- Nieuw Amsterdams Peil - http://napnieuws.nl -
Amsterdam vergrijst niet
Posted By Thomas Rueb On februari 14, 2012 @ 16:58 In Achtergrond, Nieuwsbericht, Nieuwsverhaal | No Comments

Steeds minder ouderen in Amsterdam. Foto: teddykiller (Flickr)
AMSTERDAM, 14 februari – De vergrijzing krijgt geen vat op Amsterdam. Wars van alle landelijke trends, daalt het aantal ouderen in de stad. Dat blijkt uit gegevens van het Bureau Onderzoek en Statistiek (O+S).
Het aantal 65-plussers in Amsterdam is de afgelopen tien jaar drastisch gedaald. De stad telde aan het begin van deze eeuw ongeveer 89.000 ouderen, in 2011 waren dat er 3000 minder. Dat is opvallend, want het totaal aantal Amsterdammers nam over diezelfde periode toe met zo’n duizend inwoners per maand.
Amsterdam zit niet alleen ruim onder het landelijk gemiddelde, het aantal ouderen is zelfs dalende. Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) was in 2000 ongeveer 14 procent van de Nederlandse bevolking 65 jaar of ouder. In 2011 was dat zelfs 16 procent.
In Amsterdam nam het totale aandeel ouderen tussen 2000 en 2011 juist af, van 12 procent naar 11 procent. Dit druist in tegen landelijke vergrijzingstatistieken. In Nederland zijn 65-plussers een rap groeiende bevolkingsgroep.
Jeroen Slot, adjunct directeur van het O+S, heeft een verklaring voor de afwijkende Amsterdamse cijfers. Volgens hem merkt de stad momenteel de gevolgen van een massale uitstroom van veertigers die plaatsvond in de jaren 70 en 80. “Zij verhuisden in die tijd in groten getale naar omliggende dorpen. Almere, Purmerend, Zaanstad – de stad slonk aanzienlijk, met 1985 als absolute dieptepunt.”
Met de komst van gastarbeiders halverwege de jaren 80 begon de stad langzaamaan weer uit te dijen. Slot: “Qua inwonersaantallen zitten we weer op het oude peil, maar niet qua ouderen. De gastarbeiders van de jaren 80 die zijn op dit moment nog niet oud genoeg om de ‘65+-groep’ te versterken.”
Ouderen in de stadsdelen
Het ‘oudste’ stadsdeel van Amsterdam is op dit moment Amsterdam Noord: 15 procent van de inwoners is 65+. Dat ligt maar net onder het landelijk gemiddelde. Amsterdam Oost en West zijn de stadsdelen met de minste ouderen, met niet meer dan 8 procent van het totaal.
Slot voorspelt dat het tot ongeveer 2020 zal duren tot de ouderenpopulatie van Amsterdam is hersteld. Dan zal de gemiddelde leeftijd van de Amsterdammer stijgen in de richting van het landelijke gemiddelde. “Maar tot die tijd blijft Amsterdam wars van de nationale trend”, waarschuwt Slot. “De vergrijzing laat hier nog wel even op zich wachten.”
Demograaf Jan Latten van het CBS sluit zich daarbij aan. Maar of Amsterdam in de nabije toekomst in de buurt van het landelijk gemiddelde zal komen, blijft volgens hem de vraag. “De stad heeft een ‘roltrapfunctie’: jonge hoogopgeleiden stromen relatief snel door naar een hogere positie op de arbeidsmarkt, maar blijven slechts tijdelijk in de stad, om daarna plaats te maken voor nieuwe jonge inwoners. Dit heeft tot gevolg dat de regio in toenemende mate ‘vertwintigt’.”
“Een normaal verzorgingstehuis, daar zit ik niet op te wachten”
Posted By Anna Vossers On februari 14, 2012 @ 16:50 In Achtergrond, Algemeen, Leven, Reportage, Stad | No Comments
Roti en spekkoek of een driegangenlunch, merengue dansen met de kleinkinderen of praten over de eenzame kinderloze oude dag met lotgenoten. Elke Amsterdamse oudere heeft andere wensen en behoeften op zijn oude dag. De trend in vergrijzend Amsterdam is: voor elke groep eigen activiteiten of woonvormen. NAP ging kijken bij een homovriendelijk woonzorgcentrum en bij een verpleeghuis voor dementerende Surinamers.
AMSTERDAM, 14 februari – De afdelingen van verpleeghuis Anton de Kom in de Bijlmer hebben namen als Toekan en Twatwa. Zachtjes klinkt de beat van de trommels van Surinaamse muziek. Het behang is geel en oranje en aan de muur hangen linnen doeken met foto’s van tropische stranden en de Wijdenboschbrug bij Paramaribo. De palmplanten gedijen er goed, want de thermostaat staat standaard op minstens vierentwintig graden. Het is kalm in de woonkamers, want alle vierentwintig dementerende bewoners hebben net hun fruit gegeten en houden ’s middags rust.

Het Anton de Komplein. Foto: Anna Vossers
Alle bewoners hebben een eigen slaapkamer. In de gedeelde woonkamers wordt na het ontbijt gedanst voor de verplichte dertig minuten lichaamsbeweging. Na de middagrust helpen de bewoners, als dat nog kan, met het koken van een Surinaamse avondmaaltijd. De bakbananen en bakkeljauw worden op de markt om de hoek op het Anton de Komplein gekocht. De meeste medewerkers zijn zelf ook Surinaams. Ze praten een mengelmoesje van Sranan Tongo en Nederlands met de bewoners en familieleden.
Levendiger is het tien kilometer verderop, bij de ‘roze ouderen’ in woonzorgcentrum De Rietvinck in de Jordaan. Het huis kreeg net als twee andere woonzorgcentra van zorggroep Osira van homobelangenvereniging COC de ‘Roze Loper’, een keurmerk voor homovriendelijke ouderenzorg. Het is een verzorgingstehuis met zeven aanleunwoningen voor homoseksuele ouderen, het L.A. Rieshuis.
In het zaaltje van Café Rosé zitten deze donderdag drie uur zo’n veertig ouderen. Na een korte inleiding van Jasper Wiedeman van het homodocumentatiecentrum Ihlia gaat de beamer aan. Vandaag kijken de cafégangers de oudste beelden van homo’s op de Nederlandse televisie terug. Wiedeman laat beelden uit 1964 zien van Benno Premsela, de eerste man die openlijk op de Nederlandse tv uitkwam voor zijn homoseksualiteit. “Wie kent Benno allemaal?” vraagt geestelijk verzorger Anton Koolwijk. Van alle kanten klinkt bevestigend gebrom. Mevrouw Grotjohann roept vanaf de bank op de eerste rij: “Hij heeft het COC helemaal opgebouwd, en dat werd de mooiste dancing van Europa.” Ze lacht hard, anderen lachen mee.
Woon- en zorgmogelijkheden voor ouderen zijn er in gradaties. Van vrijblijvende activiteiten tot dagbehandeling, van woongroepen en aanleunwoningen tot verpleeghuizen voor diegenen die het meest afhankelijk zijn geworden. In al die categorieën ontstaan gespecialiseerde huizen: Amsterdam heeft een verzorgingstehuis voor gefortuneerde bejaarden, woongroepen voor oudere Marokkanen en Hindoestanen en woonzorgcentra met een keurmerk voor homovriendelijke zorg. Zorgorganisatie Cordaan opent volgende maand El-Noor, een woonvoorziening voor islamitische senioren.
Dat juist nu kleinschalige woon- en zorginititatieven als paddestoelen uit de grond schieten, is niet zo gek, legt Netty van Triest uit, programmaleider bij de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting: “De babyboomers, die nu met pensioen gaan, zijn erg geïnteresseerd om met elkaar te gaan wonen. Het is een eigenzinnige generatie met een hoger inkomen en meer vermogen.”
“Homovriendelijk” woonzorgcentrum De Rietvinck organiseert elke week activiteiten voor oudere homo’s, zoals films en praatgroepen. Uit de wijde omgeving komt er een vaste groep geïnteresseerden op af. De eerste donderdag van de maand is er Café Rosé, een gratis middag voor roze ouderen. Het café heeft om de maand een serieus thema en om de maand lichter amusement.

Foto: Ladyheart (morguefile)
De generatie homo’s die nu oud wordt, kan meestal niet rekenen op hulp van nageslacht. Adoptie, zaaddonors en draagmoeders waren er toen zij jong waren nog niet voor homo’s, dus kinderen hebben ze meestal niet.
Bij het Anton de Komhuis is juist het tegenovergestelde aan de hand. Anne-Rose Abendanon, die aan de wieg stond van het verpleeghuis, merkte bij ontmoetingscentrum Kraka-e-Sewa voor Surinaamse dementerende ouderen, dat veel van de ouderen bij hun kinderen in huis woonden. Familieleden hadden vaak geen vertrouwen in de Nederlandse zorg. Abendanon zag dat om een dementerende grootouder in huis te hebben, kleinkinderen hun kamer moesten afstaan en veel te veel mensen in één huis woonden. Daarom kwam er in november 2009 een verpleeghuis voor dementerende Surinaamse ouderen.
Anders dan bij Anton de Kom zijn de ouderen die naar de activiteiten van de Rietvinck komen vaak nog gezond. Ze hebben wel behoefte aan aanspraak van mensen die net als zij hebben moeten vechten om uit te komen voor hun seksuele voorkeur, en hun sociale leven wordt met het verstrijken van de jaren kleiner. Het merendeel van de deelnemers aan Café Rosé en De Roze Salon woont dan ook nog gewoon thuis.
Toch komt niet elke oudere zomaar in aanmerking voor elke woon- of zorgvorm. In het Anton de Komhuis wonen alleen ouderen die een verpleeghuisindicatie hebben, die dus 24 uur per dag recht hebben op zorg. Veel aanleunwoningen en woongroepen vallen onder sociale huur, met een bijbehorende inkomens- en vermogensgrens. En particuliere woonvormen zijn weer niet weggelegd voor de minimainkomens.
Mevrouw Grotjohann, vaste bezoekster van Café Rosé, moet er niet aan denken afhankelijk te worden. Ze woont nog zelfstandig in een flat bij de Gaasperplas in de Bijlmer. Twee keer woonde ze lang samen met een vrouw; nu is ze op zichzelf aangewezen. Nu gaat dat nog goed, ze fietst nog veel en wandelt. Haar moeder zei altijd: “Mannen moet je niet aan beginnen, en kinderen zijn hinderen.” Dat advies heeft Grotjohann letterlijk genomen.
Voor het L.A. Rieshuis in de Jordaan zou Grotjohann wel warm lopen, maar ze is te “kapitaalkrachtig” voor zo’n sociale huurwoning. Op een paar honderd meter lopen van haar appartement staat een normaal verzorgingstehuis. “Maar daar word je lastig gevallen door mannen. Daar zit ik echt niet op te wachten.” Haar sociale leven is klein geworden. Hoe het later gaat redden, zonder kinderen? “Ik neem wel een huisknecht. Of een meisje natuurlijk!”
De Oud-Amsterdammer: een fout jaartal is geen ‘big deal’
Posted By Kick Hommes On februari 14, 2012 @ 16:44 In Achtergrond, Interview, Leven, Nieuwsverhaal, Profiel | No Comments
De Oud-Amsterdammer is een gratis krant met nostalgische en sentimentele verhalen uit het Amsterdam van het verleden. “Het gaat goed, ver boven verwachting”, zegt Hans Peijs (53), hoofdredacteur van het blad en getogen in Amsterdam Oost. “We wilden het eerst zien en dan pas geloven, maar er zijn heel veel positieve reacties. En er zijn al ruim tweehonderd inzendingen voor de puzzel.”

De Oud-Amsterdammer. Sinds 27 november 2011 in Amsterdam. Foto:deoudamsterdammer.nl
AMSTERDAM, 14 februari – Sinds november 2011 is De Oud-Amsterdammer verkrijgbaar. De krant is de Amsterdamse versie van De Oud-Rotterdammer, de eerste gratis krant die zich richtte op 50-plussers in een grote stad. Na De Oud-Utrechter en De Oud-Hagenaar is het de vierde krant die deze formule gaat hanteren. “We zagen het succes in Rotterdam en vroegen ons af waarom het in Amsterdam eigenlijk niet gedaan werd”, zegt Peijs. “En na wat overleg was het eigenlijk zo geregeld.”
De kracht van de krant is volgens Peijs de goede formule van De Oud-Amsterdammer: “We maken artikelen over onderwerpen van bewoners en door bewoners die niet verder teruggaan dan ongeveer 1950. Mensen die ons blad lezen moeten het gevoel krijgen dat ze erbij waren, dat ze zich het konden herinneren.” Voor Peijs zelf geldt dit in ieder geval wel. “Ik ben 53, ik pas in de doelgroep van onze artikelen.”
Dat de krant leeft, blijkt uit het artikel over de brand bij C&A in 1963 in het nummer van 7 februari. Peijs: “we hadden zelf ook goed onderzoek gedaan naar de brand, maar hebben liefst 52 extra foto’s uit privéarchieven van lezers gekregen. Dat is nu allemaal op internet gepubliceerd. ”
Groot historisch onderzoek ligt niet aan de artikelen ten grondslag. Peijs: “Een jaartal kan weleens verkeerd zijn. Dat willen we natuurlijk liever niet, maar het is ook geen big deal. En het is ook alleen maar leuk als we dan weer reacties van lezers krijgen die zeggen dat het toch echt 1964 was in plaats van 1963.”
Voorbeelden van onderwerpen voor De Oud-Amsterdammer heeft Peijs genoeg. Zo gaat hij schrijven over de kroningsrellen in 1980, waarbij krakers met de leus ‘geen woning, geen kroning’ het volksfeest rond de kroning van Beatrix verstoorden. Maar ook schrijft hij over de verloving van Beatrix en Claus en komt in het volgende nummer een artikel over het Casa 400, het huidige studentenhotel bij Amsterdam Amstel. “Dat gaat binnenkort gesloopt worden en we willen er een mooi verhaal over maken”, zegt Peijs.
Op dit moment schrijft Peijs veel stukken zelf, maar er is ook ruimte voor eigen initiatief. Peijs: “we stimuleren eigen inbreng en daar is op dit moment geen gebrek aan. We kunnen moeiteloos twee pagina’s vullen met stukken van lezers.” Mensen die goed schrijven worden volgens Peijs wel gevraagd of ze meer willen bijdragen aan de krant. “We willen naar een vaste redactie. Laatst meldde iemand zich spontaan aan, maar die wilde alleen maar over de Pijp van voor 1940 schrijven. Dat kan dus net niet.”
De oplage van de krant is 120.000 en gratis af te halen op vierhonderd verspreidingspunten in Amsterdam, Almere, Diemen, Weesp, Lelystad, Muiden en Purmerend. Inkomsten haalt de krant vooral uit advertenties, maar inmiddels zijn er volgens Peijs al ongeveer honderd abonnementen van vijftig euro per jaar verkocht aan mensen die niet naar een verspreidingspunt willen of kunnen.
Voorlopig wil Peijs nog niet denken aan uitbreiding van de krant. “We willen eerst settelen. Het gaat goed maar er moeten nog meer advertenties bij voor we van de zestien pagina’s nu naar 24 en meer willen.” Wel heeft Peijs goede hoop dat er uitgebreid kan worden: “ik hoorde laatst dat een ‘Jonge Amsterdammer’ van 35 zei dat het eigenlijk een krant voor iedere Amsterdammer is. Zo hadden we er nog niet over nagedacht, maar het is een welkome meevaller!”
De volgende editie van De Oud-Amsterdammer ligt op 21 februari in de schappen. Dan wordt ook duidelijk wie van de tweehonderd inzendingen de winnaars van de Intratuin-cadeaubonnen worden.

“Eigenlijk is nostalgie onzin, wanneer deze zo ontzettend inefficiënt is”
Posted By Steffi Weber On februari 14, 2012 @ 16:42 In Achtergrond, Algemeen, Mooi | No Comments

Deze filmrollen zullen vanaf de zomer vrijwel nergens meer worden gebruikt. Foto: Jay Holbin, Anakin Productions via Wikimedia
Deze zomer komt er voor het overgrote deel van de Nederlandse bioscopen definitief een einde aan het tijdperk van de 35mm-film. Zij zullen dan alle zijn gedigitaliseerd. In Amsterdam zijn de grote bioscopen dit al geruime tijd. Slechts enkele filmhuizen in de stad moeten de stap nog maken. Filmtheater Kriterion maakt hem donderdag. Het werk wordt een stuk efficiënter, maar filmoperateurs hebben nu nog maar weinig te doen. NAP zocht ze op.
Amsterdam, 14 februari – Het monotone geratel van de 35mm-film klinkt in de cabine van Filmtheater Kriterion. 25 beelden per seconde verschijnen op het grote doek in de zaal. Het publiek, dat met zijn rug naar de cabine zit, zal niet beseffen dat ze kijken naar een van de laatste 35mm-voorstellingen van het filmtheater. Naast de oude projector in de cabine staan grote kartonnen dozen. Daarin onderdelen van een computer en een beamer. Vanaf donderdag zullen zij de oude projectoren vervangen.
Kriterion stapt als een van de laatste filmhuizen in Amsterdam over op digitale projectie. Een keuze hebben ze eigenlijk niet. Uiterlijk deze zomer moet ieder filmtheater in Nederland in staat zijn om digitale film te vertonen, willen ze nog nieuwe films kunnen aanbieden. Deze worden vanaf dat moment alleen nog maar digitaal uitgebracht.
De digitalisering kost tussen de 70 en 80 duizend euro per zaal, waarvan een groot deel gaat naar de aanschaf van de dure projectoren. Het was in eerste instantie een bedrag dat niet ieder filmhuis uit eigen kracht kon opbrengen. Toen staatssecretaris Zijlstra (Cultuur, VVD) eind 2010 groen licht gaf voor een overheidsbijdrage van zes miljoen, werd de 38 miljoen die nodig was voor digitalisering van alle Nederlandse bioscopen bereikt. 571 bioscoopzalen zouden nu worden gedigitaliseerd.
Samir Veen en Arnout van der Maas, twee van de operateurs in Kriterion, weten nog niet wat hen vanaf aanstaande donderdag te wachten staat. Als operateur waren zij verantwoordelijk voor de filmprojectie. Ze hebben nog geen opleiding gehad in digitale projectie, maar daarover maken ze zich niet druk. Hun eerdere operateursopleiding binnen Kriterion duurde meerdere maanden, voor de omscholing naar digitale projectie voldoet een introductiecursus. Die krijgen ze donderdag. “Het is niet moeilijk als de computer al het werk doet”, zegt Veen.
Waar in Amsterdam moet de stap nog genomen worden?
Nog vier Amsterdamse filmhuizen zullen voor de zomer overgaan op digitalisering. De Amsterdamse organisatie Cinema Digitaal, die voor een groot aantal van de bioscopen de digitalisering vormgeeft, laat weten dat dit proces voor De Balie (maart) en het nieuwe filminstituut EYE (deze maand nog) gepland staat. De organisatie is hierbij zelf betrokken. Filmtheater De Uitkijk en Melkweg digitaliseren volgens Cinema Digitaal ook in de komende maanden, maar doen dit op eigen initiatief. Filmhuis Cavia zal volgens de organisatie waarschijnlijk niet overgaan op digitalisatie en gebruik blijven maken van 35mm-films.
Van der Maas en Veen hoeven niet te vrezen voor hun baan. Kriterion wordt geleid door een studentenvereniging en de interne structuur hiervan zorgt ervoor dat iedereen binnen de vereniging een takenpakket heeft. Niemand is fulltime operateur. Van der Maas vindt het wel jammer dat de 35mm-film verdwijnt. “Het operateursvak heeft iets magisch. Je hebt een klein beeld van 35 mm, dat vervolgens het grote beeld wordt dat je ziet als je in de bioscoopzaal zit.”
Veen vindt vooral de simpele techniek achter de projectie fascinerend. “Als je naar een projector kijkt, dan snap je hoe het werkt. Sterker nog, je hebt het gevoel dat jij degene bent die de film vertoont, jij trekt de filmstrook tussen de lamp en de lens, de machine zorgt er alleen voor dat de film blijft draaien. Als je straks de computer aanzet om de film te starten, heb je geen idee wat er eigenlijk allemaal gebeurt.”
The Movies op de Haarlemmerdijk is een van de theaters waar de digitalisering al heeft plaatsgevonden. In november vorig jaar was de oudste bioscoop van Amsterdam die nog in gebruik is volledig overgestapt op digitale projectie. Van de zes operateurs die er in dienst waren, werken er nu nog twee. Een van hen is Richard Elenbaas (28). De student was voor de overschakeling zijn gehele werktijd operateur, nu werkt hij het overgrote deel van de tijd achter de bar. Films vertonen neemt sinds november maar een paar uur per week in. “Elke donderdag gaan we het filmprogramma voor de hele week bepalen. Dat zetten we dan in de computer, waarna we het kort testen. Vervolgens heb je er geen werk meer aan, de rest van de week doet de computer alles zelf.”
Elenbaas vindt een 35mm-projectie mooier dan een digitale film. “Je kunt het vergelijken met het verschil tussen een high definition-televisie en een ouderwetse beeldbuis. Digitale projectie is veel scherper, het licht is harder. Ik vind het zachtere 35mm-beeld prettiger om naar te kijken.” De bezoekers merken het verschil amper, volgens Elenbaas. “Ik krijg nauwelijks reactie, 90% van hen heeft waarschijnlijk niet eens door dat er wat veranderd is.” Zelf mist hij de verantwoordelijkheid die hij voorheen had. “Als operateur zorg je ervoor dat alles klopt. Je moet de juiste lens voor de film zetten en regel je de scherpte van de projectie. Maar je let ook op het geluid en de temperatuur in de zaal. Jij wilt dat het publiek van een optimale voorstelling kan genieten.”
Veen en Van der Maas vinden digitalisering noodzakelijk , niet alleen omdat de filmtheaters anders geen nieuwe films meer kunnen vertonen. De werkwijze bij 35mm-films is niet praktisch te noemen. Wanneer deze binnenkomen bij de bioscopen moeten de afzonderlijke filmonderdelen aan elkaar worden geplakt. Voor een film van 90 minuten gaat het om gemiddeld vijf kilometer aan beeldmateriaal.
Het proces kost operateurs veel tijd. Voor elke vertoning moet de film vervolgens in de projector worden ingelegd en tijdens een film moeten zij meerdere keren controleren of de projectie nog klopt. Wordt de film teruggegeven aan de distributeur, dan moeten de operateurs deze ook weer uit elkaar halen en transporteren. “De techniek is sinds 1895 niet veranderd, dat is eigenlijk gewoon bizar”, zegt Veen. Vanaf donderdag komt er simpelweg een harde schijf binnen waarmee de film op een computer kan worden gezet. “Maar het blijft nostalgie. Ook al is die nostalgie onzin als deze zo ontzettend inefficiënt is.”
Bewoonbaar verklaard
Posted By Anne Hammers On februari 14, 2012 @ 16:38 In Achtergrond, Algemeen, Reportage | No Comments
Amsterdam Noord is het oudst bewoonde stadsdeel van Amsterdam. Sinds enkele weken heeft het stukje Amsterdam ten Noorden van het IJ weer een eigen museum. Initiatiefnemer Henk Ras spreekt over de geschiedenis van het stadsdeel, dat zijn volkse karakter dreigt te verliezen.
AMSTERDAM, 14 februari- Henk Ras groef het verleden letterlijk op. De 50 centimeter hoge baardmankruik uit de zeventiende eeuw die in de achtertuin van zijn buurman werd gevonden, bevestigde voor Ras het vermoeden dat Amsterdam Noord wel degelijk een geschiedenis heeft. Twee weken geleden heropende Museum De Noord met de fototentoonstelling ‘Mensen van Noord’. Op een oppervlakte van 100 vierkante meter tonen foto’s de sociale ontwikkelingen van de afgelopen decennia.

Het oude Badhuis herbergt Museum de Noord. foto: www.museumdenoord.nl
Een “typisch Amsterdams gezin”, zegt Ras, 71 jaar en oud-psychiater, wijzend op een groot zwart-witportet. Twee ouders en een stel brutaal ogende tienerkinderen kijken halverwege de jaren zeventig in de camera. Op de achtergrond is een sociale woonwijk te zien. “Waarschijnlijk Floradorp.” Op de andere wand in de kleine ruimte hangen hedendaagse portretten van een bejaarde vrouw en een Turkse familie. Daarnaast een foto van twee jonge blanke ouders met één kind, poserend aan een houten tafel in een ruime eetkeuken. De laatste foto laat zien dat Amsterdam Noord in de loop van de twintigste eeuw is veranderd van een toevluchtsoord voor grote arbeidersgezinnen naar een uitvalsbasis voor welgestelde yuppen.
Amsterdam Noord werd aan het begin van de twintigste eeuw bebouwd met sociale woningen. “In 1921 werden de dorpen Buiksloot, Ransdorp en Nieuwendam vrijwillig bij de stad Amsterdam ingelijfd,” vertelt Ras in keurig Nederlands. “De Woningwet die in 1901 in werking trad, stelde het stadsbestuur verplicht om nieuwe huisvesting te zoeken voor mensen uit de onbewoonbaar verklaarde krotwoningen in de binnenstad.” De arbeidersgezinnen verhuisden naar de buitenwijken.
“Toen waren dit voor arbeiders luxe woningen, met een eigen ingang en een tuintje.” Ras wijst op het rijtje lage huizen aan de rand van Vogeldorp, een van de tuindorpen dat in 1918 in alle haast werd neergezet. In het oude badhuisje is Museum De Noord gevestigd.
Voor de moderne Amsterdammer voldoen de toenmalige ‘luxe’ woningen nog nauwelijks aan de huidige eisen. “De grote pest is dat het zo gehorig is”, zegt Ras. De meeste arbeiderswijken veranderden aan het einde van de twintigste eeuw in achterstandswijken met een hoge concentratie allochtone- en minimagezinnen. De ooit zo toonaangevende Van der Pekbuurt, vernoemd naar de beroemde architect Jan Ernst van der Pek, werd tussen 1920 en 1930 gebouwd in Buiksloterham. Sinds 2007 dankt de wijk zijn naam vooral aan de voormalige minister van Wonen, Wijken en Integratie Ella Vogelaar. “De woningbouw wil alles platgooien,” vertelt Henk Ras. “Erfgoedbeschermers willen dat het eerste bouwwerk van Van der Pek blijft bestaan. Dat is echt een strijd.”
De kans is groot dat een renovatie van de jaren dertig woningen, in combinatie met de bouw van de Noord/Zuidlijn, de huizenprijzen doet stijgen en de buurt aantrekkelijk maakt bij jonge, hoogopgeleide dertigers die ook voormalige volksbuurten “in het zuiden” bevolkten.
“Een grote groep mensen in Noord wil het houden zoals het is. Die vinden het nu al te yupperig”, antwoordt Ras op de vraag of Noord zijn volkse karakter dreigt te verliezen. “Mensen zijn bang dat de oude structuur verloren gaat. Het dorpsachtige, het feit dat je elkaar in de buurt goed kent en dat je weet wie er naast je woont.”

De van der Pekstraat in 1925 foto: Beelbank Stadsarchief
Henk Ras maakte zelf in 1968 de oversteek vanuit de binnenstad naar de noordelijke oever van het IJ, om er een eigen psychiatrische praktijk te beginnen. “Iedereen verklaarde mij voor gek. Nog steeds zijn er mensen die zeggen: ga je naar Noord?”
“Noord heeft lange tijd een achterstand gekend in zijn ontwikkeling, in sociaal en cultureel opzicht. Er was geen ziekenhuis, en voor de HBS of het Gymnasium moest je het IJ over. Pas in de jaren zestig en zeventig kwam daar verandering in. ”
Sinds 2007 heeft Noord een museum, dat Ras met een groep van vijftien mensen opende in het oude badhuisje dat door de Stichting Stadsherstel voor sloop werd behoed. Naast de ingang staan drie zelfgemaakte vitrinekasten met de zeldzame aardewerken baardmankruik en enkele uit het IJ opgeviste kanonskogels. Bij iedere vondst is een handgeschreven kaartje geplaatst.
De eenvoud van het museum is tekenend voor de “gewone Amsterdammer” die Amsterdam Noord van oudsher bevolkt. Oud-psychiater Ras denkt dat het stadsdeel in de toekomst steeds homogener wordt. “Dat heb je gezien in de Jordaan en de Pijp. De instroom van beter opgeleide en beter betaalde mensen trekt welgestelde Amsterdammers aan. Dan krijg je een verhoging van de levensstandaard van de buurt.”
Hemelsbreed een paar honderd meter verder wordt de laatste hand gelegd aan een tweede museum ten Noorden van het IJ, dat met duizend vierkante meter tien keer zo groot is als het voormalige badhuis. De glimmende staalconstructie van het nieuwe Filmmuseum zal volgens Ras weinig Noordelijke Amsterdammers enthousiast maken. “Tenzij ze er een gezellige buurtbioscoop van maken, een chique filmzaal met cultfilms is te hoog gegrepen.”
Laatste keer geen Cito-toets
Posted By Arman Avsaroglu On februari 8, 2012 @ 16:56 In Achtergrond, Algemeen, Leven, Reportage | No Comments

Geert Groote School. Foto: Arman Avsaroglu
De Cito-toets is dinsdag begonnen. Het is de laatste keer dat de toets in de huidige vorm wordt gehouden. Volgend jaar komt er een gestandaardiseerde taal- en rekentoets. Die wordt verplicht voor alle basisscholen. Niet iedereen in Amsterdam ziet dat zitten.
AMSTERDAM, 8 februari 2012 – De leerlingen wachten. Hun tafels zijn leeg op een scherpgeslepen potlood, een gum en een antwoordvel na. Er hangt een opgewonden stilte in het lokaal als lerares Astrid Huisden de opgavenboekjes uitdeelt. De achttien Groep 8-leerlingen van de Vlinderboom basisschool in Amsterdam West doen mee aan de Cito-toets. Drie dagen lang beantwoorden ze tweehonderd meerkeuzevragen. Er staat veel op het spel. De uitslag is een belangrijke graadmeter voor het soort middelbaar onderwijs dat ze zullen gaan volgen – vmbo, havo of vwo. Samen met het advies van de leraar is de Cito-score het visitekaartje waarop die beslissing wordt genomen.
Dit is het laatste jaar dat de Cito-toets in de huidige vorm wordt gehouden. De Cito-toets is op dit moment niet verplicht. In Nederland neemt gemiddeld 85 procent van de basisscholen de toets af. In Amsterdam ligt dat percentage iets lager. Volgens een woordvoerder van Cito doen er dit jaar 222 Amsterdamse basisscholen mee, van het totaal van 262. Dat komt neer op 82 procent van de scholen.
Volgend jaar zal dat 100 procent zijn. In 2013 wordt de Cito-toets vervangen door een centrale eindtoets voor taal en rekenen, en die is verplicht voor elke basisschool. Tevens zal de toets niet langer in februari, maar in april worden afgenomen. Minister van Bijsterveld (Onderwijs, CDA) heeft het wetsvoorstel inmiddels naar de Tweede Kamer gestuurd. De naam Cito zal de toets niet dragen, maar inhoudelijk blijft de toets wezenlijk onveranderd. “Alle onderdelen zijn hetzelfde. Het is in principe gewoon de Cito-toets, maar dan gecentraliseerd voor alle basisscholen in Nederland”, aldus een woordvoerder van Cito, dat ook de nieuwe toets ontwerpt.
Dat stuit scholen die dit jaar niet voor de Cito kozen tegen de borst. Eén van die scholen is de Geert Grote School in Amsterdam-Zuid. Daar is van de spanning die bij de Vlinderboom tastbaar is, weinig te merken. Hier geen Cito-toets voor de groepachters. Kinderen rollen vrolijk door de sneeuw en ook bij de ouders die hun kinderen deze woensdagmiddag komen ophalen is er geen redenen tot zenuwen. Op deze vrije school is het een dag als alle anderen.

Schoolplein Geert Groote School. Foto: Arman Avsaroglu
Voor Bruno Raida, vader van de 12-jarige Lothari, hoeft het niet zo nodig, die Cito toets. “Je moet kinderen niet met die immense druk van zo’n belangrijke toets opzadelen. Alsof hun hele verdere carrière er van afhangt. Ik hecht veel meer waarde aan het oordeel van de leraren, die de kinderen acht jaar op school hebben meegemaakt.”
Dat is Simon Steen, directeur van de Verenigde Bijzondere Scholen (VBS), met hem eens. Ook hij is niet blij met de plannen van Van Bijsterveldt. “Je moet ouders en scholen de keuze geven kinderen op een andere manier te onderwijzen.” De meeste van de bij de VBS aangesloten scholen maken de Cito-toets niet. In Amsterdam zijn er 23 basisscholen aangesloten. Steen: “Het is een foute gedachte dat een gestandaardiseerde eindtoets voor alle basisscholieren het onderwijs vooruit kan helpen. De Cito-toets biedt slechts een momentopname. Wij zien meer in het leerlingvolgsysteem, dat de ontwikkeling van het kind gedurende acht jaar in kaart brengt.”
Ook Herbert de Bruijne, van de stichting Openbaar Onderwijs aan de Amstel (OOADA), vindt het leerlingvolgsysteem belangrijker dan de toets. Toch nemen alle scholen aangesloten bij de OOADA de Cito-toets af. Volgens De Bruijne doet Cito-toets niets af aan het leerlingvolgsysteem. “Als het goed is spiegelt de toetsscore het niveau dat tussentijds is gebleken.” Dat de toets verplicht wordt voor alle basisscholen is volgens hem een geen slechte ontwikkeling.
Gestandaardiseerd of niet, de leerlingen van de Vlinderboom maakt het allemaal niets uit. Het gaat hen om de toets van vandaag. “Het gaat wel om een belangrijk deel van je leven vandaag”, vertelt Zaineb (12), vijf minuten voor de toets begint. “Mijn ouders zijn ook hartstikke zenuwachtig.” Klasgenoot Ercan (12) heeft vannacht geen oog dichtgedaan. “Maar,” voegt hij er grinnikend aan toe, “dat kwam vooral door onze kat. Die heeft de hele nacht lopen miauwen.”
Pand 14: pionieren tussen de kantoortorens
Posted By Teri Van Der Heijden On februari 8, 2012 @ 16:38 In Achtergrond, Algemeen, Reportage, Stad | No Comments
Amstel III kwakkelt. Het bedrijventerrein in Zuidoost kampt al jaren met leegstand en de gemeente krijgt het probleem maar niet opgelost. Dankzij initiatieven als Pand 14, een cultureel platform in het hart van het bedrijventerrein, gloort er hoop.

Pand 14 in Zuidoost. Foto: Nadine Spronk fotografie
AMSTERDAM, 8 februari -Tussen hoge donkere kantoorpanden en snelweggeraas valt het redelijk uit de toon: een bord met “warme choco” en een pijl, handgeschreven op een haastig in elkaar geklust bord. De pijl wijst in de richting van een rond gebouw, ingeklemd tussen de A9, een McDonaldsrestaurant en een benzinepomp. In het gebouw huist Pand 14. “Met dit weer moet je wel warme chocomel serveren”, zegt Staas Lucassen (30), terwijl hij een kannetje chocolademelk opwarmt. “Toen het ging sneeuwen hebben we gauw die borden gemaakt.”
Lucassen is één van de initiatiefnemers van Pand 14. Creativiteit en improvisatie staan hoog in het vaandel. Samen met twee anderen runt hij de culturele “vrijplaats”, zoals ze Pand 14 zelf omschrijven. In het gebouw worden feesten, optredens en exposities georganiseerd. “Van underground tot semicommercieel.” In de kelder zijn atelierruimtes voor kunstenaars en oefenruimtes voor bandjes. “Een stukje oud-Berlijn in Amsterdam”, aldus de initiatiefnemers.
In de directe omgeving van Pand 14 is het vergeefs zoeken naar de romantische kunstenaarsgeest. Maar wie binnenstapt, begrijpt beter wat de initiatiefnemers bedoelen. Het gebouw leent zich met zijn ronde vormen perfect voor artistieke experimenten en niet-alledaagse feesten. Beneden is een klein podium en de bar, met aan het plafond een indrukwekkende verzameling discoballen. De ronde ruimte boven doet dienst als dansvloer en expositieruimte. De draaiende vloer is een erfenis uit de tijd dat het pand een Chinees restaurant was. Lucassen: “Nu vooral leuk om twee uur ’s nachts, als iedereen wat drankjes op heeft.”

De initiatiefnemers tijdens de officiële opening van Pand 14. V.l.n.r. Nadine Spronk, nachtburgemeester Isis, Staas Lucassen en Joas Vrouwe. Foto: Nadine Spronk fotografie
Lucassen kraakte het pand aan de Muntbergweg in 2002. “Gewoon door een raampje geklommen”, vertelt hij achteloos. Dan bedenkt hij zich. Met een grijns: “Ik bedoel natuurlijk: de deur stond open.” Direct begon hij allerlei evenementen te organiseren. In 2010 kocht Rijkswaterstaat het pand en sindsdien bestaat Pand 14 legaal, totdat het gesloopt wordt vanwege de verbreding van de naastgelegen A9. Even dreigde het pand al dit jaar te worden gesloopt. Buurman McDonald’s wilde parkeerplaatsen bijbouwen, maar wethouder Maarten van Poelgeest (Ruimtelijke Ordening, GroenLinks) stak daar een stokje voor. Vorige week werd bekend dat de sloop definitief is uitgesteld tot minstens 2014.
Het culturele platform is een vreemde, maar welkome, eend in de bijt tussen de monotone kantoortorens die Amstel III kenmerken. Het bedrijventerrein, gelegen tussen de Amsterdam ArenA en het AMC, kampt al jaren met structurele leegstand. Ongeveer een kwart van de 700.000 vierkante meter kantoorruimte staat leeg. De gemeente vergadert al jaren over het zorgenkindje in Zuidoost, maar vooralsnog zonder veel resultaat. In november werd besloten dat er een nieuw bestemmingsplan moet komen. Amstel III heeft meer “levendigheid” nodig: horeca en winkelmogelijkheden. Op termijn moet het gebied transformeren tot een “dynamisch leefgebied”, waar ook gewoond kan worden.
Vooralsnog wonen alleen Lucassen en zijn vriendin en mede-initiatiefnemer Nadine Spronk (34) op het bedrijventerrein, in Pand 14. Derde initiatiefnemer Joas Vrouwe (31) woont elders. “De Shell is onze supermarkt”, zegt Spronk, wijzend op het naastgelegen lichtgevende pompstation. Andere winkels zijn er niet op loopafstand. De twee wonen helemaal bovenin. Pand 14 mag doordeweeks tot vier uur openblijven, en in het weekend tot vijf uur. Ze hebben een vergunning voor vierhonderd man. Spronk: “Meestal heel gezellig, maar soms wil je gewoon naar bed.”
Aan “levendigheid” in Pand 14 dus geen gebrek, maar in de rest van Amstel III gebeurt er volgens Lucassen en Spronk nog weinig met alle ruimte. Lucassen: “Ideeën genoeg, maar de pandeigenaren willen vaak niet meewerken.” Des te meer reden voor Pand 14 om zichzelf en Amstel III zo goed mogelijk op de kaart te zetten. “We gaan onze programmering uitbreiden en in het voorjaar beginnen we met een terras.” Lekker loungen tussen de snelweg en de McDrive? “We gaan natuurlijk aan de gang met sfeerverlichting, bankjes, plantenbakken en een buitentap”, legt Lucassen uit. “En misschien iets met een kampvuur.” Na een blik op het pompstation: “Nouja, dat laatste misschien ook niet.”
De Amsterdamse haven: zelfstandig of niet?
Posted By Anna Vossers On februari 8, 2012 @ 16:32 In Achtergrond, Algemeen, Stad | No Comments
In maart vorig jaar stelde het college van Burgemeester en Wethouders voor de Amsterdamse haven te verzelfstandigen. De gemeente blijft dan aandeelhouder, maar de beslissingen worden door een zelfstandig, commerciëel bestuur genomen. De Rotterdamse haven ging Amsterdam voor en zag haar winst sinds 2004 stijgen, maar zal dat voor Amsterdam ook het geval zijn? Eind maart of begin april zal de gemeenteraad beslissen. Hoe groot zijn de voordelen en wat zijn de risico’s?
AMSTERDAM, 8 februari – De Amsterdamse haven is nu nog een gemeentedienst, anders dan de meeste Europese havens. Zo is de haven van Rotterdam in 2004 verzelfstandigd, en ook de havens van Hamburg, Antwerpen en Le Havre zijn juridisch zelfstandige organisaties. Als het aan wethouder Freek Ossel (Haven en Westpoort, PvdA) had gelegen, was de Amsterdamse haven in januari van dit jaar al zelfstandig geweest.

Foto: Alf van Beem (Wikimedia Commons)
Na kritiek van adviesbureau Policy Research Corporation over de kwaliteit van het vooronderzoek voor de verzelfstandiging, moest Ossel van de gemeenteraad de financiële onderbouwing van het besluit beter laten uitzoeken. Eind maart of begin april beslist de gemeenteraad over het lot van de haven.
Verzelfstandiging zou betekenen dat de haven een zogeheten overheids-NV wordt, waardoor de overheid alle verantwoordelijkheid en inspraak uit handen geeft aan een zelfstandig havenbestuur. De gemeente Amsterdam wordt wel voor honderd procent aandeelhouder; het is geen privatisering. Eventueel kunnen andere overheden zoals de provincie Noord-Holland of het Rijk op lange termijn medeaandeelhouder worden. De gemeente verdient door winstafdracht dan nog wel aan de haven, maar de raad zal niet meer over alle besluiten over de haven gaan.
De haven van Amsterdam is in omzet de vierde zeehaven van Europa, na Rotterdam, Antwerpen en Hamburg. Bovendien is het de grootste benzine- en cacaohaven ter wereld. Volgens de eigen cijfers van de Haven Amsterdam is het totaal aan werkgelegenheid dat de haven oplevert, direct en indirect, 65 duizend personen. In totaal heeft de haven een overslag van zo’n 85 miljoen ton. Het grootste deel daarvan, 38 miljoen ton, bestaat uit olieproducten. Daarnaast zijn de overslag van steenkool (15 miljoen ton) en agribulk -granen, sojabonen en plantaardige oliën- (8 miljoen ton) aanzienlijk.
Economen zien voordelen in de verzelfstandiging van Amsterdamse haven. “De besluitvorming kan zakelijker worden. Er is niet meer voor elke beslissing een stroperig proces nodig, maar de gemeente kan wel invloed houden als aandeelhouder”, zegt Michiel Nijdam, haveneconoom aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. In Rotterdam is de winst van de haven toegenomen sinds de haven zelfstandig werd.
Barbara Baarsma, buitengewoon hoogleraar toegepaste economie aan de Universiteit van Amsterdam, beaamt dit: “Een verzelfstandigde haven staat verder van de politieke dagkoersen af en is minder afhankelijk van de vaak trage besluitvormingsprocessen binnen een gemeente. De haven krijgt zo meer ruimte voor het zelfstandig vormgeven van een langetermijnstrategie.”
Een beslissing die door een zelfstandig havenbestuur eenvoudiger zou kunnen worden genomen, zou de aanleg van een tweede zeesluis bij IJmuiden zijn. Die zou kunnen worden aangelegd zodat ook moderne, grotere schepen naar de Amsterdamse haven zouden kunnen varen, wat via de huidige verouderde zeesluis niet altijd kan. Baarsma waarschuwt wel dat bij dat soort grote projecten belangrijk is zeker te weten dat ze niet alleen de status van de haven verhogen, maar ook echt een toevoeging zijn voor de dienstverlening.
Een ander voordeel van verzelfstandiging, naast snellere besluitvorming en minder politieke invloed op economische beslissingen, is dat het juridisch gemakkelijker wordt samen te werken met andere havens. Dat zegt haveneconoom Bart Kuipers, van de Erasmus Universiteit Rotterdam. “De Rotterdamse Haven kan nu bijvoorbeeld een terminal uitbuiten in Duisburg. Voor een verzelfstandigd havenbedrijf is dat niet te raar, voor een gemeente wel.”
Ook een strategisch samenwerkingsverband tussen de Rotterdamse en Amsterdamse haven is volgens Kuipers gemakkelijker als de havens dezelfde juridische structuur hebben. Voor de concurrentiepositie van Nederlandse havens tegenover andere wereldhavens zou dat gunstig zijn.
Verzelfstandiging vindt Kuipers beter dan privatisering: “De haven blijft zo een publiek goed, met een maatschappelijke functie. Bij privatisering zou elke partij de haven kunnen opkopen.”
De voordelen lijken talrijk te zijn, maar verzelfstandiging van overheidsorganisaties is niet zonder risico. De haven zou een publiek goed blijven, maar de beslissingen worden door een zelfstandig orgaan genomen. Bij zo’n instelling is scherp toezicht van groot belang. Bij woningcorporatie Vestia in Rotterdam hebben we de afgelopen weken gezien dat het verkeerd kan uitpakken als de overheid niet genoeg toezicht houdt. De corporatie zit in financiële problemen door de aanschaf van twintig miljard euro aan derivaten die weinig meer waard zijn. Maar, nuanceert haveneconoom Nijdam: “Aan beslissingen over publiek geld kleeft altijd een risico, maar bij Vestia gaat het om veel meer geld dan bij de Amsterdamse haven.” De gemeente schat de waarde van de haven op 150 miljoen euro.

Foto: Alf van Beem (Wikimedia Commons)
De vooruitzichten voor de nabije toekomst van de Amsterdamse haven zijn gunstig. Nijdam: “Voor de komende dertig à vijftig jaar zit de haven heel goed, voornamelijk wegens de tankopslag die er nu in de Amsterdamse haven is. De brandstoffenmarkt is nog een groeimarkt.” Kuipers: “Er hoeft de komende tijd maar één grote beslissing genomen te worden, namelijk een grote zeesluis bij IJmuiden. En daar wordt al twintig jaar over gesteggeld.”
Wethouder Ossel staat positief ten opzichte van verzelfstandiging. Vorig jaar maart presenteerde hij een rapport over verzelfstandiging, dat een positief beeld schetste van de mogelijke gevolgen van verzelfstandiging. De heer Doorgeest, registeraccountant van ACAM, de accountantsdienst van de gemeente Amsterdam noemde het rapport tijdens een expert meeting in de Amsterdamse gemeenteraad ‘tendentieus’ omdat er nauwelijks naar alternatieven werd gekeken. Daarom heeft Ossel nog 1.75 miljoen euro uitgetrokken voor nieuw onderzoek, bovenop de 1.5 miljoen die het eerdere onderzoek al kostte.
“Ik vind het jammer als mijn opvolger geen vrouw is”
Posted By Martine Huijbregts On februari 3, 2012 @ 16:44 In Achtergrond, Mooi | No Comments
Sportbesturen worden vooral geleid door mannen. Dat was de conclusie van de talkshow Sport: een mannenwereld?, die vorige week donderdag plaatsvond. Klopt dat? NAP Nieuws maakte een rondgang langs Amsterdamse sportclubs.

Poster van de talkshow Sport: een mannenwereld?. Foto via VU Connected.
AMSTERDAM, 3 februari – De sportwereld wordt gedomineerd door mannen. Dat was de stelling die Barbara Barend donderdag 26 januari voorlegde aan vier gasten tijdens de talkshow Sport: een mannenwereld? van VU Connected, die lezingen organiseert met maatschappelijke thema’s.
Gast Marijke Fleuren, adjunct-directeur van de Koninklijke Nederlandse Hockey Bond (KNHB), presenteerde een duidelijke conclusie. De ledenaantallen bij sportclubs zijn redelijk gelijk tussen mannen en vrouwen. Maar in de besturen van sportclubs voeren mannen het hoogste woord.
Sinds 2005 wordt er in Nederland al gewerkt aan de verbetering van de positie van vrouwen in sportbesturen (zie kader). Vrouwen nemen bijna nooit de voorzittersrol op zich. Bovendien bestaan besturen voornamelijk uit mannen. In Amsterdam is dat niet anders, enkele uitzonderingen daar gelaten.
Secretaresse
Een klein uurtje zoeken op het internet levert een groot aantal Amsterdamse sportclubs op met vrouwelijke bestuursleden. Opvallend detail: veel van hen functioneren als secretaris. “Die functie schuurt toch het meeste tegen het vak van secretaresse aan”, zegt Sylvia Blommestein (48). Ze is al tien jaar secretaris bij de honk- en softbalvereniging Quick Amsterdam. “Voor zover ik weet hebben we hier altijd vrouwelijke secretarissen gehad.”Ook Loes Deutekom (29) is secretaris bij een sportclub. Deutekom gaf zich op toen ze hoorde dat de functie in het bestuur van Badminton Vereniging Amsterdam (BVA) vrijkwam. “IDe verdeling tussen mannen en vrouwen in het bestuur is bij ons redelijk gelijk”, zegt ze. “Maar badminton wordt dan ook gezien als een softe sport.” Collega Susan Suèr (33) van BVA Jeugdzaken onderschrijft dat. “We hebben eigenlijk altijd vrouwen in het bestuur. Badminton heeft nou eenmaal een zacht imago. Dat kan een oorzaak zijn voor de vrouwelijke interesse in een bestuursfunctie”, aldus Suèr, die ook optreedt als interim-voorzitter.
De bestuursbezetting van Quick Amsterdam is ook aardig verdeeld: vier mannen en drie vrouwen. Maar dat is eigenlijk wel logisch, denkt Blommestein. “Momenteel hebben we meer soft- dan honkbalteams, en softbalteams bestaan uitsluitend uit vrouwen.” Toch voeren mannen nog steeds de boventoon in sportbesturen, volgens Blommestein. “Vrouwen zijn zich vaak niet bewust van hun capaciteiten. Ze hebben echt een duwtje nodig.” Daarnaast denkt ze ook dat mannen in sportbesturen vaak haantjesgedrag vertonen. “Zeker in de voetbalwereld.”
Landelijke initiatieven
In 2005 startte het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen (NISB) al een pilot bij sportbonden om vrouwen te werven. Drie jaar later kaartte het Landelijke Netwerk Vrouwen in de Sport (LNVS) een tekort aan vrouwelijke bestuursleden bij sportclubs aan.
Ondanks deze initiatieven nemen er nog steeds minder vrouwen dan mannen plaats in sportbesturen. In 2011 publiceerde maandblad Opzij een top 100 van invloedrijke vrouwen in de sportwereld. In de top tien stonden twee vrouwelijke voorzitters. Francisca Ravestein (59) van de Nederlandse Basketball Bond stond op de negende plaats, Karin van Bijsterveld (31), de eerste vrouwelijke voorzitter van tennisbond KNLTB, eindigde op de vierde plaats. Het voorzitterschap is blijkbaar vooral een mannenfunctie.
Voetbalvrouwen
Amsterdamse voetbalclubs hebben inderdaad aanzienlijk meer mannelijke bestuursleden. SC Buitenveldert wordt zelfs alleen maar door mannen bestuurd. Voorzitter Marcel Geervliet: “We zijn wel op zoek naar vrouwen om bestuursfuncties te vervullen. Die hebben vaak een andere zienswijze dan mannen, wat erg prettig kan zijn.” Toch wil de interesse bij vrouwen volgens hem niet vlotten. “Mannen zijn toch meer betrokken dan vrouwen.”
Sophia Huijs (35) is secretaris bij ASV Arsenal. “Hiervoor zaten er nooit vrouwen in het bestuur”, zegt ze. Ze is door de leden van het vorige (mannelijke) bestuur gevraagd voor het secretarisschap. Huijs: “Ik ben lang betrokken geweest bij de club en kwam wel vaker in contact met het bestuur.” Ze merkt maar weinig van eventueel haantjesgedrag bij haar bestuurscollega’s. “Ik heb dan misschien weinig verstand van voetbal, maar ik ben wel goed in besturen. Dat waarderen ze.”
FC Blauw-Wit Amsterdam heeft al jaren een vrouwelijke secretaris. Gerda Verschuren (78) begon 48 jaar geleden als vrijwilliger bij de club. “In de kantine. Daarna begon ik ook stukjes te schrijven over de club. Toen ben ik gevraagd als secretaris.” Dat was uniek, volgens Verschuren. “Voetbal is echt een mannenwereld. Nu ook nog. Vrouwen zijn er maar weinig in geïnteresseerd. Maar er zijn sowieso steeds minder vrijwilligers te vinden bij sportclubs.”
Eigenlijk wil Verschuren stoppen als secretaris. “Ik ben 78, het wordt wel tijd. Maar ik kan geen opvolger vinden. De twee vrouwen die heb ik gevraagd sloegen het aanbod allebei af.” Ze zou het jammer vinden als haar opvolger geen vrouw is. “Maar ik snap het gebrek aan interesse wel. Je moet je mannetje staan in deze wereld.” Daar heeft ze zelf overigens nooit problemen mee gehad. “Ik ben echt de moeder van de club.”
Red light district tour: “In zes minuten zorgen zij voor een lach op ons gezicht”
Posted By Merlijn Kerkhof On februari 3, 2012 @ 16:40 In Achtergrond, Algemeen, Reportage, Stad | No Comments

Foto: Rungbachduong (Wikimedia Commons)
Met een gids over de Wallen wandelen is populair onder toeristen. Verschillende bedrijven bieden dergelijke tours aan. De politiek is niet onverdeeld enthousiast. De Amsterdamse CDA-fractie vindt dat de tours een te romantisch beeld geven van prostitutie. Nieuw Amsterdams Peil nam de proef op de som en liep een rondje mee door de rosse buurt.
AMSTERDAM, 3 februari – Bij het monument op de Dam staat een jongen met een bord in zijn hand. Op zijn hoofd draagt hij een bontmuts: het vriest. “Red light district tour?”, vraagt een vrouw. De jongen adviseert haar om nog even koffie te halen bij de Coffee Company, de tour begint om 19.15 uur. “Het is het veiligste gebied van de stad, toch durven veel mensen niet in hun eentje naar de Wallen”, vertelt hij. “Dat verklaart het succes van deze tours.”
De jongen met de bontmuts heet Alex, is 22 jaar en komt uit Sint Petersburg. Hij is de manager van de Nederlandse tak van Sandeman’s New Europe Tours, een organisatie die in grote Europese steden wandeltochten organiseert. “De gidsen zijn freelancers. Ze moeten energiek zijn en humor hebben.”
Sandeman’s New Europe Tours is een van de acht organisaties die walking tours door de rosse buurt aanbiedt op citymarketing-website Iamsterdam.com. In november 2011 leidde de aanprijzing van het Wallengebied op de website tot commotie in de gemeenteraad. “Het beste tijdstip om de fluorescerende rode gloed van de Wallen te zien is als de zon ondergaat”, stond er tot november bijvoorbeeld op de website te lezen.
De CDA-fractie vond de site promotie voor de Wallen. Fractievoorzitter Marijke Shahsavari en duoraadslid Diederik Boomsma schreven een opiniestuk in dagblad Trouw, waarin ze opriepen de promotie op de gemeentelijke website te staken. Iamsterdam.com wordt bekostigd door de gemeente Amsterdam en onder meer het Amsterdamse Toerisme en Congres Bureau en het Amsterdams Uitbureau.
Het CDA kreeg bijval van loco-burgemeester Lodewijk Asscher (PvdA). Twee maanden na de klachten van het CDA heeft wethouder Carolien Gehrels (Economische zaken, PvdA) actie ondernomen. “Reclame voor de Wallen is niet aan de orde”, schrijft zij in een brief aan de raadsleden.
Wat er concreet is veranderd: de informatie over de Wallen en rondleidingen in het gebied staan niet meer op de homepage van Iamsterdam.com, en de informatie over rondleidingen is korter en zakelijker geworden.
Maar wie “Red Light District” typt in de zoekbalk, vindt nog steeds 93 resultaten. De informatie over de Wallen staat in enigszins andere volgorde dan in november. Voorheen stond er dat “de meeste stereotypen over het gebied waar zijn” – er zijn sekswinkels, peep shows en bordelen. Dat is nu geworden: “sommige stereotypen over het gebied zijn waar”, met daarachter hetzelfde rijtje.
Van de eerste tien hits zijn acht nog steeds reclamepraatjes voor walking tours over de Wallen. De informatie bij een aantal van die tours is inderdaad wat ingekort, maar bijvoorbeeld bij de rondleiding van Sandeman’s New Europe Tours staat nog steeds: “Onze gidsen vertellen u de verhalen die de Wallen één van de interessantste en populairste attracties van Europa maken”.
Al noemt Gehrels het geen reclame meer, klanten weten de tours nog steeds zonder moeite te vinden. Bij de Coffee Company wacht inmiddels een groep van vijftien mensen voor een rondleiding van New Europe-gids Ged, die uit Manchester komt en sinds 2009 in het Wallengebied woont. Het merendeel van de deelnemers is in de twintig of begin dertig. Meer vrouwen dan mannen, veel stelletjes. De meeste geïnteresseerden vanavond komen uit Australië.
Ged spreekt zijn volgelingen toe: “We zullen veel vrouwen zien in bikini’s, maar neem geen foto’s van ze. Die vrouwen trekken zich niets aan van je camera, die maken ze zo kapot.” Hoewel er geen auto voorbij rijdt op de Dam, wacht het gezelschap netjes voor het rode verkeerslicht. Als de meute richting de Warmoesstraat loopt, vertelt Ged over de geschiedenis van de prostitutie in het oude Egypte en maakt hij zijn gevolg attent op de dvd’s met “oma porn”. “Oma is Dutch for grandmother.”
De zaken met lederwaren en pornofilms waar de groep langs wordt geleid, zijn volgens Ged slechts het voorspel. Iedereen is hier gekomen voor de vrouwen achter roodverlichte ramen. Op de brug bij de Oudezijds Achterburgwal weten de toeristen niet wat ze zien. Stiekempjes kijken ze in de richting van de dansende, bijna naakte prostituees. “Prostitutie is legaal in Nederland. Sinds begin dit jaar zijn de sekswerkers niet meer vrijgesteld van belasting”, vertelt Ged. “Veel vrouwen komen uit Oost-Europa. Het zijn seizoensarbeiders. Ze kunnen hier in korte tijd een vermogen verdienen.”
Dan komen de ramen met transseksuelen aan bod. Ged vertelt over de consumentenwebsites waarop prostituees worden gerecenseerd. Een pasgetrouwd stel scheidt zich van de groep af om een bezoek te brengen aan het Casa Rosso. De groep loopt nog een rondje om de Oude Kerk. Bij het Prostitutie Informatie Centrum (PIC) houdt Ged halt voor een laatste monoloog. “Deze vrouwen verdienen ons respect. In zes minuten zorgen zij voor een lach op ons gezicht.” En tot slot: “Always remember: it’s their career choice.”
Diederik Boomsma, duoraadslid van het CDA, is niet blij met dit soort tours. De informatie is “echt schandalig”. Rondleidingen over de Wallen kun je niet verbieden, geeft hij toe, maar het is “des te belangrijker” dat de gemeente dan wel de waarheid over prostitutie duidelijk maakt op haar website.
Als blijkt dat Gehrels niet meer gaat doen dan de aanpassingen op de citymarketing-website, ziet Boomsma het liefst dat tour operators en reisgidsen door de gemeente “worden aangesproken” dat ze “de realiteit onder ogen moeten brengen van mensen die de Wallen bezoeken”. Het lijkt Boomsma een goed idee om een bord aan het begin van het Wallengebied te plaatsen: “Dear Visitor. Prostitutie is legaal in Nederland, maar bezoekers moeten zich ervan bewust zijn dat het onmogelijk is om zeker te weten in welke mate sekswerkers vrijwillig voor hun beroep hebben gekozen.”
Na bijna twee uur in de kou heeft de groep van Ged genoeg prostituees aan zich voorbij zien trekken. Aan het eind van de tour wacht iedereen een shotje Jägermeister.
Tagger Dr. Air is terug
Posted By Haro Kraak On februari 1, 2012 @ 16:52 In Achtergrond, Algemeen, Mooi | 2 Comments
De Jordaan wordt geteisterd door de teksten van een anonieme tagger. Puberale bekladding vinden buurtbewoners. Kunst van een pionier menen anderen. Een zoektocht naar de mysterieuze Dr. Air.

Een tag van Dr. Air, foto's: Haro Kraak
AMSTERDAM, 1 februari – “Poep sex” staat er geschreven in het dunne laagje sneeuw op het dak van de auto. Kinderachtig, maar onschuldig kattenkwaad. De auto, die geparkeerd staat in de Palmstraat in de Jordaan, staat voor een huis met een grote tag op de muur. Met een spuitbus is in zwarte verf “Dr. Air” geschreven. Minder onschuldig dan wat schunnige teksten in de sneeuw. Een vierkante meter graffiti laten verwijderen kost al snel tachtig euro. Alleen in de Palmstraat heeft Dr. Air al meer dan tien tags gezet. Sommigen meer dan drie meter breed.
De graffiti brengt in de Jordaan grote ophef teweeg. Deze week lieten buurtbewoners in de media weten dat ze de bekladding zat zijn. Er is een beloning uitgeloofd van 150 euro voor de gouden tip die leidt tot het oppakken van de beruchte Dr. Air. De VVD Amsterdam heeft het College van B&W opgeroepen om de beloning te verdubbelen. De organisatie Stop Graffiti roept de buurtbewoners op om aangifte te doen bij de politie. Pas bij meerdere aangiften komt de politie in actie, laat Fred van actiegroep Stop Graffiti weten. Zijn garagedeur in de Bloemstraat is ook bespoten met de tag.
“De gemeente doet niets”, zegt een buurtbewoonster, “maar dat is ook niets nieuws.” Alleen bij openbare gebouwen maakt de gemeente de bekladde muren schoon, zoals bij het clubhuis van de Noorderspeeltuin, waar in december een Dr. Air-tag op de muur verscheen. Bij tags op particuliere gevels of garagedeuren is de schoonmaak voor eigen rekening. Dat kan flink in de kosten lopen. Volgens Fred, die liever niet met zijn achternaam in de krant wil, zou het “tonnen” kosten om de Jordaan weer op te schonen. En een schone muur of een nieuwe lik verf helpt niets, zegt hij. “De volgende ochtend staat er gewoon weer een verse tag op.”
Who the f*@$ is Dr. Air?
Tot op heden is niet bekend wie Dr. Air is. Hoogstwaarschijnlijk is hij een man van middelbare leeftijd. Hoewel de meeste buurtbewoners denken dat het om een jongere gaat die kattenkwaad uithaalt maakte Dr. Air reeds begin jaren ’80 furore in de Amsterdamse graffitiscene. Na jaren uit het straatbeeld verdwenen te zijn duiken de tags met zijn signatuur de laatste maanden weer steeds vaker op. Vooral in het noordelijke gedeelte van de Jordaan, tussen de Westerstraat en de Brouwersgracht, staan de muren vol met de herkenbare tag. Maar ook buiten de buurt is Dr. Air actief volgens Fred. “Ik ben de tag in de hele stad tegengekomen.”

Tag van Laser 3.14, foto: www.laser314.com
Op internet wordt Dr. Air aanbeden. Veel sites publiceren foto’s van zijn tags. De Amerikaanse website complex.com noemt hem in een lijst van de “25 Greatest Amsterdam Graffiti Writers”. Hij staat bekend als één van de graffitipioniers van Amsterdam, samen met namen als Ego, Dr. Smurry, Trip en Walking Joint. Eén van de beroemdste Amsterdamse taggers van dit moment, Laser 3.14, noemt Dr. Air zijn grootste inspiratiebron. Laser 3.14, die anoniem wil blijven, is bekend van zijn poëtische en maatschappijkritische teksten op bouwschotten en stellages, zoals Why believe in a system that doesn’t believe in me en On my knees I drown in black. Hij schreef een bericht op zijn blog waarin hij zich enthousiast toonde over de opleving van Dr. Air.
Kunst of kitsch?
Laser 3.14 laat in een e-mail weten dat zijn eigen tags “een regelrechte hommage” zijn aan de “logoachtige manier van schrijven uit die periode”. Dat hij met zijn teksten op tijdelijke planken en bouwcanvas geen schade aanricht en Dr. Air dat wel doet interesseert hem niet. “Wat voor de één vernieling is, is voor de ander kunst.” Voor hem is Dr. Air een boegbeeld uit de tijd dat Amsterdam nog een tolerante stad was. “Vroeger zat de stad onder de graffiti, maar damn wat zat er een goede sfeer in. Mensen leken, in mijn belevenis, aardiger en stonden meer open voor elkaar”, zegt Laser 3.14. “Nu is de stad zogenaamd schoon en aangeharkt, maar de openheid van vroeger is ver te zoeken. De sfeer is erg grimmig.” Volgens hem is graffiti het minst grote probleem waar de stad mee kampt.
Daar lijken de buurtbewoners in de Jordaan het niet mee eens. De meesten kennen de naam Dr. Air niet (het is immers nauwelijks te lezen uit de tag), maar erkennen de problematiek wel. Wat er moet gebeuren weten zij ook niet. “Maar ik sta niet voor mezelf in als ik die vent te pakken krijg”, zegt een bewoner wiens voordeur in januari is beklad. “Als je wilt weten wie het is kun je beter ’s nachts terugkomen”, zegt hij. Dat is wellicht niet meer nodig. Fred van Stop Graffiti laat weten dat iemand hem verteld heeft beelden te hebben van de tagger in actie. Hij heeft ze nog niet gezien, maar is ervan overtuigd dat Dr. Air binnenkort ontmaskerd wordt.

‘Liever geen dronken bezoekers. Heroïnegebruikers zijn veel relaxter’
Posted By Frank Huiskamp On januari 27, 2012 @ 16:50 In Achtergrond, Algemeen, Column, Interview, Leven | No Comments

Kuijl voor het standbeeld dat vorige week gelijktijdig met zijn uitverkiezing werd onthuld als eerbetoon aan alle Amsterdammers die zich inzetten voor kwetsbare mensen. Foto: Frank Huiskamp
Herman Kuijl (48) werd een week geleden in het bijzijn van burgemeester Eberhard van der Laan onderscheiden als de eerste ‘Aardige Amsterdammer’. Initiatiefnemer was de Stichting De Regenboog Groep, die zich met name inzet voor verslaafden en dak- en thuislozen. Nu, een week vol aandacht later, zoekt NAP hem op. Wie is de man achter de titel?
AMSTERDAM, 27 januari – Hij roert lachend met een havermoutkoekje dat nog in de verpakking zit de suiker door zijn koffie. Herman Kuijl kon even geen lepeltje vinden. “Zo kan het ook.” Onderweg naar de kleine vergaderruimte werd hij nog afgeleid door twee luid joelende vrouwelijke collega’s. “Ik wil wel een foto met de celebrity”, riep de een. De andere was naar eigen zeggen helemaal van haar a propos. “Ik had heel veel mensen nog niet gezien, want ik werk alleen op donderdag hier. Vandaar.” Precies een week geleden werd Kuijl benoemd tot de eerste ‘Aardige Amsterdammer’, voor zijn vrijwilligerswerk met verslaafden, dak- en thuislozen. Hij is al tien jaar werkzaam voor inloophuis Blaka Watra van Stichting De Regenboog Groep. Streng zijn zit er niet echt meer in. Hij lacht. “Ik ben wel dé Aardige Amsterdammer natuurlijk.”
Persoonlijk leed had hem naar zijn huidige werk gebracht. Jarenlang had de Beverwijker op booreilanden gewerkt als lasinspecteur, toen hij een keer thuiskwam met een enorme pijn in zijn darmen. Drie maanden lag hij in het ziekenhuis met colitis ulcerosa, een ontsteking van de dikke darm. “Dood- en doodziek was ik. Ik woog nog maar 45 kilo, kon mijn armen niet eens meer optillen. Ik heb echt bijna op sterven gelegen.” Enorm dankbaar was hij voor de verzorging die hij in het ziekenhuis had gekregen van vrijwilligers. Een baan kon hij daarna niet meer krijgen. Nog steeds niet, want hij ondervindt nog steeds hinder van de aandoening.
Wegkwijnen op de bank was voor Kuijl geen optie Hij wilde iets doen voor een “heel kwetsbare groep”. Als symbolische dank voor de vrijwilligers die hem hadden geholpen. Dak- en thuislozen hadden hem altijd al gefascineerd. “Ik had ook voor bejaarden kunnen kiezen, ook heel dankbaar werk hoor, maar dat zag ik niet voor me.” Niet problematisch genoeg, erkent hij lachend. “Nee, en ik wilde een levendige groep.” Bij Blaka Watra kreeg hij een “doorstuurfunctie”: hij is een vraagbaak voor bezoekers en brengt hen in contact met andere instanties.
Kuijl lacht al hard voordat de vraag over zijn eerste dag bij Blaka Watra geheel is gesteld. “Het was net alsof ik een film beland was. Wel een heel leuke. Een beetje One Flew Over the Cuckoo’s Nest. In een kleine gebruikersruimte liep vijftig man door elkaar, schreeuwend en rokend. Het was één chaos in het begin. Ik heb me kapot gelachen, maar het vergde veel energie in het begin, al die nieuwe indrukken.”
Er is veel veranderd in tien jaar, zegt hij. Niet zomaar iedereen kan het inloophuis binnen komen wandelen. Mensen die een intakegesprek hebben gehad, komen meteen binnen. In essentie kan iedereen zo’n gesprek krijgen en binnenwandelen. “Alleen heb ik liever geen dronken bezoekers. Liever drugsgebruikers, die zijn veel beter te hanteren. De effecten van drugs zijn veel beter te voorspellen. Heroïnegebruikers zijn veel relaxter. Tot dronken mensen kun je maar moeilijk doordringen. Maar we hebben een goede portier.”
Inlevingsgevoel en geduld zijn onmisbaar bij dergelijk vrijwilligerswerk. Het blijkt uit Kuijls anekdotes. Hij herinnert zich een zeker moment met een nieuwe vrijwilliger van een paar jaar geleden. “Het was een heel lieve vrouw die te maken kreeg met een bezoeker die begon te schelden en tieren. Die had iets meegemaakt op straat met de hulpverlening. De tranen stonden bij de vrouw in de ogen. Na een half uur is ze weggegaan en ik heb haar nooit meer gezien.” Hij onderdrukt zijn lach. “Je moet boze mensen laten uitrazen, je weet nooit wat er is gebeurd. Een beetje inlevingsgevoel hebben, mensen worden niet zomaar kwaad. Op een gegeven moment bouw je zo’n band op met mensen dat ze makkelijker te benaderen worden.”
Een dergelijke band is soms heel sterk en persoonlijk. Kuijl vertelt over zijn tijd als ‘buddy’, waarin hij ex-verslaafden of –daklozen hielp re-integreren in de maatschappij. Sommigen haalde hij uit een sociaal isolement. Met een vrouw die voor achtereenvolgens een drugs- en een alcoholverslaving werd geholpen in de Amsterdamse Jellinek-kliniek doorliep hij vier jaar een heel proces. “Ze kon eerst heel moeilijk weer de routine vinden in haar leven. Ze was onzeker. Dan is het prettig als er iemand is die ze helpt met problemen als schuldsaneringen en die ook leuke dingen met ze doet.”
Kuijl zag haar opbloeien. “Maar zij was een zeldzaam geval. Met de meeste mensen loopt het niet zo goed af. Helaas.” Zo maakte hij kort geleden, niet voor de eerste keer, mee dat een man voor wie hij ‘buddy’ was kwam te overlijden. “Hij was al zo ver heen. Hiv, longontsteking om de haverklap. En dat allemaal op straat. Dat doet je natuurlijk wel iets, maar je kunt niet alle problemen meenemen. Hoe sneu dat ook is.”
Kuijl slaapt naar eigen zeggen slecht vanwege zijn darmaandoening. “Het is een beetje het grootste euvel in mijn leven.” Maar hij houdt het prima vol, energie kost het werk hem niet meer. Hij praat al over “de volgende tien jaar”, aan stoppen moet hij niet denken. Ook niet na een slechte nacht. “Nee, het is helemaal niet moeilijk om aardig te zijn. Als je altijd onaardig en chagrijnig bent, heeft dat zijn weerslag op je eigen leven. Ik wil écht voorkomen dat ik naast mijn ziekte ook nog in een negatieve spiraal terechtkom.”
Samenwerking UvA en VU: een academisch verstandshuwelijk
Posted By Teri Van Der Heijden On januari 27, 2012 @ 16:42 In Achtergrond, Algemeen, Column, Leven, Mooi, Reportage, Stad, film | No Comments

UvA. Foto: Wikimedia Commons
Als het aan Den Haag ligt, gaan Nederlandse universiteiten meer samenwerken. Ook de Universiteit van Amsterdam (UvA) en de Vrije Universiteit (VU) halen de banden aan. Wat levert samenwerking tussen de UvA en de VU eigenlijk op? En welke nadelen brengen een intieme verbintenis tussen de twee met zich mee?
AMSTERDAM, 27 januari – Samenwerking is de enige manier om genoeg geld voor onderzoek en onderwijs bij elkaar te harken, stellen voormannen Paul Doop (UvA) en René Smit (VU) tijdens een debat in Pakhuis de Zwijger afgelopen woensdag. “En samenwerking moet natuurlijk ook bijdragen aan de kwaliteit van onderwijs en onderzoek”, laten ze niet na te vermelden. Maar veelvuldige herhaling van dit mantra kan de bottom line niet verhullen: samenwerking gaat over euro’s.

De VU. Foto: Wikimedia Commons
Nederlandse universiteiten moeten zich scherper profileren en meer samenwerken, vindt staatssecretaris Halbe Zijlstra (Hoger Onderwijs, VVD). Door samenwerking kunnen kleine onderzoeksgebieden overeind gehouden worden, en generen universiteiten meer geld. “Strategische allianties aangaan”, heet dat in Den Haag. Een verstandshuwelijk, heet dat in de volksmond. De twee Amsterdamse universiteiten verkennen de mogelijkheden.
Op de UvA ontstond vorige week een kleine rel toen bekend werd dat docenten klassieke talen David Rijser en Piet Gerbrandy geen vaste aanstelling krijgen. De twee hadden een tijdelijk contract, maar was een vaste aanstelling beloofd, schrijft Folia Magzine. De samenwerking tussen de UvA en de VU zou één van de redenen zijn dat de twee het veld moeten ruimen. Frank van Vree, decaan van de Faculteit der Geesteswetenschappen, zegt dat vanwege onduidelijkheid over samenwerking tussen de UvA en de VU geen besluit genomen kon worden over een vaste aanstelling voor Rijser en Gerbrandy. Nu samenwerking vaststaat, wordt duidelijk welke vacatures worden vrijgegeven. “Dan komt uiteraard ook de positie van de twee docenten weer ter bespreking”, zegt Van Vree. De twee docenten hadden ondertussen al bezwaar aangetekend. Dinsdag vond een hoorzitting plaats. De betrokkenen willen niet inhoudelijk op de zaak ingaan.
De innigste verstrengeling tot nu toe tussen de twee is de gemeenschappelijke tandheelkundefaculteit, Acta. Eén opleiding in één gebouw, gerund door zowel UvA- als VU-personeel. Daarnaast bieden de universiteiten gezamenlijke bèta-masters aan, onderbracht in de gemeenschappelijke Amsterdam Graduate School of Science (AGSS). Er wordt bekeken of samenwerking op bachelorniveau op dit vlak ook mogelijk is. Maar samenwerking is niet voorbehouden aan de bèta’s. De alfafaculteiten van de UvA en de VU gaan hun krachten bundelen op het gebied van oudheidsstudies en archeologie, in het nog op te richten Amsterdam Centre for Ancient Studies and Archeology (Acasa). Het is deze voorgenomen samenwerking die klassieke talendocenten David Rijser en Piet Gerbrandy mogelijk hun baan kost (zie kader).
Over de baten van de samenwerking zijn de twee bestuursvoorzitters het in grote lijnen eens. Zo is krachtenbundeling onvermijdelijk om kleine studies “in de lucht te houden”, zegt VU-topman Smit. Als voorbeeld noemt hij de studies chemie en natuurkunde. Samenwerking maakt het aanbod bovendien diverser: het moet voor studenten mogelijk worden om vakken te ‘shoppen’ bij de andere universiteit, legt Doop uit. Het leidt tot hoon in de zaal. “Nu al moet je als student aan tienduizend touwen trekken om een vak te volgen bij een andere faculteit. Laat staan bij een andere universiteit”, zegt een student. De bestuurders geven toe dat er organisatorisch nog een één en ander verbeterd kan worden, maar laten zich daardoor niet ontmoedigen.
Op het vlak van onderzoek opent samenwerking ook deuren, denken de voorzitters. Naar duur, ingewikkeld onderzoek en een hoge notering op internationale rankings. Maar ranglijstjes mogen van mededebater Ewald Engelen, UvA-hoogleraar financiële geografie, geen argument zijn. Kleine universiteiten als Oxford en Cambridge voeren die lijstjes nog altijd aan, grootte is geen kwaliteitsgarantie. Bovendien, vindt Engelen, is de aanwezigheid van twee universiteiten in één stad is een rijkdom, die studenten keuzevrijheid biedt. De scheiding tussen de twee moet gekoesterd worden, in plaats van weggevaagd.
Maar, Engelens argumenten ten spijt, de scherpe scheiding tussen de twee Amsterdamse instellingen wordt waarschijnlijk alleen maar minder. “Den Haag schreeuwt om samenwerking”, zegt Doop. Dus samenwerken zullen ze. Samenwerkende universiteiten krijgen meer geld dan andere, legt Doop uit, en dat geld gaan de UvA en de VU binnenhalen. “Zo competitief zij we dan ook wel weer”, bekent hij. “Zorgvuldigheid gaat voor snelheid. Maar we moeten ook handelen.”
Jeugdsportfonds wil meer geld voor sportminnende minima
Posted By Gidi Heesakkers On januari 25, 2012 @ 16:54 In Achtergrond, Stad | 1 Comment

Foto: Mary R. Vogt (MorgueFile)
Het potje van het Amsterdamse Jeugdsportfonds was vorig jaar al in augustus op. Daardoor kon het fonds in 2011 voor het eerst niet voldoen aan alle verzoeken om kinderen uit arme gezinnen te laten sporten. “Er is structureel meer geld nodig vanuit de gemeente”, zegt Harrie Postma van Jeugdsportfonds Nederland.
AMSTERDAM, 25 januari – Alle kinderen moeten kunnen sporten. Zo luidt het motto van Jeugdsportfonds Nederland, dat aan kinderen uit minimahuishoudens een bijdrage verstrekt voor contributie en sportmaterialen. In augustus vorig jaar moest de Amsterdamse tak van het fonds een aanvraagstop afkondigen omdat er niet genoeg geld beschikbaar was om alle verzoeken te honoreren. “Onverteerbaar”, vindt Harrie Postma van Jeugdsportfonds Nederland.
Personen die professioneel betrokken zijn bij de opvoeding, begeleiding of scholing van kinderen die onder de armoedegrens leven, kunnen bij het Jeugdsportfonds een aanvraag indienen. Volgens Postma, manager fondsenwerving bij de stichting, was het aantal aanvragen in Amsterdam met 1.343 in de eerste helft van 2011 groter dan ooit. Maar daarmee was het budget voor 2011 verbruikt. Een jaar eerder werden nog 3.070 aanvragen gehonoreerd, wat mogelijk was door een eenmalige verdubbeling van subsidie in 2009.
Het werk van het Jeugdsportfonds wordt in Amsterdam voor circa 80 procent gefinancierd met een subsidie van de Dienst Werk en Inkomen (DWI), in het kader van het armoedebeleid van de gemeente. In 2011 ontving de stichting van het DWI 260.000 euro. Dit jaar kan het Jeugdsportfonds op hetzelfde bedrag rekenen. Voor de resterende 20 procent is het fonds afhankelijk van giften van bedrijven, verenigingen en particuliere donateurs. De contributie van een op de vijf kinderen wordt uit zulke giften betaald.
Jeugdsportfonds:
- Jeugdsportfonds Nederland is in 1998 opgericht in Amsterdam met als doel kinderen van minima middels een financiële bijdrage te laten sporten
- De stichting opereert inmiddels in 120 van de 415 Nederlandse gemeenten
- Het kost gemiddeld 250 euro om een kind een jaar lang te laten sporten
- In 2011 konden dankzij het Jeugdsportfonds landelijk 18.839 kinderen sporten, in 2010 waren dat er 19.640
- In Amsterdam zijn in 2011 1.329 kinderen geholpen, tegenover 3.070 in heel 2010
- Door tegenvallende inkomsten moest Jeugdsportfonds Amsterdam in 2011 voor het eerst een zogenoemde ‘aanvraagstop’ afkondigen
- Ook in Zwolle en Rotterdam was een aanvraagstop nodig
- Om in aanmerking te komen voor een vergoeding van het Amsterdamse Jeugdsportfonds moeten ouders de Scholierenvergoeding, een andere bijdrage van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) voor gezinnen die leven op bijstandsniveau, al volledig hebben benut
“Door de economische crisis hebben meer gezinnen in de onderlaag het moeilijk gekregen”, zegt Postma. Meer mensen doen een beroep op het Jeugdsportfonds, terwijl de inkomsten tanende zijn. “Het is in deze tijd moeilijker om gelden uit de particuliere sector te verwerven. Ook bedrijven zitten op de centen.”
Om het tekort op te vangen, steekt het Amsterdamse fonds meer energie in het werven van sponsors. Zo worden de meer draagkrachtige sportclubs benaderd om Jeugdsportfonds-kinderen financieel te adopteren. Ook wordt hard gewerkt aan het opstarten van een ‘vriendennetwerk’ met als doel bedrijven aan het Jeugdsportfonds te binden.
Daarnaast zijn de zogenoemde ‘spelregels’ van de stichting bijgesteld. De maximale bijdrage voor kinderen tot zestien jaar is bijvoorbeeld verlaagd van 225 euro naar 200 euro. Voor kinderen tussen de zestien en de achttien jaar draagt de stichting nu maximaal 100 euro in plaats van 225 euro bij. Jongeren op deze leeftijd kunnen zelf ook al wat bijverdienen, redeneert het fonds.
De genomen maatregelen lossen de problemen tijdelijk op, aldus fondswerver Postma. Om elk kind dat in aanmerking komt voor een bijdrage van het Jeugdsportfonds te laten sporten, moet er structureel meer geld beschikbaar komen vanuit de gemeente. “We zouden wel vijfduizend Amsterdamse kinderen uit arme gezinnen kunnen helpen”, zegt Postma. “Maar daarvoor is het geld dat we jaarlijks krijgen uit het minimumbeleid niet afdoende.”
In Rotterdam ontving het Jeugdsportfonds recentelijk een groot bedrag uit de gemeentelijke sportbegroting. Dat zou Postma ook graag zien gebeuren in Amsterdam. “Vergeet niet dat we ook een bijdrage leveren aan het verenigingsleven door kinderen lid te maken. Een aanvullende subsidie uit het potje Sport en Recreatie lijkt mij een logische stap.”
Postma ziet kansen voor een intensievere samenwerking met wethouder Eric van der Burg (VVD, Sport en Recreatie). “Problemen zoals obesitas onder kinderen kunnen we samen te lijf gaan. Via onze contacten met het onderwijs, jeugdzorg en welzijnsinstellingen valt een groot deel van de doelgroep te bereiken.”
Een woordvoerder van wethouder Van der Burg laat weten dat er in de tijd van de bezuinigingen bij de gemeente “absoluut geen ruimte bestaat voor een extra bijdrage”. Op de sportbegroting zijn volgens haar geen middelen beschikbaar voor de bestrijding van armoede. Wel moedigt Sport en Recreatie een verbinding aan tussen het Jeugdsportfonds en activiteiten die sport onder kinderen stimuleren, zoals JUMP-in.
Een deel van het geld dat de gemeente Amsterdam steekt in sportstimulering, kan volgens Postma beter besteed worden aan het Jeugdsportfonds. “Bij ons is een enorme groep te vinden die helemaal niet gestimuleerd hoeft te worden, maar sport simpelweg niet kan betalen.”
Restaurant voor één dag
Posted By Martine Huijbregts On januari 25, 2012 @ 16:40 In Achtergrond, Mooi | No Comments
Tijdelijke winkels, de zogenaamde pop-upstores, zijn in opkomst. Amsterdam kende al een aantal van deze winkels en sinds deze week ook een nieuw pop-uprestaurant, BAK. De tijdelijk verhuur gaat leegstand tegen. Toch is het voor veel pop-upondernemers moeilijk een ruimte te vinden.
AMSTERDAM, 25 januari – Pop-upwinkels, pop-upgalerieën, pop-upwijnbars: kleine, tijdelijke ondernemingen duiken steeds vaker op in Amsterdam. Zelfstandige, veelal jonge ondernemers huren voor enkele dagen of weken een leegstaand pand en stallen er hun producten uit. Goed voor de leegstand en de diversiteit van de winkelstraat, volgens Amsterdams PvdA-lid Michiel Mulder. De ondernemers zelf zijn vooral blij met de lage huurprijzen. Toch blijft de zoektocht naar geschikte leegstaande panden moeilijk. Alessandro DaFies, mede-oprichter van pop-uprestaurant BAK: “Als beginnend ondernemer koop je niet zomaar een pand.”

Pop-uprestaurant BAK in Hetveem Theater. Foto: Thijs Boontjes.
Dinsdagmiddag, vier uur. Vanuit het leegstaande café van Hetveem Theater, aan de Amsterdamse Van Diemenstraat, klinkt gehamer. DaFies loopt rond, legt hier en daar nog wat servetten recht. Over anderhalf uur komen de eerste gasten, vooral vrienden van DaFies en zijn twee compagnons Piet Sanders en Benny Blisto. Ze komen voor de try-out van pop-uprestaurant BAK. Alle tafels zijn gereserveerd. “Binnen drie dagen zaten we vol”, aldus DaFies. “Er staan zelfs mensen op de wachtlijst”. Die moeten wachten tot de volgende keer dat BAK een locatie vindt. Nu is het restaurant maar één avond open, voor de try-out. “We hebben deze ruimte voor drie dagen kunnen huren”, aldus DaFies. “Inclusief op- en afbouwen.”
Waarom hebben ze dan geen vast pand geregeld? “In steden als Berlijn en Sydney kun je voor weinig geld goed uit eten. In Amsterdam is dat bijna onmogelijk, deels door de hoge huurprijzen. We wilden een betaalbaar, maar goed restaurant oprichten.”
Het vinden van een geschikte locatie is niet gemakkelijk. Zo moet er een keuken aanwezig zijn, en moet de ruimte om te bouwen zijn tot restaurant. “Dit theatercafé hebben we zelf gevonden”, zegt DaFies. “Maar misschien kunnen we in de toekomst samenwerken met anti-kraakverenigingen.”
Liever niet op de Zuidas
Ook winkeliers die tijdelijk een pop-upstore willen openen hebben moeite met het vinden van een geschikt winkelpand. Niet dat er zo weinig leegstand is in Amsterdam. Uit recente cijfers van het onderzoeksbureau Locatus blijkt dat 1,6 procent van de winkelpanden in het centrum van Amsterdam leeg staat. In Amsterdam Zuidoost is dit 4,3 procent.
Toch worden die leegstaande panden niet snel verhuurd aan pop-upondernemers. Aan de tijdelijke verhuur zouden te veel regels verbonden zijn en vastgoedondernemers stellen zich terughoudend op. PvdA’er Michiel Mulder kwam vorig jaar met een initiatiefvoorstel om de regels omtrent de tijdelijke verhuur van leegstaande panden te versoepelen. Hij vermoedt dat makelaars en vastgoedeigenaren te conservatief denken en dat het “te veel gedoe” oplevert om een winkelpand voor een korte periode van hooguit enkele weken te verhuren.
Het initiatiefvoorstel van Michiel Mulder bevat een motie die het mogelijk moet maken om ook leegstaande kantoorpanden als pop-upstore te verhuren. “Wij hebben contact met meer dan honderd mensen die op zoek zijn naar een ruimte. Gebieden waar veel leegstand is, zoals Sloterdijk en de Zuidas, kun je op die manier oppimpen.”
Caroline de Jager is medeoprichter van de website www.popupsquare.nl [1] die ondernemers in contact brengt met eigenaren van leegstaande winkelpanden. Volgens haar ligt het probleem niet alleen bij makelaars en verhuurders. “Ook ondernemers denken te weinig out of the box”, zegt ze. “Ze willen een leuk pand in de Kalverstraat of in de Haarlemmerstraat, maar daar is geen langdurige leegstand. In winkelcentra en straatjes achteraf wel. De vraag naar panden matcht niet met het aanbod aan leegstand.”
Daarnaast denkt De Jager dat makelaars “te veel achterover leunen” en niet actief op zoek zijn naar creatieve manieren om leegstand aan te pakken. “Makelaars vragen zich vooral af of ze veel geld kunnen verdienen. Met de verhuur van een pop-upstore is dat niet het geval.”
Netwerk
Ronald Besemer van vastgoedbedrijf Corio Nederland, onder andere eigenaar van winkelcentrum Villa Arena in Amsterdam Zuidoost, bevestigt dat pop-upstores voor verhuurders geen bron van inkomsten zijn. Toch is het vastgoedbedrijf een voorstander van het tijdelijke winkelconcept. “We krijgen veel verzoeken voor pop-upstores in onze winkelcentra. Bij leegstand kunnen we daar iets mee doen.”
Volgens Besemer hebben verhuurders wel degelijk baat bij de tijdelijke verhuur van leegstaande winkels. “We willen jonge mensen een kans geven. Zo komen we in contact met mensen die het misschien gaan maken in de retail, dat is goed voor ons netwerk”, zegt Besemer. “Ook ziet de consument weer eens iets nieuws, dat wordt gewaardeerd.”
Alessandro DaFies van pop-uprestaurant BAK is vol vertrouwen wat betreft het vinden van geschikte ruimte. Hetveem Theater is in ieder geval een goede start. Het theatercafé staat vol gedekte tafels en achter de bar staan flessen wijn en een koffiezetapparaat. Sanders is tevreden. “We hebben iets gemaakt van een lege bak.”

Veel ondernemers zoeken een tijdelijke ruimte in Amsterdam. Screenshot: www.popupsquare.nl
SGP-jongeren ‘flirten’ met Asscher
Posted By Steffi Weber On januari 18, 2012 @ 17:00 In Achtergrond, Algemeen, Column, Genre, Interview, Nieuwsverhaal, Stad, film, serie | No Comments

Lodewijk Asscher Foto: Jan Arkesteijn via Wikimedia
AMSTERDAM, 18 januari – Lodewijk Asscher (PvdA, Financiën) is kandidaat voor de SGP-jongerenprijs. De Amsterdamse wethouder komt daarvoor in aanmerking omdat hij zegt open te staan voor de strafbaarstelling van prostitutie. Dat bevestigt zijn woordvoerster.
De zogeheten Oranje Boven-prijs wordt sinds 2007 jaarlijks uitgereikt aan iemand die zich inzet voor waarden die de orthodox-christelijke partij aanspreken. Asscher opperde afgelopen oktober de invoering van het ‘Zweedse model’, mocht de Nederlandse aanpak van gedwongen prostitutie en vrouwenhanden in de seksbranche falen. In Zweden is het strafbaar om seksuele diensten te kopen, de prostituee zelf is niet strafbaar.
SGP-jongerenvoorzitter Jacques Rozendaal vindt Asschers uitspraken “dapper voor een sociaaldemocraat” en ziet de prijs als aanmoediging. De PvdA’er is tot nu toe de enige kandidaat voor de Oranje Boven-prijs 2012. Deze zou tijdens de SGP-jongerendag op 10 maart worden uitgereikt. Volgens zijn woordvoerster is Asscher die dag verhinderd. De SGP overweegt nu om de datum van de uitreiking te verplaatsen, aldus Rozendaal.
Het is nog niet zeker of Asscher de prijs van de orthodox-christelijke partij zal accepteren. Zijn woordvoerster wil geen uitspraak doen over Asschers reactie op de nominatie. Zij kan ook niet zeggen of hij de prijs op een andere dag wel in ontvangst wil nemen. “We hebben de situatie nog niet inhoudelijk beoordeeld.” Mocht Asscher de prijs aannemen, dan volgt hij onder anderen Bas van der Vlies (2007), Maxime Verhagen (2008) en Ayaan Hirsi Ali (2010) op.
Asscher deed de uitspraak over het ‘Zweedse model’ naar aanleiding van een wetsvoorstel over de regulering van prostitutie, dat momenteel in de Eerste Kamer ligt. Mocht de wet worden ingevoerd dan moeten prostituees zich verplicht registreren. Bovendien wordt de minimumleeftijd voor prostituees verhoogd van 18 naar 21 jaar. Asscher noemt deze wet de “laatste kans” voor het Nederlandse prostitutiebeleid.
De opvatting van de Amsterdamse wethouder wordt binnen de PvdA niet breed gedragen. Dat werd opnieuw duidelijk tijdens een PvdA-debat afgelopen maandag in de Engelenbak in Amsterdam. Verschillende partijleden uit het publiek noemden Asscher naïef. Volgens hen is het praktisch onmogelijk om prostitutie te verbieden en kunnen alleen de arbeidsomstandigheden worden verbeterd en de vrouwenhandel bestreden. Ook over de vraag of de voorgestelde wet hiervoor zal zorgen is de PvdA het oneens.
“D’r uit, De Cock!”
Posted By Martine Huijbregts On januari 18, 2012 @ 16:58 In Achtergrond, Algemeen, Mooi | No Comments
Hij speelde Kootje de Beer en Dirk Stiefbeen. Maar zijn bekendste rol was toch wel die van rechercheur De Cock. In de nacht van maandag op dinsdag overleed televisie- en theateracteur Piet Römer op 83-jarige leeftijd. Zijn geboortestad, Amsterdam, speelde een grote rol in de drie televisieseries waarin hij furore maakte.

Piet Römer als De Cock in Baantjer
AMSTERDAM, 18 januari – Een acteur stopt niet met werken als hij 65 wordt, meende Piet Römer. “Ik zeg altijd maar zo: niet meer mógen werken is iets anders dan niet meer kúnnen werken”, zei de acteur vorig jaar juli nog in De Telegraaf. Hij fantaseerde zelfs over nieuwe film- en televisieprojecten. Die gaan er niet meer komen. Römer overleed in de nacht vanmaandag op dinsdag in zijn slaap, in het bijzijn van zijn familie.
De acteur, die op 2 april 1928 werd geboren in Amsterdam, schitterde vanaf 1956 in verschillende televisieseries, twintig speelfilms en meer dan zestig theaterproducties. Met rollen in stukken van Shakespeare, Brecht en Pinter zag hij zichzelf – ondanks zijn werk op het witte doek – als een echte theateracteur. Daarnaast nam Römer zestien keer de taak van Hoofdpiet op zich tijdens de intocht van Sinterklaas.
Ondanks dit imposante CV was Römer vooral bekend van zijn rol in Baantjer als rechercheur De Cock, “met cee-oo-cee-kaa”. Samen met zijn assistent Vledder (Victor Reinier) loste hij twaalf seizoenen lang moordzaken in Amsterdam op, en dat altijd volgens een vast stramien. Elke aflevering begon met de ontdekking van het lijk. Halverwege werd De Cock berispt door commissaris Buitendam, die hem steevast zijn kantoor uitjoeg met een woedend “D’r uit, De Cock.” En altijd kreeg De Cock een briljante inval over de zaak in het café van Lowietje, in de rosse buurt. De serie, die startte in 1995, beleefde zijn laatste seizoen in 2006.
Baantjer was niet de enige Amsterdamse televisieserie waarin Römer een rol had. In ’t Schaep met de 5 Pooten en Stiefbeen & Zoon speelde hij respectievelijk kroegbaas Kootje de Beer en Dirk, zoon van vader Stiefbeen.’t Schaep hield al na acht afleveringen op. De liedjes die erbij hoorden zijn nog steeds op de radio te horen, zoals We benne op de wereld om mekaar (om mekaar om mekaar om mekaar) te helpen nietwaar? en Het zal je kind maar wezen.
Voor zijn rollen in deze series kreeg Römer driemaal de Gouden Televizierring. Hij is de enige acteur die dat voor elkaar kreeg. Ook de stad Amsterdam eerde Römer voor zijn werk. In 2007 werd hij benoemd tot ereburger. Daarnaast kreeg hij van de gemeente de Gouden Legpenning, omdat zijn vertolking van De Cock het imago van de Amsterdamse politie had verbeterd.
Begin 2011 belandde Römer in het ziekenhuis met een zware longontsteking. Hij verbleef daar zeven weken en raakte ook korte tijd in coma. Na dit ziekbed kwam hij er weer bovenop. In een interview met AD zei hij toen: “Het had zo over geweest kunnen zijn. En dan was het, wat mij betreft, ook afgelopen geweest.” Piet Römer is 83 jaar geworden.
“Een verhaaltje vertellen alleen is niet genoeg”
Posted By Anne Hammers On januari 18, 2012 @ 16:40 In Achtergrond, Mooi, Reportage | No Comments
Tijdens de Nationale voorleesdagen lezen tientallen bekende Nederlanders voor aan peuters op de voorleesontbijtjes in bibliotheken verspreid over heel Nederland. Centraal staat de interactie tussen de voorlezer en het jonge publiek, dat niet altijd aandachtig luistert.
AMSTERDAM, 18 januari – Job Cohen stelt geen Kamervragen, maar hij vraagt aan een peuter wat voor geluid een uil maakt. Oud-nieuwslezers van de NOS lezen niet van de autocue, maar uit een prentenboek. Het belang van het voorlezen aan jonge kinderen wordt ieder jaar benadrukt tijdens de Nationale Voorleesdagen, die vandaag van start zijn gegaan. Daar blijkt dat voorlezen aan kinderen een kunst op zich is.

Mama kwijt is het prentenboek van het jaar foto via www.cpnb.nl
Voorlezen helpt kinderen bij de taalontwikkeling, stimuleert de fantasie en zorgt ervoor dat kinderen verbanden beter begrijpen. Het zijn veelgebruikte argumenten van de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) om ouders er toe te bewegen zo vroeg mogelijk te beginnen met het voorlezen van hun kinderen. Volgens universitair docent Taalwetenschap Nel de Jong van de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam stimuleert voorlezen de ontwikkeling van de woordenschat bij kinderen. “Maar alleen een verhaaltje voorlezen is niet genoeg”, zegt ze. “Het gaat er om dat een kind bij het voorlezen betrokken wordt.”
Interactie tussen voorlezer en kind staat centraal tijdens de Voorleesdagen die jaarlijks door de CPNB georganiseerd worden. Ze zijn bedoeld voor peuters en kleuters die zelf niet kunnen lezen. Ieder jaar kiest een speciaal ingestelde jury een ‘prentenboek van het jaar’, waarbij er wordt gelet op de mogelijkheden tot samenspel die het boek biedt. Dit jaar werd er gekozen voor het prentenboek Mama kwijt van de Ierse auteur Chris Haughton, waarin een klein uiltje op zoek gaat naar zijn moeder. Tijdens het voorleesontbijt in de Openbare Bibliotheek in Amsterdam (OBA) leest kinderboekenillustrator en vormgever Fleur van der Weel (41) Mama kwijt voor aan een groep van vijftien peuters van peuterspeelzaal Het Klavertje in Amsterdam. “Het is een goed boek om voor te lezen”, zegt ze. Ze oefende met haar eigen kinderen van 3 en 5 jaar oud voor de voordacht van vandaag. “Het is vooral belangrijk om gebaren te maken als je voorleest, dat kan goed met dit boek. Mama uil is bijvoorbeeld heel groot.” Ze maakt een wijds gebaar met haar beide armen. “Dat werkt goed bij peuters.”
Volgens taalwetenschapper Nel de Jong van de VU is het belangrijk dat kinderen dingen leren tijdens het voorlezen. “Ouders kunnen dingen benoemen, plaatjes aanwijzen en daar woorden aan koppelen. Door middel van het stellen van vragen stimuleer je de cognitieve ontwikkeling van kinderen”, zegt ze. Tijdens de voorleessessie in de OBA speelt Van der Weel hier op in. Wanneer de peuters wordt gevraagd wat voor geluid een uil maakt, stijgt er een gezamenlijk “oehoe” op uit het publiek. De meeste peuters heeft ze op haar hand. Toch blijf het moeilijk om stil te zitten. Een aantal kinderen gaat zelf op ontdekkingstocht. Het is rumoerig in het zaaltje en het is niet eenvoudig om twee- en driejarigen bij de les te houden.
Wanneer Mama kwijt is voorgelezen wordt het filmpje van het boek vertoond, dat speciaal voor de Voorleesdagen werd gemaakt. Dan zitten de peuters plotseling stil op hun plaats en kijken ze gebiologeerd naar de bewegende beelden op het scherm.
Hepatitistest voor Amsterdamse Chinezen
Posted By Alexander Leeuw On januari 18, 2012 @ 16:38 In Achtergrond, Algemeen, Leven | 1 Comment

Het logo van de campagne 'Zeg nee! Tegen hepatitis B en C' -Bron: GGD Amsterdam
AMSTERDAM, 17 januari – In Nederland woonachtige Chinezen hebben een relatief hoge kans op besmetting met hepatitis B en C. Daarom begint in Amsterdam deze maand de campagne ‘China aan de Amstel’. De bezoekers van de test- en voorlichtingsdagen zullen op 20 januari, 30 januari en 2 maart op verschillende plekken in Amsterdam worden geïnformeerd over de oorzaken en gevolgen van de virussen. Ze kunnen zich er ook gratis laten testen.
‘China aan de Amstel’ is onderdeel van de landelijke campagne ‘Zeg nee! Tegen hepatitis B en C’. In 2009 begonnen de pilotprojecten in Rotterdam en Den Haag. Vorig jaar was Utrecht aan de buurt. 613 Chinezen lieten zich daar testen in ‘China onder de dom’, waarbij 44 dragers werden gediagnosticeerd. Amsterdam is nu aan de beurt en Nijmegen en Arnhem daarna.
Vooral hepatitis B is tot nu toe relatief vaak geconstateerd in ‘Zeg nee!’ Sinds het begin van de campagne in 2009 zijn er landelijk drieduizend mensen van Chinese afkomst getest. 6,7 procent van de deelnemers werd gediagnosticeerd met de B-variant en 0,3 procent met C. Het percentage mensen met een hepatitis B-besmetting in China ligt tussen de 8 tot 10 procent en C op ongeveer 3,2 procent. “De kans op overdracht van moeder op kind tijdens de zwangerschap is veel hoger voor hepatitis B”, zegt Van der Veldt.
De GGD organiseert in samenwerking met locale vestigingen test- en voorlichtingsdagen.
Vrijdag 20 januari: Chinese ouderenvereniging Tung Lok, 10.00 – 14.00, 3e Oosterparkstraat 77-hs
Maandag 30 januari: Chinees centrum Wa Lai, 10.00-13.0, Karel du Jardinstraat 70
Vrijdag 2 maart: Chinese vereniging Fa-Yin, 14.00-18.00, Rechtboomsloot 5
De hoge aanwezigheid van hepatitis B en C in China en de grote mate van besmettelijkheid van de virussen zijn de redenen voor de campagne. De virussen worden via het bloed overgedragen, dus ook van generatie op generatie. “Als jij of één van je ouders uit China komt, is de kans groter dat je één of allebei de virussen hebt opgelopen. “Op lange termijn kan dit uiteindelijk nare klachten geven, zoals leverfalen of leverkanker”, zegt Wendy van der Veldt, die namens de GGD Amsterdam projectleider is van ‘China aan de Amstel’.
De virussen tasten de lever aan, maar er zijn geen zichtbare symptomen. Alleen een bloedonderzoek geeft resultaat. “Het valt niet op korte termijn op, maar de langetermijneffecten zijn zeer ernstig”, zegt Robin van Houdt, senior onderzoeker hepatitis B bij de GGD Amsterdam. “De effecten zijn zeer lastig te bestrijden als de ziekte al sinds jonge leeftijd aanwezig is.”
Volgens Van Houdt is een op de drie mensen ter wereld weleens in aanraking gekomen met het hepatitis B-virus. “Zo’n 350 miljoen mensen zijn chronisch geïnfecteerd.” 8 tot 10 procent van de Chinese bevolking is langdurig geïnfecteerd. “In China raken mensen vaak tijdens de geboorte of op jonge leeftijd besmet. De kans om drager te worden is dan erg hoog en daarom is de prevalentie van het virus heel hoog. Dit in tegenstelling tot Nederland waar mensen pas op latere leeftijd, vaak via onveilige seksuele contacten besmet worden en dan veel beter in staat zijn het virus te klaren.”
Hepatitis B komt volgens Van Houdt veel voor in West-Afrika en Zuidoost-Azië. Volgens de Nationale Hepatitisstichting zijn 120.000 mensen in Nederland besmet met hepatitis B en C, evenredig verspreid over de twee categorieën. GGD Amsterdam zou de voorkeur geven om alle nationaliteiten in Amsterdam te laten testen, maar daarvoor krijgen ze geen toestemming van de gemeente. Het Nationale Hepatitis Centrum zegt gekozen te hebben voor Chinezen, omdat die relatief veel vertegenwoordigd zijn in Amsterdam.
Van Houdt verwacht in Amsterdam een opkomst van zo´n duizend mensen. “Dat is 25 procent van de vierduizend Amsterdamse Chinezen. 20 tot 25 procent is voor testdagen een hoge opkomst.” Henny Liu van Chinese ouderenvereniging Tung Lok verwacht achthonderd mensen. Tung Lok organiseert op 20 januari de eerste test- en voorlichtingsdag. Liu: “Omdat mensen geen effecten zien, zijn ze misschien niet geïnteresseerd. Daarom zijn dit soort dagen juist belangrijk.”
Voor Gustav Leonhardt was er geen andere weg
Posted By Merlijn Kerkhof On januari 18, 2012 @ 16:34 In Achtergrond, Algemeen, Mooi | No Comments

Gustav Leonhardt (1928-2012). Foto: Marco Borggreve
Gustav Leonhardt is overleden. De klavecinist, organist en dirigent was een van de pioniers van de oude muziek-beweging. Leonhardt en zijn volgelingen streefden ernaar recht te doen aan de klankwereld die de componisten voor ogen hadden.
AMSTERDAM, 18 januari – In september trad Gustav Leonhardt nog op in de kleine zaal van het Concertgebouw. Hij zag er breekbaar uit. Door ziekte kon hij geen vast voedsel meer tot zich nemen, maar zijn vingers deden nog precies wat hij van ze verlangde.
Gustav Leonhardt overleed eergisteren in Amsterdam, op 83-jarige leeftijd. Hij was organist, dirigent en een van de invloedrijkste klavecinisten van de 20ste eeuw. Leonhardt was een van de pioniers van de oude muziek-beweging. Hij was een van de eersten die begon met het spelen van oude muziek (van circa 1600 tot 1750) op instrumenten uit de tijd waarin de muziek was gecomponeerd.
Dankzij Leonhardt en collega’s als Nikolaus Harnoncourt ontstond een renaissance van de oude muziek, die werd ontdaan van romantische opsmuk. Grote orkestbezettingen, vibrato en pathos werden in de ban gedaan. De uitvoeringswijze kwam bekend te staan als de ‘authentieke uitvoeringspraktijk’, een wat ongelukkige benaming.
Niet alleen werden oude instrumenten herontdekt en nagemaakt, ook werden oude partituren en speelwijzen onderzocht. Zo voerde Leonhardt de koorwerken van Bach uit met jongenssopranen, omdat de componist die in zijn tijd ook tot zijn beschikking had – vrouwen mochten destijds niet in de kerk zingen. Leonhardt streefde de klankwereld na die de componist voor ogen had gestaan. Voor hem was er geen andere weg. Vertolkingen van Bachs klaviermuziek op een moderne piano wees hij subiet af. In muziek van na 1800 was hij nauwelijks geïnteresseerd.
Leonhardt werd op 30 mei 1928 geboren te ’s-Gravenland. In 1948 trok hij naar Basel, om daar orgel en klavecimbel te studeren aan de Schola Cantorum. Vervolgens studeerde hij muziekwetenschap en orkestdirectie in Wenen. Naar eigen zeggen verbleef hij vooral in de bibliotheken, waar hij oude manuscripten en muziektraktaten kopieerde.
Vanaf de jaren vijftig maakte hij naam met diverse oude muziek-gezelschappen, waarin zijn vrouw Marie Leonhardt vaak barokviool speelde. Gustav Leonhardts spel was sober, calvinistisch bijna, zonder versieringen. Hij had niet de behoefte om iets toe te voegen aan de partituren van de grote genieën.
Het grootste project waar Leonhardt aan deelnam, was om samen met dirigent Nikolaus Harnoncourt al de cantates van Bach op te nemen en op lp uit te brengen. Het project begon in 1971 en werd pas in 1990 voltooid.
Leonhardt maakte in zijn carrière een paar opmerkelijke uitstapjes. In 1968 speelde hij Bach in de film Chronicle of Anna Magdalena Bach van Jean-Marie Straub. Ook schreef hij – in archaïsch Nederlands – een boek over het huis-Bartolotti aan de Herengracht, waar hij jarenlang woonde. Daar stonden geregeld snelle auto’s voor de deur. De altijd keurig in pak gestoken musicus was er een groot liefhebber van.
Amsterdam stond centraal in Leonhardts leven. Hij was er onder andere dirigent van de Waalse Kerk en later van de Nieuwe Kerk. Ook doceerde hij aan het Sweelinck Conservatorium, waar hij klavecinisten opleidde zoals Ton Koopman en Bob van Asperen.
Leonhardt bleef optreden tot het niet meer kon. Op 12 december 2011 gaf hij zijn laatste concert in het Parijse Théâtre des Bouffes du Nord. Als toegift speelde hij de 25ste van Bachs Goldbergvariaties.
‘Mensen lezen helemaal niet minder’
Posted By Haro Kraak On januari 13, 2012 @ 16:56 In Achtergrond, Mooi | No Comments

MorBCN via flickr.com
Deze week werd bekend dat de toekomst van boekwinkelketen Selexyz aan een zijden draad hing. Inmiddels is het bedrijf met nieuwe investeerders in gesprek. De “boekenpaleizen” van het concern bleken onrendabel de afgelopen jaren. Maar hoe gaat het met de kleinere boekhandels? NAP Nieuws maakte een rondgang in Amsterdam.
AMSTERDAM, 13 januari – Boekhandels staan al jaren onder druk. De boekverkoop daalde het afgelopen jaar met ruim 4 procent ten opzichte van 2010, zegt Dick Anbeek, voorzitter van de Koninklijke Boekverkopersbond (KBb). Deze week werd bekend dat Selexyz [2], het moederbedrijf van zestien vooraanstaande boekwinkels, in zware problemen verkeert. De financiële malaise is zo ernstig dat het loon van alle vierhonderd werknemers sinds kerst bevroren is. Scheltema is de Amsterdamse vestiging van Selexyz. De boekwinkel, met een oppervlakte van 3000 m2 op het Koningsplein, is zonder hulp van buitenaf geen lang leven meer beschoren. Tegelijkertijd is de omzet van Ako en Bruna, die zich richten op bestsellers, licht gestegen het afgelopen jaar, volgens Anbeek. Maar Amsterdam kent meer boekhandels. Hoe vergaat het de kleinere, zelfstandige boekhandels in de hoofdstad?
Op het Spui, het literaire hart van de stad, is Athenaeum [3] sinds jaar en dag een begrip. Met de boekhandel gaat het volgens directeur Maarten Asscher “naar omstandigheden behoorlijk goed.” De omzet van 2011 bleef gelijk aan die van 2010. Het succes verklaart hij uit de “mengvorm van allerlei soorten activiteiten in één bedrijf”. Naast algemene literatuur bestaat 40 procent van de boeken van Athenaeum uit studieboeken voor studenten aan de UvA en HvA. Voor een situatie zoals bij Selexyz is Asscher niet bang. “We zijn heel anders georiënteerd dan Selexyz. Door ons academisch-culturele karakter richten we ons minder op het passerende publiek in een winkelstraat. Zo zijn we misschien ook iets minder afhankelijk van schommelingen in de economie.”
Veranderingen in het boekenvak
Als mensen niet minder zouden lezen, wat is er dan wel aan de hand?
Er worden op steeds meer plaatsen boeken verkocht dan voorheen. Niet alleen in boekhandels, maar ook in supermarkten en bij slagers en kapper kun je boeken kopen. De boekhandels hebben daardoor veel nieuwe concurrenten gekregen.
Daarnaast is de boekenverkoop op internet erg gestegen. Nu wordt 15 tot 20 procent van de boeken via internet aangeschaft, zegt Dick Anbeek van de KBb. Hoewel veel boekhandels een eigen webwinkel hebben is de voorsprong van bol.com [4] groot. Hun monopolie lijkt niet meer in te halen.
Ook de manier waarop boeken worden gelezen is veranderd. Amerikanen stappen al massaal over op e-books. Dit jaar verkocht amazon.com [5] al evenveel digitale als papieren boeken. In Nederland slaat het digitaal lezen nog niet erg aan. Volgens de laatste cijfers van de CPNB [6] is de verkoop van e-books verdubbeld ten opzichte van 2010. Desondanks vormt de e-bookverkoop slechts 1,6 procent van het totaal aantal verkochte boeken in ons land.
Als Nederland het voorbeeld van Amerika volgt, zullen het zware tijden worden voor ketens als Selexyz. De megaketen Borders ging in 2011 failliet. Het bedrijf was in februari 2011 nog goed voor zevenhonderd winkels. Ook Barnes & Noble, het moederbedrijf van eveneens zevenhonderd winkels, verkeert in zwaar weer. Het aandeel van het bedrijf daalde afgelopen jaar met 20 procent.
Er bestaat ook literatuur buiten de grachtengordel. En daar gaat het lang niet slecht mee. Linnaeus Boekhandel [7] op de Middenweg heeft 2011 beëindigd met een “lichte plus”, zegt Anja Duitsman, die sinds een jaar mede-eigenaar is. De zelfstandige boekwinkel in Amsterdam-Oost heeft een oppervlakte van 150 m2. Door het goed geschoolde personeel, het afgebakende assortiment, de eigen identiteit en de warme banden met de klanten uit de buurt gaat het goed met Linnaeus, denkt Duitsman. “Wij bieden een bepaalde sfeer die je online of in een grote boekentempel niet terugvindt”, zegt zij.
Ook voor De Nieuwe Boekhandel [8] in Bos en Lommer was 2011 een goed jaar. De boekwinkel bestaat pas sinds september 2010, dus winst draaien ze nog niet. “Maar we hebben onze absurd ambitieuze begroting wel gehaald”, zegt eigenaar Monique Burger. Haar winkel, met een oppervlakte van 140 m2, draaide vorig jaar zoals begroot een omzet van 400.000 euro. Burger, die in 2010 Boekverkoper van het Jaar werd, herkent zich in het beeld dat Duitsmann schetst. Een boekhandel moet zich onderscheiden. “Je moet durven schreeuwen wie je bent”, zegt Burger. “En wij zijn vakkundig, persoonlijk en vernieuwend.”
Duitsmann en Burger geloven heilig in de kracht van sociale media. Beide boekhandels zijn “erg zichtbaar online”. Ze zitten op Twitter en Facebook. Duitsmann: “Ik post dagelijks de tip van de dag”. De Nieuwe Boekhandel neemt zelfs bestellingen aan via Twitter. “Als de klant niet in de winkel is, dan vind ik hem wel op Twitter terug”, zegt Burger. “Wij hebben the clicks and the bricks en zo moet het.” Linnaeus, De Nieuwe Boekhandel en Athenaeum hebben een eigen webwinkel, die een klein deel van de verkoop vormt, zo´n 5 tot 10 procent. “Je moet niet denken dat je Bol.com nog kunt inhalen”, zegt Duitsmann.
Door lezingen en andere culturele evenementen zijn de drie winkels meer dan alleen een boekhandel. “Wij zijn een ontmoetingsplek”, zegt Burger van De Nieuwe Boekhandel. Naast het buurtgevoel lijken vooral het geringe, maar effectief benutte oppervlak en de lage huren zeer gunstig voor de kleinere boekhandels. Athenaeum heeft een oppervlak van 180 m2: slechts 6 procent van dat van Scheltema. Asscher: “Er is geen stukje muur waar geen boekenkast tegenaan staat.” Het rendement per meter ligt veel hoger dan bij de grote ‘boekenpaleizen’ van Selexyz.
Toch vallen er wel degelijk boekhandels om. In 2011 gingen vijf boekhandels failliet in Nederland, weet Anbeek van de KBb. Het ging hierbij om kleinere boekwinkels die net begonnen waren. Die waren volgens hem “misschien wel te optimistisch gestart, net voordat de crisis uitbrak”, waardoor ze verkeerde inschattingen maakten. Anbeek verwacht dat er ook dit jaar een paar boekhandels failliet zullen gaan. Daarnaast sloten in 2011 vijf boekhandels hun deuren om een faillissement te voorkomen of omdat er geen opvolgers te vinden waren, zegt hij. Zo sloot boekhandel Orlando aan het Oosterpark in september haar deuren.
De strijd lijkt nog niet gestreden. De toekomst blijft onzeker. “De winstmarge van een boekhandel ligt op zijn hoogst tussen de 3 en 7 procent,” zegt Asscher. “Als de crisis verergert, de vaste boekenprijs wordt aangetast of de btw op boeken omhoog gaat van 6 naar 19 procent, dan komt een boekhandel al snel in de gevarenzone.”
Toch zijn de kleinere boekhandels niet bang voor de toekomst. Hoewel zich een aantal drastische veranderingen hebben voorgedaan in de boekenbranche, zien zij geen reden tot paniek. “Mensen lezen helemaal niet minder”, denkt Duitsmann. Burger beaamt dat: “Kijk maar naar Bonita Avenue van Peter Buwalda, dat boek is heel dik en verkoopt hartstikke goed.” De boekhandeleigenaren maken zich geen illusies. “2012 zal een spannend boekenjaar worden”, zegt Duitsmann, “maar als ik niet in de toekomst geloofde had ik me natuurlijk niet ingekocht een jaar geleden.”
Utrechtsestraat is weer een zandbak
Posted By Teri Van Der Heijden On januari 13, 2012 @ 16:54 In Achtergrond, Algemeen, Stad | No Comments
Het onderhoud had in 2010 af moeten zijn, maar sinds maandag ligt de Utrechtsestraat weer open. Ondernemers merken nu al dat hun omzet weer daalt. Voor wethouder Wiebes (Infrastructuur) is het cruciaal dat de werkzaamheden nu wel soepel verlopen.
AMSTERDAM, 13 januari – Deze week ging in de Utrechtsestraat de schop in de grond voor een zogenoemde ‘facelift’. Het eerste deel van de operatie, die van start ging in september 2009, verliep rampzalig: maanden vertraging, ruzie tussen gemeente en aannemer en woeste ondernemers. Nu pakt wethouder Eric Wiebes (Infrastructuur) het anders aan. Hij moet ook wel. Straatmanager Nel de Jager: “Iedereen kijkt met argusogen naar dit project.”

Foto: Simon van Riemsdijk
De gemeente doet er naar eigen zeggen alles aan om de ondernemers waar mogelijk te ontzien. Zo is bewust pas na de feestdagen met de werkzaamheden begonnen en is besloten dat de straat alleen een ‘facelift’ krijgt. Alleen stoepen, rijbaan en het versleten tramspoor worden vernieuwd. Van het ‘groot onderhoud’ dat aanvankelijk op de planning stond, is afgezien. Zo is bijvoorbeeld besloten de bruggen over de Keizersgracht en de Prinsengracht de komende tien jaar niet grondig aan te pakken.
Met de dure decembermaand net achter de rug is januari nooit een maand waarin flink gekocht, gegeten en gedronken wordt. Maar sommige ondernemers in de Utrechtsestraat hebben hun inkomsten sinds de werkzaamheden maandag zijn begonnen verder zien teruglopen, zeggen ze. Zo koopt Kevin Siepman, mede-eigenaar van bloemenstal Rembrandt op de brug over de Keizersgracht, nu al minder bloemen en planten in, omdat hij zijn “levend spul” niet lang kan verkopen. Ook Albert Koopman, eigenaar van delicatessenwinkel Loekie even verderop, zegt sinds maandag 250 tot 300 euro per dag minder omzet te draaien in zijn winkel. Vaste klanten blijven komen, maar de aanloop is minder.
Andere ondernemers relativeren. Zo vindt boekenwinkel Zwart op Wit nabij het Frederiksplein het “te vroeg” om nu al vast te stellen dat ze omzetverlies zullen lijden. “Pas als we zoiets als de Boekenweek achter de rug hebben, kunnen we een redelijke vergelijking. Nu heb ik nog geen reden aan te nemen dat er een gigantische dip op til staat”, zegt bedrijfsleider Mark Carpentier.
Het onderhoud in de Utrechtsestraat kent een flinke geschiedenis die het gemeentelijk imago geen goed heeft gedaan. In de allereerste planning zou het onderhoud aan Utrechtsestraat al in 2010 klaar zijn. Vorst, vervuilde grond en onenigheid met de aannemer zorgde voor vertraging op vertraging. Het aanhoudende gesteggel was één van de redenen voor een extern onderzoek naar het functioneren van de uitvoerende gemeentelijke dienst, de Dienst Infrastructuur, Vervoer en Verkeer (DIVV). Belangrijkste conclusie: de DIVV is “niet professioneel genoeg” om opdrachtgever te zijn van grote infrastructurele projecten.
Er is voor de bekritiseerde DIVV veel aan gelegen het project vanaf nu soepel te laten verlopen. Nel de Jager, straatmanager van de Utrechtsestraat: “Wethouder Wiebes kan het zich niet permitteren dat het nog een keer misgaat. Anders kan hij inderdaad opstappen naar Den Haag, maar dat wordt dan geen leuk afscheid.” De gemeente heeft de nodige maatregelen genomen om herhaling te voorkomen. Zo is de DIVV is met een nieuwe aannemer in zee gegaan, Dura Vermeer, en wordt “scherp toezicht gehouden” op de voortgang, zegt een woordvoerder van het DIVV.
De extreme vertraging in de Utrechtsestraat was aanleiding om een ruimere compensatieregeling voor ondernemers te ontwikkelen. Afgelopen maanden hebben 47 ondernemers bij de gemeente aangeklopt voor een schadevergoeding. Hoeveel van hen ook daadwerkelijk een tegemoetkoming hebben gekregen, kan het DIVV nog niet zeggen. Wel laat de woordvoerder weten dat een aantal ondernemers een bezwaarschrift heeft ingediend, omdat hun aanvraag is afgewezen of omdat ze de hoogte van het bedrag te laag vonden. In het voorjaar licht Wiebes de gemeenteraad in over de totale kosten van de vergoedingen.
DIVV heeft een garantie afgegeven dat de werkzaamheden die deze week zijn begonnen vóór kerst 2012 klaar zijn.
(G)een centje pijn: CDA-fractievoorzitter Marijke Shahsavari-Jansen
Posted By Teri Van Der Heijden On januari 13, 2012 @ 16:52 In Achtergrond, Algemeen, Interview, Nieuwsverhaal, Stad | 1 Comment
NAP maakt een rondgang langs de Amsterdamse fractievoorzitters. Vandaag: Marijke Shahsavari-Jansen, fractieleider van het CDA.

Foto: Marijke Shahsavari-Jansen
Het CDA is in Amsterdam traditioneel een kleine speler. De partij heeft op dit moment twee zetels in de gemeenteraad, tegenover vijftien van de PvdA. Haar partij is medeverantwoordelijk voor de bezuinigingen van rijkswege. Noodzakelijk, volgens Marijke Shahsavari-Jansen. “Maar ik ben hier niet om het kabinet te verdedigen, ik zit hier voor Amsterdammers.”
Waarop kan wat het CDA betreft nog bezuinigd worden in Amsterdam?
Marijke Shahsavari-Jansen: “Er zijn een aantal dingen. Wij vinden dat er verder op kunst moet worden bezuinigd. Iedereen roept: het is verschrikkelijk wat er nu allemaal gebeurt in de kunstsector, maar als ik mag kiezen tussen bezuinigen op kunst of minima, dan weet ik het wel. Kunst is hartstikke leuk, maar…”
Kunst is leuk?
“Ja, leuk. En belangrijk, natuurlijk.”
Maar het Rijk bezuinigt ook al fors op kunst. Moet je daar dan als gemeente ook nog in snijden?
“Iedereen roept ‘kaalslag, kaalslag’, maar dat is onzin. Bezuinigingen zouden een afname zijn ten opzichte van het huidige budget, maar dat wil niet zeggen dat er niks overblijft. We geven ontzettend veel uit aan kunst in Amsterdam. Dat is hartstikke mooi als het goed gaat, maar de vorige periode klutste het geld bijna tegen de plinten op en nu is dat niet meer zo.
“Daarnaast hoop ik dat het College nu ook echt werk maakt van bezuinigen op het aantal ambtenaren. Ik vind dat je in tijden van bezuinigingen ook je eigen apparaat aan moet durven aanpakken. In andere gemeenten heb je gemiddeld per duizend inwoners acht ambtenaren, in Amsterdam zijn dat er twintig.”
In het coalitieakkoord heeft het College wel degelijk de ambitie geuit om op de eigen organisatie te bezuinigen. 91 van de 208 miljoen aan bezuinigingen moest daarvandaan komen.
“Mooie woorden, maar daarvan is nog bijna niets gerealiseerd.”
Het is voor dit College moeilijk om politieke keuzes te maken, want de coalitie gaat van GroenLinks tot en met de VVD. Is dat een probleem?
“Ik denk dat er niet meer aan te ontkomen valt om politieke keuzes te maken. Want hoe je het ook wendt of keert, links of rechts, we moeten bezuinigen. Het CDA zegt: het probleem is niet dat de gemeente weinig geld heeft, het probleem is dat de gemeente te veel uitgeeft. We willen geen lastenverhoging. De VVD houdt een slag om de arm en wil misschien toch wel akkoord gaan met lastenverhoging. Dat vind ik ontzettend zwak.”
Dat is de consequentie van regeren met twee linkse partijen.
“Nou, dat weet ik niet. Je kunt ook je poot stijf houden en zeggen: daar doen we niet aan mee. Kijk bijvoorbeeld naar de parkeeropbrengsten. Er is altijd gezegd: de auto is geen melkkoe en de parkeeropbrengsten worden niet gebruikt om andere dingen te financieren. Die zijn alleen voor de mobiliteit in de stad. En nu heeft de VVD toch ingestemd met een graai uit het parkeerfonds dat niet gebruikt wordt voor mobiliteit, maar voor allerlei andere dingen.”
Kabinetsbeleid is een belangrijke reden dat de gemeenten zoveel moeten bezuinigen. Stijgende uitkeringslasten, decentralisatie van rijkstaken en een korting van het gemeentefonds. Gooit het kabinet de problemen over de schutting?
“Dat vind ik niet. Je moet keuzes maken.”
De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) was niet blij met de maatregelen. Afzonderlijk zijn ze misschien te begrijpen, maar alles bij elkaar moeten de gemeenten een te zware slag leveren.
“Het grootste probleem voor de VNG is dat het aantal mensen in de bijstand toeneemt, maar er tegelijk veel minder geld voor reïntegratie beschikbaar komt. En daar heb ik ook zorgen over. Ik vind: iedereen heeft een verantwoordelijkheid om mee te doen in de maatschappij, maar dat betekent ook dat je de kans moet krijgen.
“Ik zie dat er heel veel bezuinigingen op ons afkomen en dat doet pijn. Maar aan de andere kant, als het geld in je portemonnee op is kun je het ook niet uitgeven. Datzelfde geldt voor de overheid. We kunnen niet doen alsof de overheid een onuitputtelijke stroom geld heeft. ”
Maar wat betreft die reïntegratie had het kabinet volgens u dus een andere keuze moeten maken?
“Ja. Ik zou graag gezien hebben dat in ieder geval geluisterd was naar de bezwaren. De VNG en de vier grootste gemeenten hebben een poging gewaagd met een alternatief te komen. Ik vind het jammer dat het niet is gelukt.”
U pleit ervoor dat mensen die een bijstandsuitkering ontvangen verplicht worden een maatschappelijke tegenprestatie leveren. Bijvoorbeeld door de stoep sneeuwvrij te maken, als het ooit nog gaat sneeuwen.
“Dat stomme sneeuwschuiven wordt steeds maar als voorbeeld genoemd. Je kunt ook bij sportverenigingen de lijnen kalken. Er zijn honderdduizend dingen te verzinnen.
“Sinds deze maand bestaat door een aanpassing van de wet de mogelijkheid om die tegenprestatie te vragen van bijstandsgerechtigden. Helaas heeft het College ervoor gekozen om de mogelijkheid niet op te nemen in de verordening. Iedereen heeft de taak om je maatschappelijk op te stellen en je plichten te vervullen. Als je een bijstandsuitkering krijgt is je primaire taak: heel hard werken om aan het werk te komen. Maar daarnaast heb je misschien nog wel wat meer tijd over dan iemand die vijf dagen per week werkt.”
Hoe moet je dat dan opleggen? Bijstandscops?
“Hoe je dat dan moet organiseren dat weet ik nog niet.” Ze lacht. “Bijstandscops zie ik niet helemaal zitten.”
Wat zou zo’n maatregel kosten?
“Ik zou het niet weten. Maar het levert een heleboel op, maatschappelijk. Iedereen gaat er gelijk vanuit dat het geld kost. Maar je kunt gewoon vragen: wie heeft er behoefte aan hulp deze maand? Nou dan zet je daar een ambtenaar op, die alles online regelt. Ik geloof niet dat het zoveel geld kost. Als je het een beetje slim organiseert.”
Slim organiseren. Heeft de gemeente daar veel kaas gegeten?
Ze lacht. “Daar heb je een punt.”
Niet meer op vakantie naar Syrië, maar op yogareis
Posted By Annemarie van de Vijsel On januari 11, 2012 @ 16:55 In Achtergrond, Mooi | No Comments

Op yogareis in India. Bron: Kerala Tourism via flickr.com
Het boekingsseizoen voor vakantiereizen is geopend. Angst voor de invloed van de economische crisis en van de onrust in de Arabische wereld heerst in de reissector. Maar op de Amsterdamse vakantiebeurs voor bijzondere reizen valt de ophef wel mee. En één soort bijzondere reis doet het juist extra goed.
AMSTERDAM, 11 januari – Een cruise naar Antarctica, slapen in Kirgizische nomadenhutten, trekken in Jordanië. Bezoekers van de Amsterdamse vakantiebeurs voor bijzondere reizen ontrekken zich graag aan het massatoerisme. Aan een publiek van avontuurlijke veertigplussers die graag geld vrijmaken om op reis te gaan presenteerden ruim honderd reisorganisaties hun aanbod bijzondere, exclusieve reizen. Populaire concepten als duurzaamheid, authenticiteit en persoonlijke ontwikkeling werden veelvuldig genoemd op 7 en 8 januari in de Beurs van Berlage.
De Amsterdamse vakantiebeurs voor bijzondere reizen vindt plaats aan het begin van het boekingsseizoen. In dat seizoen zullen de meeste Nederlanders op vakantie blijven gaan, maar ze doen dat naar verwachting iets soberder dan vorig jaar, zo meldde onderzoeksbureau NBTC-NIPO op 10 januari. Over het algemeen zal de Nederlandse bevolking korter, dichterbij, minder vaak en goedkoper weggaan, verwacht het onderzoeksbureau. Voor verschillende doelgroepen van de Amsterdamse vakantiebeurs voor bijzondere reizen pakt de economische crisis echter verschillend uit.
Een aantal reisorganisaties op de Amsterdamse vakantiebeurs beweert dat gepensioneerden evenveel reizen blijven boeken als voorheen, omdat zij (nog) niet worden getroffen door de economische crisis. De gepensioneerden behoren tot de doelgroep van veel organisaties voor bijzondere exclusieve reizen. “Sommige mensen zeggen: als ik mijn geld toch kwijt ben, dan liever aan een reis. Of: laat ik de reis nu maar maken, want ik weet niet of het volgend jaar nog mogelijk is vanwege de economische crisis,” zegt Jonneke van Eijsden van Beluga Adventures, een reisorganisatie die reizen naar de poolgebieden aanbiedt. De goedkoopste reis naar Antarctica voor twee weken kost ongeveer vijfduizend euro bij deze reisorganisatie.
Dit rooskleurige plaatje van de reisorganisaties geldt zeker niet voor alle gepensioneerden die een bijzondere, exclusieve reis willen boeken, zegt Marco van Leeuwen, docent Vrijetijdsmanagement aan de Nationale Hogeschool voor Toerisme en Verkeer (NHTV). Hij onderschrijft de conclusies van NBTC-NIPO. “Senioren worden terughoudender met het uitgeven van geld. Ze gaan liever meerdere keren per jaar wat korter of dichterbij met vakantie dan één keer per jaar heel uitgebreid. Dit heeft ook invloed op de reisorganisaties. Er bestaan veel organisaties om deze doelgroep te bedienen, maar doordat er minder boekingen gedaan zullen worden, kunnen sommige het moeilijk krijgen,” verwacht Van Leeuwen.
Op andere bezoekers van de Amsterdamse vakantiebeurs heeft de economische recessie een verschillend effect. Op dertigers en veertigers bijvoorbeeld, die op zoek zijn naar zingeving en persoonlijke ontwikkeling tijdens hun reis. “Bij bijzondere, exclusieve reizen gaat het steeds meer om beleving, om feel good. Veertigers willen een extra dimensie toevoegen aan hun leven: bezinning en zingeving, en niet een standaard fly & drive boeken,” zegt Van Leeuwen van de NHTV. Deze mensen kunnen zich op de Amsterdamse vakantiebeurs onder meer laten inspireren door organisaties die yogareizen aanbieden. Tijdens een yogareis krijgen de deelnemers yogales in landen als Zwitserland of India.
Op organisaties die dergelijke reizen aanbieden heeft de economische crisis een ander effect dan op veel andere reisorganisaties. Vonny du Maine van FIT body & mind: “Het gaat nu juist goed met onze reisorganisatie. De afgelopen jaren is yoga heel populair geworden en vooral het laatste jaar heeft dat geleid tot een verzevenvoudiging van het aantal yogareizen die bij onze organisatie werden geboekt.” Du Maine verklaart de groeiende populariteit van de yogareizen deels uit de “algemene bewustzijnsontwikkeling” die de afgelopen jaren heeft plaatsgevonden, maar ziet de economische recessie ook als voedingsbodem. “Mensen hebben nu juist een manier nodig om spanning kwijt te raken.”
Dit beaamt Monique Jansse van Happy Soul Travel, die ook yogareizen aanbiedt. “Mensen die hun baan verliezen zijn op zoek naar herbezinning om te kijken wat ze verder willen met hun leven. Dat kan tijdens een reis waarbij je aandacht geeft aan jezelf en je persoonlijke ontwikkeling.” Naast yogareizen organiseert Happy Soul Travel ook stiltereizen. In de Egyptische woestijn bijvoorbeeld. “De mensen zijn verbaasd over hoe stil het daar kan zijn.
TOERISME EN DE ARABISCHE LENTE
Naast de economische crisis hebben de ontwikkelingen tijdens de Arabische lente invloed op het reisgedrag van een deel van de Nederlanders. Dit blijkt uit een rondgang onder reisorganisaties op de Amsterdamse vakantiebeurs voor bijzondere reizen. Ook uit cijfers van de brancheorganisatie voor de reissector, de ANVR, blijkt de invloed van de gebeurtenissen op het aantal boekingen naar Egypte, Tunesië, Syrië en Jordanië. Het aantal boekingen nam afgelopen zomer (sterk) af ten opzichte van de zomer van 2010 in deze selectie van landen.
“Syrië, Egypte, Marokko, daar gaat niemand meer naartoe,” zegt Wouter van der Meer van reisorganisatie Vámonos. Maar andere reisorganisaties geven aan dat er nog wel belangstelling bestaat voor reizen naar het Midden-Oosten. Rosetta Reizen blijft gaan naar Egypte, Tunesië en Iran. “We bezoeken in deze landen de culturele hoogtepunten en niet de steden waar het onrustig is,” zegt Benno Hagenbeek van Rosetta Reizen. De organisatie laste reizen naar Syrië, Libië en Jemen wel af vanwege de onrustige situatie.
Daarnaast merken veel reisorganisaties dat de meeste geïnteresseerden iets langer nadenken voordat ze een reis naar het Midden-Oosten boeken. Ze vragen van te voren ook meer informatie over het land.
Jordanië blijft een zeer populair vakantieland voor Nederlanders, zo blijkt op de Amsterdamse vakantiebeurs. “Het is toch de Arabische wereld, maar het land is niet zo negatief in het nieuws geweest als andere landen,” zegt Hagenbeek.

Topjaar voor Nederlandse bioscopen
Posted By Arman Avsaroglu On januari 11, 2012 @ 16:51 In Achtergrond, Algemeen, Mooi, film | 1 Comment

Still Gooische Vrouwen
Het gaat goed met de Nederlandse bioscopen. In 2011 werden ruim 2 miljoen kaartjes meer verkocht dan in 2010. De oorzaken? Meer stoelen en de toenemende populariteit van de Nederlandse film.
AMSTERDAM, 11 januari. Voor Wilco Wolfers kan de economische crisis niet lang genoeg duren. De directeur van de Nederlandse Federatie voor de Cinematografie (NFC) ziet dat mensen in economisch moeilijke tijden vaker de bioscoop opzoeken. Dat was volgens Wolfers bij de vorige grote crisis in de jaren tachtig al zo en nu ook weer. “De bioscoop blijft toch een van de goedkoopste vormen van vermaak”, vertelt Wolfers. “Het klinkt wat cru, maar die crisis is voor de Nederlandse filmindustrie absoluut niet erg”.
Wilco Wolfers heeft alle reden om tevreden te zijn. Het gaat goed met de Nederlandse bioscopen. Meer dan 30 miljoen mensen kochten vorig jaar een bioscoopkaartje en dat zijn er ruim 2 miljoen meer dan in 2010. Het bezoekersaantal is het hoogste in meer dan 30 jaar. Dit bleek tijdens de Nieuwjaarsreceptie van de Nederlandse filmproducenten, distributeurs en exploitanten in bioscoop Tuschinski, waar dinsdag de cijfers over 2011 bekend werden gemaakt.
Iedereen in het Amsterdamse filmtheater was dinsdag dan ook in opperbeste stemming. “Het is hier in jaren niet zo druk geweest”, zegt Ron Sterk, directeur van de Nederlandse Vereniging van Bioscoopexploitanten (NVB), lachend. “Als het goed gaat, wil iedereen daar bij zijn om het te vieren”.
Goed gaat het vooral met de Nederlandse film, een van de belangrijkste oorzaken van het recordjaar dat de bioscopen achter de rug hebben. Het marktaandeel van het Nederlandse product steeg van 14 procent in 2010 naar bijna 22 procent vorig jaar. Uithangbord van dat succes is de film Gooische Vrouwen, in 2011 goed voor bijna 2 miljoen verkochte kaartjes. Sinds 1986 (Flodder) is het niet meer voorgekomen dat een Nederlandse film zoveel bezoekers trok.
Dave Schram, eigenaar van het Amsterdamse productiebedrijf Shooting Star en producent van de Nederlandse Oscarinzending Sonny Boy, is niet verbaasd over het hoge marktaandeel van het eigen product. Volgens hem is het een logisch gevolg van de professionalisering van de Nederlandse filmindustrie. “De Nederlandse film is op alle fronten vooruitgegaan de afgelopen tien jaar. Film wordt nu echt als een vak gezien en op onze filmacademies worden jonge filmmakers veel beter opgeleid dan 10, 20 jaar geleden.”
Ook technisch heeft Nederland de achterstand op Europa en de Verenigde Staten volgens Schram inmiddels meer dan goedgemaakt. “De schermen zijn enorm verbeterd, het geluid is veel beter: we kunnen mee met de landen om ons heen en dat erkent de bezoeker nu ook.”
Ondanks de goede cijfers ziet voorzitter van de NFC Wilco Wolfers nog veel ruimte voor verdere groei. Vooral omdat Nederlanders in vergelijking met de landen om ons heen relatief weinig naar de bioscoop gaan. “In Frankrijk gaan mensen gemiddeld meer dan 3 keer per jaar naar de film”, vertelt Wolfers. “In Nederland is dat minder dan 2 keer. Daar is nog veel winst te boeken.”
Maar de echte groei moet volgens Wolfers komen door nieuwe bioscopen, die vooral in gebieden buiten de Randstad in rap tempo worden gebouwd. “De afgelopen vijf jaar zijn er in totaal 13.000 stoelen bijgekomen en dat is naast het succes van de Nederlandse film de belangrijkste oorzaak voor de hoge bezoekcijfers”, verklaart Wolfers. Uit onderzoek van de NFC blijkt dat meer zalen automatisch leiden tot meer bezoekers. “Ook dit jaar krijgen we er weer 39 bioscoopzalen bij, dus dat stemt hoopvol.”
Toch viel er te midden van alle feestvreugde in Tuschinski ook bezorgdheid te bespeuren over de toekomst van de Nederlandse bioscopen. Dat komt niet alleen door de voorgenomen bezuinigingen van het kabinet die in de toekomst tot minder Nederlandse producties zullen leiden, maar vooral door de volgens de filmindustrie gebrekkig aanpak van piraterij.
“Internetvrijheid is niet absoluut”, vertelde Winnie Sorgdrager, voorzitter van de NVB, in haar nieuwjaarstoespraak. “Piraterij van films is grootschalige diefstal en moet dan ook hard worden aangepakt”, aldus de voormalige minister van Justitie (D66). Het was een uitspraak die op veel instemming vanuit de zaal kon rekenen en waar ook Wilco Wolfers het mee eens is. Volgens hem wordt niet alleen de dvd-verkoop hard getroffen door illegaal downloaden, maar ook de bioscopen. “We zien nu al dat jongeren tussen de 16 en 18 jaar minder vaak naar de bioscoop gaan. Dat komt door het illegaal downloaden. We hebben nu dan wel een goed jaar achter de rug, maar de cijfers zouden nog veel hoger hebben gelegen als piraterij harder was aangepakt.”
Supersnelrecht: snel, maar ook super?
Posted By Anna Vossers On januari 6, 2012 @ 16:57 In Achtergrond, Stad | No Comments

Foto: Anna Vossers
AMSTERDAM, 6 januari – Oud en Nieuw moet weer een feest worden, vindt het Openbaar Ministerie (OM). Relschoppers die zich tijdens de jaarwisseling misdroegen, zouden snel gestraft worden. Vier verdachten moesten daarom deze week in Amsterdam voor de zogeheten supersnelrechter verschijnen. Volgens het OM “een succes”. Betrokken advocaten delen dit enthousiasme niet volledig.
Deze week werd in de rechtbank in Amsterdam voor de tweede keer bij misdragingen rond de jaarwisseling het supersnelrecht toegepast. Dat is een snelle berechtingsmethode, waarbij de verdachte binnen drie dagen voor de rechter moet verschijnen. Het gaat om eenvoudige zaken zonder getuigenverhoor. Supersnelrecht wordt alleen bij evenementen zoals oudjaar en Koninginnedag gebruikt. Het is sneller dan snelrecht, dat binnen veertien dagen na het delict plaatsvindt.
Het OM hanteerde forse straffen: 75% extra voor delicten die aan oudjaar waren gerelateerd en 200% van de normale strafeis in het geval van geweld tegen mensen werkzaam in een publieke functie. Bij de vier snelrechtszaken in de rechtbank van Amsterdam was er sprake van geweld tegen agenten.
Oudejaarsnacht werden in Amsterdam 123 personen aangehouden. Twee van de verdachten die voor de supersnelrechter verschenen, werden gearresteerd in de hoofdstad. De twee andere jongens die moesten voorkomen werden gearresteerd in Huizen en Hilversum. De advocaat van de man uit Hilversum besloot om van supersnelrecht af te zien. Zij vond een getuigenverhoor bij nader inzien noodzakelijk.
Veel arrestanten werden direct gestraft door middel van ‘transacties’, op het politiebureau opgelegde boetes of taakstraffen. Een enkeling wacht nog op een gewone snelrecht- of politierechtprocedure.
De Officier van Justitie legde tijdens de zitting uit waarom het OM dit supersnelrecht hanteert: “Oud en Nieuw moet leuk zijn. Het is een feest. Jammer genoeg wordt er gevochten, is er gedoe op straat en er is overlast. De overheid wil geen geweld tegen agenten. Van te voren is aangekondigd dat het OM streng zou optreden.”
In tegenstelling tot het OM zijn de advocaten van de vier verdachten niet even enthousiast over het supersnelrecht. Hoewel drie van de vier advocaten zelf hebben ingestemd met supersnelrecht, klagen ze alle vier over de korte voorbereidingstijd. Twee advocaten kregen het dossier van de verdachte pas enkele minuten voor de zitting. Omdat een andere supersnelrechtszaak niet supersnel verliep, hadden zij uiteindelijk wel voldoende tijd de dossiers voor de zitting te lezen.
Nog tijdens nieuwjaarsnacht kregen de verdachten en hun advocaten de optie van supersnelrecht aangeboden. “Achteraf zou ik niet voor supersnelrecht hebben gekozen. De politie vroeg die nacht: kunt u instemmen met supersnelrecht? We hebben toen ‘ja’ gezegd, anders zou hij nog langer vast hebben moeten zitten,” verklaart advocaat Bharatsingh. De beslissing moeten verdachten en hun advocaten “onder hoogspanning” nemen, klaagt advocaat Rozendaal. “Je moet beslissen zonder dossier.”
Zowel de Officier van Justitie als de woordvoerder van het OM vindt dat de verdachten hadden kunnen weten dat ze extra zwaar gestraft konden worden. Bij twee van de vier advocaten waren de normen van 200 procent en 75 procent echter niet bekend. Advocaat Bharatsingh zegt nooit akkoord te zijn gegaan als hij van de hoge strafeisen had geweten. Zijn cliënt (20) kreeg een werkstraf van negentig uur voor het in dronken toestand schoppen van een agent.
Advocaat Rozendaal noemt het supersnelrecht een “niet-plezante ervaring”. Hij vindt dat het OM “voor de bühne stoere taal uit” en dat de eis tegen zijn cliënt (19) “buitensporig hoog” was. De opgelegde celstraf van zes maanden, waarvan twee voorwaardelijk, voor het schieten van een vuurpijl in de richting van een agent, vindt hij “zeer onbevredigend”.
Rozendaal is ontevreden over de late overhandiging van het dossier. Bovendien wist hij pas kort voor de zitting dat de rechtszaak doorging. Zijn cliënt gaat in hoger beroep.
Advocaat Slager ziet ook voordelen van supersnelrecht. Hij verdedigde een Belgische man (20) die tijdens oudjaar in dronken toestand een agent sloeg. “Mijn cliënt had hierdoor de kans zo snel mogelijk naar huis te gaan.” De twintigjarige man kreeg een boete van duizend euro en moest 350 euro letselschade betalen . Ook kreeg hij een voorwaardelijke celstraf van tien weken.
Slager heeft ook een kanttekening bij de procedure: “Het nadeel was dat ik het dossier twintig minuten voor de zitting kreeg. Dat is gewoon te laat.”
Zedendelict zwemleraar: hoe betrouwbaar zijn kinderverhoren?
Posted By Kick Hommes On januari 6, 2012 @ 16:53 In Achtergrond, Stad | No Comments

Foto: southernfried (MorgueFile)
AMSTERDAM, 6 januari – Op basis van verklaringen van drie kinderen onder de zeven jaar eiste het Openbaar Ministerie (OM) woensdag 36 maanden cel, waarvan zes voorwaardelijk, tegen de 53-jarige zwemleraar André V.. Het OM verdenkt de man ervan tussen eind 2010 en eind mei 2011 drie meisjes tijdens de zwemles seksueel te hebben misbruikt. De advocaat van V., mr. Sussenbach, spreekt van ernstige vormfouten bij de verhoren. Hoe betrouwbaar zijn de verklaringen van de kinderen?
Volgens Jannie van der Sleen, oud-instructrice van de kinderverhoormethodes aan de politieacademie en momenteel zelfstandig adviseur voor forensische interviews, kunnen jonge kinderen een zeer accurate verklaring afleggen. “Kinderen tussen de vier en de zeven kunnen vaak heel goed waarnemen. Het enige probleem is dat een volledig verhaal vaak moeilijk voor ze is. Een kind heeft vaak geen idee welke details de rechter wil horen. Dus moet je dan af en toe daarop doorvragen.”
Om een betrouwbaar verhoor af te nemen moet het gesprek zeer nauwkeurig verlopen. Binnen een politiekorps is een speciale methode ontwikkeld om kinderen te ondervragen. “Vooraf krijgen de interviewers duidelijke instructies”, zegt Van der Sleen. “Je moet het kind laten vertellen. Ze hoeven niet te antwoorden, ze mogen het ook wel eens ‘niet weten’. Het is zaak voor de interviewer om zich aan die praatafspraken te houden en daar niet vaak op dezelfde manier op door te vragen.”
Tijdens de zitting van woensdag in de Amsterdamse rechtbank benadrukte Sussenbach de vormfouten die volgens hem bij de verhoren zijn gemaakt. De kinderen zouden voor het verhoor zijn beïnvloed door informatie van hun ouders. Bovendien werden er te veel suggestieve vragen gesteld en ook werden vragen te vaak herhaald, zo betoogde hij. “Kinderen zoeken naar uitwegen. Wanneer een vraag een paar keer gesteld wordt denken ze dat het antwoord fout is en gaan ze zoeken naar een goed antwoord”, aldus de advocaat.
“Bij kinderverhoren wordt geprobeerd het kind zo min mogelijk te beïnvloeden”, zegt Giny Ydema, verbonden aan de politie Friesland en zelf bevoegd kinderverhoren te doen. Ze benadrukt het belang van het ‘eerste verhaal’. “Je vraagt eerst aan een kind of hij weet waarom hij in het verhoor zit. Het eerste antwoord is het meest waardevol, als een kind spontaan vertelt. Dat verhaal is nog het minst beïnvloed. In het vervolg van het interview gebruik je open vragen en probeer je dezelfde vraag niet twee keer te stellen”, aldus Ydema.
Ook voor een verhoor kan een kind worden beïnvloed door suggestieve vragen, aldus Van der Sleen. De interviewers spreken voor het gesprek dan ook niet met het kind. “Het kind weet alleen dat ze naar de politie gaat en waar ze over moet vertellen. Er wordt nog niets inhoudelijks gevraagd.”
Het Openbaar Ministerie kan een onafhankelijke deskundige vragen de interviews te toetsen op de betrouwbaarheid van de verklaringen. Bij gebrek aan getuigen kan in zedenzaken het rapport van deze deskundige als extra bewijs dienen. “Één verklaring is geen echte verklaring, maar bij één- op één zedenzaken kan het rapport zwaar meewegen”, aldus Van der Sleen.
In het rapport over de zitting van V. staat dat er op de verklaringen weinig valt aan te merken. Wel werden in het rapport kanttekeningen geplaatst bij enkele gestelde vragen. Een vraag als ‘heeft de badmeester wel eens je plasser aangeraakt?’ is volgens het rapport een gesloten en suggestieve vraag die zoveel mogelijk vermeden moet worden.
Volgens Van der Sleen wil deze kanttekening niet zeggen dat de verhoren onbruikbaar zijn. “Het gaat om het effect dat de vraag heeft op het antwoord van het kind en op het verloop van het gesprek. Als van de zestig vragen er twee suggestief zijn, betekent dat nog niet dat het interview niet goed afgenomen is.”
Het is aan de rechter om te bepalen in hoeverre hij de kritiek van de advocaat van V. op de verhoren terecht acht. De uitspraak in de zaak V. wordt over twaalf dagen verwacht. Naast de beschuldiging van seksueel misbruik staat V. ook terecht voor het misbruiken van zijn stiefdochter in de jaren 80 en 90 en voor verboden wapenbezit. V. heeft altijd volgehouden onschuldig te zijn.
Crowdfunding tegen bezuiniging op straatsymfonieorkest
Posted By Annemarie van de Vijsel On januari 6, 2012 @ 16:49 In Achtergrond, Mooi | No Comments
AMSTERDAM, 6 januari - In tijden van bezuinigingen op cultuur experimenteert het Ricciotti ensemble met crowdfunding. Door liefhebbers te laten sponsoren, bereidt het ensemble zich alvast voor op een mogelijke afname van subsidies. Entreegeld heffen willen ze niet. “Ons motto is en blijft: muziek overal, voor iedereen.” Gisteren gaven ze, samen met schrijver Kader Abdolah, een gratis concert in de Openbare Bibliotheek Amsterdam (OBA).

Het Ricciotti ensemble met Kader Abdolah in de OBA. Foto: Annemarie van de Vijsel
Ze noemen zichzelf een straatsymfonieorkest. Optredens vinden plaats op bijzondere locaties, zoals een asielzoekerscentrum of een luchthaven: openbare ruimtes en sociale instellingen. “We brengen de muziek zo dicht mogelijk naar de mensen toe. De concerten zijn altijd gratis. Dat is deel van onze filosofie. Iedereen heeft recht op muziek,” zegt klarinettist Marten van der Meulen. Het grootste deel van de 41 ensembleleden is student aan het conservatorium.
Gistermiddag gaf het gezelschap een optreden in de OBA. Een paar uur daarvoor stonden ze nog te spelen op Utrecht Centraal. Dat liep niet helemaal zoals verwacht. “Optredens op dergelijke openbare locaties zijn niet gepland. Het mag vaak ook niet. Onze soliste werd opgepakt. We moesten toen stoppen met spelen. Het was voor het eerst dat de politie ingreep,” vertelt Van der Meulen.
Een podium of decor hebben ze niet nodig, stoelen ook niet. Ze treden op in hun dagelijkse kledij, de cellisten gebruiken de instrumentenkoffers als stoel. Op die manier kan het ensemble echt optreden waar ze maar willen. In de OBA keken ze wel even op van de ‘echte’ zaal en het ruime podium. Maar het was dan ook meer dan een concert. Het ensemble had Kader Abdolah uitgenodigd om samen de relatie tussen muziek en literatuur “te onderzoeken”.
De creativiteit van het Ricciotti ensemble uit zich niet alleen op muzikaal, maar ook op financieel vlak. “Wij krijgen onze financiering voor tweederde uit subsidies van fondsen. Op dit moment is onbekend hoeveel subsidie wij zullen overhouden in de toekomst. De vooruitzichten zijn slecht, ” volgens de zakelijk leider van het Ricciotti ensemble, Derk van der Kamp. Het Ricciotti ensemble probeert zich daarom nu vast voor te bereiden op een mogelijke afname in de subsidies. “We hebben nu maar een jaar de tijd om alvast alternatieven te vinden voor het geval het misgaat en dat is te weinig.” Sinds de zomer is het ensemble daarom bezig met crowdfunding. Via het grote publiek proberen zij voldoende financiële middelen bij elkaar te krijgen om het budget aan te vullen. Bewonderaars van het ensemble kunnen als sponsor optreden, of een repetitieruimte gratis ter beschikking stellen. Deze formule werkt, “de mensen vinden het gaaf wat we doen,” zegt klarinettist Van der Meulen. Daarnaast leveren de muzikanten zelf een kleine bijdrage.
Op dit moment kan crowdfunding echter “nog niet dienen als volledige vervanging van overheidssteun” voor het Ricciotti ensemble, zegt zakelijk leider Van der Kamp. Bovendien, “wij bekleden een maatschappelijke functie door onze optredens, daar mag de overheid ook best aan bijdragen.”
Van der Meulen denkt dat crowdfunding ook niet voor alle orkesten geschikt is. “Bepaalde orkesten zitten in een stramien dat moeilijk te doorbreken is, ook al zouden ze het wel willen”. Waar andere orkesten wel een voorbeeld aan zouden moeten nemen, is de publieksgerichtheid van het Ricciotti ensemble, vindt hij. “Ons repertoire is heel divers. Tijdens elk concert spelen we uiteenlopende muziekstijlen. Zo kunnen we iedereen iets laten horen waar ze van houden, maar ook iedereen iets nieuws aanreiken. We willen het publiek een muzikale opvoeding geven.”
Een moccachino-latte in plaats van een broodje shoarma
Posted By Joris Belgers On oktober 28, 2011 @ 13:20 In Achtergrond, Algemeen, Onderzoek | No Comments
Amsterdam – Yuppen hebben nu ook de Indische Buurt ontdekt. Met hun macbooks, kinderwagens en latte-moccachino’s trekken ze de wijk in. Maar het brengt ook een keerzijde met zich mee. Gentrification, een vloek of een zegen?
Javaplein, Indische Buurt
Al vanaf de overkant van het Javaplein is het draadloze internet van de gloednieuwe Coffee Company te ontvangen. Binnen staat een kinderwagen. Twee jonge moeders. Langs het raam zitten een paar twintigers achter hun openklapte macbooks. Barista Naomi vertelt dat er vooral studenten komen. “Het was ook wel nodig, deze Coffee Company, voor al die mensen die nog snel even een kop koffie voor hun werk willen halen.”
De Coffee Company is een symptoom dat het goed gaat met de wijk, die nog niet zo lang geleden werd aangewezen als één van de slechtste wijken van Nederland. Langzaam verdwijnen shoarmatentjes uit het straatbeeld en komen jonge echtparen met kinderwagens en moccachino-lattes hiervoor in de plaats. De gentrification van de Indische Buurt een feit.
Gentrification. Een officiële vertaling is er niet: opwaardering, of ‘veryupping’ zijn synoniemen die in de literatuur vaak worden gebruikt. Het komt van gentry, Engels voor (land) adel. Het woord behelst de opwaardering van de stadscentra, door een stijgende vraag naar woonruimte van voornamelijk goedverdienende young urban professionals, oftewel: ‘de yuppen’.
Maar er is een keerzijde. De komst van de yuppen roept het beeld op van arme stadsgezinnen die uit hun volksbuurt worden verdreven. Sociale spanningen zijn het gevolg. Zo is het in Berlijn al jaren populair om BMW’s en Mercedessen in brand te steken. In New York, waar de yuppen na Brooklyn ook de voormalige achterstandswijk Harlem hebben ontdekt, wordt het straatbeeld getekend door graffititeksten als ‘whitey go back below 110th’, verwijzend naar de straat waar Harlem begint.
In Amsterdam heeft het tot dusver nog geen heftige reacties ontlokt. Waarom niet? Worden hier geen arme gezinnen tegen hun wil weggedrukt naar ‘groeikernen’ en tuindorpen als Purmerend of Almere, of dichterbij, Osdorp en Amstelveen? Heeft gentrification geen kwalijke gevolgen voor onze hoofdstad?
Waar komen die yuppen vandaan?
“Gentrification is het beste wat Amsterdam in honderd jaar is overkomen,” zegt Errik Buursink, planoloog bij de Dienst Ruimtelijke Ordening (DRO) in Amsterdam. “De hervonden interesse van jonge, hoger opgeleiden heeft Amsterdam gered van complete verloedering.”
Want net als alle andere grote steden liep ook Amsterdam vanaf de jaren vijftig leeg. Grote boosdoener was de auto, die het families mogelijk maakte buiten de stad gaan wonen. Iets wat men massaal deed. Samen met de de-industrialisering in de tweede helft van de twintigste eeuw zorgde dit voor suburbanisatie, een ware leegloop van de grote steden. Ook Amsterdam. Telde de hoofdstad in 1953 nog 835.000 inwoners, in 1980 waren dit er bijna 200.000 minder. Vooral de oude volksbuurten in de binnenstad, de Jordaan, de Pijp, de Staatsliedenbuurt hadden te maken met serieuze verkrotting.
Het was in de Amsterdamse Jordaan waar gedurende de jaren zeventig gentrification als eerste op gang kwam. Demografische ontwikkelingen speelden hierbij een belangrijke rol, verklaart Rob van Engelsdorp Gastelaars, emeritus hoogleraar sociale geografie. “Enerzijds was er een enorme daling van geboortecijfers, anderzijds zag je dat jongeren ‘verzelfstandigden’. Het ouderlijk huis werd eerder verlaten om elders carrière te kunnen maken.”
Zodoende ontstonden er vanaf de jaren zestig steeds meer jonge alleenstaanden en kinderloze huishoudens. Deze bleken erg stadsgebonden, omdat de moderne vormen van werkgelegenheid, zoals media en de creatieve industrie, zich hier bevonden. En niet op het platteland. Een andere reden waarom jongeren massaal naar de stad trokken, is meer persoonlijk. Van Engelsdorp Gastelaars. “In de stad ging men op zoek naar een partner, dat gaat daar nu eenmaal lekker.” Voornamelijk universiteitssteden met voldoende horecagelegenheden en een rijk cultureel aanbod bleken aantrekkelijk voor deze groep.
De jaren zeventig bleken nog maar het begin. De dienstensector die toen opkwam, is alleen maar groter geworden. “Hoogopgeleide mensen willen bij elkaar wonen, met elkaar borrelen, met elkaar afspreken, met elkaar van gedachten wisselen”, legt Planoloog Errik Buursink uit. Hierdoor ontstaat een vraag naar ruimtes als Coffee Company: tentjes binnen het stadscentrum die door zelfstandigen zonder personeel, de zogeheten ZZP’ers, worden gezien als hun mobiele kantoor. Met als gevolg: een toegenomen woningdruk. Buursink spreekt van een ‘demografische trendbreuk’. “Voor het eerst in vijftig jaar is in Amsterdam zowel het geboorteoverschot als het binnen- en buitenlandse migratiesaldo structureel positief.
De groeiende vraag naar woningen binnen de Amsterdamse ringweg brengt sterk stijgende huurprijzen met zich mee. Dit biedt de gemeente de ruimte om over te gaan tot stedelijke vernieuwing, zoals duidelijk te zien is in de Indische Buurt. In 2008 werd de Javastraat op de schop genomen; het moest een “brede mediterrane winkelboulevard” worden. In 2011 was de herinrichting van het Javaplein voltooid, compleet met Coffee Company en het gerenoveerde badhuis, waarin nu een hippe eettent (Het Badhuis) is gevestigd. Ook de opening van het cultureel centrum Studio K in 2007 is in het licht van stadsvernieuwing te zien.
De Coffee Company op het heringerichte Javaplein in de Indische Buurt
Het hoe en waarom
Logisch dat gemeentes dit soort ontwikkelingen ondersteunen, vindt Van Engelsdorp Gastelaars. “Steden krijgen een enorme injectie van hoogopgeleide mensen. Bovendien, als je stad op de internationale markt wil concurreren, want daar draait het tegenwoordig om, moet je ook aan het niveau van je voorzieningen werken.” Daarbij brengen jonge, talentvolle mensen geld met zich mee. “Die jonge afgestudeerden zijn economisch een goed draaiende groep, zeker op termijn”, aldus Van Engelsdorp Gastelaars.
Steden zijn tegenwoordig steeds meer een ‘opwerkfabriek’, een roltrap voor pasafgestudeerden op weg omhoog op de sociale ladder. Wethouder Maarten van Poelgeest (Ruimtelijke ordening, GroenLinks) omschreef Amsterdam ook wel als een ‘emancipatiemachine [9]’; er komen vooral jonge starters binnen. Ze komen voor een opleiding en een carrièrestart naar de stad, en vertrekken vervolgens weer rond hun veertigste.
Diversificatie is ook een reden voor de stad om meer goed verdienende en hoogopgeleide gezinnen naar een wijk als de Indische Buurt te krijgen. Een goede mix van sociale klassen voorkomt het ontstaan van gesegregeerde achterstandsbuurten. De komst van hogere klassen zou lagere klassen omhoog trekken. Meer geld in de buurt leidt tot meer en betere voorzieningen, rijkere en betere leerlingen zorgen voor betere scholen, lijkt het adagium.
Deze instroom van yuppen gaat gepaard met de nodige ruimtelijke vernieuwingen: de buurt gaat er beter uitzien, er komt meer groen, meer culturele en horecagelegenheden en meer geld voor stadsverfraaiing. Maar dit is niet alleen het gevolg van sociale opwaardering, het is ook een aanjager die yuppen naar wijken als de Indische Buurt moet lokken.
Vrije markt
Daarbij wil Amsterdam haar woningmarkt meer vrijgeven. Arie de Zeeuw, beleidsmedewerkers bij Dienst Wonen van Amsterdam, wijst erop dat Amsterdam internationaal uit de pas loopt. “Als je het vergelijkt met Europa, is er overal vrije markt – behalve hier. Dit wil Amsterdam graag anders, niet iedereen moet afhankelijk zijn van de overheid. En Amsterdam bestaat niet alleen maar uit mensen met lage inkomens.”
Het terugbrengen van sociale huur, waardoor meer woningen beschikbaar worden voor de vrije huursector en de koopmarkt, is ook een manier om veryupping te stimuleren. Het is de woningcorporaties sinds 1998 toegestaan binnen bepaalde afspraken woningen naar die vrije markt te brengen. Hierdoor ontstaat meer marktwerking.
In Amsterdam is nu ongeveer de helft van de woningvoorraad goedkope corporatiehuur. De andere helft bestaat voor een kwart uit koopwoningen en voor een kwart uit dure corporatie of particuliere huur. Die verhoudingen wil Amsterdam veranderen. Een manier om dat te doen, is volgens De Zeeuw om bij nieuwbouw nog maar dertig procent voor sociale huur toe te wijzen. “Dat wil niet zeggen dat zeventig procent verdwijnt, maar het wordt wel minder. ”
Corporaties maken dankbaar gebruik van de gemiddeld hogere huurprijzen (zie afbeelding 1) die het gevolg zijn van de toenemende druk op de Amsterdamse woningmarkt. Dit doen zij door het zogenaamde splitsen en doorverkopen van sociale huurpanden. In de Indische Buurt daalde het percentage sociale huurwoningen hierdoor van 78,1 procent in 2000 naar 68,9 in 2010 (afbeelding 2).
De keerzijde
Maar niet iedereen is tevreden met de veranderende samenstelling van de Indische Buurt. Volgens Frans Ondunk, voorzitter van huurdersvereniging Oost, boet een buurt juist in aan leefbaarheid wanneer nieuwe bewoners massaal de wijk intrekken. “De studenten en jonge academici die komen, hebben geen sociale binding met de buurt. De cohesie verdwijnt door dit systeem.” Ondunk gelooft niet in het argument dat daar enige tijd overheen moet gaan. “Ik zie daar niets van. Ook niet over tien jaar. Want ze winkelen wel, maar heus niet bij de Turks om de hoek.”
Volgens socioloog Merijn Oudenampsen, die meerdere publicaties [12]over dit onderwerp op zijn naam heeft staan, wordt gentrification vaak ten onterechte gezien als een wondermiddel. “Je verandert niet de situatie van die mensen die er voorheen woonden. Ze hebben niet opeens een beter leven omdat ze een hoogopgeleide buurman krijgen.”
Hij wijst op een sociologisch onderzoek [13], uitgevoerd door Justus Uitermark en Jan Willem Duyvedak in opdracht van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. “De stelling dat lage klassen kunnen meeliften op het succes van hogere klassen klopt niet. Er blijft segregatie. De blanke mensen die in Nieuw-West gaan wonen, sturen hun kinderen heus niet naar een zwarte school. De enige vorm van interactie die ontstaat, is dat er meer restaurantjes komen waar deze mensen eten kunnen serveren aan hun nieuwe, hoog opgeleide blanke buurman.” Van Engelsdorp Gastelaars beaamt dat geen enkel onderzoek aantoont dat een gemengde wijk de buurt ten goede zou komen.
Ondunk is het ook niet eens met het argument dat de wijk er beter gaat uitzien door de instroom van nieuwe rijke bewoners. “De ideeën en dat stukje groen, die komen van de paar bewoners die zijn achtergebleven. Die hebben nog wel binding met de buurt. Zij komen op inspraakavonden met initiatieven. Zij zorgen ervoor dat als er dan toch gesloopt wordt er een leuk stukje groen bij wordt aangelegd. Die jonge mensen zijn alleen maar hartstikke blij met hun goedkope huurwoning in onze opgeknapte buurt.”
De voorzitter van de huurdersvereniging is bang dat een vrije markt zowel corporaties als particuliere huurders zal stimuleren om druk uit te oefenen op zittende huurders om te vertrekken en vervolgens de huur omhoog te gooien. Socioloog Oudenampsen, verwacht niet zozeer dat corporaties huurders weg zullen pesten uit hun huis. Wel wijst hij op wat er gebeurde in De Pijp, nog een wijk waar gentrification toesloeg. “Er is daar relatief veel particuliere verhuur. Daar werden bewoners wel weggepest. Het water werd afgesloten, huurbazen wachtten lang met het repareren van een kapotte cv, dat soort dingen. Dit zie je nu ook gebeuren in de Indische Buurt ook.”
Stadsvernieuwingsurgentie
Errik Buursink van DRO vindt dat er helemaal geen sprake is van bewoners die hun buurt uit worden gejaagd. Er bestaat namelijk zoiets als ‘stadsvernieuwingurgentie’: wanneer een pand door een corporatie wordt gesloopt of gerenoveerd en verkocht, krijgen bewoners een jaar tot anderhalf de tijd om iets anders te vinden. Èn voorrang op de wachtlijst. “Deze mensen hebben het recht op een andere huurwoning in dezelfde wijk. Interessant is dat veel van hen echter van de gelegenheid gebruik maken om hun woonsituatie elders in de stad of de regio te verbeteren.”
De Zeeuw is binnen Dienst Wonen verantwoordelijk voor deze zogeheten ‘stadsvernieuwingsurgenten’. Van de in 2010 verhuurde sociale huurwoningen in Amsterdam (totaal 13.949) ging er zo’n dertig procent naar voorrangskandidaten, waar ook de stadsvernieuwingurgenten onder vallen. Deze laatste groep maakt zo’n veertig procent uit van de ruim 3500 voorrangskandidaten die de regio Amsterdam telt. De Zeeuw durft niet te zeggen of deze mensen voor een vergelijkbare huur iets in dezelfde wijk kunnen vinden. “In het geval van stadsvernieuwingsurgentie is er namelijk bijna altijd sprake van verbetering in de buurt. En dat houdt een huurverhoging in.”
Frans Ondunk denkt niet dat de voorrangsregeling veel effect heeft. “We hebben het over duizenden mensen. Wil je die allemaal in Amsterdam plaatsen? Almere zit er al vol mee, met dat soort vluchtelingen. Of Hoofddorp, ook vol met mensen die Amsterdam uitgejaagd zijn. Die kunnen echt niet allemaal in dezelfde buurt terecht.”
De conclusie lijkt duidelijk: niet alleen is het voor huurders moeilijk om voor hetzelfde geld een nieuwe woning in hun buurt vinden, ook gaat de sociale woningmarkt door de veryupping verder op slot. Het aantal sociale huurwoningen neemt af terwijl de stadsvernieuwing waarmee de gentrification in de Indische Buurt gepaard gaat, zorgt voor nog meer woningzoekenden die de wachtlijsten van de corporaties er niet korter op maken. Inmiddels is de gemiddelde wachttijd voor een sociale huurwoning in Amsterdam opgelopen tot zo’n elf jaar.
Toch, weinig boze huurders
Maar auto’s vliegen hier niet in brand. Graffiti of demonstraties tegen de komst van de yuppen zoals in Berlijn of New York zul je in de Indische Buurt niet vinden. Dat komt omdat er in Nederland nog altijd relatief veel huurderbescherming is, anders dan bijvoorbeeld in New York waar geen doorlopende huurcontracten bestaan. Je staat daar zo op straat, aldus Rob van Engelsdorp Gastelaars. Daarbij verloopt het proces van gentrification in Nederland veel geleidelijker. Heel anders dan bijvoorbeeld in Berlijn, een stad die helemaal was leeggelopen totdat het in één klap weer zijn hoofdstadfunctie terugkreeg.
Ondanks dat dit proces van opwaardering een stad er structureel bovenop lijkt te helpen, kan het in de nabije toekomst voor echte problemen gaan zorgen, denkt de socioloog. “Het wordt nu echt dringen om die laatste goedkope woningen. Starters, studenten, maar ook andere categorieën gaan het steeds moeilijker krijgen om iets te vinden of iets te behouden. Dit gedrang ga je voelen in West, Zuid, en nu ook in Oost tegen de binnenstad aan. Je kunt daar weinig aan doen. De steden zijn volgebouwd, het enige wat je kunt hopen is dat je een doorstroom op gang krijgt.”
Toch moet worden opgepast dat Amsterdam niet richting Parijs gaat, met problematische banlieues tot gevolg. Want, zo denkt Van Engelsdorp Gastelaars, de tuinsteden om Amsterdam kunnen grote probleemgebieden worden. De rellen in Londen eerder dit jaar vindt de socioloog des te opvallend, omdat de Britse hoofdstad het eigenlijk ontzettend goed doet. Hij gelooft dat die rellen passen in deze thematiek van sociale spanningen die gentrification met zich meebrengt. “Tot nu toe hebben wij het onder controle. Maar het kan ons ook overkomen.”
Laait de schoolstrijd opnieuw op?
Posted By Adinda Akkermans On oktober 28, 2011 @ 13:15 In Achtergrond | No Comments
In 1917 werd Artikel 23 in het Nederlands wetboek opgenomen. Het bracht een einde aan de schoolstrijd en zorgde ervoor dat bijzondere scholen evenveel recht hebben op overheidsgeld als reguliere openbare scholen. Sinds een aantal jaar staat Artikel 23 ter discussie, is het nog wel van deze tijd?
“Wie weet wat genade betekent?” vraagt juf Nieske aan de kinderen van groep 6 en 7 op basisschool Veerkracht in Amsterdam-Slotermeer. Een blond meisje steekt haar vinger op en antwoordt: “Dat je iets krijgt terwijl je het niet verdient.” De juf deelt witte papiertjes uit. “Schrijf allemaal jullie grootste zonde op, dan zal God die straks vergeven.” In het lokaal ernaast zitten de leerlingen van groep 1 in een kring, de handen gevouwen. De kleuters bidden voor klasgenootje Jonathan, afwezig omdat hij een gebroken arm heeft. De meeste kleuters hebben hun ogen dicht, een jongetje met kroeshaar kijkt stiekem om zich heen.
Veerkracht [15]is een gereformeerde basisschool. Het is één van de 111 bijzondere scholen in Amsterdam die lesgeven op basis van een levensbeschouwelijke grondslag. Daaronder vallen confessionele scholen (protestants, joods, islamitisch) maar ook Algemeen Bijzondere Scholen (zoals de vrije scholen, en de Jenaplan en Montessorischolen). Sinds de vrijheid van onderwijs in 1917 wettelijk is vastgelegd in Artikel 23 [16] heeft iedereen die een school sticht recht op overheidsgeld – zonder dat de overheid zich bemoeit met de manier van lesgeven. Nederland is hierin uniek, in andere landen financiert de overheid alleen de openbare scholen. Daar moeten levensbeschouwelijke stromingen hun eigen onderwijs betalen.
Artikel 23 staat al een aantal jaar onder druk. In december komt de Onderwijsraad [17]met een advies over de toekomst van het bijzonder onderwijs. Is bijzonder onderwijs nog wel van deze tijd nu het religieuze leven steeds minder belangrijk lijkt te worden?
Kiezen voor de eigen zuil
Als het aan de Amsterdamse VVD ligt wordt artikel 23 helemaal geschrapt. Gemeenteraadslid Werner Toonk heeft onderwijs in zijn portefeuille: “Waarom zou de overheid religieuze scholen moeten subsidiëren? Regel het lekker zelf!” Goed onderwijs kan volgens hem geen religieuze invloeden gebruiken. Bijzonder onderwijs zou alleen maar tot segregatie leiden.
Ook Bert-Jan Kollmer van de Vereniging Openbaar Onderwijs ziet niet in waarom Artikel 23 nog bestaansrecht heeft. “Ouders laten zich bij hun schoolkeuze niet meer leiden door de grondslag van een school.” Dat klopt: uit een recent onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau blijkt dat alleen streng gereformeerde ouders nog per definitie kiezen voor een school binnen de eigen zuil. De meeste andere ouders vinden sfeer, bereikbaarheid en goede naam belangrijker. Maar hetzelfde onderzoek concludeert ook dat tweederde van de Nederlandse kinderen wel degelijk naar een bijzondere school gaat. SCP-directeur Paul Schnabel: “De brede acceptatie van artikel 23 komt omdat de praktijk niet veel problemen oplevert en misschien ook door een afkeer van ’staats’onderwijs. Vrijheid van godsdienst en leefstijl is nog steeds een belangrijke waarde in de ogen van de Nederlandse bevolking”. Volgens Schnabel hebben bijzondere scholen bovendien traditioneel een betere reputatie dan openbare scholen omdat die laatste niemand kunnen weigeren.
“Het is heel mooi dat iedereen zijn eigen school kan stichten. Dat is goed voor de diversiteit in de samenleving”, zegt raadslid Marjolein Moorman van de Amsterdamse PvdA. Toch wil haar partij graag een hervorming van Artikel 23: “Het probleem met vrijheid van onderwijs is dat het misbruikt wordt als excuus voor slecht onderwijs.” Ze verwijst hiermee naar het matig presterende Islamitische College Amsterdam dat vorig jaar pas gesloten kon worden, nadat de minister toestemming gaf. Bij de oprichting van een school wordt er alleen gekeken naar het verwachte leerlingenaantal en levensbeschouwing en niet naar onderwijskundige kennis en ervaring. Moorman: “Het probleem is dat het kwaliteit van het onderwijs pas wordt gecontroleerd nadat een school is gestart. Zo kunnen kinderen dus jaren achtereen op een slecht presterende school zitten zonder dat wordt ingegrepen.”De PvdA wil dat al voordat een school start. er wordt gekeken naar het onderwijsklimaat dat een school denkt te bieden.
Selecteren discriminatie?
Daarnaast is het toelatingsbeleid van bijzondere scholen een heikel punt. De PvdA vindt dat elke school een open toelatingsbeleid moet hebben. “Nu kunnen bijzondere scholen docenten en leerlingen weigeren vanwege hun seksuele geaardheid of omdat zij niet de juiste religie aanhangen. Dat is discriminerend”, zegt Moorman. Diederik Boomsma van het Amsterdamse CDA ziet het daarentegen als een grote vrijheid dat iedereen zich mag organiseren. Daar hoort ook bij dat je zelf bepaalt wie er wel en niet bij hoort.
“Voor ons is het juist heel belangrijk dat we kunnen selecteren”, beaamt docente Emma de Bruijne van gereformeerde school Veerkracht. Als ouders hun kind bij die school aanmelden gaat een speciale identiteitscommissie op huisbezoek om te bepalen of het kind wel op de school past. De Bruijne: “Voor ons vallen opvoeding en geloof samen, daarom is het fijn als alle kinderen die bij ons op school zitten ook thuis veel met God bezig zijn en vaak naar de kerk gaan.” Veerkracht staat in een wijk waar veel moslims wonen, als die zich aanmelden worden ze geweigerd. “Zij zouden zich op onze school ook helemaal niet prettig voelen.”
Alleen nog maar Suikerfeest vieren

De afgebeelde kinderen hebben niets te maken met de scholen die in het artikel voorkomen / foto Flickr, Ryan Orr
Een paar straten verderop staat de katholieke basisschool Sint Henricus [18]. Daar zijn islamitische kinderen wel welkom. “We voeren een intakegesprek om kennis te maken, maar het is nog nooit voorgekomen dat een leerling niet werd toegelaten”, vertelt Henneke Zwarts. Zij geeft er al 23 jaar les en zag hoe de school in Slotermeer veranderde van een blanke nonnenschool in een multiculturele school waar elk geloof uitgebreid aandacht krijgt. Docenten hoeven niet gedoopt te zijn maar moeten wel affiniteit hebben met het katholicisme. Zwarts: “Wij werken nog wel vanuit de katholieke normen en waarden zoals wederzijds respect.” Ze vindt het wel belangrijk dat het een katholieke school blijft. “Anders ben ik bang dat onze waarden nog meer zullen vervagen en dan ben je op een gegeven moment alleen nog maar het Suikerfeest aan het vieren”.
Wiebe Brouwer, rector van het Montessori Lyceum Amsterdam [19] snapt de discussie wel. “Levensbeschouwing is nu eenmaal niet meer het fundament van de samenleving.” Wel zou hij het betreuren als afschaffing van Artikel 23 betekent dat Algemeen Bijzondere Scholen zoals Dalton, Jenaplan en Montessorischolen ook niet meer in aanmerking komen voor financiële gelijkstelling. Hij hecht veel waarde aan het eigen pedagogisch principe van zelfstandig leren en wil die vrijheid graag behouden.
Hoewel de kwaliteit van onderwijs een van de motieven is om Artikel 23 af te schaffen, is het maar de vraag of het de prestaties van leerlingen ten goede zal komen. “Onderzoek heeft aangetoond dat eigenheid autonomie leidt tot betere prestaties”, zei hoogleraar onderwijsrecht Jan de Groof tijdens het congres over bijzonder onderwijs dat de Onderwijsraad onlangs organiseerde. Hij pleit dan ook voor behoud van de vrijheid op onderwijs. De voorzitter van de Onderwijsraad, Geert ten Dam, liep tijdens datzelfde congres alvast wat vooruit op het advies dat zij aan het einde van dit jaar zal uitbrengen: “Financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs is de principiële erkenning dat Nederland een land van minderheden is. Die diversiteit was er in 1917 en die is er nog steeds.”
Article printed from Nieuw Amsterdams Peil: http://napnieuws.nl
URL to article: http://napnieuws.nl/2011/10/28/laait-de-schoolstrijd-opnieuw-op/
URLs in this post:
[1] www.popupsquare.nl: http://www.popupsquare.nl/
[2] Selexyz: http://www.selexyz.nl
[3] Athenaeum: http://www.athenaeum.nl
[4] bol.com: http://www.bol.com
[5] amazon.com: http://www.amazon.com
[6] CPNB: http://www.cpnb.nl
[7] Linnaeus Boekhandel: http://www.linnaeusboekhandel.nl/
[8] De Nieuwe Boekhandel: http://www.denieuweboekhandel.nl/
[9] emancipatiemachine: http://www.amsterdam.nl/gemeente/college/individuele_pagina%27s/maarten_van/cv_maarten_van/cv_maarten_van/?
[10] Image: http://napnieuws.nl/wp-content/uploads/2011/10/PlaatjeGentrification1Groot.jpg
[11] Image: http://napnieuws.nl/wp-content/uploads/2011/10/PlaatjeGentrification2Groot.jpg
[12] publicaties : http://www.flexmens.org/drupal/?q=merijn_oudenampsen?
[13] sociologisch onderzoek: http://napnieuws.nlwww.justusuitermark.nl/files/uitermark-duyvendak+scheffer.pdf
[14] Image: http://www.zemanta.com/
[15] : http://www.gbsveerkracht.nl/
[16] Artikel 23: http://nl.wikipedia.org/wiki/Schoolstrijd_%28Nederland%29#Artikel_23_van_de_Nederlandse_grondwet
[17] Onderwijsraad : http://www.onderwijsraad.nl/
[18] Sint Henricus: http://www.stkba.nl/sthenricus/
[19] Montessori Lyceum Amsterdam: http://www.montessorilyceumamsterdam.nl/?tabid=195
Click here to print.
Copyright © 2009 Nieuw Amsterdams Peil. All rights reserved.