ancient Studies and Archeology (Acasa). Het is deze voorgenomen samenwerking die klassieke talendocenten David Rijser en Piet Gerbrandy mogelijk hun baan kost (zie kader).

Over de baten van de samenwerking zijn de twee bestuursvoorzitters het in grote lijnen eens. Zo is krachtenbundeling onvermijdelijk om kleine studies “in de lucht te houden”, zegt VU-topman Smit. Als voorbeeld noemt hij de studies chemie en natuurkunde. Samenwerking maakt het aanbod bovendien diverser: het moet voor studenten mogelijk worden om vakken te ‘shoppen’ bij de andere universiteit, legt Doop uit. Het leidt tot hoon in de zaal. “Nu al moet je als student aan tienduizend touwen trekken om een vak te volgen bij een andere faculteit. Laat staan bij een andere universiteit”, zegt een student. De bestuurders geven toe dat er organisatorisch nog een één en ander verbeterd kan worden, maar laten zich daardoor niet ontmoedigen.

Op het vlak van onderzoek opent samenwerking ook deuren, denken de voorzitters. Naar duur, ingewikkeld onderzoek en een hoge notering op internationale rankings. Maar ranglijstjes mogen van mededebater Ewald Engelen, UvA-hoogleraar financiële geografie, geen argument zijn. Kleine universiteiten als Oxford en Cambridge voeren die lijstjes nog altijd aan, grootte is geen kwaliteitsgarantie. Bovendien, vindt Engelen, is de aanwezigheid van twee universiteiten in één stad is een rijkdom, die studenten keuzevrijheid biedt. De scheiding tussen de twee moet gekoesterd worden, in plaats van weggevaagd.

Maar, Engelens argumenten ten spijt, de scherpe scheiding tussen de twee Amsterdamse instellingen wordt waarschijnlijk alleen maar minder. “Den Haag schreeuwt om samenwerking”, zegt Doop. Dus samenwerken zullen ze. Samenwerkende universiteiten krijgen meer geld dan andere, legt Doop uit, en dat geld gaan de UvA en de VU binnenhalen. “Zo competitief zij we dan ook wel weer”, bekent hij. “Zorgvuldigheid gaat voor snelheid. Maar we moeten ook handelen.”

Column: De klok slaat te weinig op tijd

Posted By Steffi Weber On januari 27, 2012 @ 16:38 In Column | No Comments

Fiets in Amsterdam Foto: Massimo Catarinella via Wikimedia

Fiets in Amsterdam Foto: Massimo Catarinella via Wikimedia

In iedere editie van NAP schrijft een van onze redacteuren een column over Amsterdam naar aanleiding van een tijdstip. Vandaag slaat de klok te weinig optijd.

Ik ben een groot voorstander van fietsen. Altijd geweest. Ik zal nooit begrijpen hoe het mogelijk is dat schijnbaar geestelijk gezonde mensen ’s ochtends vrijwillig in een bus of tram stappen om vervolgens tegen chagrijnige mensen met slechte ochtendadem gedrukt te staan. Bizar. Fietsen is één van de redenen waarom ik vanuit Zwitserland naar Amsterdam ben verhuisd.

Mijn fietsfanatisme begon al op de basisschool en op jonge leeftijd had ik de kunst van fietsen in de stad geperfectioneerd. Daarbij had ik altijd maar één doel: efficiëntie. Het gaat erom dat je zo lang mogelijk in bed kunt blijven liggen om vervolgens zo stressvrij mogelijk naar school te fietsen. Altijd in je achterhoofd houdend dat je daar geen minuut te vroeg mag aankomen, want iedere minuut dat je in het klaslokaal zit te wachten had je langer in bed kunnen liggen. Perfecte timing, daar gaat het om.

Om dat te bereiken ben je aangewezen op een goede infrastructuur. Goede fietspaden zijn uiteraard één voorwaarde. Nog belangrijker zijn klokken. Zoveel mogelijk, zo groot mogelijk en het liefst overal langs de straat. Alleen dan kun je je fietstempo aanpassen om perfect op tijd op de gewenste locatie aan te komen. Klokken zijn essentieel.

Maar juist op dat gebied bleek fietsmekka Amsterdam een deceptie. De klokken in de stad zijn net zo voorspelbaar als een toerist op een rode MacBike. En dan heb ik het niet over klokken die voor- of achterstaan, die vallen nog mee. Daarmee kun je rekening houden. Als de kerktoren bij de Hugo de Vrieslaan op kwart voor negen staat, weet ik dat het in werkelijkheid pas twintig voor negen is en ik goed in de tijd zit. Leuk is anders, maar het went.

Noorderkerk in Amsterdam Foto: Marion Golsteijn via Wikimedia

Noorderkerk in Amsterdam Foto: Marion Golsteijn via Wikimedia

Vermoeiend wordt het pas als de gemeente de klokken op tijd gaat zetten. Dan staat de kerkklok bij mij om de hoek ineens op kwart voor negen en kom ik vijf minuten te laat. Het is de frustrerende onvoorspelbaarheid van de Amsterdamse klokkenverzetters: ze kunnen ieder moment toeslaan, zonder waarschuwing.

In Zwitserland heb je dat probleem niet. Niet dat ik er ooit empirisch onderzoek naar heb verricht, maar ik schat het aantal Zwitsers dat de gemeente belt zodra een stadsklok stilstaat op 57,3 procent. Het probleem wordt dezelfde dag nog opgelost. In Nederland zal dit volgens mijn schatting ongeveer 0,1 procent zijn – hierdoor kan het maanden kan duren voor de klok wordt gerepareerd. Of het gebeurt nog in dezelfde week, er valt simpelweg geen peil op te trekken.

Nu weet ik uiteraard dat je de verantwoordelijkheid voor je eigen geluk, of in dit geval je eigen stiptheid, nooit bij een ander mag leggen. Daarom kocht in Zwitserland een horloge. Dat liep op atoomtijd, kon niet missen. Dacht ik. Maar al fietsend op je horloge kijken bleek moeilijker dan verwacht, al helemaal als je nog een beetje leuk wilt overkomen. Het vereist enige oefening om met een sexy handgebaar je mouw omlaag te schudden om vervolgens nonchalant op het horloge te kijken. Al helemaal in Amsterdam. De kans dat je de tramrails over het hoofd ziet, is levensgroot. En sexy op je bek gaan, dat kan niet. Net zomin als dat je op een sexy manier iets uit je neus kunt hebben hangen. Maar dat terzijde.

Ik pleit daarom voor meer transparantie in het Amsterdamse ‘klokken-optijd-zet-beleid’. Misschien moet de gemeente een sms-alert overwegen waarmee ze burgers waarschuwen als ze klokken op tijd gaan zetten. Of ze doen het iedere eerste maandag van de maand, samen met het luchtalarm. Lekker gemakkelijk. Er valt heus wel wat te verzinnen. Tot die tijd blijf ik te laat komen. Mooi excuus ook. En anders staat er wel een brug open.

De klok slaat… van 7.38 tot 17.44

Posted By Kick Hommes On januari 25, 2012 @ 16:34 In Column, Stad | No Comments

In iedere editie van NAP schrijft een van onze redacteuren een column over Amsterdam naar aanleiding van een tijdstip. Vandaag slaat de klok van 7.38 tot 17.44.

Opstaan. 7.38 gaat de wekker. Te vroeg, zeker nog 22 minuten blijven liggen. Verwarming alvast op stand 3 zetten, wordt het lekker warm als je om 8 uur onder je deken uitkomt. Douchen. Maar 53 liter in de boiler hebben zitten. Daar kan je het net 27 minuten en 33 seconden mee doen. Zeker 4 kopjes koffie drinken, brood eten van €1.08 per pak. Dat moet goedkoper kunnen.

foto: http://www.atheistconnect.org

foto: http://www.atheistconnect.org

15 minuten naar de UvA fietsen op de 2e-hands fiets die je hebt gekocht voor 108 euro. Aangehouden worden op de hoek van de Haarlemmerstraat en de Korte Prinsengracht, omdat de politie je serienummer wil controleren. Fiets op zijn kop, nummer 60011309502107. Niks aan de hand, de fiets is niet gestolen. Doorfietsen langs het buurtcafé. Er staat een bord buiten. Koffie met appelgebak, €2,95.

Aankomen in je lokaal, 0.14. Computer opstarten. Je studentnummer intypen, 5879566. Wachtwoord. Zeg ik hier niet. Firefox versie 2.241 opstarten. Gebruik maken van de 15 seconden opstarttijd om te kijken hoe laat het is. 9.05 uur. Vijf minuten te laat. Niet getreurd, ook maar vijf minuten langer doorwerken.

Koffie halen in de automaat met serienummer 117430. Ik wil graag keuze 1, koffie. Extra suiker is niet nodig, wel nog even twijfelen over de sterkte van de koffie. Toch maar neutraal op 3 laten staan. 5 was nogal sterk geweest. Chipknip in de automaat stoppen. Twee keuzes. 1: Maestro, 2: Chipknip. Voor keuze 2 kiezen, 35 cent betalen. Smerige koffie drinken.

Even naar buiten. Rondje lopen om cadeautjes te kopen, maar tijdens het wandelen naar het toilet moeten. Binnengaan bij ‘2theloo’ in de Kalverstraat, toch wat schoner dan een Dixi mobiel toilet. 1 euro betalen om het toilet uit te proberen. Waardebon van 50 cent krijgen voor een volgende keer. Aangetrokken worden door de ‘alles voor 1 euro-actie’ op nummer 41. Uitverkoop bij de Blokker.

Om 17.05 besluiten naar huis te gaan. Helaas een lekke band. Is ook niet de eerste keer dat dat gebeurt. Voor 8 euro besluiten de band te laten plakken. De fiets is morgenochtend 9.00 uur op te halen. Twijfelen hoe naar huis te gaan. Nog even op de computer de routeplanner op 9292ov.nl bekijken. Of toch met 1 van de 300 elektrische Car2go-Smarts? Nee, toch maar met de tram vanaf het Spui naar het centraal station. Keuze uit tram 1, 2, 5,16 of 24, 14,9 of 4. De 5 komt het eerst. Twee haltes, maar ik moet daarna nog met bus 48.

Bij de bushalte afgeleid worden door twee telefoonaanbiedingen. 800 belminuten voor €20,00 euro per maand, of toch de 10=25-actie van Lebara? Bus 22 komt eerder dan de 48. Het glas in de bus is van de firma Pilkington, het glasplaatnummer is e1 43r-00159. Ik zit op een van de 263 plekken in de bus. Achter me horen zeggen dat drie rijlessen plus afrijden 400 euro kost. Schouders ophalen. Heb al drie jaar een rijbewijs.

Tijdens de busrit Facebook openen op je mobiel. Kijken naar wat je 314 vrienden uitspoken. Drie nieuwe meldingen hebben. Zeven mensen vinden je profielfoto leuk. Ook nog even Twitter bekijken. Weer zes nieuwe followers erbij hebben. 83 nu in totaal.

Ge-sms’t worden door een vriend, berichtje nummer 1089. ‘Kom je eten vanavond?’ Zeggen dat je twijfelt. Ondertussen muziek luisteren op je iPod. 6083 nummers op shuffle. Genieten van ‘Summer of 69’, Bryan Adams. Ondertussen belt die vriend om me toch over te halen.

17.44 thuis op nummer 845.

Dit is een dagelijkse dag in Amsterdam. Cijfers om je heen, alles heeft een nummer. Maar dan zie je die naam van je vriend op je telefoon. Je ziet de naam, maar het nummer weet je niet. Die acht cijfers van het telefoonnummer? Geen idee, het interesseert je ook niet. Je vertrouwt blindelings op de naam en de foto van die vriend, met zijn zwarte krullen. Vijf jaar geleden wist ik nog huisnummers van verre vrienden, nu weet ik het nummer van mijn naaste familie niet eens. Ergens is dat wel een beetje gek.

De klok slaat… na drieën op een vrijdagnacht

Posted By Geertje Tuenter On januari 20, 2012 @ 16:32 In Algemeen, Column, Stad | No Comments

In iedere editie van NAP schrijft een van onze redacteuren een column over Amsterdam naar aanleiding van een tijdstip. Vandaag is het drie uur ’s nachts geweest op een vrijdagavond. Sluitingstijd. Wat heeft Amsterdam nog te bieden?

Het Leidseplein Foto: kevinrosseel via morguefil.com

Het Leidseplein Foto: kevinrosseel via morguefile.com

Als middelbare scholier waren mijn weekenden overzichtelijk. Ik besteedde mijn avonden in Bogy’s Beach Bar, een danscafé in Doetinchem waar uitsluitend commerciële rap en R&B werd gedraaid. De variatie die de dj inbracht had vooral van doen met de volgorde van de nummers. Van ‘Get Busy’ van Sean Paul, naar ‘Yeah’ van Usher tot Nelly met ‘Ride wit me’. of andersom natuurlijk. En gedanst werd er, tot na vijven!

Bogy’s Beach Bar is niet meer. Ik heb het faillissement niet mee hoeven maken, want ik was verhuisd naar de Grote Stad, Amsterdam. De verwachtingen waren hooggespannen. Eindelijk kon ik een mondainer nachtleven omarmen. De teleurstelling was dan ook groot toen op mijn eerste vrijdagavond in de kroeg de lichten aan gingen om drie uur ’s nachts. Drie uur! Dat was in de Chocolate Bar in De Pijp, die was toen hip.

En dan moeten er keuzes gemaakt worden. Optie 1: De Mazzeltof. Ietwat volkse nachtkroeg met twee fruitautomaten. In de vroege avond leeg op randfiguren/stamgasten na, ’s nachts na sluiting van andere kroegen zo vol als een metro in Tokio tijdens de spits. Wel lekker dichtbij. Optie 2: Door naar het Leidseplein. Daar wachten bijvoorbeeld de Bubbels of het Cool Down Café. Men drinkt er shotjes uit minibierpullen. Er wordt feestmuziek gedraaid. Ieder nummer wordt na een minuut afgekapt. Allebei dus fout. Anders kan blijkbaar niet op de late avond.

Beide opties heb ik uitgebreid verkend. Vaak was het erg gezellig, maar vaak ook niet. En voordat iedereen protesteert: natuurlijk had ik ook naar bijvoorbeeld Trouw kunnen gaan, een club aan de Wibautstraat in het voormalige pand van de krant of naar Studio 80 aan het Rembrandtplein. Maar de klok had drie geslagen, dus daar was het nu te laat voor. En in de hoofdstad moet een mens toch ook in een gewoon café kunnen staan.

Ik ben niet de enige die zich ergert aan het openingsbeleid en aanbod van horeca. De actiegroep Ai!Amsterdam richt zich tegen de vertrutting van het Amsterdamse nachtleven. En even leek het of de lobby zin had. Er werd aangekondigd dat de openingstijden van cafés en clubs werden vrijgegeven. Vals alarm! De politie was er niet van gecharmeerd en burgemeester Van der Laan trok het plan vorig jaar weer in.

Een compromis werd snel gevonden in de 24-uurstenten. Tien locaties in Amsterdam zouden een vergunning krijgen om de hele nacht open te blijven. Dat lijkt er meer op, dacht ik. Al snel werd duidelijk dat er waarschijnlijk maar drie clubs een 24-uursvergunning krijgen. De andere vergunningen worden verdeeld onder musea, bioscopen, restaurants of winkels.

Persoonlijk is mijn behoefte aan kunst op vrijdagnacht na drieën wat lager dan gemiddeld. Bovendien zou ’s nachts schoenen kopen zelfs erg onverstandig kunnen zijn. Een lichtpunt: waarschijnlijk zijn er ook cafés die straks 24 uur open mogen. Nu nog duimen dat de foutheidsfactor tot een minimum wordt beperkt.

Hopelijk helpt het. Want heel soms verlang ik nog terug naar Bogy’s Beach Bar. En dat kan de bedoeling niet zijn.

SGP-jongeren ‘flirten’ met Asscher

Posted By Steffi Weber On januari 18, 2012 @ 17:00 In Achtergrond, Algemeen, Column, Genre, Interview, Nieuwsverhaal, Stad, film, serie | No Comments

Lodewijk Asscher Foto: Jan Arkesteijn via Wikimedia

Lodewijk Asscher Foto: Jan Arkesteijn via Wikimedia

AMSTERDAM, 18 januari – Lodewijk Asscher (PvdA, Financiën) is kandidaat voor de SGP-jongerenprijs. De Amsterdamse wethouder komt daarvoor in aanmerking omdat hij zegt open te staan voor de strafbaarstelling van prostitutie. Dat bevestigt zijn woordvoerster.

De zogeheten Oranje Boven-prijs wordt sinds 2007 jaarlijks uitgereikt aan iemand die zich inzet voor waarden die de orthodox-christelijke partij aanspreken. Asscher opperde afgelopen oktober de invoering van het ‘Zweedse model’, mocht de Nederlandse aanpak van gedwongen prostitutie en vrouwenhanden in de seksbranche falen. In Zweden is het strafbaar om seksuele diensten te kopen, de prostituee zelf is niet strafbaar.

SGP-jongerenvoorzitter Jacques Rozendaal vindt Asschers uitspraken “dapper voor een sociaaldemocraat” en ziet de prijs als aanmoediging. De PvdA’er is tot nu toe de enige kandidaat voor de Oranje Boven-prijs 2012. Deze zou tijdens de SGP-jongerendag op 10 maart worden uitgereikt. Volgens zijn woordvoerster is Asscher die dag verhinderd. De SGP overweegt nu om de datum van de uitreiking te verplaatsen, aldus Rozendaal.

Het is nog niet zeker of Asscher de prijs van de orthodox-christelijke partij zal accepteren. Zijn woordvoerster wil geen uitspraak doen over Asschers reactie op de nominatie. Zij kan ook niet zeggen of hij de prijs op een andere dag wel in ontvangst wil nemen. “We hebben de situatie nog niet inhoudelijk beoordeeld.” Mocht Asscher de prijs aannemen, dan volgt hij onder anderen Bas van der Vlies (2007), Maxime Verhagen (2008) en Ayaan Hirsi Ali (2010) op.

Asscher deed de uitspraak over het ‘Zweedse model’ naar aanleiding van een wetsvoorstel over de regulering van prostitutie, dat momenteel in de Eerste Kamer ligt. Mocht de wet worden ingevoerd dan moeten prostituees zich verplicht registreren. Bovendien wordt de minimumleeftijd voor prostituees verhoogd van 18 naar 21 jaar. Asscher noemt deze wet de “laatste kans” voor het Nederlandse prostitutiebeleid.

De opvatting van de Amsterdamse wethouder wordt binnen de PvdA niet breed gedragen. Dat werd opnieuw duidelijk tijdens een PvdA-debat afgelopen maandag in de Engelenbak in Amsterdam. Verschillende partijleden uit het publiek noemden Asscher naïef. Volgens hen is het praktisch onmogelijk om prostitutie te verbieden en kunnen alleen de arbeidsomstandigheden worden verbeterd en de vrouwenhandel bestreden. Ook over de vraag of de voorgestelde wet hiervoor zal zorgen is de PvdA het oneens.

Column: 20.00 tot 01.00: de klok slaat cee-oo-cee-ka

Posted By Frank Huiskamp On januari 18, 2012 @ 16:32 In Algemeen, Column, Leven | No Comments

In iedere editie van NAP schrijft een van onze redacteuren een column naar aanleiding van een tijdstip. Vandaag slaat de klok een televisieavond lang, van 20.00 tot 01.00 uur. De programmering werd omgegooid vanwege het overlijden van ras-Amsterdammer en tv-icoon Piet Römer. Hij overleed gisteren op 83-jarige leeftijd.

Römer in 1981 in het programma Sterrenslag. Bron: Beeld en Geluidwiki - Gallery: Sterrenslag, via Wikipedia

Römer in 1981 in het programma Sterrenslag. Bron: Beeld en Geluidwiki - Gallery: Sterrenslag, via Wikipedia

AMSTERDAM, 18 januari- Ik zag gisteravond het schaamrood op de kaken van Piet Römer voor me. Zeker kon ik niet zijn, maar ik had hem een beetje leren kennen. In één avond. Tv-icoon van Baantjerfaam en rasechte Amsterdammer Römer overleed gisteren op 83-jarige leeftijd. Primetime televisie was uren aan hem gewijd. Als eerbetoon. Er werden vooral veel quotes gehaald. Van de barvrouw in het Jordanese Baantjercafé Lowietje tot zijn ex-collega’s. De ene BN’er over de ander. Daarnaast veel oude interviews, fragmenten. “Ik kreeg voor mijn verjaardag van mijn kinderen drie banden, uit archieven gehaald. Dan zie ik dus een aantal producten die ik de afgelopen jaren heb afgescheiden. Het schaamrood op de kaken. Het glazuur springt van mijn tanden. Het is niet te vreten wat je de mens hebt aangedaan.’’ Was getekend: Piet Römer, begin jaren 90 in een interview met Ischa Meijer. Hij had eens moeten weten.

Het was natuurlijk wel goed bedoeld, niets dan respect was er. Louter lof. Oud-Baantjercollega’s in De Wereld Draait Door: “Het was zo’n vakman, hij leefde voor zijn vak.” Oud-regisseurs in lange journaalitems: idem. Eigenlijk is daar niets aan. Anderen die over je praten. Het voegt zo weinig toe, het typeert je persoon zo oppervlakkig. Als je dood bent ben je de regie over je leven kwijt. Ik zou dat beangstigend vinden, Römer waarschijnlijk al helemaal. Ik vernam tijdens de avond dat hij als acteur zo moeilijk te regisseren was geweest. Ga maar na.

Mijn gedachten dwaalden af naar een van de eerste scènes uit de vorig jaar verschenen film Submarine van de Britse regisseur Richard Ayoade. Daarin stelt tienerhoofdpersoon Oliver zich zijn eigen overlijden voor. Hij ziet jankende menigtes voor zich, aan hem gewijde nieuwsbulletins. Een heel land in rouw. Waanbeelden, want niemand erkent hem. Römer was wel een dergelijk icoon en aan hem werd veel aandacht geschonken. Anderen hadden het ook echt over hem. Maar ik kende Römer de persoon niet en leerde van die anderen Römer de acteur kennen.

Nee, mensen zijn in veel gevallen leuker als ze over zichzelf praten. Zeker als ze begenadigd vertellers zijn. Römer kwam over als een goed voorbeeld hiervan. In een oude uitzending van Villa Felderhof of in een interview van twee jaar geleden met Han Peekel voor het programma TV-Monument. Het was al na middernacht, het was al niet meer de dag van zijn overlijden. Ik leerde de man achter Römer toen pas echt kennen. De man die, 81 jaar oud, tegen Peekel zei zich af en toe 82 te voelen, maar toch meestal 42. De man die vliegen veevervoer op grote hoogte vond.

Vijf uur lang had ik een spoedcursus Römer gehad, zijn cv kon ik die nacht dromen. Ik zag kastelein  Kootje de Beer uit Het Schaep met de 5 Pooten. Ik zag Dirk Stiefbeen uit Stiefbeen en Zoon. Ik zag de Cock met ceeooceeka. Maar vooral een man, en dat kon alleen Piet Römer mij zelf vertellen, die vond dat er in Amsterdam geen behoorlijk glas wijn te krijgen viel.

Column: de klok slaat 3

Posted By Martine Huijbregts On januari 13, 2012 @ 16:45 In Column, Mooi | No Comments

De Amsterdamse Kalverstraat. Foto: Kemal Yaylali via Flickr.

De Amsterdamse Kalverstraat. Foto: Kemal Yaylali via Flickr.

Mijn opa is een man met een uitgesproken mening. Zo meent hij dat de nacht tot het ongedierte behoort, politici schurken zijn en Ajax moet worden opgedoekt. Ook heeft hij me eens uitgebreid verteld hoe hij en mijn oma ver voor hun huwelijk ontsnapten aan de chaperonne, “want een tractor probeer je toch ook uit voordat je hem koopt”.

Over Amsterdam spuwt mijn provinciale opa geregeld zijn gal. “Ik mag lijden dat je naar Groningen gaat”, zei hij, toen ik hem vertelde dat ik Journalistiek ging studeren. Nu ben ik het meestal wel of juist niet eens met mijn opa. Zo vind ik de nacht heerlijk, denk ik ook dat politici dubbele agenda’s hebben en hoop ik dat Ajax wordt opgedoekt, al was het alleen maar om de naam Cruijff voorlopig niet in de krant te hoeven lezen. Over tractors wil ik niet nadenken.Maar wat ik vind van Amsterdam, daar was ik nooit zo zeker van. En dus besluit ik donderdagmiddag rond een uur of drie dat het tijd is voor een sociaal experiment. Dat gaat ongeveer als volgt:

-         Ho, daar komt de tram, die moet je hebben, Martine, DIE MOET JE HEBBEN, RENN… – gemist. Nou ren je natuurlijk ook als een vogelbekdier. “Wanneer komt de volgende? Ugh, over drie minuten pas.” Wacht, wat? Over drie minuten is er weer een tram? In Brabant zou je drie uur moeten wachten op het eerstvolgende buurtbusje. Ja, ik denk, ik geloof… Ik hou van Amsterdam!

-         Nou, die drie minuten waren mooi gelogen. Het is nu al vijf over drie. Grom. Ik ga wel lopen. Ik hou toch niet zo van Amsterdam.

-         Jezus, wat is het op dit tijdstip druk in de Kalverstraat. Maar ja, hier zitten leuke winkels hè. Kijk, drie keer de Only. En veel groter dan in mijn geboorteplaats Oosterhout ook. En zit hier nou een American Book Store? Oh my God, daar moet ik dus heen. Ik hou zo ontzettend veel van Amsterdam.

-         “Psst, meisje! Hey, psst!” Oh help. Dat zijn dus of loverboys, of zakkenrollers. Rustig ademhalen, Martine. Concentreer je. Mik in gedachten maar vast op zijn kruis. Ja, komt ie… Hé, waar is ie nou? Zucht, ik ben paranoïde aan het worden. Ik haat Amsterdam.

-         “Excuse me, miss…” Nee, niet weer! “Can you tell me where I can find the Blokker?” Oh, wauw. Hij denkt dat ik uit Amsterdam kom. En ik weet waar de Blokker is, want ik liep er net langs! Ik ben een klein beetje trots op mezelf. Ik hou toch wel van Amsterdam.

-         Oh, de Dam. Dat vind ik zo’n mooi plein. Misschien is Amsterdam toch… “Take picture with me?” Aaaaah! Freddy Krueger staat opeens naast me. Gillend spurt ik richting H&M. Die verdomde levende standbeelden ook, IK HAAT –

-         PIEPPIEPPIEPPIEP. Ook dat nog. Het winkelalarm gaat af. “Mag ik even in uw tas kijken mevrouw?” Terwijl ik mijn frustraties probeer in te houden, leeg ik mijn tas. Die dus extra vol zit, want ik heb net bij mijn oma gelogeerd. De winkeldame bekijkt minzaam mijn vuile ondergoed en berg make-up. “Ik schaam me dood”, mompel ik. Ze kijkt me verbaasd aan. “Waarom?” Ja, waarom eigenlijk? Dit is een grote stad. Ik ben vast niet de eerste wiens vuile ondergoed door de handen van de winkelbediende gaat.

Opa, ik denk dat ik eruit ben. Ik haat van Amsterdam.

Column: de klok slaat van 9 tot 5

Posted By Gidi Heesakkers On januari 11, 2012 @ 16:47 In Algemeen, Column | No Comments

IMG_0819

Foto: Gidi Heesakkers

In iedere editie van NAP schrijft een van onze redacteuren een column naar aanleiding van een tijdstip. Vandaag slaat de klok van 9 tot 5. Voor sommigen is het wel een heel vredige werkdag.

Tot voor kort waren er momenten dat ik maar wat graag het carrièrepad van –pak d’r beet– een verkoopmedewerkster bij de Etos wilde bewandelen. Ik idealiseerde het werkende leven van zo’n meisje als een stressvrije geluksbubbel van lenzenvloeistof, badschuim en multi-gin femiwash. Een geluksbubbel die zich om negen uur in de ochtend opblaast en om klokslag vijf uur in de avond uiteen spat. Dan kan ze naar huis, en mooi niet dat ze haar werk in een plastic tasje meeneemt.

Van alle ambachten die ik in zo’n vlaag van beroepsmatige verstandsverbijstering verwarde met pure ontspanning, moest toezichthouder bij de scooterstalling op de Universiteit van Amsterdam toch wel het meest verkwikkend zijn. Al jointjes rokend een half oogje in het zeil houden, fantastisch. Of beveiliger in een winkel. Gehuld in een maatpak korte wandelingetjes maken tussen kledingrekken, afgewisseld met staan. Dat is fulltime in een spa zitten, maar dan anders.

Een minstens zo rustgevende variant op deze jaloersmakende professie openbaart zich sinds enige tijd in de Amsterdamse metro. De beoefenaar van dit beroep noem ik gemakshalve maar even ‘metroman’. Op elk Amsterdams metrostation heeft de GVB minstens één metroman neergezet. Hij verzet zijn gedachten al ijsberend van de ene naar de andere kant van het perron en beantwoordt nu en dan een OV-chipkaart gerelateerde vraag van een bejaarde reiziger of een toerist. Verder heeft hij alle tijd om geheel volgens de spelregels van het mannelijke brein iedere 52 seconden aan seks te denken. Metromannen kunnen daarnaast ongelimiteerd trainen voor een nog niet bestaand wereldkampioenschap staand dutjes doen.

Omdat de mannen allemaal een fluorescerend geel hesje met ‘informatie’ erop dragen, besloot ik gistermiddag op metrostation Waterlooplein te informeren naar het plezier dat het metroman-zijn oplevert. Hieronder volgt een weergave van de dialoog tussen mij en een metroman in functie:

“Hallo, wat doet u hier?
- “Wat ik hier doe?”
“Ja, daar ben ik al een tijdje erg benieuwd naar.”
- “Mensen informeren en de veiligheid bewaken.”
“Oh. En is dat leuk?”
- “Wat denk je zelf?”
“Het lijkt mij wel lekker rustig, eigenlijk.”
- “Het is heel erg saai. Er gebeurt de hele dag niks.”
“Er gebeurt nooit iets?”
- “Ja, soms wel. Maar meestal niet.”
“En dan sta je hier dus maar een beetje.”
- “Ja.”
“Oh. Nou. Het ruikt hier wel lekker naar Surinaamse broodjes. En je kunt bij die andere zaak hierboven een broodje Viagra bestellen. Dat scheelt misschien een beetje.”
- “…”

De verveelde blik in de ogen van de meneer liet me definitief van de koude kermis thuiskomen. Niks doen, dat is ook niet alles. Daar verandert het achtergrondaroma van een Surinaamse Hapjeshoek natuurlijk weinig aan.

Voorlopig blijf ik maar gewoon journalist. Dat is per slot van rekening ook best een vrij beroep.

Column: de klok slaat 21.00 uur, Chicken Biryani

Posted By Merlijn Kerkhof On januari 6, 2012 @ 15:48 In Algemeen, Column | No Comments

In iedere editie van NAP schrijft een van onze redacteuren een column naar aanleiding van een tijdstip. Vandaag slaat de klok 21.00 uur. Voor Merlijn Kerkhof het ideale tijdstip om een bord Indiaas voedsel te verorberen.

Foto: Jean Wang via Flickr.com

Foto: Jean Wang (Flickr)

“Noordelijke landen hebben talrijke eigenschappen waarom zij geprezen moeten worden en een daarvan is de kracht van hun sanitaire installaties,” schreef Willem Frederik Hermans in zijn roman Nooit meer slapen. Wie wel eens een land op het zuidelijk halfrond heeft bezocht, zal het met Hermans eens zijn. Behalve sanitair hebben de noordelijke landen waar Hermans op doelde nog een ander groot pluspunt: een gevarieerd culinair aanbod.

Dat geldt zeker voor Amsterdam. De hele wereld lijkt hier samen te komen, alles is er te krijgen.

Hoe anders is dat in, bijvoorbeeld, Argentinië. Als een afwisselend eetpatroon je lief is, kun je dat land beter mijden. Mijn culinaire expeditie in juli 2011 leverde helaas een negatief rapport op. Zelfs in de miljoenenstad Buenos Aires moet je de grootst mogelijke moeite doen om een restaurant te vinden waar ze iets anders serveren dan steaks en pizza’s.

Vier weken lang had ik alleen maar empanada’s, biefstuk, pizza en ravioli gegeten. Eén keer had ik me in een dorpje in de Andes gelaafd aan een stuk lama van de parrilla (barbecue), een andere keer kreeg ik een onbestemde bruine vleessoep voorgeschoteld waarin ik maag meende te herkennen. Nergens kwam ik een Chinees tegen. Geen fatsoenlijk visrestaurant, geen stamppot to go. Geen Surinaams-Javaanse warung, laat staan een Febo, zoals thuis. Of dat waar ik de meeste behoefte aan had: een Indiaas restaurant.

Al zo lang ik mij kan herinneren ben ik een groot liefhebber van de Indiase keuken. Ik denk dat ik drie keer per week curry eet, ’s avonds, ’s middags of voor het ontbijt. Heb ik zelf geen tijd om iets te fabriceren dat voor een Indiaas maaltje door kan gaan, dan haal ik zo’n excellente kant-en-klaarmaaltijd van de Albert Heijn of log ik in op Thuisbezorgd.nl.

Curry openbaart zich in vele gedaantes, maar niets is zo goddelijk als een geslaagde Chicken Biryani. Eigenlijk is dat curry voor paupers, want ‘biryani’ betekent net als nasi gewoon gebakken rijst en ‘chicken’ is Engels voor kip. Toch heeft het gerecht een geheimzinnige aantrekkingskracht. Er zitten ingrediënten in die afzonderlijk niet te pruimen zijn (kardemom, komijn en kruidnagel), maar die in ensemble het beste uit elkaar naar boven halen. Europeanen kunnen geen Chicken Biryani maken, het is veel te moeilijk. De verhoudingen en bereidingswijze luisteren heel nauw – je moet er echt etnisch Indiaas, Pakistaans of Afghaans voor zijn.

Na vier weken culinair afzien in Argentinië was mijn volgende bestemming de hoofdstad van Chili, Santiago. In de reisgids las ik dat hier een Indiaas restaurant zou moeten zijn. Eenmaal aangekomen wist ik wat me te doen stond. Een taxi bracht mij naar het adres dat ik voorlas uit de reisgids.

Aan de oranje-wit-groene vlag te zien moest hier het beloofde Indiase restaurant zijn, maar er brandde geen licht. (In een flits trok mijn leven aan me voorbij.) Voor de zekerheid belde ik aan. Een vrouw kwam naar buiten en zei dat het restaurant over een half uur open zou gaan.

Om 21.00 uur plaatselijke tijd zat ik aan de Chicken Biryani. Zelden ben ik zo gelukkig geweest.

In Amsterdam hoef je gelukkig nooit om Chicken Biryani verlegen te zitten. Amsterdam mag dan alleen in naam hoofdstad van Nederland zijn, het is onbetwist de curry capitol van Nederland. De stad telt maar liefst 58 Indiase restaurants. Acht daarvan worden door de recensiewebsite Iens.nl met een 8 of hoger beoordeeld.

Natuurlijk wordt niet iedereen gelukkig van zo’n pittige curry. Gelukkig is er in de Amsterdamse restaurants ook uitstekend sanitair.

Nieuw volk in de Javastraat

Posted By Marit Van Kooij On september 16, 2011 @ 17:15 In Achtergrond, Algemeen, Column, Reportage, Stad | No Comments

De Javastraat in de Indische Buurt is opgeknapt. De voormalige Vogelaarwijk heeft nieuwe klanten en nieuwe regels. Eerst was er nooit politie, nu komen ze met een meetlat mijn stalling opmeten.

Javastraat. Foto: NAPnieuws.

Javastraat. Foto: NAPnieuws.

De PC Hooftstraat van Amsterdam Oost. Dat was de Javastraat in de jaren zestig. In zijn vrijwel lege café op Javastraat nummer 1 legt eigenaar Gijs de Rooy zijn vergelijking uit. “Iedereen kwam toen naar de Javastraat om te winkelen. Je kon hier alles halen.” Achter zijn bar maakt De Rooy grote zwaaibewegingen met zijn armen. “Damesmode. Herenmode. Schoenenzaken. Snuisterijen. Banketbakkers.” En ’s avonds flaneerden de jongens over de brede stoep, op zoek “naar een verkering”. De Rooy, geboren in 1953, was er zelf te jong voor, maar de bijnaam van zijn straat weet hij wel: “Als het donker werd, dan heette het hier de Meidenmarkt.” Hij knikt. In de Javastraat kon je echt alles halen.

Vanuit zijn café op de hoek aan het begin van de Javastraat heeft De Rooy de Indische Buurt de afgelopen 38 jaar zien veranderen: van een volksbuurt met een populaire winkelstraat tot een probleemgebied met het weinig flaterende label ‘Vogelaarwijk’. Eén van de veertig slechtste wijken van Nederland. De damesmodezaken, schoenenwinkels en bakkerijen vertrokken. Andere winkels kwamen in hun plaats. De Rooy vat het winkelaanbod samen: “Groenten, mobiele telefoons, drugs en plastic zooi.” Nu krijgt de Javastraat weer wat van haar oude allure terug, met een divers winkelaanbod. Althans, als het aan stadsdeel Oost ligt. Want niet iedere winkelier op de Javastraat is tevreden met de veranderingen.

Vernieuwing Javastraat
Het stadsdeelbestuur besloot in 1999 dat de Indische Buurt beter kon. Zij kwamen met een langlopend vernieuwingsplan om de wijk binnen 10 jaar te verbeteren. Tweeduizend woningen, voornamelijk van woningbouwcorporaties, moesten binnen tien jaar verkocht worden aan particulieren. De buurt werd opgedeeld in vier stukken (kwadranten). De Javastraat ligt in de noordwestelijke kwadrant. Dit gedeelte moest een levendige stadswijk worden met een breed cultureel en culinair aanbod. Het Javaplein kreeg een opknapbeurt en een groot nieuwbouwproject werd gerealiseerd: het Borneohof, met meer twee keer zo veel huurwoningen in de vrije dan sociale sector.

Mediterraan

In 2008 kreeg de Javastraat een opknapbeurt. Het moest een “wereldpassage” worden met een “mediterrane uitstraling”. De grijze stoeptegels maakten plaats voor een rechthoekige, goudgele variant. Het trottoir werd verbreed en het aantal parkeerplaatsen teruggebracht. Automobilisten konden voortaan alleen nog maar fileparkeren.

Nog steeds heeft de Javastraat 21 groentewinkels. Maar boven de winkelpanden prijken nu ook 25 ‘Te Koop’-borden. Voor De Rooy betekent dit: “meer jongelui.” Hij wil binnenkort buitenlands bier gaan schenken. “Ze willen wat anders drinken dan een Heineken en zo’n gewoon wijntje”, zegt De Rooy, terwijl een fles huiswijn van een grote supermarktketen laat zien.

Gezeur

Voor Yasin Ata, eigenaar van een groentewinkel op nummer 56, betekent de opknapbeurt vooral “veel gezeur”. Ja, het is mooi geworden en die jonge mensen zijn “alleen maar leuk”, maar helemaal tevreden is de roodharige winkeleigenaar niet. “Ik kan niet meer normaal laden en lossen. Zoals dat vroeger kon.” En dat is volgens Ata: snel de vrachtwagen achteruit de stoep op en de kratten vanuit de laadbak meteen de winkel in dragen. “Nu is het laden, lossen, boete.” Hij stapt achter de kassa vandaan en loopt langs de jongen die al een tijdje wacht om een zakje rode pepers en vier sinaasappelen af te rekenen. Ata wijst naar buiten, waar zijn groenten in kratten staan uitgestald. “Tien jaar zit ik hier. Eerst was er nooit politie, nu komen ze met een meetlat mijn stalling opmeten.” Hij maakt een ruimte tussen zijn twee wijsvingers en kijkt er met toegeknepen ogen doorheen. “Steekt-ie vijf centimeter uit? Boete.”

Buiten begint een autoalarm te loeien. Een man heeft met zijn witte bestelwagen een klein, zacht zetje gegeven tegen een zwarte Mercedes. Zijn bestelwagen past er nu precies tussen. Hij loopt naar de parkeerautomaat, gooit er wat geld in en loopt op een rustige tred de groentewinkel van Ata binnen.

Ata lijkt het niet te merken. Zijn grote frustratie: dat zijn winst niet stijgt, ondanks alle vernieuwingen. De zorgen nemen toe. “De huur gaat omhoog en ik moet met veel meer dingen rekening houden.” Zoals de renovaties in de straat, waardoor het bouwstof regelmatig op zijn uitgestalde waar neerdaalt. Hij wijst weer naar buiten. “Laatst nog een hele lading kersen moeten weggooien.” Of de winkeliersvereniging, waar hij, in tegenstelling tot café-eigenaar Gijs de Rooy, geen lid van is. Zij organiseren volgens Ata te veel straatfeesten. Met harde stem en zijn vinger nog steeds in de lucht: “Daar gaat een dagomzet. En dan verwachten dat ik daar 150 euro lidmaatschap per jaar voor betaal.” Ata kijkt naar de klant die nog steeds wacht. “Oh sorry.” Hij gebaart dat hij alles gratis mag meenemen.

Kerstversiering

De voorzitter van de winkeliersvereniging, Judith Seymonson, heeft een telefoonzaak tegenover Ata, op nummer 47. Hoewel Seymonson, van oorsprong Surinaamse, zelf pas lid werd in 2007, kan ze nu niet begrijpen waarom mensen geen lid zijn. Die vindt ze “behoorlijk dom”. Mensen als Gijs de Rooy, die wel lid zijn, kijken  vooruit. Het gaat goed met de winkeliersvereniging, zegt Seymonson, terwijl ze een klant een mobiele telefoon overhandigd. “Toen ik in 2007 gekozen werd, waren er zeven of acht leden.” Nu verwacht Seymonson rond de tachtig leden. “Meer budget om straatfeesten te organiseren en kerstversiering op te hangen.” En een website te onderhouden, waar alle ondernemers in het gebied van de Javastraat, ook niet-leden, gratis reclame mogen maken. Want Seymonson sluit niemand uit. Iedereen mag bij haar langskomen als ze ergens mee zitten. “Ik zeg dan wel eerst: ‘je bent geen lid en toch moet ik je helpen?’”

Het probleem van de huurverhoging is Seymonson niet onbekend. “Betaalde je eerst 900 euro per maand, dan kan het goed zijn dat je 1500 euro gaat betalen als het klaar is. Dat is lastig, want als winkelier moet je meewerken.” Maar het is ook logisch, vindt Seymonson. “Een huiseigenaar renoveert een pand en ziet: hierdoor wordt én het pand én de buurt beter.” Het advies dat ze geeft aan de winkeliers die langskomen voor hulp: “Goede afspraken maken en je niet laten wegpesten. Je poot stijf houden.” En ook: inspelen op de veranderingen. Seymonson: “Je kan als ondernemer niet achterover leunen en een beetje koekeloeren hoe de straat verandert.”

Typisch Nederlands

De ijzerwinkel van Theo van Kalken in de Sumatrastraat, een dwarsstraat van de Javastraat, moet binnenkort een maand dicht. Met zijn armen over elkaar staat Van Kalken in zijn winkel vol gesorteerde moeren, schroeven, spijkers, beitels en hamers. De eigenaar van het winkelpand wil renoveren, zodat de appartementen erboven verkocht kunnen worden. Van Kalken weet niet of zijn klanten hem daarna nog weten te vinden na een maand gesloten te zijn. En of hij dan de huur nog kan betalen. “Ik heb het zo vaak gezegd tegen de winkeliersvereniging en het stadsdeel. Zo verdwijnen winkels die hier al jaren zitten. Doe er wat aan!” Hij telt op zijn vingers: “Reska Radio is failliet, drogisterij Schoemacher en drankenhandel Hamels zijn weg. Straks ben ik ook weg en dan zeggen ze: ‘gut, wat jammer, daar hadden we toch wat aan moeten doen’.” Typisch Nederlands, noemt hij dat.

Van Kalken heeft ook niet veel met de verjonging van zijn klanten. Verlegen, noemt hij ze. “En wantrouwig. Ze luisteren alleen maar naar het mannetje op internet dat hen op de i-Phone uitlegt welk moertje ze moeten kopen. Ik kan er net zo goed niet staan.” Behalve om af te rekenen dan. “En dan willen ze pinnen. Tien cent.” Daar doet hij niet aan. Inspelen op de veranderingen in zijn straat, zoals café-eigenaar Gijs de Rooy dat wel doet? Van Kalken haalt zijn schouders op. “Misschien is dit ook wel een uitgestorven beroep.”

Enhanced by Zemanta [2]
Vernieuwing Javastraat

Het stadsdeelbestuur besloot in 1999 dat de Indische Buurt beter kon. Zij kwamen met een langlopend vernieuwingsplan om de wijk binnen 10 jaar te verbeteren. Tweeduizend woningen, voornamelijk van woningbouwcorporaties, moesten binnen tien jaar verkocht worden aan particulieren. De buurt werd opgedeeld in vier stukken (kwadranten). De Javastraat ligt in de noordwestelijke kwadrant. Dit gedeelte moest een levendige stadswijk worden met een breed cultureel en culinair aanbod. Het Javaplein kreeg een opknapbeurt en een groot nieuwbouwproject werd gerealiseerd: het Borneohof, met meer twee keer zo veel huurwoningen in de vrije dan sociale sector.

Column: de dag van mijn kat

Posted By Sabine de Jong On februari 15, 2011 @ 18:46 In Algemeen, Column | No Comments

De dag van mijn kat, FOTO: Flickr

De zon komt op, een nieuwe dag breekt aan. En dat is altijd wel de dag van iets. Of iemand. De NAP-redactie kiest iedere aflevering ‘de dag van…’ uit en laat hier haar eigenzinnige licht over schijnen.

Een blikje kattenvoer. Dat kreeg ik drie jaar geleden van mijn toenmalige lief voor Valentijnsdag. “Zalm in olie, leuk…had ik nog niet.”
“Zodat er altijd iets is dat ons bindt”, voegde mijn vriend toe. Net toen ik zat te puzzelen op wat zalm precies kon bijdragen aan onze relatie, vroeg de aanwezige schoonmoeder ‘of ik al wist welke kleur ik wilde?’. Kleur, kleur? Zalmroze lijkt me? Maar al snel sloeg de irritatie over in hysterische euforie: ik mocht een kat uitkiezen!!!

De dag erna, 15 februari, was het zover: met een pas aangeschafte kattenbak en een opblaasmuis met veertjes, togen we naar het asiel waar honderden begerige oogjes ons aanstaarden: pick me, pick me. Maar welke kat we moesten ‘picken’ bleek een lastige keus: de stem van mijn zusje die vertelde dat katten die te lang in het asiel zitten, afgemaakt worden, bleef zeer aanwezig door mijn hoofd zoemen. Maar die verklitte, half wilde kat hoefde ik echt niet.

Uiteindelijk kozen de katten ons. Een dikke, bruin wit gevlekte kater kwam aanstrompelen, keek ons met schele ogen aan en liet met een luid ‘miauw’ weten dat hij ons in ieder geval wel zag zitten. Vlak achter hem hoorden we opeens een zacht plofgeluid. Achter de kater was een hoogbejaard, dun katje opeens op zijn zij gevallen. Het katje deed denken aan een uitgemergelde Whitney Houston. Het was een katje dat wel miauwde maar dan zonder geluid. Een liplezende kat.

De medewerkster van het asiel kwam, zag en overwon toen ze ons vertelde ‘dat deze twee katten altijd samen zijn’ en dat het ‘eigenlijk wel heel zielig zou zijn als ze nu gescheiden worden’. Een uur later reden we met twee miauwende katten op de achterbank op weg naar huis. Maar eenmaal thuis bleek de mededeling van de asielmedewerkster dat ‘deze twee katten altijd samen zijn’, een typische kat-in-de-zak-mededeling te zijn. Bij binnenkomst tot aan de dag van vandaag gunnen de twee elkaar geen blik waardig. Het enige moment dat ze samen zijn, is tijdens de vele gevechten die ze om de dag met elkaar uitvoeren.

Het kleine dunne katje werd Takkie gedoopt. De dikke, bruin wit gevlekte kater Fred. “Vreemde namen”, oordeelde vriendin S. “Wat een dikzak”, voegde vriend J. daar aan toe.
Hoe dan ook, Takkie en Fred maakten vanaf dat moment deel uit van ons leven. En dat betekende elke dag wakker worden met een dikke kat op je buik (Fred) en ‘wat-bedoelt-’ie- nou-weer-momenten’ (bij het liplezen van Takkie). Een ultiem wat-bedoelt-’ie-nou-weer-moment vormde de dag waarop Takkie naar me toe kwam gerend, met zijn hoofd wild heen en weer bewoog en heftige bewegingen richting mijn nieuwe laarzen maakte. Ik voelde de tranen achter mijn ogen prikken en riep met hoge stem: “Takkie, nee! Niet doodgaan, niet nu!”. Takkie was gelukkig niet van plan om dood te gaan. Wel besloot hij zijn net verorberde kattenbrokjes royaal te verdelen over mijn lichtbruine laarzen.

Op een dag waren we Fred kwijt. Geroep, gerammel met de etensbak, geknisper met zijn speelgoedmuis: niets mocht baten. Fred was weg. Tot een van ons na een tijdje de toiletdeur opende; een kletsnatte kat met druppels tot in zijn oren staarde ons met waterige oogjes aan. Fred had dorst en had genoeg van het bakje water dat er (oké toegegeven) al een dag stond. Hij besloot een poging te wagen in het toilet. Maar mislukte daarin jammerlijk. Hij was voorover gestort in de wc-pot.

Vandaag is het drie jaar geleden dat Fred en Takkie ons leven binnenkwamen. En ik zou niet meer zonder ze kunnen. Daarom heb ik net een blikje kattenvoer voor ze gekocht, met zalmsmaak.

Column: de dag van de afschaffing van het schaatscommentaar

Posted By Emiel van Dongen On februari 15, 2011 @ 18:38 In Column | No Comments

 

Foto: Pieter Ouwerkerk (Flickr)

Foto: Pieter Ouwerkerk (Flickr)

De zon komt op, een nieuwe dag breekt aan. En dat is altijd wel de dag van iets. Of iemand. De NAP-redactie kiest iedere aflevering ‘de dag van…’ uit en laat hier haar eigenzinnige licht over schijnen.

Van sommige dingen begrijp ik niet dat ze bestaan. Het universum is daar een goed voorbeeld van. Een van mijn – helaas ongewenste – talenten is ’s nachts wakker liggen. Zo nu en dan steekt het de kop op en dat is tamelijk vervelend. Ik ervaar het zelfs al zó vervelend dat ik er zo nu en dan ’s nachts wakker van lig. Eigenlijk helpt het nooit, maar soms probeer ik als remedie het heelal te doorgronden.

Schaatscommentaar is net zoiets. Het is altijd zo volstrekt inhoudsloos. En soms net zo moeilijk te doorgronden als het universum. In het gros van de gevallen dat ik schaatscommentaar per ongeluk op het journaal zie, steek ik er evenveel van op als een nacht luisteren naar het getjirp van een bronstige krekel.

Even voor de duidelijkheid: ik heb het niet over de analyses die Mart Smeets en Ria Visser [3] geven tijdens en na een van de belangrijke schaatswedstrijden – zijnde een NK, EK, WK of Wereldbekerwedstrijd in de klassen sprint, allround of langeafstand, waarvan er ieder weekend tussen augustus en de daarop volgende juni wel een wordt gehouden.

Ik heb het over het commentaar dat de schaatsers zelf geven na hun rit. Ireen Wüst is op haar geheel eigen manier hierin van de buitencategorie. Het fragment dat ik gisteravond van haar zag in het NOS Journaal onderschrijft dit.

“Oh, ik ben zo ongelooflijk blij, echt. Echt niet normaal”, sprak Wüst [4] vlak nadat ze een van de hiervoor genoemde titels op een bepaalde afstand won.
“Waar denk je dan als eerste aan?”, vroeg de interviewer.
“Ja, gewoon euh. Ja. Ik weet niet. Van alles. Er gaat van alles door je heen. Het is gewoon… Ik ben gewoon voor de tweede keer wereldkampioen en het is gewoon weer gelukt.”

Bondige samenvatting: Wüst is blij omdat ze gewonnen heeft. Aangezien ze een topsporter is lijkt me dit zeer vanzelfsprekend en dus van geen enkele nieuwswaarde. Wüst was zestien seconden in beeld. Dat is precies genoeg tijd om de kijker snel bij te praten over de verstandhouding tussen Mugabe en Tsvangirai [5] of de gevolgen van de olieramp [6] in de Mexicaanse Golf.

Wüst langebaanschaatst. Dat wil zeggen: degene die het snelst het voorgeschreven aantal rondjes schaatst, wint. Veel weet ik niet van schaatsen, maar het lijkt mij een goede strategie om gewoon zo hard mogelijk te schaatsen als je kunt.

Na de wedstrijd, als een langebaanschaatser voor de camera verschijnt, zijn er dan twee opties. 1. De schaatser heeft gewonnen en kan vertellen dat hij of zij zo hard mogelijk heeft geschaatst en dat dit genoeg was om te winnen. 2. De schaatser heeft verloren en kan vertellen dat hij of zij zo hard mogelijk heeft geschaatst en dat dit niet genoeg was om te winnen.

Schaatscommentaar is dus loos in mijn ogen. Soms ook ondoorgrondelijk. Zo hoorde ik Erben Wennemars [7] eens zeggen: “Schaatsen is niet alleen een technische sport, het is ook een coördinatieve (?, red.) sport. En coördinatief zat het niet helemaal in orde nog. … Ik heb een beetje lopen zoeken en ik heb nu echt het gevoel van dat het er weer aan komt en dat ik weer aan het schaatsen ben en dat ik datgene kan doen wat ik eigenlijk ook wil. Wat ik in mijn kop heb zitten, kan ik ook met mijn benen doen nu.”

Even heb ik in overweging genomen om voortaan aan schaatscommentaar te denken tijdens mijn slapeloosheid. Maar als denken aan het universum niet helpt, waarom schaatscommentaar dan wel? Ik ben gaan rekenen. Zo’n 44 weekenden is er schaatsen op tv. Twintig minuten schaatscommentaar per weekend maakt totaal 880 minuten. Mijn voorstel: plan een nationale dag van de afschaffing van het schaatscommentaar in en besluit in plaats daarvan reclame uit te zenden. Niemand zal waardevolle informatie missen, maar het levert wel 880 x € 6.000,- [8]= € 5.280.000,- op. Stort dat vervolgens op mijn rekening. Ik zal er vast niet van kunnen slapen. Maar wakker liggen moet zoveel lekkerder zijn met zo’n smak geld op je rekening. En mocht dit plan op te veel weerstand stuiten, stort het dan voor mijn part in het noodfonds.

Column: de dag van de Complimenten

Posted By Eva Oude Elferink On februari 9, 2011 @ 18:44 In Column, Leven | No Comments

Door: Zoomar, Flickr.com

Door: Zoomar, Flickr.com

De zon komt op, een nieuwe dag breekt aan. En dat is altijd wel de dag van iets. Of iemand. De NAP-redactie kiest iedere aflevering ‘de dag van…’ uit en laat hier haar eigenzinnige licht over schijnen.

Ze kijkt me verbaasd aan vanachter het glas. Wat zei ik? Dat ik het waardeer dat ze even op mij bleef wachten, in plaats van geniepig door te rijden terwijl ik bezweet aan kwam rennen. Dat dit voor mij getuigt van uitermate vakkundig ‘tramchauffeurschap’. Dank u wel, voeg ik er nog aan toe. Ze fronst haar geëpileerde wenkbrauwen en mompelt iets waarvan ik vermoed dat het ‘hmm’ betekent. Zonder mij verder een blik waardig te gunnen draait ze zich om en rijdt door. Niet van haar stuk gebracht. Ze zal thuis vast een mok hebben staan met de tekst ‘ ’s werelds beste tramchauffeur’.

Zelf kan ik slecht tegen complimenten. Heel slecht. Hoewel ik ze probeer te incasseren met een zekere nonchalance, krijg ik een rood hoofd, begin ik aan mijn haar te friemelen en voel ik het onvermijdelijke langzaam opkomen: ik begin te stotteren. Niet letterlijk, denk meer aan een ongecontroleerde waterval van warrige verklaringen en excuses. Zie ik er stralend uit? O ja, net onder de zonnebank geweest. Of misschien komt het door die appel vanochtend. Of door mijn nieuwe gezichtscrème. Echt topspul. Was in de uitverkoop bij de Etos. Ik heb er gelijk maar drie gekocht, altijd handig.

Het is verre van charmant en zeker niet die coolheid die ik probeer uit te stralen. Gelukkig zie ik om mij heen regelmatig lotgenoten. Misschien is het de Nederlandse bescheidenheid of die ‘doe-maar-gewoon-dan-doe-je-al-gek-genoeg-mentaliteit’. Maar complimenten halen mij en mijn mede-stotteraars uit onze comfortzone. Stiekem zijn ook wij heus wel op zoek naar een schouderklopje, begrijp me niet verkeerd. Maar wat ons onderscheidt van de coole massa, is onze ongecontroleerde neiging om elke blijk van bewondering in rap tempo te bagatelliseren. In plaats van een simpel ‘dankjewel’.

Mijn redding is dat die Nederlandse nuchterheid zich ook vertaalt naar de complimentgevers. Opgestoken duimen, een subtiele ‘goed gedaan’, wellicht een klein schouderklopje. Laten we vooral niet overdrijven. Mijn ultieme uitdaging kwam dan ook toen ik een tijdje in Amerika ging wonen. Het land waar niets te overdreven is. Waar bescheidenheid wordt gezien als een zwakte. Nou ja, je krijgt er in ieder geval geen compliment voor. Opeens werd ik geconfronteerd met een lading ‘O my gods’, was alles wat ik deed ‘amazing’ en ‘fantastic’ en hield iedereen van me. Ten minste, als ik hun stralende gezichten moest geloven.

Gek genoeg bleef het stotteren hier uit. Mijn wangen bleven neutraal gekleurd en mijn haar onaangeraakt. De overdaad aan lof en complimenten bracht mij niet van mijn stuk. Sterker nog, ik kon eindelijk de coolheid zelve spelen. Incasseren met een grote glimlach en zelfs een paar ‘o my gods’ en ‘amazings’ teruggooien. Hoewel het enthousiasme van mijn Amerikaanse vrienden zeker oprecht was, bracht de inhoud van hun woorden mij zelden uit mijn doen. Misschien kwam het door het grote gemak waarmee ze naast mij, ook de rest van de wereld met alles complimenteerden. Of omdat alleen al het hebben van een fiets in plaats van een auto werd gezien als het bewijs van mijn fantastic atletische capaciteiten. Dat ik na vijf minuten al buiten adem ben, deed er niet toe.

Ik leerde het met een korreltje zout te nemen, al die bewondering en positiviteit. Zelfverzekerd kwam ik terug naar Nederland. Kom maar op met die veren in mijn kont! Niet langer meer dat gestuntel, maar een gevatte opmerking terug. Daar was ik inmiddels amazingly goed in geworden, vond ik zelf. Maar Nederlanders zijn spaarzaam met hun complimenten. Je moet er voor werken, je best doen. Een rondje fietsen werkte niet meer. Toen ik na enige tijd plotseling een opgestoken duim kreeg, verviel ik ook meteen in mijn oude rolpatroon. Ik stotterde er weer op los.

Gewoontes zijn moeilijk te veranderen, hoe hard je het ook probeert. Daarom blijven mijn medestotteraars en ik lekker een dagje binnen op de Dag van de Complimenten.

Column: De dag van ‘de warme trui’

Posted By Corinne van der Velden On februari 4, 2011 @ 18:40 In Algemeen, Column, Leven | No Comments

Wekker. Foto: Imaginese, www.flicker.com

Wekker. Foto: Imaginese, www.flickr.com

De zon komt op, een nieuwe dag breekt aan. En dat is altijd wel de dag van iets. Of iemand. De NAP-redactie kiest iedere aflevering ‘de dag van…’ uit en laat hier haar eigenzinnige licht over schijnen.

Het breien begon als een nieuw tijdverdrijf op de zaterdagmiddag. Al haar vriendinnen van de tennis deden het ook, dus waarom zou zij het niet eens proberen? Dus haalde mijn moeder een patroon van een trui of vest uit de Libelle en bepaalde wie van ons een nieuw kledingstuk nodig had.

Maar het breien verplaatste zich al snel naar andere middagen. En tijdens het televisie kijken. Ook ontwikkelde ze een passie voor stripfiguren. Vooral voor pratende dieren. Sindien liepen mijn zusje en ik rond in een trui met Dikkie Dik of Donald Duck. Of Idefix, het hondje van Asterix en Obelix.

Ik was net elf jaar oud. En ik zat al in groep acht.

Eerst weigerde ik nog om die truien naar school aan te doen. Mijn moeder begreep het niet, ze waren toch lekker warm? En ik zou sowieso de enige zijn met zo’n ‘kekke trui’, dat is toch hartstikke leuk? Ze wist het zo slim te spelen dat er op een gegeven moment alleen nog maar zelfgebreide, wollen truien in mijn kast hingen. Dus koos ik the best of worse en ik ging voor Dikkie Dik.

Daar stond ik dan op het schoolplein, in een kriebelige trui met een pratende, rode kater. Om mij heen werd gemiauwd en gegiecheld. Klasgenoten vroegen of ik die trui zelf had gemaakt. En of ik een schoteltje melk wilde. Een ander dier hielp niet, dan begonnen ze te blaffen. Of te loeien. En in discussie gaan met mijn moeder ging ook niet, want zo’n trui hielp immers goed tegen de kou. Gelukkig werd het al snel lente. En in de brugklas kreeg ik eindelijk kleedgeld.

Afgelopen weekend was ik op bezoek bij mijn moeder. We samen voor de televisie. Zij met een kopje thee in haar hand en de kat op schoot. Tijdens een van de reclamepauzes stond ze op en liep ze naar boven. Ze kwam terug met een wollen trui met een print van Fokke en Sukke. Ze is meegegaan met haar tijd, dat moet je haar nageven. En waarschijnlijk sta ik hiermee gigantisch voor lul, maar ík heb in ieder geval een warme trui.

Column: Wereld Kankerdag

Posted By Anna Zhuravel On februari 4, 2011 @ 18:32 In Column, Mooi | No Comments

Wekker WereldkankerdagElke dag is het wel de dag van iets. Of iemand. De NAP-redactie kiest iedere aflevering ‘de dag van…’ uit en laat hier haar eigenzinnige licht over schijnen.  Op 4 februari is het Wereld Kankerdag [9].

“Ik moet helaas stoppen met dansen”, kreeg ik te horen van een van mijn vriendinnen. Ik keek haar verbaasd aan. “Ik ben ziek. Ik hoorde vandaag dat ik borstkanker heb. Ken je deze ziekte?” Kanker kende ik alleen van ver af. De zus van mijn oma overleed aan borstkanker toen ik drie jaar oud was. Dat kon ik me niet herinneren. Toen ik op mijn zestiende strand- en zonnebankverslaafd werd, waarschuwde iedereen me voor huidkanker. Maar mij kon het niet schelen.

Op die ene winterse avond op de dansschool kwam kanker ineens heel dichtbij. Mijn vriendin was nog maar 25, er klopte iets niet. Kanker is toch die ene nare ziekte, die voornamelijk bij rokers, oude mensen, of mensen met verkeerde genen voorkomt? Niet dus. Mijn vriendin werkt bij de politie, heeft haar leven lang gesport en nooit sigaretten of drugs aangeraakt. In haar familie lijdt er niemand aan de ziekte.

Na een lange chemokuur en een zware operatie in het Antonie van Leeuwenhoekziekenhuis werd mijn vriendin ‘kankervrij’ verklaard: van de artsen mocht ze de hele nachtmerrie voorgoed vergeten. “Ik voel weer een bobbel op mijn borst”, hoorde ik een maand later door de telefoon. Ik kon het niet geloven. En ik kon helemaal niet geloven dat ze nog drie weken moest wachten voordat ze in het ziekenhuis terecht kon voor verder onderzoek. Mijn vertrouwen in de Nederlandse gezondheidszorg brak helemaal toen het uiteindelijk duidelijk werd dat de dokters een fout hadden gemaakt na de operatie: ze hadden bij de bodyscan ‘een plekje over het hoofd gezien’.

De nachtmerrie voor mijn vriendin begon opnieuw, met volgens Nederlandse artsen nogmaals ‘succesvol resultaat.’ Haar lichaam werd weer helemaal genezen verklaard. Ze ging werken en leuke dingen doen. Totdat ze een paar maanden later opnieuw iets raars aan haar borstkast voelde. Weer gingen er drie weken overheen voordat ze in het ziekenhuis tijd, plek en apparatuur hadden om haar te onderzoeken. “Dat is vast groei van je borstbeen”, stelde de dokter haar gerust. En hij had het weer mis. Met achttien chemo’s als gevolg. En toen dat niet hielp een even zinloze operatie als laatste optie.

Dat Nederlandse dokters soms fouten maken en dingen ‘over het hoofd’ zien, heb ik al meerdere keren mogen ervaren. ‘Probeer deze medicijnen even, en als het niet helpt, dan zie ik je over twee weken terug’ hoorde ik tien keer achter elkaar van mijn huisarts voordat ik eindelijk naar het ziekenhuis werd doorverwezen. De specialist in het ziekenhuis kon het ook niet duiden en kon alleen maar toevoegen dat ‘alle jonge vrouwen soms last van spastische darmen hebben. Dat gaat vanzelf wel een keertje over. Kom maar terug als je echt rare symptomen krijgt.’

Kleine fouten gaan Nederlandse dokters makkelijk af, want meestal gaat het goed. Maar niet altijd. Een andere kennis van mij, een man van 54, kreeg vanuit het niets last van zijn been. Een jaar lang zochten huisarts, fysio- en manuele therapeuten de oorzaak van zijn pijn in rugproblemen. Een half jaar nadat hij ziek werd, werd in het Slotervaartziekenhuis een röntgenfoto van zijn been gemaakt, waarop de dokters niets ‘raars’ konden vinden. Nog een half jaar later kon de man niet meer lopen. Men maakte in het AMC opnieuw een foto. De dokters waren erg verbaasd. In het Slotervaart hadden ze ‘gewoon een tumortje op zijn bot over het hoofd gezien’.

 

 

Column: De dag van Ben

Posted By Marit Van Kooij On februari 2, 2011 @ 18:46 In Algemeen, Column, Stad | No Comments

De zon komt op, een nieuwe dag breekt aan. En dat is altijd wel de dag van iets. Of iemand. De NAP-redactie kiest iedere aflevering ‘de dag van…’ uit en laat hier haar eigenzinnige licht over schijnen.

Ben is een typische Amerikaan. Luidruchtig, patriottistisch, aardig, nieuwsgierig en –wanneer voldoende gedronken- uitzinnig. Verder is Ben joods, maar dan wel van het Amerikaanse soort. Zo eet hij niet koosjer en heeft hij weinig zin om naar Israël te verhuizen. Hij heeft wel zijn bar mitswa gedaan, maar hij weet niet waarom. Eigenlijk weet hij vrij weinig van het Jodendom. Het joods zijn is voor hem “meer een gevoel”, verklaarde Ben twee jaar geleden. We struinden door de straten van Buenos Aires en hij vroeg me niet zo sceptisch te kijken.

Twee maanden geleden werd Ben gebeld door een Joods-Amerikaanse organisatie. Of hij voor een week naar Israël wilde. Gratis. Ben was blut en de winter in Tucson, Arizona niet boeiend. Ben besloot te gaan. “Het doel is dat Amerikaanse Joden óf ter plekke baby’s maken óf besluiten naar Israël te verhuizen. We sterven namelijk uit”, schreef Ben mij in een email.

Israël was “één grote desillusie”, vertelt Ben als we in een Amsterdams café ons eerste biertje drinken. Zijn groepsgenoten waren “achterlijk” en wisten niets van het Jodendom. “Een meisje dacht dat de sjabbat een koosjer gerecht was”, moppert hij boven zijn bier. Maar de grootste desillusie was dat Ben in de bus naar Jeruzalem besefte wat het eigenlijk betekende dat zijn moeder protestants is. “Ik ben dus helemaal niet joods”, roept Ben in het café uit terwijl hij zijn armen euforisch in de lucht gooit.

Na deze ontdekking besloot Ben de groep te verlaten en zijn reis om te gooien. Hij zat niet in een identiteitscrisis, maar had het wel even gehad met het Jodendom. “Als ik mijn besnijdenis zou kunnen omkeren, had ik dat gedaan. Right then and there”. Hij stuurde zijn moeder een email dat hij, verliefd op Israël, drie weken langer zou blijven, en nam het vliegtuig richting Praag. Om te pokeren. Toen vloog hij naar Berlijn. Om te feesten. En toen naar Amsterdam. Om te blowen. In Praag was hij expres niet naar de Joodse begraafplaats gegaan. “Tijdsverspilling en te toeristisch”, aldus Ben. “Ik had er wel goede foto’s voor mijn moeder kunnen maken.” Hij neemt een slok van zijn bier en valt even stil. “Ik heb wel heel erg tegen haar gelogen. Ze denkt dat ik op een Joodse ontdekkingsreis ben,” zegt hij bijna verdrietig. “Is er in Amsterdam geen Joodse begraafplaats? Jullie hadden toch veel Joden voordat Hitler kwam?”.

Een Joodse begraafplaats in Amsterdam. Ik ken er één. Bij het Flevopark, in Amsterdam Oost. Ik vermoedde dat deze wel wat minder mooi was dan in Praag, maar ik had er nooit echt goed naar gekeken. Het leek me wel een grappig idee: Ben meenemen naar de begraafplaats zodat hij zou beseffen wat hij gemist had in Praag. Om eens flink zijn recalcitrante ‘ik doe niets toeristisch’ houding luister bij zetten.

De volgende dag nam ik hem mee naar het Flevopark. En hier kreeg ik meteen spijt van toen we de begraafplaats eenmaal hadden gevonden. De begraafplaats bestaat uit een moerassig gebied omringd door een sloot en een verroest ijzeren hek. Uit de sompige grond steken schots en scheve zerken, duidelijk verwaarloosd. De begraafplaats lijkt te zinken: aan de randen vallen de zerken zowat in het water. Het is, kortom, vergane glorie. “Zo. Zelfs onze begraafplaatsen sterven uit. Treurig”, concludeert Ben terwijl hij een sigaret opsteekt.

De dag dat Auschwitz werd bevrijd, 27 januari, vliegt Ben terug naar Tucson. Twee dagen later schrijft hij me dat hij zich nog nooit zo Joods heeft gevoeld. En dat komt volgens Ben niet door zijn bezoek aan Israël, maar louter door de aanblik van de zinkende begraafplaats in Amsterdam.

Column: De dag van de Polaroidcamera

Posted By Joost Dobber On februari 2, 2011 @ 18:41 In Algemeen, Column, Leven | No Comments

De zon komt op, een nieuwe dag breekt aan. En dat is altijd wel de dag van iets. Of iemand. De NAP-redactie kiest iedere aflevering ‘de dag van…’ uit en laat hier haar eigenzinnige licht over schijnen.

Foto: Solar ikon, Flickr.com

Foto: Solar ikon, Flickr.com

“Waarom kan ik hem nu niet zien?”, vroeg Jennifer, de 3-jarige dochter van de Amerikaanse uitvinder Edwin Land [10], toen er een foto van haar genomen was. Dat was in 1943. Vier jaar later, vandaag precies 64 jaar geleden, presenteerde haar vader de eerste camera die direct een foto produceerde: de polaroidcamera.

Het is een charmante anekdote over Lands uitvinding. Er zijn er meer van. In de jaren twintig deed Land onderzoek naar lichtpolarisatie, dat later zou leiden tot de uitvinding van de polaroidcamera. Voor dit onderzoek had hij alleen geen laboratorium, dus maakte hij ’s nachts heimelijk [11] gebruik van het lab van de New Yorkse Columbia-universiteit. Land had namelijk ontdekt dat een van de ramen daar nooit op slot zat.

De polaroidcamera is dan ook een charmant apparaat. Het begint al bij de vorm, de gemiddelde polaroidcamera is lekker hoekig en naar huidige maatstaven vooral heel groot. Onverslaanbaar is het moment dat het versgeschoten plaatje uit het apparaat glijdt. Even met de foto wapperen en hij is klaar. Mocht je er toch niet helemaal goed op staan, kun je meteen een nieuwe poging wagen. Geen gedoe met dagenlang wachten op je ontwikkelde rolletje. Handig.

Maar de polaroid is door de tijd ingehaald. Net als mijn vrienden heb ik van de afgelopen zes jaar geen afgedrukte foto meer thuis liggen. Sterker nog: ik maak mijn foto’s met een digitale camera en voel me hopeloos ouderwets. Kan mijn smartphone soms geen behoorlijke foto’s maken? Toen ik laatst met een vriend een paar dagen naar Rome ging, had hij niet de moeite genomen een fotocamera mee te nemen. Met zijn telefoon schoot hij ruim 200 plaatjes. Klik, klik, klik, in razend tempo. Terwijl het Pantheon voor zijn lens lag, werd hij zelfs een keer gebeld.

Vier jaar geleden stopte Polaroid met het maken van de inmiddels nostalgische apparaten. Een aderlating,  want in 2005 stopte al de productie van de krakkemikkige Russische Lomocamera’s [12]. En een maand geleden werd ook nog eens het laatste rolletje Kodachrome [13] ontwikkeld. Deze Kodakrolletjes waren zo’n beetje de beste kleurenfilms ooit.

Inmiddels fabriceert een groepje enthousiastelingen in Enschede weer fotofilm voor de oude polaroidcamera’s. Zij weigeren zich neer te leggen bij de wilde klikmanie die digitale camera’s en telefoons met zich meebrengen. ‘The Impossible Poject’ noemen ze het. Met 18 euro voor 8 foto’s [14] begrijp ik wel waar die naam vandaan komt. Bovendien moeten zij vast ook wel eens terugdenken aan de vraag van die kleine Jennifer. Waarom kan ik hem nu niet zien? Met mijn digitale camera tover ik ‘m zo op mijn scherm hoor, Jennifer.

Enhanced by Zemanta [2]

Column: Nationale Data Privacy Dag

Posted By Joris Belgers On januari 28, 2011 @ 18:46 In Algemeen, Column, Mooi | No Comments

windowsklok

De zon komt op, een nieuwe dag breekt aan. En dat is altijd wel de dag van iets. Of iemand. De NAP-redactie kiest iedere aflevering ‘de dag van…’ uit en laat hier haar eigenzinnige licht over schijnen.

Dataprivacy is hot. Of beter gezegd, het daar over hebben is hot. De stortvloed aan data lijkt alleen maar toe te nemen en de meest uiteenlopende informatie wordt gedigitaliseerd. Van Elektronische Patient Dossiers tot RFID-chips, van Facebookupdates tot Piratenpartijen.

Terroristen pakken
In 2008 werd 28 Januari  door het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden uitgeroepen tot Nationale Data Privacy Dag. Misschien als goedmakertje, aangezien het herroepen van de PATRIOT-act [15] nog een politieke brug te ver was.

Kyle en Stan uit de satirische animatieserie South Park hadden het in 2008 al begrepen. In de aflevering The Snuke [16]hebben boosdoeners een atoombom in Hillary Clinton weten te implanteren. Om de terroristen te pakken crossreferencen Kyle en Stan Youtube [17]met accountinformatie van MySpace [18]en gebruiken ze de zoekmachine Webcrawler [19] om verdachte podcasts [20]op het spoor te komen. Uiteindelijk weten ze alle gegevens van de smerige communist in no-time tevoorschijn te toveren.

Virtueel visitekaartje
De privacyinstellingen die de sociale netwerksite Facebook er op nahoudt, hebben niet zelden tot ophef geleid. Vandaag de dag heeft iedereen wel een virtueel visitekaartje in de vorm van een Facebookpagina, waardoor je met een beetje creativiteit de laatst vier ex-vriendjes van je nieuwe geliefde kunt opsporen. Volgens oprichter Mark Zuckerberg is privacy namelijk een evoluerend begrip [21]. Zuckerberg had dondersgoed begrepen dat je wanneer je iemand ontmoet op een feestje, werk of in de tram meteen wilt weten of diegene al een relatie heeft. Dit was één van de belangrijkste redenen van het daverende succes van Facebook. En als je er vervolgens nog wat sexy foto’s bij kunt vinden is dat natuurlijk al helemaal mooi meegenomen. Net zoals je weet waar je aan toe bent als iemand bij zijn likes & interests ‘Smartlappenfestival’ heeft staan. Handig, toch?

Persoonlijk heb ik er niet zo veel problemen mee dat men na een beetje Googelen van alles over mij te weten zou kunnen komen. Bijvoorbeeld dat ik 23ste ben geworden op een wielrenwedstrijd op de Honselerdijk in 1998. Waar ik woon, werk, en met wie ik om ga, mag ook iedereen van mij weten. Oké, voor latere sollicitaties zijn die 500 niet al te flatteuze foto’s misschien niet handig. Het is naïef om te denken dat een werkgever je niet even Googelt, Facebookt of voor een sollicitatiegesprek je laatste Tweets nog even doorneemt. Ik mag echter hopen dat een beetje werkgever tijdens een dergelijk gesprek wel door die donkere digitale zelfkant heenprikt. Toch?

Een triest moment
Mensen klagen er echter wel over. Mensen voelen zich kwetsbaar wanneer Jan en alleman kan uitvogelen wat ze gisteravond hebben gedaan. Mensen voelen zich bekeken als ze zichzelf de morning after op foto’s in corrumperende posities op de dansvloer terugvinden. Wat in de discussie over privacybescherming op internet alleen maar al te vaak wordt vergeten is dat het ook om eigen verantwoordelijkheid gaat. Je kiest er voor jezelf te zijn, ook op internet. Je kiest er zelf voor je kwetsbaar op te stellen door een profiel aan te maken op diverse sociale netwerksites.

Je kunt er natuurlijk altijd nog voor kiezen om je profiel te verwijderen. Dat dit niet altijd even eenvoudig is, bewijst de profielensite Hyves. Met het zesentwintig keer moeten herbevestigen dat je er toch écht van af wilt [22] heeft het verwijderen van je profiel nogal wat voeten in de aarde. Ook zijn ze bij Hyves niet de beroerdste om je er aan te herinneren wat voor een slag het verwijderen van je profiel voor je sociale leven zal betekenen. Maar het kan. Er is de mogelijkheid je digitale leven op te heffen. En wat er dan over blijft? De mistroostige boodschap die Hyves je meegeeft: “Een triest moment. Je account wordt verwijderd. Hoe heeft het zo ver kunnen komen?”

Enhanced by Zemanta [2]

Column: De dag van de open dag

Posted By Simon Blok On januari 26, 2011 @ 18:55 In Column, Leven | No Comments

De zon komt op, een nieuwe dag breekt aan. En dat is altijd wel de dag van iets. Of iemand. De NAP-redactie kiest iedere aflevering ‘de dag van…’ uit en laat hier haar eigenzinnige licht over schijnen.

Foto: Cybercraft Robots, flickr.com

Foto: Cybercraft Robots, flickr.com

Amsterdam telt meer dan zeventig [23] middelbare scholen. Zeventig! Leerlingen uit groep 8 moeten de leukste en beste kiezen. Een schier onmogelijke opdracht, zou je zeggen. De open dagen in januari en februari moeten deze vergemakkelijken. Vandaag openen dertien Amsterdamse scholen hun deuren voor kinderen en ouders. Dus mag je vandaag best de dag van de open dag noemen. Maar wat heb je eigenlijk aan zo’n open dag?

“Anderhalve week lang heb ik elke avond een school bezocht”, vertelde mijn vriendin over haar open dag-ervaringen. “Godsamme”, reageerde ik. “Ben ik even blij dat ik niet in Amsterdam ben opgegroeid.” Nooit gedacht dat ik dat zou zeggen. Ik ben namelijk getogen in het slaapverwekkende Hoofddorp. Daar had je slechts twee middelbare scholen. Dertien jaar geleden ging ik naar de open dag van het Kaj Munk College – de school die ik uiteindelijk zou kiezen.

Samen met mijn vader liep ik over de glinsterende linoleumvloeren. Ze waren zo schoon dat ik mezelf erin kon zien. Het gebouw rook lekker fris en overal stonden mooie planten. De leraren waren vriendelijk en in alle lokalen was wel iets te doen. In het muzieklokaal mochten alle kinderen achter het drumstel kruipen. Dat wilde ik wel. Als een ADHD’er met tien espresso’s achter z’n kiezen beukte ik er op los. Ik voelde me als Animal uit The Muppets. “Wat gaaf!”, dacht ik. “Muziekles wordt echt leuk.” Maar dat viel tegen. Open dagen geven een vertekend beeld van de werkelijkheid, zo ontdekte ik later.

Scholen halen namelijk alles uit de kast om een nieuwe lading brugpiepers binnen te halen. Ik zie de lerarenvergadering van mijn oude school al helemaal voor me. “Binnenkort is het weer open dag”, zegt de rector. “Een schoonmaakbedrijf komt de avond ervoor de vloeren boenen en het gebouw eens goed luchten.” Vervolgens wordt die ene eeuwig chagrijnige docent even aangekeken. Of hij die dag misschien een keer kan lachen. En geduldig antwoord wil geven op alle vragen. Al zuchtend gaat hij akkoord. “Mooi, dan huur ik nog even een drumstel. Oja, voordat ik het vergeet: willen jullie allemaal een plant van huis meenemen? Dat staat wel zo leuk.”

Ouders kunnen hun kinderen proberen te beïnvloeden. Bijvoorbeeld door een aantal scholen te selecteren op basis van de slagingspercentages uit de ‘Scholengids’ van Het Parool. Maar het blijft uiteindelijk de keuze van het kind. Althans, ik mocht kiezen van mijn ouders. En dat deed ik aan de hand van twee zeer belangrijke vragen: wat doen mijn vriendjes? En hoe ver is eigenlijk het fietsen? Een wijs besluit achteraf gezien. Op basis van één open dag weet je immers niets over de school en haar leraren.

Ik had nooit kunnen voorzien dat de natuurkundeleraar op een dag overspannen en huilend het klaslokaal zou uitrennen om nooit meer terug te keren. Of dat de techniekleraar na een jaar zou verhuizen en zijn post drie jaar onbemand zou achterlaten. Of erger: dat mijn leraar Engels zou worden opgepakt in Thailand, omdat hij niet van kleine jongetjes kon afblijven. Meneer P. in de boeien met een balkje voor zijn ogen. Ik herinner me de foto in De Telegraaf nog goed. Enige tijd later was ook onze docent maatschappijleer spoorloos verdwenen. Hij bleek gezocht te worden door Interpol. Tja, heel nuttig zo’n open dag.

Het is niets meer dan een momentopname. En nog een verfraaide ook. Natuurlijk kan je tijdens een open dag wel even de sfeer proeven en als kind jezelf de vraag stellen: “Zie ik mijzelf hier de komende jaren door de gangen lopen?” Een gouden tip: als je echt iets wilt weten over de school en docenten, praat dan met de leerlingen. They know it all. Nu maar hopen dat zij niet door de leraren zijn geïnstrueerd.

Enhanced by Zemanta [2]

Column: De ‘dag van de ‘Lightrail’

Posted By Yasmina Aboutaleb On januari 26, 2011 @ 18:49 In Algemeen, Column, Leven | No Comments

Foto: charatersntoons.com, www.flickr.com

Foto: charatersntoons.com, www.flickr.com

De zon komt op, een nieuwe dag breekt aan. En dat is altijd wel de dag van iets. Of iemand. De NAP-redactie kiest iedere aflevering ‘de dag van…’ uit en laat hier haar eigenzinnige licht over schijnen.

Ik ben een fervent treinreiziger. Niet zomaar van elke willekeurige trein, maar van die paarse trein met spitse neus die je – als het meezit – in drie uur en zestien minuten van Amsterdam naar hartje Parijs rijdt. De Thalys. In mijn topjaar ging ik zo’n tien keer op en neer met deze trein. Met deze Hoge Snelheidslijn (HSL) heb je geen last van de check-in, files of bagage-overgewicht. Just sit back, relax and enjoy the ride.

Het interieur van de paarse trein werd ruim een jaar geleden volledig vernieuwd. De versleten rode stoelen (volgens de Thalysnieuwsbrief: collector items) werden aan de liefhebber geveild en vervangen door gloednieuwe roze stoelen. De eveneens roze ganglampjes, het wifi-netwerk en de geïntegreerde stekkerdozen aan het voeteneind maken het reiscomfort af. Kortom: of je nu wilt shoppen, moet werken in Antwerpen, Brussel of Parijs of deze column moet tikken, met de Thalys zit je helemaal gebakken.

Gelijktijdig met de metamorfose van de Thalys kwam een nieuw stuk spoor in gebruik in Nederland. Om de HS in HSL waar te maken. De trein stopt niet langer in Den Haag, maar snijdt vanaf Hoofddorp een stuk af, direct naar Rotterdam. Winst: een half uur. Kosten: 6,7 miljard euro, betaald door de Rijksoverheid.

De trein gaat in Nederland met 160 kilometer per uur niet zo snel als in België of Frankrijk waar de trein bijna twee keer zo hard mag. Maar een reistijd van ‘drie uur en nog wat’ klinkt altijd nog beter dan ‘bijna vier uur’.

De Thalysdirectie zag de schone stoelen, stekkerdozen, betaalde wifi en het half uur winst als aanleiding om de prijzen maar eens op te schroeven. Het roze reisplezier moet natuurlijk ook ergens van betaald worden. Voorheen kon ik een retourtje kopen voor vijftig euro. Nu kan ik, als ik heel veel geluk heb, voor zeventig euro heen en weer. Dan moet ik wel drie maanden vantevoren reserveren en doordeweeks reizen, want de weekenden zitten altijd vol. Van deze kaarten is slechts een gelimiteerd aantal beschikbaar, dus op = op. Je reisjes goed plannen en zoveel mogelijk apparaten opladen in de trein, zou de optimist zeggen. Maar dat ben ik niet. Ik schrok van deze prijsverhoging van veertig procent.

Toegegeven, zeventig euro voor een retourtje naar de stad van mijn liefde valt nog altijd mee. Ware het niet dat het een crime is om aan deze kaarten te komen. Meestal betaal ik daarom het normale begintarief van ongeveer vijftig euro voor een enkeltje. Dat maakt reizen naar Parijs geen goedkope hobby. Daarnaast heeft het vernieuwde spoor last van ‘kinderziektes’ en is de Thalys vaak ook vertraagd om andere, vage redenen die niets met kinderen te maken hebben. ‘Drie uur en nog wat’ wordt dan vaak alsnog ‘bijna vier uur’ of ‘vier uur en nog wat’.

Toch blijft het treinreizen veel aangenamer en milieuvriendelijker dan de auto of het vliegtuig. De veel te dure kopjes koffie, krijsende – daar zijn ze weer – kinderen en vertragingen daargelaten. Dat is de reden dat in Nederland en het buitenland ook steeds vaker in en tussen steden de lightrail rijdt. Het is een beetje het kleine, stadse broertje van de HSL. De lightrail is namelijk sneller dan een tram, en lichter en goedkoper dan een trein. Met de trein reizen is daarom misschien niet goedkoper of meer ontspannen, maar wel groener, duurzamer en efficiënter. En dat zeg ik niet alleen omdat het vandaag ‘Dag van de Lightrail’ is. Heus niet.

Column: De dag van het ‘Neuken’

Posted By Adinda Akkermans On januari 21, 2011 @ 18:51 In Algemeen, Column | 1 Comment

wekker3 

De zon komt op, een nieuwe dag breekt aan. En dat is altijd wel de dag van iets. Of iemand. De NAP-redactie kiest iedere aflevering ‘de dag van…’ uit en laat hier haar eigenzinnige licht over schijnen.

 “Neuken”, zei journalist Joop van Tijn [24] vandaag precies zevenendertig jaar geleden in het televisieprogramma ‘Open en bloot’. Dat was zeven jaar nadat de eerste blote vrouw op het beeldscherm was verschenen, maar lang voor programma’s als ‘Seks voor de Buch’, ‘Neuken doe je zo’ en ‘Spuiten en slikken’. Het woord ‘Neuken’ op televisie was een primeur.  Er werden zelfs Kamervragen over gesteld. Volgens mijn vader, 25 jaar oud toen, was het een bevrijdende en emanciperende tijd: “de gordijnen gingen open.”

‘Neuken’. Er zijn frivolere woorden te bedenken dan dat. Op de Veluwe zeggen ze ‘Brommers kiek’n’, Duitsers ‘bumsen’, Belgen noemen het ‘poepen’, Utrechtenaren ‘beklimmen de dom’, tieners ‘vogelen’ en geliefden ‘bedrijven de liefde’. Allemaal beter dan ‘neuken’.

Vijf jaar geleden zag ik voor het voor het eerst neukende mensen. Ik woonde net in Amsterdam en was nieuwsgierig naar de Rosse buurt. Als klein meisje had ik in Groningen al eens minutenlang een prostitué aangestaard die bewegingsloos achter een raam zat omdat ik dacht dat zij een pop was. Wat later wist ik wel wat seks was, maar had ik over de Wallen alleen nog maar gehoord in de boeken van Joost Zwagerman [25] en de politieserie van Baantjer [26].

Dus ging ik op een dinsdagavond naar ‘Casa Rosso’ [27]op de Oudezijds Achterburgwal. Flikkerende lichtjes kondigden ‘Live sex’ aan. Ingenomen met mezelf, omdat dit toch wel gedurfd en dus niet preuts maar ‘open minded’ was, betrad ik het sekshuis. Ik duwde een klapdeurtje open en ging een van de vele kamertjes binnen die zich om een ronde zaal bevonden. Ik stopte twee euro in het gleufje van een machine, wat de sfeer opriep van een kermisattractie. Er schoof een gordijntje open.

Midden op het ronddraaiende podium stond een vrouw op handen en knieën, de man achter haar stootte op een eentonig ritme bij haar naar binnen. Hij keek ongeïnteresseerd naar een vast punt op de muur, zij wierp geërgerd een blik naar achter omdat het niet echt tot een hoogtepunt leek te komen. Ze zagen eruit alsof ze er al een lange werkdag op hadden zitten. Het was neuken, maar had net zo goed een tafereel kunnen zijn van een kapper die de haren van zijn klant knipt of een postbode die post in de brievenbus doet.

Het gordijntje ging dicht en ik besteedde nog twee euro om te zien of de mensen die achter de tientallen andere raampjes naar binnen keken zich net zo unheimisch voelden als ik. Of zouden zij zich wel vermaken?  De gezichten bleken onzichtbaar in het donker, maar ik kon het me niet voorstellen dat ze de tissues gebruikten die in elk kamertje staan. Want wat we zagen was niet opwindend of spannend of geil. Eerder saai, karakterloos en treurig. Ik vluchtte naar buiten. Dit neuken was  helemaal niet bevrijdend, maar beklemmend. Sindsdien wil ik alleen nog alleen maar ‘De koffer induiken’, ‘De pruimen op het sap zetten’ en ‘In de suikerpot roeren’.

Column: De Nationale Voorleesdagen

Posted By Eva de Valk On januari 19, 2011 @ 18:53 In Algemeen, Column, Mooi | No Comments

De zon komt op, een nieuwe dag breekt aan. En dat is altijd wel de dag van iets. Of iemand. De NAP-redactie kiest iedere aflevering ‘de dag van…’ uit en laat hier haar eigenzinnige licht over schijnen.

Een nieuwe dag. Foto: Flickr

Een nieuwe dag. Foto: Flickr

Licht uit, leeslampje aan. Na het badderen is er weliswaar een handdoek over je hoofdje gerost, maar in je nek en achter je oren voelt je haar nog steeds een beetje klam. Tanden gepoetst – alle hoekjes, ook de achterkant! En dan in een schone pyjama onder de stijve lakens, waar je samen met je knuffelbeer zo vast bent ingestopt dat je je nauwelijks nog kunt bewegen. Zo herinner ik mij mijn logeerpartijtjes bij mijn oma en opa.

Ik wilde nooit slapen. “Neehee, ik bén niet moe”, jengelde ik dan. Ik wilde liever gezellig beneden blijven, bij de grote mensen, die televisie keken en grappen vertelden en bovendien een grote schaal borrelnootjes  of ander lekkers op tafel hadden staan. Mijn ouders vonden het prima als ik ze tot ’s avonds laat de oren van het hoofd kletste, maar mijn opa en oma dachten daar heel anders over. Nette kinderen liggen voor het acht-uurjournaal op bed, zo was hun stellige overtuiging.

Mijn opa had een list: als ik in bed lag, kreeg ik een verhaal cadeau over wat ik maar wilde horen. Spoken, prinsessen, indianen, drollen, my little ponies: ik vroeg, hij draaide. Omdat ik wist dat het hoe dan ook een spannend, gruwelijk, hilarisch en ontroerend relaas zou worden, én omdat ik wist dat hij pas zou beginnen als ik schoongeschrobd en slaapklaar in bed lag, sjokte ik na enig ritueel gemopper altijd wel naar boven.

Zijn verhalen hadden vaak een heldere moraal, maar macabere trekjes – want zoals bekend kan het kinderen doorgaans niet gruwelijk genoeg zijn. Een verhaal dat grote indruk op mij maakte, was van het  jongetje dat bij het eten van een biefstuk zijn eigen tong had afgesneden. Hij had het zelf niet door, want zijn tong leek op de biefstuk. Hij at en at, tot hij zijn bord leeg had. En toen had hij dus geen tong meer. “Zie je die flat daar achter het park?”, fluisterde opa dan op samenzweerderige toon, terwijl hij het gordijn opzij schoof. “Je moet het niet verder vertellen hoor, maar ik geloof dat hij daar woont”, zei hij wijzend, “precies daar waar het lampje nog brandt. Hij zal wel heel verdrietig zijn.”

Niet met je mes in je mond tijdens het eten, bedoelde mijn opa. Dat zou ik na dit verhaal wel uit mijn hoofd laten. Niets is immers zo effectief als een goed verhaal. Maar echt een verhaal vertellen, wie doet dat tegenwoordig nog? Onze cultuur is gericht op lezen: de krant, e-mail, sms’jes, gebruiksaanwijzingen, iedereen leest aan een stuk door. Op televisie wordt de autocue opgedreund of vertellen deelnemers van reality-shows in verwarde flarden wat er op dat ene moment toen die-en-die dat zei wel niet door hen heenging. Maar een verhaal vertellen met een kop en een staart dat iemand van begin tot eind geboeid kan houden, is iets wat maar weinig voor komt.

Vandaag beginnen de Nationale Voorleesdagen. ‘Voorlezen. Doe het elke dag’, luidt de nogal strenge motto van deze door de stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek georganiseerde tiendaagse festival. Want, zoals de website [28] wordt uitgelegd, voorlezen “prikkelt de fantasie, ontwikkelt het taalgevoel en bezorgt kinderen veel plezier.”

Wat ze vergeten te melden is dat het voorlezen ook voor diegene die voorleest een grote uitdaging kan zijn. Voorlezen is iets anders dan gewoon lezen. Je moet vooruit lezen, de tekst interpreteren en de juiste toon treffen om de luisteraar weten te boeien. Stemmetjes, bewegingen, strategisch zwijgen of het juist uitbrullen – alles is geoorloofd om het gewenste effect te bereiken. te bereiken. Want pas als iets goed wordt verteld, zal er goed geluisterd worden. En dan kunnen programma’s als Eerste hulp bij opvoeding [29] misschien achterwege gelaten worden.

Grijp die Voorleesdagen dus aan als een kans om je performance-technieken uit te werken. En als je genoeg hebt geoefend mag het boek weg en ben je klaar voor de volgende stap: het vertellen van je eigen verhaal.

Column: De Wereld Fetishdag

Posted By Sarah Venema On januari 14, 2011 @ 17:53 In Column | No Comments

2011-01-14_0015

foto: alancleaver_2000 www.flickr.com

De zon komt op, een nieuwe dag breekt aan. En dat is altijd wel de dag van iets. Of iemand. De NAP-redactie kiest iedere aflevering ‘de dag van…’ uit en laat hier haar eigenzinnige licht over schijnen.

Roy is een stevige man, die dikwijls een pak luiers bij zich draagt. Sophie ontmoet hem bij een bushokje. Zij heeft de hele dag gewerkt als verpleegster in een ziekenhuis en is een beetje moe. Hij vraagt haar hoe laat het is. Hij knipoogt. Zij nodigt hem uit voor koffie.

Zo is het ongeveer gegaan denk ik. En het ging verder. Na een paar weken geeft hij haar een T-shirt. Het is wit met een groot roze hart. In het hart staan krullerige witte letters : ‘Daddy’s girl’.  “Ik wil graag dat je me Daddy noemt, Sophietjemeisje”, zegt Roy. Zijn stem trilt van spanning. Zij glimlacht ongemakkelijk.

Ja, zo ging het vast. Een dag later belt Sophie bij het huis van Daddy aan. Ze hoort zijn voetstappen dichterbij komen. De deur blijft dicht. Ze belt nog een keer. Een papiertje valt door de brievenbus, voor de voeten van Sophie. “Regeltjes voor Sophietjemeisje [30]”, staat er. Daddy heeft twintig regels opgesteld. Sophie leest ze zenuwachtig door. “De regels gelden fulltime, Daddy is de baas, eerlijk zijn, met twee woorden spreken, wachten met eten tot hij begint, me gedragen, ik ben eigendom van Daddy, luier dragen als dat moet van Daddy.” Luier dragen als dat moet van Daddy?

Onder de regels staan straffen die Daddy haar mag geven: “Pak op mijn billen, voor onbepaalde tijd in hoek staan; gekleed, naakt, of met luier.” Luier. Sophie slikt. Dan pakt ze een pen en zet een kruisje in een van de twee hokjes die haar geliefde op het papier getekend heeft. “Akkoord?” “Ja”. Ze schuift het papier weer door de brievenbus naar binnen. De deur gaat open. Daar staat Daddy, enkel gekleed in een luier.

Ik weet niet hoeveel volwassene mensen in Nederland een luier dragen, maar een zoektocht op internet leert dat Daddy Roy niet de enige is. Met pedofilie heeft  luierliefde niets te maken. Wel met het verlangen kind te zijn. Infantilisme heet dat. Maar niet alle volwassene luierdragers zijn luierfetisjisten.

Voor luierfetisjisten is een luier sexy. Daddy Roy legt op zijn weblog uit dat niet de kinderlijke uitstraling, maar het fysieke gevoel van het dragen van een luier voor hem opwindend is. Bovendien is de luier volgens Daddy Roy een handig middel om iemand te straffen. De luier is vernederend. Als je iemand verbiedt om naar de wc te gaan is die vernedering  compleet, schrijft hij.

Ik ontdek Daddy Roy en Sophietjemeisje via internet. Ze hebben allebei een digitaal dagboek waarop ze hun spelregels hebben opgeschreven, hun fetisj beschrijven en met berichtjes en foto’s verslag doen van hun uitjes naar de dierentuin en wandelingen in de duinen. Ze krijgen er reacties van mensen die zich in hun relatie herkennen of vragen hebben. Hebben ze seks of is het dragen van een luier genoeg? En worden de luiers ook gebruikt waarvoor ze gemaakt zijn? “To pee or not to pee” is voor veel luierfetisjisten een belangrijke vraag, ontdek ik.

Ze hebben het meer dan een jaar volgehouden samen, Daddy Roy en Sophietjemeisje. Daarna zijn ze gestopt met schrijven, begin 2008. In een van haar laatste berichten zegt Sophietjemeisje dat ze graag wil samenwonen met Daddy. Ik vraag me af of ze al een kindje hebben. En of Sophietjemeisje dan ook moeder mag spelen in plaats van kind. Misschien zijn ze door de crisis zelf wel gestopt met het dragen van luiers. Luiers zijn duur. Misschien bewaren ze hun eigen luiers voor speciale gelegenheden. Zoals morgen: op de Wereld Fetishdag.

Column: De dag van de Lopende Band

Posted By Fleur de Weerd On januari 14, 2011 @ 17:47 In Algemeen, Column | No Comments

 

Foto: Whiskeygonebad www.flickr.com

Foto: Whiskeygonebad www.flickr.com

De zon komt op, een nieuwe dag breekt aan. En dat is altijd wel de dag van iets. Of iemand. De NAP-redactie kiest iedere aflevering ‘de dag van…’ uit en laat hier haar eigenzinnige licht over schijnen.

Gewapend met een labjas en een haarnetje word ik de inpakafdeling van de kaasfabriek binnen geleid. Er staan zes mensen naast verschillende machines. De een brengt en haalt karren, een tweede trekt de kaas uit de darm, een volgende hakt de kaaskontjes eraf, een vierde stopt ‘m in de snijmachine,  een vijfde legt de plakjes klaar in een vacuümbakje en de laatste doet de bakjes in een kartonnen doos.

Ik ben hier omdat precies vandaag 97 jaar geleden de lopende band is geïntroduceerd. Deze uitvinding werd geclaimd door de koning van consument en producent: autogigant Henry Ford. Nu, bijna een eeuw later is het tijd om eens stil te staan bij deze uitvinding.

“Echt wel, iedereen weet dat Ford met deze uitvinding kwam,” zegt een studievriend tegen me. Aangezien ik het als mijn taak als historicus beschouw – en stiekem ook andere vrienden met een historisch besef heb die de Eerste niet van de Tweede Wereldoorlog kunnen onderscheiden – leg ik de context toch graag even uit: De lopende band werd in 1914 door Ford geïntroduceerd, maar werd in de eeuw ervoor al gebruikt in de muskettenindustrie [31]. Het briljante idee van de arbeidsverdeling is nog ouder. De Schotse filosoof Adam Smith [32] bedacht dat het voor productie het effectiefst was als het in stukken werd opgedeeld. Ford stal zijn shine.

Ik sta nu in de kaasfabriek om te ervaren hoe het er nu voorstaat met die hypermoderne lopende band van toen. Voor me staat Charlotte, productiewerker zes in de kaas-inpak-keten. Ze werkt al veertien jaar op de afdeling. “Ik lust niet eens kaas. Mijn kinderen wel maar die zijn hier geboren.” Ze komt uit Ghana en lacht haar tanden bloot. “Soms eet ik wel komijnekaas hoor.”

Het is pauze. De grijzende laboratoriummedewerker Harry vertelt me hoe de fabriek over de jaren is veranderd. Hij werkt er al dertig jaar. “Toen ik hier begon rookten we gewoon sigaretjes aan de lopende band. En als er een spoedbestelling was werkten we de hele nacht door met een kratje bier.” Hij lacht. “Dan waren we ’s ochtends hartstikke dronken. Nu is alles met haarnetjes en kwaliteitscontrole. En de Polen zijn de Turken van dertig jaar geleden.”

Zijn collega, die anoniem wil blijven, fluistert me toe dat hij het jammer vindt dat Rosalie er niet meer werkt. “Een klein vrouwtje, ze kwam altijd op de brommer, een Sita [33] naar de fabriek. Zij werkte ook in de pauzes.” Ik kijk blijkbaar zo bleu dat hij zijn ogen toeknijpt en een overdreven samenzweerderige toon aanslaat. Wat blijkt: Rosalie ging in de pauze mee met de mannen van de smelterij, voor geld. Toen kwam er ruzie, een man claimde haar de hele pauze. De baas moest er tussen komen. “Die zei: Wat je na werktijd doet moet je zelf weten, maar hier moet je je inhouden. Hij heeft haar toen een seksverbod gegeven.”

“Ook al is Rosalie er niet meer, qua mensen is het werk hier niet veranderd”, zegt Harry snel. Hij pakt zijn broodje kaas uit en neemt een hap. Als ik de zaal verlaat, zie ik dat de inpakkers hun plek in de kaas-inpak-keten weer innemen. Alles gaat zo soepel dat Adam Smith van trots nog rechter zou gaan liggen in zijn graf . Toch is de shine er wel vanaf.

Column: Het WNF & De Dag van de Tijger

Posted By Katja Keuchenius On januari 12, 2011 @ 19:23 In Algemeen, Column, Mooi | No Comments

Foto: Tijgerwekker

Foto: William J. Gibson, Flickr.com

De zon komt op, een nieuwe dag breekt aan. En dat is altijd wel de dag van iets. Of iemand. De NAP-redactie kiest iedere aflevering ‘de dag van…’ uit en laat hier haar eigenzinnige licht over schijnen.

Amsterdam, 7 jan – Liefdadigheidsorganisaties hebben het anno 2011 niet makkelijk. Ze komen op voor de meest hartverscheurende zaken, maar krijgen hun multitaskende medemens van de eennentwintigste eeuw nauwelijks zo ver er daadwerkelijk om te geven. Om zich tussen alle andere wereldproblemen een plek toe te eigenen, moeten organisaties flink uitpakken. Aandacht is immers een schaars goed geworden.

Voorbijgangers op het Koningsplein en in de Kalverstraat weten de herkenbare jasjes en de map onder de arm vakkundig te ontwijken. Een Wereld Natuur Fond-lidmaatschap moet nou eenmaal inleveren aan populariteit als Het Glazen Huis de radio domineert en reclameborden om de zoveel meter een Afrikaans kind laten zien dat met grote ogen vraagt of je met één sms’je zijn leven wilt redden.

Organisaties als het Wereld Natuur Fonds [34] slagen er pas in aandacht voor dieren te krijgen als zij iets ‘behapbaars’ en het liefst zelfs vermakelijks aanbieden. Een ‘Dag van…’ bijvoorbeeld.

9 Januari werd dit jaar door het Wereld Natuur Fonds uitgeroepen tot ‘De Dag van de Tijger’. In het Tropenmuseum [35] schminkten afgelopen zondag WNF-medewerkers kindergezichtjes vol oranje strepen en snorharen. Met piepschuim en verf werden er tijgers in elkaar geknutseld.

Een vrolijk blond meisje van een jaar of twintig heeft een groep kinderen in een zaaltje verzameld. Ze hebben net een filmpje over de tijger gekeken. Het meisje verdeelt de ruimte denkbeeldig in twee stukken. Het ene deel staat voor ‘waar’, het andere voor ‘niet waar’.

“Delen van tijgers worden gebruikt als medicijn. Is dat waar of niet waar?” vraagt het meisje. De kinderen lopen vol spanning achter elkaar aan naar het waar-vak. Sommige kinderen blijven angstvallig staan met twee voeten in de verschillende vakken. “Heel goed”, roept het meisje opgewekt. “Het is waar”.

Voor het WNF gaat het deze dag natuurlijk niet alleen om de tijger. De organisatie maakt van dit zondagse familie-uitje handig gebruik om aandacht te vragen voor het WNF in het algemeen. In de kantine van het Tropenmuseum zijn een paar tafels tot kraampjes omgetoverd. Er liggen tijdschriften, knuffels, zonnekleppen, en inschrijfkaarten. Op de hoek van de tafel staat een collectebus [36].

Kinderen zijn een makkelijke doelgroep, leggen medewerkers in WNF t-shirts uit. Kinderen zijn immers vanzelf geïnteresseerd in dieren, ze zijn makkelijk te bereiken en ze maken het werk dankbaar. “Ik zie ze al op school roepen dat een tijger twaalf meter ver kan springen”, glundert één van de medewerkers.

Het lijkt inderdaad te werken, een dag vol entertainment voor de kids. Hele gezinnen scharen zich om de WNF-kraampjes heen. Bij de quiz weten de kinderen verbazingwekkend veel vragen over de tijger goed te beantwoorden. “Zijn er nog 23 Balinese tijgers over, waar of niet waar?” vraagt het blonde meisje de kinderen. “Ja, heel goed, het is niet waar! Of eigenlijk… heel jammer, want de Balinese tijger [37] is uitgestorven. Volgende vraag.”

Het is maar een lastige taak: een serieuze zaak omzetten in iets aantrekkelijks voor het grote publiek. De liefdadigheidsorganisaties zullen ook snel weer met nieuwe trucs moeten komen. De aandacht van kinderen zal uiteindelijk toch uitputbaar blijken. En de vrije ‘dagen van’ van 2011 zijn alweer bijna op.

Laarsen onder een zomers rokje

Enhanced by Zemanta [2]


Article printed from Nieuw Amsterdams Peil: http://napnieuws.nl

URL to article: http://napnieuws.nl/2011/01/12/column-het-wnf-de-dag-van-de-tijger/

URLs in this post:

[1] De televisiereclame: http://www.youtube.com/watch?v=2kM9TBCJ148

[2] Image: http://www.zemanta.com/

[3] Mart Smeets en Ria Visser: http://www.dumpert.nl/mediabase/181051/ceb3a027/ria_visser_had_sex_met_noorse_trui_smeets.html

[4] sprak Wüst: http://nos.nl/video/218774-eerlijk-is-eerlijk-alleen-titels-tellen.html

[5] Mugabe en Tsvangirai: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2668/Buitenland/article/detail/1076863/2010/12/17/Mugabe-wil-van-samenwerking-met-oppositie-af.dhtml

[6] olieramp: http://www.vrtfansite.be/nieuws_template.php?id=22870

[7] Erben Wennemars: http://nos.nl/video/16269-nk-allround-wennemars-na-500-m.html

[8] € 6.000,- : http://www.spot.nl/tvreclame.html

[9] Wereld Kankerdag: http://www.wereldkankerdag.nl/

[10] Edwin Land: http://www.invent.org/hall_of_fame/91.html

[11] heimelijk: http://www.bookrags.com/biography/edwin-h-land-wop/

[12] Lomocamera’s: http://www.flickr.com/groups/lomo/

[13] Kodachrome: http://www.nytimes.com/2010/12/30/us/30film.html

[14] 18 euro voor 8 foto’s: http://shop.the-impossible-project.com/shop/film/tip_films/fi_600_1_px600

[15] PATRIOT-act: http://nl.wikipedia.org/wiki/USA_PATRIOT_Act

[16] The Snuke : http://www.southpark.nl/episodes/1104/

[17] Youtube : http://www.youtube.com/

[18] MySpace : http://www.myspace.com

[19] Webcrawler: http://www.webcrawler.com/

[20] podcasts : http://podcast.com/

[21] evoluerend begrip: http://www.guardian.co.uk/technology/2010/jan/11/facebook-privacy

[22] écht van af wilt: http://files.computertotaal.nl/2010/5/Ontvriend11.png

[23] zeventig: http://www.dmo.amsterdam.nl/publish/pages/171410/keuzegidsvo2011-def.pdf

[24] Joop van Tijn: http://nl.wikipedia.org/wiki/Joop_van_Tijn

[25] Joost Zwagerman: http://http://www.joostzwagerman.nl/

[26] Baantjer: http://nl.wikipedia.org/wiki/Baantjer_(televisieserie)

[27] ‘Casa Rosso’ : http://www.casarosso.nl/

[28] website: http://www.nationalevoorleesdagen.nl/

[29] Eerste hulp bij opvoeding: http://www.rtl.nl/gezondheid/eerstehulpbijopvoeding/

[30] Regeltjes voor Sophietjemeisje: http://www.fetishplay.nl/regeltjes-voor-sophietjemeisje/

[31] muskettenindustrie: http://en.wikipedia.org/wiki/Eli_Whitney,_Jr.

[32] Adam Smith: http://nl.wikipedia.org/wiki/The_Wealth_of_Nations

[33] Sita: http://www.google.nl/imgres?imgurl=http://img.tweedehands.nl/f/normal/69032286_2-sita-gilera-sportief-goed-onderhouden.jpg&imgrefurl=http://www.tweedehands.nl/brommers-scooters/brommers/gilera/sita-gilera-sportief-goed-69032286.html&usg=__cAKEbuBkpVic_PXUtQTQx0-5Q5c=&h=341&w=454&sz=81&hl=nl&start=0&sig2=iiUIyj8vsOvik3gIqLI13w&zoom=1&tbnid=NxBw_dAx8stkFM:&tbnh=165&tbnw=224&ei=xjEvTfjyH4_rOfSzuK0K&prev=/images%3Fq%3Dsita%2Bbrommer%26um%3D1%26hl%3Dnl%26client%3Dfirefox-a%26rls%3Dorg.mozilla:nl:official%26biw%3D1280%26bih%3D863%26tbs%3Disch:1&um=1&itbs=1&iact=rc&dur=358&oei=vTEvTdj8KY2XOuffubMJ&esq=5&page=1&ndsp=21&ved=1t:429,r:1,s:0&tx=113&ty=90

[34] Wereld Natuur Fonds: http://www.wnf.nl/nl/home/?splash=1

[35] Tropenmuseum: http://www.tropenmuseum.nl/

[36] collectebus: https://www.wnf.nl//nl/home/donateurs/word_donateur.cfm

[37] Balinese tijger: http://nl.wikipedia.org/wiki/Balinese_tijger

Copyright © 2009 Nieuw Amsterdams Peil. All rights reserved.